3.3
Het oordeel van de rechtbank
(Voetnoot 1)
Inleiding
Op 26 december 2024 omstreeks 22:17 uur ontving de politie een melding van een steek-incident aan de [Plaatsdelict] . Het slachtoffer zou in de borst zijn gestoken en de verdachte zou nog aanwezig zijn. Ter plaatse zag de politie twee personen, een man en een vrouw, komend vanaf de achtertuin van voornoemd adres. Een van de twee personen hield zijn handen omhoog en gaf aan dat hij degene was die had gestoken. Deze persoon bleek de verdachte te zijn. Het slachtoffer, [Slachtoffer] , had diverse steekwonden in zijn torso. De reanimatie werd opgestart en [Slachtoffer] werd vervoerd naar het ziekenhuis in Maastricht, waar hij later aan zijn verwondingen is overleden.
Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank
De rechtbank zal de verdachte van de primair tenlastegelegde moord vrijspreken en zal het subsidiair tenlastegelegde feit (doodslag) wettig en overtuigend bewezen verklaren. Nu de verdachte de doodslag duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting; (Voetnoot 2)
- het proces-verbaal van verhoor getuige [Getuige 1] ; (Voetnoot 3)
- het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek persoon [Slachtoffer] ; (Voetnoot 4)
- het definitief deskundigenrapport forensische pathologie [naam patholoog] ; (Voetnoot 5)
- het aanvullend deskundigenrapport forensische pathologie [naam patholoog] . (Voetnoot 6)
Het steekincident
Uit de bewijsmiddelen volgt dat er sprake was van een langdurige driehoeksverhouding tussen de verdachte, zijn ex-partner [Getuige 1] (waarmee de verdachte een dochter heeft) en het slachtoffer. Dit leverde veel stress en spanning op bij de verdachte. Op 26 december 2024, Tweede Kerstdag, is de verdachte naar de woning [Getuige 1] gegaan om te controleren of zij hem de waarheid had verteld. Zij zou namelijk, nadat zij die avond bij de familie van het slachtoffer was gaan eten, de relatie met het slachtoffer verbreken. De verdachte heeft enkele uren in zijn auto, die hij buiten het zicht van de woning had geparkeerd, op [Getuige 1] en zijn dochter zitten wachten. Op enig moment is de verdachte in het pad schuin tegenover de woning gaan staan, opdat hij naast de voorkant ook de achterkant van de woning goed kon zien. Toen de verdachte zag dat [Getuige 1] samen met hun dochter én het slachtoffer thuiskwam en naar de voordeur liep, knapte er iets bij hem. Hij wilde niet dat het slachtoffer, volgens hem zwaar verslaafd aan alcohol en heroïne, in dezelfde woning als zijn dochter zou blijven slapen. De verdachte is daarop boos op de voordeur afgerend en heeft op de deur gebonkt. Hij had een mes meegenomen, dat hij in de tuin even op de grond had gelegd. Hij was vastbesloten dat het slachtoffer daar weg moest, al kostte dat zijn eigen leven. De verdachte hoorde dat er binnen minachtend werd gelachen en heeft daarop boos en in een waas het mes dat hij daarvoor op de grond had gelegd, weer gepakt. Hij is vervolgens, gewapend met het mes, de woning ingegaan en is op zoek gegaan naar het slachtoffer. Het slachtoffer was inmiddels de tuin ingevlucht om een confrontatie met de verdachte te voorkomen, maar doordat de tuinpoort op slot zat, kon hij de omheinde tuin niet verlaten. Toen de verdachte het slachtoffer niet in de woning kon vinden, is hij de tuin in gerend. Nadat hij een paar stappen in de richting van de tuinpoort had gezet, zag hij links naast de aanbouw een schim, waarvan hij besefte dat die het slachtoffer betrof. Toen heeft de verdachte het slachtoffer meermalen met het mes in zijn bovenlichaam gestoken. Eén steekletsel leidde tot perforatie van de rechterborstholte, het hart en de rechterlong. Daardoor waren substantieel bloedverlies en functiestoornissen van de rechterlong en de rechter-borstholte ontstaan, die hebben geleid tot het overlijden van het slachtoffer, ongeveer een uur later in het ziekenhuis.
Opzet
De vraag is of bij het toebrengen van dit dodelijke letsel bij de verdachte sprake is geweest van opzet op de dood van het slachtoffer. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.
De verdachte heeft het slachtoffer meermalen met een mes in het bovenlichaam gestoken. In het bovenlichaam bevinden zich vitale organen, zoals het hart en de longen. Het is een algemene ervaringsregel dat een messteek in het bovenlichaam, zelfs met relatief geringe kracht, dodelijk letsel kan veroorzaken. Daar komt bij dat de verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer daar weg moest, al kostte het zijn eigen leven. Kortom: de verdachte heeft het slachtoffer levensbedreigende verwondingen met een mes toegebracht, terwijl het slachtoffer kennelijk ten koste van alles bij verdachtes dochter vandaan moest. Daaruit leidt de rechtbank af dat de verdachte willens en wetens het slachtoffer op dat moment van het leven heeft willen beroven, hetgeen hem ook gelukt is.
Voorbedachte raad
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar hoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
De verdachte heeft vanaf het begin verklaard dat hij naar de woning [Getuige 1] en zijn dochter is gereden om te controleren of [Getuige 1] inderdaad haar relatie met het slachtoffer had beëindigd, (mede) met het oog op de veiligheid van hun dochter; het slachtoffer zou – als verslaafde – in verdachtes ogen namelijk een gevaar (kunnen) vormen voor zijn dochter. Pas toen hij zag dat [Getuige 1] samen met hun dochter én het slachtoffer thuiskwam en naar de voordeur liep, knapte er iets bij hem: het slachtoffer mocht (kennelijk onder geen beding) in dezelfde woning slapen als zijn dochter. Deze lezing volgende kwam pas toen op zijn vroegst de idee bij de verdachte op dat het slachtoffer desnoods dood moest. Uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting zijn er geen objectieve aanwijzingen naar voren gekomen die deze lezing weerspreken en die duiden op een vooraf (tijdens het wachten bij de woning of reeds eerder) genomen en overdacht besluit van de verdachte om het slachtoffer van het leven te beroven. Dat de verdachte een mes meenam op het moment dat hij uit zijn auto stapte en naar de steeg liep om een betere positie voor zijn observatie in te nemen, maakt dat niet anders. Uit het dossier volgt genoegzaam dat dit mes al langer in zijn auto lag en dat hij dit dus niet speciaal voor deze gelegenheid van huis had meegenomen. Daar komt bij dat de verdachte thuis of tijdens het wachten op de komst [Getuige 1] en zijn dochter niet wist óf het slachtoffer er ook zou zijn, terwijl het niet onaannemelijk is dat hij het mes uit de auto meenam voor het geval er een ontmoeting met het slachtoffer zou volgen, een en ander gelet op de jegens hem door het slachtoffer geuite bedreigingen.
Kortom: de rechtbank kan niet vaststellen dat er eerder dan het moment waarop de verdachte [Getuige 1] , zijn dochter én het slachtoffer de woning zag ingaan, bij hem het plan bestond het slachtoffer van het leven te beroven. Daaruit volgt dat sprake is geweest van een relatief korte tijdspanne tussen het besluit tot levensberoving en de uitvoering van dit besluit enkele minuten later. Daar komt bij dat de verdachte heeft verklaard dat er op het moment dat hij het slachtoffer de woning zag binnengaan, iets bij hem knapte en dat hij - nadat hij op de deur had gebonkt – boos het mes weer pakte en op zoek is gegaan naar het slachtoffer, met een fatale afloop. Deze verklaring vindt tot op zekere hoogte steun in de verklaring [Getuige 1] , inhoudende dat de verdachte op de deur bonkte, dat het slachtoffer toen in paniek raakte, dat de verdachte heel boos werd en dat hij – in de woorden van de rechtbank – in één actie in de woning en onmiddellijk daarna in de tuin op zoek ging naar het slachtoffer. Hieruit kan worden opgemaakt dat bij de verdachte, vanaf het moment dat hij het slachtoffer de woning zag betreden, sprake was van een hevige boosheid, die pas tot een einde kwam nadat hij de fatale steekwonden had toegebracht. De rechtbank gaat er van uit dat bij de verdachte de maandenlang opgebouwde spanningen en boosheid naar buiten zijn gekomen en dat hij handelde in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
Naar het oordeel van de rechtbank is aldus niet komen vast te staan dat de verdachte een adequate gelegenheid heeft gehad om zich op het genomen besluit om het slachtoffer te doden en de gevolgen daarvan te beraden. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte niet met voorbedachte raad heeft gehandeld en dat hij moet worden vrijgesproken van moord (het primaire feit).
De rechtbank komt gelet op het voorgaande wel tot een bewezenverklaring van doodslag (het subsidiaire feit).