Rechtbank Limburg, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBLIM:2026:5123

Op 22 May 2026 heeft de Rechtbank Limburg een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 03.127700.25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBLIM:2026:5123. De plaats van zitting was Maastricht.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
03.127700.25
Datum uitspraak:
22 May 2026
Datum publicatie:
22 May 2026

Indicatie

Veroordeling voor het voorhanden hebben van een geladen gaspistool en de eendaadse samenloop van poging tot diefstal met geweld in vereniging en de poging tot afpersing in vereniging. Jeugdstrafrecht. Jeugddetentie van 120 dagen waarvan 50 dagen voorwaardelijk

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht, jeugdstrafrecht

Parketnummer: 03/127700-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 22 mei 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] (Eritrea),

nu verblijvende bij [instelling 1] ,

[adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.F.E. Sprenkels, advocaat in Beek.

1
Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 24 maart 2026 en 8 mei 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Tevens zijn gehoord de ouders van de verdachte en een vertegenwoordiger van de jeugdreclassering en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

[naam] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens hem is gehoord mr. A.F.G. Pennino, advocaat in Kerkrade. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feiten 1 en 2: samen met een ander heeft geprobeerd een roofoverval op [naam] te plegen;

Feit 3: heeft geprobeerd om aan [naam] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 4: een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

Overwegingen

3
De beoordeling van het bewijs
3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen. In het bijzonder heeft zij daartoe het volgende aangevoerd.

[verdachte] en zijn medeverdachte wilden aanvankelijk een scooter stelen, vervolgens hebben zij het slachtoffer willen dwingen tot afgifte van die scooter, om tot slot weer te proberen de scooter te stelen. Zodoende is sprake van zowel poging tot diefstal (feit 1) als poging tot afpersing (feit 2), in eendaadse samenloop. Daarbij heeft [verdachte] van dichtbij met een gaspistool geschoten (feit 3), wat heel gevaarlijk kan zijn.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 2. Uit het dossier volgt niet dat [verdachte] en zijn medeverdachte de mogelijkheid hebben gehad om de scooter daadwerkelijk zelf weg te nemen, omdat zij door de worsteling met het slachtoffer niet in (de buurt van) de tuin van het slachtoffer zijn gekomen alwaar de scooter zich kennelijk bevond. Zodoende moet een vrijspraak volgen voor feit 1. Subsidiair is sprake van eendaadse samenloop van de feiten 1 en 2.

Bij gebrek aan opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en omdat door met knalpatronen te schieten geen zwaar lichamelijk letsel kan worden toegebracht, dient vrijspraak voor feit 3 te volgen.

Ten aanzien van feit 4 refereert de verdediging zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank  (Voetnoot 1)

Bewijsmiddelen feiten 1 en 2

De aangifte van [naam], pagina’s 47 tot en met 49, vermeldt – zakelijk weergegeven – het volgende:

Plaats delict: Bethlehemweg, Maastricht

Pleegdatum: 23 april 2025

Ik ben de eigenaar van een motorscooter van het merk Piaggio, Skipper, 172 CC. Sinds 7 maart 2025 heb ik de scooter op mijn facebookpagina te koop staan. Op 20 april 2025 kreeg ik via Messenger een bericht dat iemand was geïnteresseerd in de scooter. Er werden meerdere berichten gestuurd en uiteindelijk kreeg ik, vandaag, 23 april 2025 bericht dat hij rond 17:30 uur wilde komen. Ik heb toen ook mijn adres doorgegeven.

Ik zag komende uit de richting van de Bethaniëstraat twee jongens lopen. Ik vertrouwde het gelijk niet. Ik zag dat het een zwarte jongen en een blonde jongen waren. De zwarte jongen had de capuchon van zijn jas over zijn hoofd getrokken tot over zijn ogen en had een kol of iets dergelijks voor zijn mond. De blonde jongen had ook een capuchon over zijn hoofd getrokken. Ze keken naar beneden, niet in mijn richting. Ze liepen naar het einde van de Bethlehemweg en sloegen de brandgang in van onze straat.

Toen ik de brandgang inliep, stonden ze eigenlijk gelijk voor mijn neus. Ik vroeg wat ze hier te doen hadden. Ze zeiden dat ze gewoon wat aan het rondlopen waren. Ik zei: “laat je telefoon zien” en toen gaven ze toe dat ze voor de scooter kwamen. Ik zei dat ze hun geld moesten laten zien en dat ik dan mijn scooter zou pakken. De donkere jongen zei dat ze hem echt wilden kopen. Echter op dat moment hoorde ik dat de zwarte jongen tegen de blonde jongen zei: “pak het, pak het eruit”. Op het moment dat de zwarte jongen dat zei, zag ik dat de blonde jongen uit zijn rechterjaszak een op een vuurwapen gelijkend voorwerp pakte. Ik zag dat hij het gewoon vasthield; hij deed er eigenlijk niks mee. Ik zag dat de zwarte jongen het vuurwapen afpakte van de blonde jongen. Ik zag dat de zwarte jongen het wapen eerst op de grond richtte en met de slede een beweging naar achteren maakte, alsof hij het wapen laadde. Ik zag dat er een patroon uitkwam. Dit deed hij nog een keer. Daarna zag ik dat de zwarte jongen gelijk het vuurwapen op mij richtte. Hij zei dat ik de scooter moest gaan pakken. We liepen naar mijn achtertuin. Toen we vlakbij mijn tuin waren, vroeg de blonde jongen waar de sleutels waren. Ik wilde hem dichterbij krijgen en ik zei: “kom maar”. Ik deed alsof hij dan zelf de sleutel moest pakken en in mijn kleren zou moeten zoeken. De blonde jongen kwam dichterbij; de zwarte jongen bleef wat op afstand, maar kwam ook iets dichterbij. Op het moment dat de blonde jongen dicht bij mij stond, greep ik hem met mijn rechterhand bij zijn nek. Met mijn linkerhand greep ik naar het vuurwapen dat de zwarte jongen vasthield. De zwarte jongen trok het vuurwapen gelijk weg. Ik had er geen goede grip op en de zwarte jongen trok het wapen uit mijn hand. Ik had wel nog die blonde jongen vast; hij had mij ook vast. Toen hoorde ik dat de zwarte jongen zei dat ik los moest laten, anders zou hij schieten. Ik zag dat hij weer het wapen laadde; er kwam weer een patroon uit. Ik bewoog toen niet meer, omdat die zwarte jongen zei dat hij zou schieten. Ik zag en hoorde dat de zwarte jongen met het vuurwapen één keer in de lucht schoot. Daarna zag ik dat hij het vuurwapen op mijn benen richtte en dat hij weer schoot.

Op een gegeven moment lag de blonde jongen op de grond; ik lag op hem en de zwarte jongen stond over mij heen. Ik voelde en hoorde dat het vuurwapen weer afging. Ik voelde een flits en geluid langs mijn rechterkant van het gezicht gaan. Het was een harde knal. Dat was het moment dat ik mij omdraaide en het vuurwapen vastgreep. Ik greep het wapen met twee handen vast en kon het vuurwapen van de zwarte jongen afpakken.

De medeverdachte [medeverdachte] verklaarde bij de politie, pagina’s 188 tot en met 190 – zakelijk weergeven – als volgt:

Ik ben scootermonteur geweest. [verdachte] vroeg of ik veel van scooters af wist. Ik zei dat dat klopte. Hij zei dat hij een scooter had gezien in Maastricht waar hij heen wilde om te kijken. Hij vroeg of ik mee wilde en ik zei dat dat goed was. We zijn naar Maastricht gereden met mijn auto. Onderweg vertelde [verdachte] dat hij voor de zekerheid wat had meegenomen. Toen we er bijna waren, gaf [verdachte] mij het wapen. Ik heb het wapen aangenomen en toen zijn we uitgestapt. [verdachte] zei dat de man buiten zou staan met de scooter. We zijn het paadje ingelopen dat achter de woning van die man doorloopt. De man vroeg of we de scooter wilden gaan stelen. [verdachte] zei: “ [medeverdachte] , pak dat ding”. Ik pakte dat ding, dat pistool. Die man kwam op ons af toen ik dat ding vasthield. [verdachte] zei: “geef dat ding hier, geef dat ding hier”. Ik gaf het wapen aan [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] het wapen op de man richtte. Ik zag dat de man zijn handen omhoog deed. Ik hoorde [verdachte] zeggen: “pak de sleutels” of “geef me de sleutels van de poort” of zoiets. Ik zag dat de man ook met zijn hand in zijn zak ging. Ik wilde dat eruit gaan pakken. Ik ging naar de man toe. Toen werd het echt worstelen. [verdachte] had nog steeds dat wapen in zijn hand en ik hoorde [verdachte] zeggen: “blijf van hem af, blijf van hem af”. Ik zag dat [verdachte] het wapen met zijn arm omhoog stak en zag en hoorde dat [verdachte] in de lucht schoot. Hij schoot één keer in de lucht. De man liet mij toen los. Ik zag dat [verdachte] het wapen naar voren richtte naar het hoofd van de man. Ik zag en hoorde dat [verdachte] toen schoot.

De verdachte verklaarde ter terechtzitting van 24 maart 2026 – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik was op 23 april 2025 samen met [medeverdachte] vanuit Eygelshoven naar Maastricht gereden. Wij wilden een scooter stelen. Ik had op voorhand contact met de verkoper. Hij had mij zijn adres gestuurd. Toen wij naar het adres toe liepen, zag ik de verkoper buiten voor het huis staan. Wij liepen naar het gangetje achter het huis. De verkoper zei toen: “laat je telefoon zien”. Ik zei tegen [medeverdachte] : “doe iets”. [medeverdachte] pakte toen het pistool. Ik heb één keer met het wapen op het been van de verkoper geschoten en één keer in de lucht, naar boven.

Bewijsoverweging feiten 1 en 2

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] en zijn medeverdachte zich naast een poging tot afpersing ook schuldig hebben gemaakt aan een poging tot diefstal. Het enkele feit dat [verdachte] en de medeverdachte door de ontstane worsteling met [naam] niet in staat waren om de scooter ook daadwerkelijk weg te nemen, maakt niet dat daardoor geen sprake is geweest van een strafbare poging tot diefstal. De verdachten wilden, zoals [verdachte] heeft verklaard ter terechtzitting, een scooter gaan stelen. Er was contact gezocht met een verkoper, er was een afspraak gemaakt en de verdachten hebben zich, voorzien van een geladen gaspistool en van (deels) gezichtsbedekkende kleding, naar de brandgang achter de woning van de verkoper begeven. Daar hebben ze geprobeerd de sleutels/scooter te bemachtigen, deels door dit zelf te doen, deels door de verkoper tot afgifte ervan te dwingen.

Gelet op het plan dat er was om een scooter te gaan stelen en de handelingen die de verdachten verricht hebben en die niet anders gezien kunnen worden dan te zijn gericht op de voltooiing van de diefstal, is hier sprake geweest van een poging tot diefstal van de scooter. Het is enkel bij een poging gebleven, omdat [naam] zich heeft verzet. Het verweer van de raadsman wordt op dit punt verworpen.

De rechtbank is wel van oordeel dat de combinatie van de feiten eendaadse samenloop oplevert. De onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde gedragingen leveren namelijk een zodanig samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op, dat [verdachte] daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt.

Vrijspraak feit 3

Met de raadsman – en anders dan de officier van justitie – is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [naam] , zodat [verdachte] hiervan zal worden vrijgesproken. Uit het dossier volgt namelijk onvoldoende vanaf waar en welke afstand [verdachte] schoten heeft gelost richting [naam] . Hoewel de medeverdachte verklaart over een afstand van circa 60 cm acht de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten aanwezig om vast te stellen dat er een aanmerkelijke kans was dat [naam] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen als gevolg van het schieten met het gaspistool. In dat verband is mede van belang dat het door de officier van justitie genoemde rapport Letselpotentie gaswapens uitsluitend gewag maakt van gevaar voor penetrerend letsel bij contactschoten of schoten van zeer dichtbij. Of dit gevaar zich ook kan voordoen bij een afstand van 60 cm is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende komen vast te staan.

Bewijsmiddelen feit 4

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad. Omdat [verdachte] hierover een bekennende verklaring heeft afgelegd en namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank op grond van artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering met een opgave van de bewijsmiddelen:

de bekennende verklaring van [verdachte] , zoals afgelegd ter terechtzitting van 24 maart 2026;

de kennisgeving van inbeslagname van 24 april 2025, pagina’s 120 en 121;

het proces-verbaal wapenbeschrijving van 12 juni 2025, pagina’s 132 tot en met 141.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

feit 1:

op 23 april 2025 in de gemeente Maastricht op de openbare weg, de brandgang grenzend aan de Bethlehemweg, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om een scooter die aan [naam] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en te doen volgen van geweld en bedreiging met geweld tegen [naam] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- [naam] een vuurwapen heeft getoond,

- met een vuurwapen in de lucht heeft geschoten,

- met een vuurwapen op en in de richting van het lichaam van [naam] heeft gericht en geschoten, en

- daarbij aan [naam] heeft gevraagd - zakelijk weergegeven - waar de sleutels waren,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2:

op 23 april 2025 in de gemeente Maastricht op de openbare weg, de brandgang grenzend aan de Bethlehemweg, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [naam] te dwingen tot de afgifte van een scooter en een sleutel van die scooter, die aan [naam] toebehoorden,

- [naam] een vuurwapen heeft getoond,

- met een vuurwapen in de lucht heeft geschoten,

- met een vuurwapen op en in de richting van het lichaam van [naam] heeft gericht en geschoten, en

- daarbij tegen [naam] heeft gezegd - zakelijk weergegeven - dat [naam] de scooter moest gaan pakken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 4:

op 23 april 2025 te Maastricht een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (gaspistool) van het merk Umarex, type Glock 17 generatie 5, kaliber 9 millimeter P.A.K., zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 9 stuks Pobjeba van het kaliber 9 millimeter P.A.K., voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4
De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

poging tot diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

in eendaadse samenloop gepleegd met feit 2:

poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 4:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5
De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6
De straf
6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een jeugddetentie op te leggen van 120 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 50 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht te volstaan met een jeugddetentie die qua duur gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest en een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

[verdachte] had samen met [medeverdachte] het plan opgevat om een scooter te stelen, waarbij hun oog was gevallen op de scooter van [naam] . Om hun handelen kracht bij te zetten, hadden zij een geladen gaspistool bij zich. Een pistool dat ook daadwerkelijk door [verdachte] werd gebruikt toen hun plan, vanwege verzet van [naam] , in duigen dreigde te vallen. Het is over-duidelijk dat dit gedrag niet door de beugel kan. Niet alleen hadden [verdachte] en [medeverdachte] nooit mogen proberen om de scooter van [naam] te stelen, maar bovendien heeft [verdachte] , door met het gaspistool te schieten en te dreigen, geen enkel oog gehad voor de gevolgen daarvan voor [naam] . Voor deze moet de situatie buitengewoon beangstigend zijn geweest. Hij wist immers niet dat sprake was van een gaspistool en heeft moeten vrezen voor zijn leven.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank ook gekeken naar straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Voor het voorhanden hebben van een vuurwapen is het vertrek-punt een jeugddetentie vanaf 6 weken; dat het wapen geladen was, is strafverzwarend. Daar komt nog de eendaadse samenloop van de poging tot diefstal met geweld in vereniging en de poging tot afpersing in vereniging bij. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie van enkele maanden is daarmee het uitgangspunt.

Uit de adviezen van de Raad van 18 maart 2026 en (de aanvulling van) 23 april 2026 blijkt dat er sinds eind 2025 toenemende zorgen zijn rondom [verdachte] . Hij luisterde thuis minder goed, hield zich niet meer aan de afspraken en bepaalde steeds meer zelf wat hij deed. Het gevolg was dat [verdachte] meer op straat was zonder toezicht; daar startte hij ook met soft-drugsgebruik. [verdachte] is vervolgens zijn bijbaantje verloren, is gestopt met voetballen en werd uiteindelijk ook van de praktijkschool gestuurd.

De toenemende zorgen rond het gedrag en de houding van [verdachte] werden ook duidelijk in het voortraject van deze zaak. De voorlopige hechtenis van [verdachte] was geschorst, maar deze schorsing werd tot twee keer toe opgeheven omdat [verdachte] zich niet aan de voorwaarden hield. Zodoende is [verdachte] ook weer in de JJI beland. Maar ook daar ging het niet goed. Sinds 16 maart 2026 heeft [verdachte] namelijk in de JJI psychotische kenmerken laten zien, waarvoor inname van antipsychotica noodzakelijk was om weer te stabiliseren. De voorlopige hechtenis werd op 27 maart 2026 opgeheven. En hoewel [verdachte] , voor zover bekend bij de jeugdreclassering, zijn medicatie inneemt, lijkt dit onvoldoende effect te hebben op zijn psychiatrisch toestandsbeeld. Daarbij heeft hij weer meermaals softdrugs gebruikt, is hij meermaals van huis weggegaan en worden zijn ouders overvraagd. De kans op herhaling wordt ingeschat als hoog en een opname van [verdachte] binnen de GGZ is volgens de jeugd-reclassering dringend noodzakelijk. Geadviseerd wordt om een jeugddetentie op te leggen die qua duur gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke werkstraf, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden.

Op de zitting heeft de vertegenwoordiger van de jeugdreclassering naar voren gebracht dat op 6 mei 2026 een zorgmachtiging is verleend voor de duur van zes maanden. [verdachte] is opgenomen bij [instelling 1] , maar deze instelling betwijfelt of zij de geschikte hulp kan bieden. Indien dat niet het geval blijkt, wordt gekeken naar opname binnen de GGzE de Catamaran, omdat zij daar (ook) op forensisch gebied met [verdachte] aan de slag kunnen gaan. Volgens de vertegenwoordiger is er op dit moment veel weerstand bij [verdachte] .

De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat een jeugddetentie gelijk aan het ondergane voorarrest in combinatie met een voorwaardelijke taakstraf, zoals geadviseerd door de Raad en verzocht door de raadsman, geen recht doet aan de ernst van de feiten. Conform de eis van de officier van justitie zal de rechtbank [verdachte] veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 50 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd. Eén van deze voorwaarden houdt in dat [verdachte] meewerkt aan alle behandeladviezen binnen de GGZ. De rechtbank voegt hieraan toe dat bij een verslechtering van het psychiatrisch ziektebeeld de jeugdreclassering een indicatiestelling kan aanvragen voor een kortdurende klinische opname. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie dan een kortdurende opname indiceert, zal [verdachte] zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt. [verdachte] is nu namelijk ingebed in de zorg middels een zorgmachtiging bij [instelling 1] , maar met het oog op het inperken van de kans op herhaling, moet, bij een verslechtering van het psychiatrisch ziektebeeld, de mogelijkheid bestaan dat [verdachte] kan worden behandeld in een meer forensische setting.

7
De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
7.1

De vordering van de benadeelde partij (feiten 1 en 2)

[naam] , bijgestaan door mr. A.F.G. Pennino, vordert – na schriftelijke vermeerdering van eis op 19 maart 2026 – een hoofdelijk toe te wijzen schadevergoeding van 10.938,35 euro, bestaande uit 6.938,35 euro aan materiële schade en 4.000 euro aan immateriële schade. De gevorderde materiële schade is opgebouwd uit de volgende schadeposten:

medicatie (paracetamol en ibuprofen): 162,09 euro;

eigen risico: 385 euro;

verlies aan arbeidsvermogen: 6.391,26 euro.

De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en hoofdelijk kan worden toegewezen met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij in de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren, omdat geen sprake is van een vordering van eenvoudige aard, waardoor de behandeling ervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreekse schade is toegebracht. Anders dan de raadsman van [verdachte] is de rechtbank van oordeel dat het behandelen van de gevorderde materiële schade geen onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De rechtbank stelt namelijk vast dat de benadeelde partij de schadeposten overzichtelijk heeft weergegeven en beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. De benadeelde partij zal dan ook worden ontvangen in de vordering, ook voor het deel dat ziet op de materiële schade.

Dat de benadeelde het eigen risico heeft moeten betalen, is voldoende onderbouwd en door de verdediging ook niet weersproken. De rechtbank acht echter enkel 369,93 euro voor toewijzing vatbaar, omdat uit de specificatie van het verbruik van het eigen risico blijkt dat een deel van de kosten voor farmaceutische hulp, te weten 15,07 euro, reeds vóór het bewezen verklaarde feit is gemaakt. Een rechtstreeks verband met het bewezen verklaarde is er daardoor niet en de benadeelde zal voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank acht ten aanzien van de kosten voor medicatie voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde meermalen paracetamol en ibuprofen heeft aangeschaft voor aanhoudende hoofdpijn, maar niet voor een periode van één heel jaar met dagelijks gebruik van zes paracetamol en twee ibuprofen. Ter terechtzitting is immers gebleken dat de benadeelde dagelijks ‘slechts’ twee paracetamol slikt. De omvang van deze post kan daarom niet nauwkeurig worden vastgesteld, zodat de rechtbank de omvang van deze kosten zal schatten en wel op een bedrag van 40 euro; het meergevorderde wordt afgewezen.

Voor wat betreft het verlies aan arbeidsvermogen is de rechtbank van oordeel dat het voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde als gevolg van het bewezen verklaarde enige tijd niet heeft kunnen werken. De rechtbank acht de onderbouwing voor een periode van 18 weken echter onvoldoende. De rechtbank gaat uit van een kortere periode, te weten 4 weken, en wijst derhalve een bedrag van (355,07 euro x 4 weken) 1.420,28 euro toe. De benadeelde wordt in het meergevorderde niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde maakt ook aanspraak op vergoeding van immateriële schade. De aard en ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in persoon ‘op andere wijze’ zonder meer kan worden aangenomen (artikel 6:106 aanhef en onder b BW). De rechtbank heeft voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag gekeken naar de bedragen die in de regel in zaken als deze worden toegewezen. De rechtbank acht dan een vergoeding van 3.000 euro aan immateriële schadevergoeding billijk; het meergevorderde wijst de rechtbank af.

De rechtbank acht de gevorderde schade aldus toewijsbaar tot een bedrag van 4.830,21 euro, bestaande uit 1.830,21 euro aan materiële schade en 3.000 euro aan immateriële schade. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 april 2025 ten aanzien van de immateriële schade en vanaf 22 mei 2026 ten aanzien van de materiële schade. De rechtbank zal de verplichting tot betaling van de schade, waarvoor [verdachte] samen met [medeverdachte] aansprakelijk is, hoofdelijk opleggen.

De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Conform de landelijke afspraken tussen jeugdrechters zal de rechtbank bepalen dat [verdachte] niet kan worden gegijzeld om betaling af te dwingen.

8
Het beslag

Gebleken is dat kleding, munitie, een wapen en een patroonhouder in beslag zijn genomen. De munitie, het wapen en de patroonhouder worden onttrokken aan het verkeer. Dit zijn voorwerpen waarmee het bewezen verklaarde is begaan en deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. De kleding behoort toe aan [naam] en zal aan hem worden teruggegeven nu het strafvorderlijk belang zich hier niet (meer) tegen verzet, met uitzondering van de zipper van de rits (gr. 1799388). Daarvan is niet bekend aan wie het toebehoort en nu er geen relatie bestaat met het bewezen verklaarde, zal de rechtbank hiervan de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

9
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 55, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10
De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het als feit 3 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten tot een jeugddetentie van 120 dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de straf, groot 50 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd:

stelt als bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen, dat hij:

zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode en tijdstippen zal melden, zo frequent en zo lang dat gedurende de proeftijd noodzakelijk wordt geacht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeien afspraken;

meewerkt aan alle behandeladviezen binnen de GGZ (bijv. bij Mondriaan, GGzE de Catamaran of een soortgelijke organisatie) zolang dit door de GGZ-instelling en de jeugdreclassering noodzakelijk wordt geacht.

Bij een verslechtering van het psychiatrisch ziektebeeld kan de jeugdreclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling of stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de jeugd-reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;

zich houdt aan de afspraken die worden gemaakt over middelengebruik en meewerkt aan controles (urine-speeksel-bloed) als dit noodzakelijk wordt geacht door de jeugdreclassering;

meewerkt aan het vinden en behouden van een (binnen zijn mogelijkheden) passende zinvolle dag-/vrijetijdsbesteding in de vorm van school/dagbesteding/werk en sport;

op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal zoeken of hebben met [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 2003, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

geeft aan Stichting Bureau Jeugdzorg in Heerlen, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt

medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

Benadeelde partij [naam] (feiten 1 en 2)

wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [naam] van een bedrag van 4.830,21 euro, bestaande uit 1.830,21 euro aan materiële schade en 3.000 euro aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2025 over de immateriële schade en met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2026 over de materiële schade, tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor zover deze ziet op het meer-gevorderde aan verlies van arbeidsvermogen, te weten (6.391,26 euro – 1.420.28 euro) 4.970,98 euro, en op het meergevorderde aan eigen risico, te weten 15,07 euro, niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst de vordering voor het meergevorderde aan medicatiekosten en immateriële schade af;

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam] van een bedrag van 4.830,21 euro, bestaande uit 1.830,21 euro aan materiële schade en 3.000 euro aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2025 over de immateriële schade en met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2026 over de materiële schade, tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, geen gijzeling zal worden toegepast;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;

Beslag

- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:

1 STK Munitie (G1799380);

1 STK Munitie (G1799385);

1 STK Munitie (G1799386);

1 STK Munitie (G1799387);

1 STK Wapen (G1799351);

1 STK Wapen (G1799352);

9 STK Munitie (G1799350);

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen aan [naam] :

1 STK Jas (G1799389);

1 STK Muts (G1799390);

- gelast de bewaring van het volgende in beslag genomen voorwerp ten behoeve van de rechthebbende:

1 STK Kleding (G1799388).

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.J. Quaedvlieg, voorzitter, mr. M.B. Bax en mr. D.J.E. Hamers-Aerts, rechters en allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Micheels, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 mei 2026.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

T.a.v. feit 1:

hij, op of omstreeks 23 april 2025 in de gemeente Maastricht, op de openbare weg, de (brandgang aangrenzend aan) de Bethlehemweg (te Maastricht), in ieder geval een openbare weg, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een scooter en/of een (of meer) sleutel(s) (van die scooter), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [naam] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- die [naam] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft/hebben getoond, en/of

- met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) in de lucht heeft/hebben geschoten, en/of

- ( op zeer korte afstand) (met) een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op en/of in de richting van (het lichaam van) die [naam] heeft/hebben gericht en/of geschoten, en/of

- ( daarbij) tegen die [naam] heeft/hebben gezegd - zakelijk weergegeven - dat hij, die [naam] , de scooter moest gaan pakken, en/of

- ( daarbij) aan die [naam] heeft/hebben gevraagd - zakelijk weergegeven - waar de sleutels waren,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. feit 2:

hij, op of omstreeks 23 april 2025 in de gemeente Maastricht, op de openbare weg, de (brandgang aangrenzend aan) de Bethlehemweg (te Maastricht), in ieder geval een openbare weg, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam] te dwingen tot de afgifte van een scooter en/of een (of meer) sleutel(s) (van die scooter), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan die [naam] en/of een derde toebehoorde(n),

- die [naam] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft/hebben getoond, en/of

- met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) in de lucht heeft/hebben geschoten, en/of

- ( op zeer korte afstand) (met) een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op en/of in de richting van (het lichaam van) die [naam] heeft/hebben gericht en/of geschoten, en/of

- ( daarbij) tegen die [naam] heeft/hebben gezegd - zakelijk weergegeven - dat hij, die [naam] , de scooter moest gaan pakken, en/of

- ( daarbij) aan die [naam] heeft/hebben gevraagd - zakelijk weergegeven - waar de sleutels waren,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

T.a.v. feit 3:

hij op of omstreeks 23 april 2025 te Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [naam] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen op zeer korte afstand met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op en/of in de richting van (het lichaam van) die [naam] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. feit 4:

hij op of omstreeks 23 april 2025 te Maastricht een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (gaspistool), van het merk Umarex, type Glock 17 generatie 5, kaliber 9 millimeter P.A.K. zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 9 stuks, althans een of meer, Pobjeba van het kaliber 9 millimeter P.A.K. voorhanden heeft gehad;

Voetnoot

Voetnoot 1

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, district Zuid-West-Limburg, proces-verbaalnummer PL2417 BVH:2025065888, gesloten op 26 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 278.