Rechtbank Limburg, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBLIM:2026:6294

Op 30 June 2026 heeft de Rechtbank Limburg een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 03.070967.25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBLIM:2026:6294. De plaats van zitting was Maastricht.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
03.070967.25
Datum uitspraak:
30 June 2026
Datum publicatie:
30 June 2026

Indicatie

vrijspraak voor seks met minderjarige prostitué

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03.070967.25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 juni 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1966,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat kantoorhoudende te Leeuwarden.

1
Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Het slachtoffer is ter zitting vertegenwoordigd door haar raadsvrouw mr. K. Valkeneers. Door haar is een slachtofferverklaring voorgelezen.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 24 september 2024 seksuele handelingen heeft verricht met een kind, te weten [slachtoffer] , die de leeftijd van zestien jaar maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, terwijl dat kind de seksuele handelingen heeft verricht tegen betaling.

Overwegingen

3
De beoordeling van het bewijs
3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend te bewijzen. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is eveneens van mening dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Deze zaak vangt aan met de vermissing van het 16-jarige meisje [slachtoffer] op 24 september 2024. Op 4 oktober 2024 keert zij terug in de zorginstelling waar zij voor haar vermissing verbleef. Omdat er zorgen zijn over de omgeving waarin zij zich bevond, worden de telefoons die zij dan heeft ter waarheidsvinding in beslag genomen. Uit deze telefoons komt naar voren dat zij contact heeft met een pooier. Deze pooier regelt seksafspraken tegen betaling voor haar.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte op 24 september 2024 chatberichten heeft uitgewisseld met de pooier van [slachtoffer] over het maken van een seksafspraak. De pooier heeft vervolgens weer berichten over deze afspraak verstuurd naar de telefoon die uiteindelijk onder [slachtoffer] in beslag werd genomen. Vervolgens blijkt uit de verklaring van de verdachte en de chatberichten die zijn aangetroffen in het dossier dat de verdachte ook daadwerkelijk seks met iemand heeft gehad.

Het dossier biedt echter onvoldoende aanknopingspunten om met voldoende zekerheid te kunnen vaststellen dat [slachtoffer] de persoon was waarmee de verdachte op 24 september 2024 seks heeft gehad. Het staat namelijk onvoldoende vast dat [slachtoffer] op die dag de gebruiker was van de telefoon waarop de chatberichten van de desbetreffende afspraak zijn gevonden. Daarbij overweegt de rechtbank dat zich in het dossier geen enkele verklaring van [slachtoffer] bevindt en dus ook niet over het gebruik van haar telefoon en dat de verdachte consequent en stellig heeft ontkend haar te herkennen als de persoon met wie hij op 24 september 2024 seks heeft gehad.

De rechtbank is daarom – met de officier van justitie en de verdediging – van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. De rechtbank zal de verdachte derhalve vrijspreken van het ten laste gelegde feit.

Beslissing

4
De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Goessen, voorzitter, mr. P.W.E.C. Pulles en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Z. Houkes, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 30 juni 2026.

Buiten staat

Mr. Pulles is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 24 september 2024 te Hasselt (in België)

met een kind in de leeftijd van zestien tot achttien jaren, te weten [slachtoffer]

, geboren op [geboortedatum] 2008, een of meer seksuele handelingen, die

bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam

heeft verricht, te weten

- het betasten en/of likken en/of kussen van het lichaam van die [slachtoffer]

en/of

- het doen aanraken van en doen trekken aan zijn, verdachtes, penis door die

[slachtoffer] en/of

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer]

en/of

- het brengen/duwen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die

[slachtoffer] en/of

terwijl dat kind zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen

met een derde tegen betaling, te weten het in ruil voor geld verrichten van de

hierboven vermelde seksuele handelingen.