Op 11 February 2026 heeft de Rechtbank Limburg een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 03.180199.25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBLIM:2026:2522. De plaats van zitting was Roermond.
RECHTBANK LIMBURG
Parketnummers: 03/180199-25; 03/162625-24 (tul)
Vonnis van de meervoudige kamer van 11 februari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1980,
thans gedetineerd in [PI] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. O.J. Much, advocaat kantoorhoudende te Rotterdam.
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 februari 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte van 1 januari 2025 tot en met 12 juni 2025 in de gemeente Maastricht al dan niet samen met anderen, opzettelijk:
feit 1: cocaïne en/of heroïne heeft uitgevoerd;
feit 2: heeft gehandeld in cocaïne en/of heroïne;
feit 3: cocaïne en/of heroïne aanwezig heeft gehad.
Overwegingen
3
De beoordeling van het bewijs
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten. Volgens haar is de verdachte onderdeel geweest van een organisatie die zich bezighield met drugshandel in Maastricht en heeft hij samen met anderen verdovende middelen uitgevoerd, verhandeld en opzettelijk aanwezig gehad. Deze organisatie beheerde een bestel-telefoonlijn voor drugs die bekend stond als de ‘ [naam 1] ’. De officier van justitie heeft aangevoerd dat uit de camerabeelden in het dossier blijkt dat de verdachte vanaf april 2025 bij de drugshandel betrokken is geweest. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten dat de verdachte al vóór april 2025 daarbij betrokken is geweest. Dat maakt dat de periode van 1 april 2025 tot en met 12 juni 2025 bewezen verklaard kan worden.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de verdachte vrij te spreken van het onder 1 tenlastegelegde feit, omdat de verdachte niet zelf drugs heeft uitgevoerd. Zijn medeverdachten hebben drugs verkocht aan Belgische gebruikers die daar vervolgens mogelijk de grens mee overgingen. De verdachte heeft echter geen wezenlijke bijdrage geleverd aan deze verlengde uitvoer van drugs, noch in de vorm van een gezamenlijke uitvoering noch anderszins. De officier van justitie lijkt het bewijs voor medeplegen te construeren aan de hand van deelname aan een criminele organisatie, maar dat is niet aan de verdachte ten laste gelegd. Ten aanzien van feit 2 en feit 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
(Voetnoot 1)
Vrijspraak feit 1
Het dossier bevat geen bewijs voor concrete drugstransacties van de verdachte met Belgische klanten. De ‘ [naam 1] ’ die de verdachte niet zelf beheerde, maar waarvoor hij slechts runner was, werd ook benaderd door Belgische klanten. Er zijn echter geen aanwijzingen voor contacten met of anderszins betrokkenheid van de verdachte met Belgische afnemers. Het enkele feit dat de verdachte voor deze lijn drugsrunner was in Maastricht, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat hij daarmee automatisch ook medepleger is van de (verlengde) uitvoer van cocaïne en/of heroïne. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van feit 1.
Bewijsmiddelen feit 2 en feit 3
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte in de periode van 1 april 2025 tot en met 12 juni 2025 samen met anderen heeft gedeald in cocaïne en heroïne en dat hij samen met anderen opzettelijk cocaïne en heroïne , waaronder 1.126,23 gram heroïne en 148,03 gram cocaïne, aanwezig heeft gehad. Omdat door of namens de verdachte geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat hij tussen 1 april en 12 juni 2025 cocaïne en heroïne heeft gedeald; (Voetnoot 2)
- het proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de beschrijving van de beelden op de observatiecamera’s; (Voetnoot 3)
- het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het telefoonnummer van de [naam 1] ; (Voetnoot 4)
- het proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de waarneming door verbalisanten van een drugsdeal door de verdachte; (Voetnoot 5)
- de processen-verbaal van bevindingen, waarin telefoongesprekken zijn uitgewerkt die werden gevoerd door de verdachte; (Voetnoot 6)
- het proces-verbaal van de doorzoeking van de woning [adres] , met daarin de bevindingen over het aantreffen en de inbeslagname van vier partijen drugs; (Voetnoot 7)
- het proces-verbaal van aanhouding verdachte met daarin de bevindingen over het aantreffen van meerdere zakjes wit en bruin poeder; (Voetnoot 8)
- de kennisgevingen van inbeslagneming van 12 juni 2025; (Voetnoot 9)
- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen; (Voetnoot 10)
- de rapporten van het NFI; (Voetnoot 11)
- het proces-verbaal vooronderzoek lab; (Voetnoot 12)
- de rapporten van het TMFI; (Voetnoot 13)
- de verklaring van [naam 2] . (Voetnoot 14)
De rechtbank overweegt in het bijzonder nog over de partij van 1.217,35 gram heroïne en cocaïne aangetroffen aan in de woning aan het [adres] in Maastricht dat DNA dat overeenkomt met het DNA van de verdachte is aangetroffen op verpakkingen waarin deze verdovende middelen zaten en dat de bewoner - getuige [naam 2] - heeft verklaard dat de verdachte de middelen in deze woning heeft neergezet.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
t.a.v. feit 2:
in de periode van 1 april 2025 tot en met 12 juni 2025 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
t.a.v. feit 3:
in de periode van 1 april 2025 tot en met 12 juni 2025 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad meerdere hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, waaronder 1.274,26 gram (56,91 gram aangetroffen bij [verdachte] en 1.217,35 gram aangetroffen in de woning [adres] te Maastricht), zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
t.a.v. feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
t.a.v. feit 3:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5
De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een contactverbod met de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [naam 2] .
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de proceshouding van de verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd. De verdachte was namelijk verslaafd en kwetsbaar.. De raadsman acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf passend. Een voorwaardelijke gevangenisstraf kan verdachte er van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De raadsman pleit er bovendien voor om reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde op te leggen. De verdachte is nu afgekickt, maar zal als hij uit detentie komt de ondersteuning van de reclassering hard nodig hebben om niet terug te vallen in zijn verslaving.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de handel in cocaïne en heroïne. Als zogenaamde ‘drugsrunner’ heeft hij een essentiële bijdrage geleverd aan het in stand houden van het criminele drugscircuit met alle kwalijke neveneffecten van dien. Hij deed dit naar eigen zeggen om in zijn eigen verslaving te kunnen blijven voorzien.
De verdachte heeft een uitgebreid strafblad van 30 pagina’s lang. Uit het reclasseringsadvies volgt dat het delictgedrag van de verdachte grotendeels voortkomt uit zijn middelengebruik waar hij al ruim 20 jaar mee kampt. De verdachte liep in een proeftijd ten tijde van het plegen van de feiten. Intussen zit hij iets meer dan acht maanden in voorarrest. In die tijd is hij afgekickt van de drugs en maakt hij het zichtbaar beter. De verdachte verklaarde dat het goed met hem gaat, dat hij niet weer terug wil vallen in zijn verslaving, dat hij een bewindvoerder heeft en dat hij van plan is om tijdelijk weer bij zijn ouders te gaan wonen en te gaan werken zodra hij uit detentie is.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de kans op herhaling nog wel aanwezig is.
De rechtbank heeft gezien dat de reclassering al diverse malen heeft geprobeerd de verdachte te begeleiden. Dit echter zonder duurzaam resultaat vanwege de hardnekkige verslavingsproblematiek. Gezien de periode waarin de verdachte nu van de drugs af is, acht de rechtbank het desondanks de moeite waard om de verdachte enig toezicht en begeleiding te bieden als hij de gevangenis verlaat. Het is daarom van belang dat de verdachte wordt begeleid door de reclassering en een contactverbod krijgt met de hoofdverdachten en opdrachtgevers in deze zaak. Zelf verklaarde de verdachte dat hij begrijpt hoe waardevol het reclasseringstoezicht is en dat hij alle vorm van hulp accepteert.
De rechtbank komt tot een lagere straf dan gevorderd door de officier van justitie, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring is gekomen. Voor de verdachte moet wel duidelijk zijn dat zijn gedrag onaanvaardbaar is, dat hij op meerdere momenten andere beslissingen had kunnen en moeten nemen en dat hij het geduld van hulpverleners erg op de proef heeft gesteld.
Alle omstandigheden afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden passend. De rechtbank zal een deel van die straf, 3 maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van een meldplicht en een contactverbod met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
7
De vordering tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 22 mei 2024 is de verdachte door de politierechter in de rechtbank Limburg veroordeeld voor diefstal waarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaren is opgelegd.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
Bij schriftelijke vordering van 26 november 2025 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de hiervoor genoemde voorwaardelijk opgelegde straf, omdat de verdachte de algemene voorwaarde heeft overtreden door zich schuldig te maken aan nieuwe strafbare feiten. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen vanwege de ouderdom en de aard van het aan de vordering tot tenuitvoerlegging ten grondslag liggende feit.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van de voorwaardelijke straf schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en dat hij daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. In beginsel is de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke straf dan ook op zijn plaats, maar de rechtbank vindt dat nu niet meer passend. De straf waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd is namelijk opgelegd voor een geheel andersoortig delict (diefstal) dan de bewezenverklaarde feiten in de onderhavige strafzaak (Opiumwet) en inmiddels lang geleden gepleegd.
In het dossier bevindt zich en beslaglijst met daarop een geldbedrag, diverse verdovende middelen en een weegschaal.
De rechtbank zal de verdovende middelen onttrekken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. De weegschaal zal de rechtbank verbeurd verklaren, omdat het een voorwerp is dat tot het begaan van het misdrijf is bestemd als bedoeld in artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht. Het geldbedrag van 90,- euro zal de rechtbank ook verbeurd verklaren, omdat de wijze waarop het geldbedrag is aangetroffen (verdachte hield het geld in zijn handen, terwijl hij in zijn kleding meerdere zakjes verdovende middelen had verstopt en een heuptasje bij zich droeg met daarin een weegschaal) erop duidt dat de verdachte het geldbedrag uit de baten van het strafbare feit heeft verkregen.
9
De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
- spreekt de verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde feit;
verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte voor feit 2 en feit 3 tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:
1. [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1989 te [geboorteplaats 2] ;
2. [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1989 te [geboorteplaats 3] (Marokko);
geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen:
90,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL2300-2025008687-G1813039 (IBN 12-06-25));
1 STK Weegschaal (Omschrijving: PL2300-2025008687-G1813070, zwart);
- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:
13 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL2300-2025008687-G1813034);
57 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL2300-2025008687-G1813036, wit);
Vordering tot tenuitvoerlegging
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Limburg van 22 mei 2024, gewezen onder parketnummer 03/162625-24;
Voorlopige hechtenis
- heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter, mr. L. Feuth en mr. S.S. Vijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Bongers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 februari 2026.
Buiten staat
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
t.a.v. feit 1:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 12 juni 2025 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), één of meerdere hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
t.a.v. feit 2:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 12 juni 2025 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, één of meerdere hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
t.a.v. feit 3:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 12 juni 2025 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad meerdere hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, waaronder ongeveer 1.274,26 gram (56,91 gram aangetroffen bij [verdachte] en 1.217,35 gram aangetroffen in de woning [adres] te Maastricht), zijnde cocaïne en/of heroïne, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voetnoot
Voetnoot 1
Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, onderzoek MOKER, onderzoeksnummer LB3R025007, gesloten op 23 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 357.
Voetnoot 2
De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 11 februari 2026.
Voetnoot 3
Proces-verbaal van bevindingen van 6 juni 2025, p. 71, 74-75.
Voetnoot 4
Proces-verbaal van bevindingen van 31 juli 2025, p. 56.
Voetnoot 5
Proces-verbaal van bevindingen van 23 mei 2025, p. 69-70.
Voetnoot 6
Proces-verbaal van bevindingen van 13 juni 2025, p. 134-135, proces-verbaal van bevindingen van 13 juni 2025, p. 136 en proces-verbaal van bevindingen van 21 juni 2025, p. 138-143.
Voetnoot 7
Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 12 juni 2025, p. 190-193.
Voetnoot 8
Proces-verbaal van aanhouding verdachte van 12 juni 2025, p. 25.
Voetnoot 9
Kennisgeving van inbeslagneming (G1813034 en G1813036), p. 225-226.
Voetnoot 10
Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 20 juni 2025, p. 283-304.
Voetnoot 11
Rapport NFiDENT, p. 306-320.
Voetnoot 12
Proces-verbaal vooronderzoek lab van 23 juni 2025, p. 246-250.
Voetnoot 13
Rapport Forensisch DNA-onderzoek van 26 juni 2025, p. 255-258 en Rapport Forensisch DNA-onderzoek van 7 juli 2025, p. 268-270.
Voetnoot 14
Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 2] van 12 juni 2025, p. 168.