De procedure
De rechtbank heeft op 1 april 2025 aan [verdachte] een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank heeft daarbij als voorwaarden gesteld dat [verdachte] :
medewerking verleent aan alle aanwijzingen van de gecertificeerde instelling, te weten Bureau Jeugdzorg Limburg;
medewerking verleent aan het klinische behandeltraject binnen [instelling] , alle afspraken en behandeladviezen nakomt, ook rondom het innemen van medicatie, zich niet onttrekt aan de behandeling of aan het toezicht, zolang dit noodzakelijk wordt geacht door GGzE en de jeugdreclassering;
zich houdt aan het volgen van het interne dag-onderwijsprogramma van [instelling] ;
zich houdt aan alle opbouw in vrijheden en uiteindelijke verlofmomenten in overeenstemming met en met goedkeurig van GGzE en de jeugdreclassering;
alleen onder toezicht gebruik maakt van elektronische apparatuur met internetverbinding/digitale hulpmiddelen zolang als de GGzE en de jeugdreclassering nodig achten;
inzicht geeft in zijn (offline en online) contacten.
De officier van justitie heeft op 1 april 2026 een vordering tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel bij de rechtbank ingediend.
De rechter-commissaris heeft op 2 april 2026 de voorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel bevolen. [verdachte] verblijft sindsdien niet meer binnen [instelling] (hierna: de [instelling] ), maar in [JJI] .
De rechtbank heeft de vordering op de zittingen van 23 april 2026 en 22 mei 2026 achter gesloten deuren behandeld. Op de zitting hebben:
[verdachte] , zijn raadsvrouw en zijn ouders;
de officier van justitie;
de heer [naam 1] , als jeugdreclasseerder verbonden aan de gecertificeerde instelling Bureau Jeugdzorg Limburg (verder te noemen de GI);
mevrouw [naam 2] , als regiebehandelaar verbonden aan de [instelling] (telefonisch), hun mening mogen geven.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de processtukken, waaronder:
het vonnis van de rechtbank van 1 april 2025;
de brief namens de [instelling] van 31 maart 2026;
de terugmelding door de GI van 1 april 2026;
de brief van de raadsvrouw van 16 april 2026 in reactie op de brief van de [instelling] van 31 maart 2026;
de reactie namens de [instelling] van 19 april 2026;
de aanvullende rapportage van de GI van 20 april 2026;
de reactie van de ouders van [verdachte] op de brief van de [instelling] van 31 maart 2026;
het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 april 2026;
de afsluitbrief van de [instelling] van 26 april 2026;
de rapportage psychodiagnostisch onderzoek van de GZ-psychoog i.o. (ongedateerd, kennelijk medio maart 2026);
de brief van de GZ-psycholoog i.o. aan [verdachte] en zijn ouders (ongedateerd).
De standpunten
De officier van justitie vindt dat de voorwaardelijke PIJ-maatregel omgezet moet worden in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, omdat [verdachte] zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden.
De [instelling] heeft bij monde van mevrouw [naam 2] aangegeven dat [verdachte] niet terug kan naar de [instelling] .
[verdachte] en zijn ouders hebben gezegd dat [verdachte] wel heeft meegewerkt en ook graag terug gaat naar de [instelling] .
De raadsvrouw vindt dat geen omzetting moet volgen, omdat niet vastgesteld kan worden dat [verdachte] de voorwaarden heeft overtreden; voor zover er wel sprake zou zijn geweest van overtredingen, hangen die samen met de problematiek van [verdachte] zodat hem dat niet kan worden tegengeworpen.
Overwegingen
De beoordeling
Inleiding
De rechtbank begint met de opmerking dat sprake is van een erg lastige zaak.
[verdachte] is vorig jaar veroordeeld voor kwalijke (zeden)feiten. Die feiten stonden deels ook in verband met de persoon van [verdachte] , te weten zijn moeilijke psychische problematiek. Daarom is aan [verdachte] ook een PIJ-maatregel opgelegd. Dat had zomaar een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel kunnen zijn. De behandeling die [verdachte] nodig heeft voor zijn problematiek om het gevaar op herhaling te verminderen kan alleen plaatsvinden binnen de [instelling] . Een plek in een JJI in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel zou daarvoor minder geschikt zijn. Dat heeft geleid tot de voorwaardelijke vorm van de maatregel juist met het oog op de behandeling binnen de [instelling] .
Ondertussen is een jaar voorbij. Duidelijk is dat de behandeling nog niet tot de gewenste en gehoopte resultaten heeft geleid, waarbij [verdachte] aangeeft dat hij aan alles meewerkt en de [instelling] aangeeft dat onvoldoende stappen zijn gezet. Heel kort door de bocht is dat de reden dat de [instelling] de behandeling heeft stopgezet en waarom de rechtbank nu moet beslissen over een omzetting van de maatregel. Dat is een beslissing met een grote impact. Definitieve omzetting zou namelijk betekenen dat [verdachte] nog veel langer in de JJI blijft, met ook nog een minder gespecialiseerd en op de persoon van [verdachte] aangepast zorgaanbod.
Daar komt nog bij dat het (forensisch) zorglandschap voor minderjarigen erg beperkt is. Al tijdens de strafzaak, maar ook nu, is gebleken dat voor de combinatie van feiten waarvoor [verdachte] veroordeeld is en de problematiek van [verdachte] , in feite maar één kliniek de juiste behandeling kan bieden. Dat is de [instelling] . Die positie schept voor alle betrokken extra verantwoordelijkheden. Als er geen alternatief is, zal namelijk iedereen zijn uiterste best moeten doen om deze ene mogelijkheid te laten slagen. Zeker als het vangnet, de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, minder geschikt is om [verdachte] succesvol terug te laten keren in de maatschappij.
De rechtbank zit dus in een spagaat: [verdachte] tegen de wil van de [instelling] terug laten gaan naar de [instelling] ? Of de maatregel omzetten, wetende dat ook dan niet op korte termijn de juiste behandeling kan worden opgepakt?
Terug naar de vordering. Die is gebaseerd op de stelling dat [verdachte] de bijzondere voorwaarden heeft overtreden. Waar het hier dan om gaat is de voorwaarde dat [verdachte] – kort gezegd – moet meewerken aan de klinische behandeling in de [instelling] .
De [instelling] heeft in de brief van 31 maart 2026 uitgelegd waarom de behandeling is stopgezet. In de afsluitbrief van 26 april 2026 is dat nog uitgebreider beschreven. De [instelling] heeft beschreven dat ondanks vele extra inspanningen het niet gelukt is om [verdachte] zijn behandelingen te laten voltooien; de stapjes zijn te klein en de vooruitgang te weinig, waarbij [verdachte] diverse therapieën niet heeft willen volgen of niet heeft afgemaakt. Verder heeft de [instelling] meerdere incidenten beschreven, maar met de opmerking dat dat niet de reden is voor de beëindiging van de behandeling. Wel waren er zorgen over de leerbaarheid van [verdachte] , maar naast zijn onmogelijkheden was er ook sprake van onwil volgens de [instelling] .
De GI heeft [verdachte] vervolgens terug gemeld. Door het ontbreken van een passend en beschikbaar vervolgtraject en de onmogelijkheid om de ontwikkeling van [verdachte] voldoende te borgen, zag de GI zich genoodzaakt om de zaak formeel terug te melden. Op de zitting heeft de GI opgemerkt het te betreuren dat de [instelling] geen gebruik heeft gemaakt van het aanbod van de GI en de ouders om aan te sluiten bij therapiesessies om het contact en de behandeling te bevorderen.
Nog tijdens het verblijf in de [instelling] heeft [verdachte] een psychodiagnostisch onderzoek ondergaan in december 2025 en januari 2026. Een van de redenen daarvoor was dat er nog weinig vooruitgang werd gezien in het jaar dat [verdachte] in de [instelling] verbleef. Dat leidde tot de vraag of is sprake was van een gebrek aan motivatie/inzet, of dat [verdachte] misschien overvraagd werd.
Het rapport beschrijft dat sprake is van “duidelijke cognitieve kwetsbaarheden die zich uiten in wisselende belastbaarheid, problemen met informatieopname, beperkingen in complex redeneren, verminderde volgehouden aandacht en inconsistente inzet van executieve vaardigheden. Zijn gekristalliseerde kennis vormt een relatieve sterkte, maar de zwakkere vloeiende intelligentie, verwerkingssnelheid en geheugenprocessen bepalen grotendeels hoe hij functioneert in situaties met hogere cognitieve eisen. Deze bevindingen sluiten nauw aan bij het klinisch beeld van ADHD- en ASS-kenmerken en bij de cognitieve problemen die mensen met een schizofreniespectrumstoornis kunnen ondervinden. Medicatie-invloeden en vroege neurologische kwetsbaarheid versterken dit geheel. Vanuit dit profiel is het goed te begrijpen dat [verdachte] snel overvraagd raakt en dat zijn functioneren van dag tot dag sterk kan wisselen. Dit maakt het voor hem lastig om stappen te zetten in zijn behandeling. (…) Tot slot is het belangrijk dat de verwachtingen van [verdachte] zelf en zijn omgeving worden afgestemd op de gevonden kwetsbaarheden. In het verleden lijkt [verdachte] op meerdere momenten te zijn overvraagd. Wanneer er vanuit de omgeving of vanuit hemzelf meer wordt verwacht dan hij daadwerkelijk kan laten zien, bestaat er groot risico op overvraging en taalervaringen”
De [instelling] heeft op de zitting geconcludeerd dat ze [verdachte] niet willen terugnemen, omdat ze niet de behandeling kunnen bieden die [verdachte] nodig heeft, waarbij de [instelling] duidelijk heeft gezegd dat dit te maken heeft met een combinatie van onkunde en onwil bij [verdachte] .
De beoordeling en conclusie van de rechtbank
Omzetting van de maatregel kan worden bevolen als een veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd (art. 6:6:21 Sv). Omzetting is dan een mogelijkheid en geen verplichting. Dit zal altijd naar alle omstandigheden van het geval beoordeeld moeten worden. Daarbij is van belang dat omzetting een beslissing met een grote impact is. Een voorwaardelijke PIJ-maatregel duurt namelijk maximaal drie jaar, terwijl een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel zeven jaar kan duren, met ook nog een de mogelijkheid dat die wordt omgezet in een tbs-maatregel die nog langer verlengd kan worden. Een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel moet daarom ook als ultimum remedium gelden, als laatste mogelijkheid.
Duidelijk is dat de behandeling van [verdachte] in de [instelling] niet is verlopen zoals deze is voorzien door de kliniek. Daar is ook geen discussie over. Waar [verdachte] en de kliniek wel een verschillende kijk op hebben, zijn de redenen waarom dat zo is gegaan. Volgens de kliniek door een combinatie van onkunde, maar ook onwil bij [verdachte] . [verdachte] realiseert zich ook wel dat hij misschien dingen anders kan en moet doen, maar zegt wel zijn best te hebben gedaan en vindt dat sprake is geweest van miscommunicatie. Voorbeelden hiervan zijn de discussies over het al dan niet gedane aanbod van ouders en de GI voor ondersteuning bij de therapiegesprekken en de onduidelijkheid over de signalen die de kliniek voorafgaand aan de beëindiging van de behandeling heeft afgegeven. Volgens [verdachte] en zijn ouders, maar ook voor de GI, kwam de stopzetting van de behandeling als een verrassing nadat eerder enkel zorgen werden geuit over het verloop. De kliniek meent wel degelijk signalen over een mogelijke stopzetting van de behandeling te hebben gegeven.
Duidelijk is ook dat [verdachte] bekend is met moeilijke problematiek, zoals ook blijkt uit het uitgevoerde psychodiagnostisch onderzoek. Daardoor is het ingezette traject langdurig en intensief, maar gaat het ook met vallen, opstaan en met beperkte snelheid. Dat is ook precies wat nu zichtbaar is. Een moeilijk traject dus.
Wat niet zo duidelijk is, in elk geval niet voor de rechtbank, is hoe het precies zover is gekomen dat de kliniek de behandeling heeft stopgezet. Daar is uitgebreid over geschreven en uitgebreid over gesproken op zitting. Toch staat het voor de rechtbank niet zonder meer vast, dat de behandeling is stopgezet als gevolg van [verdachte] ’s bewuste onwil of weerstand. Veeleer lijkt het erop dat het moeizame verloop van de behandeling een uiting of gevolg is van de problematiek van [verdachte] . En ja, [verdachte] had ook op momenten anders kunnen handelen of zich anders kunnen, en misschien wel moeten opstellen. Maar dat maakt niet dat de rechtbank vindt dat het uitblijven van de resultaten in de behandeling zozeer aan [verdachte] is te wijten, dat dat zou moeten leiden tot de verstrekkende beslissing van omzetting van de maatregel.
De rechtbank wijst de vordering dan ook af. Zij kan niet vaststellen dat [verdachte] zelf, verwijtbaar, de voorwaarden op zo’n ernstige manier heeft overtreden dat omzetting moet volgen.
De rechtbank realiseert zich dat deze beslissing ook voor een volgend dilemma zorgt. De [instelling] wil [verdachte] niet terugnemen, maar de voorwaarden die dat verplichten herleven wel weer. De GI heeft op de zitting gezegd dat de [instelling] nog steeds de meest geschikte plek voor [verdachte] is.
De rechtbank kan enkel de hoop uitspreken dat de voorlopige omzetting en overplaatsing naar de JJI en het daardoor (in elk geval tijdelijk) loskomen van elkaar, een soort reset is die ervoor zorgt dat de [instelling] en [verdachte] toch weer goed in contact komen en de behandeling kunnen oppakken en voortzetten. Het mag niet zo zijn dat [verdachte] het slachtoffer wordt van het volstrekt onvoldoende aanbod van (forensische) jeugdzorg in Nederland.
De GI realiseerde zich overigens ook dat de behandeling moeizaam verliep en de termijn niet gehaald zou worden. Dat was ook de reden voor de GI om al in december 2025 na te denken over vervolgstappen. Het aanvullend advies van de GI van vlak voor de zitting beschrijft nog eens dat een langdurig verblijf binnen een reguliere JJI niet als meest passende behandelomgeving wordt gezien, maar dat er wel meer mogelijkheden lijken te ontstaan zodra [verdachte] 18 jaar wordt. Dan denkt men aan gespecialiseerde voorzieningen zoals STEVIG en Pluryn.
Meer kan de rechtbank op dit moment niet doen. Het zal aan de [instelling] , de GI, justitie en [verdachte] zelf zijn om het verdere verloop vorm te geven. Daarbij zal ook gekeken moeten worden naar de rol die de GI en/of ouders kunnen spelen door eventueel aan te sluiten bij therapiesessies om op die manier het contact en de behandeling te bevorderen.
Als daartoe aanleiding is, zal de officier van justitie een nieuwe vordering tot omzetting, wijziging van de voorwaarden of verlenging van de proeftijd indienen. Dan zal de rechtbank tegen die tijd opnieuw het verloop van de behandeling en de (on)mogelijkheden beoordelen.