3.3.1.
De zaak met parketnummer 03.122499.25
(Voetnoot 1)
Inleiding
Op 21 april 2025 omstreeks 17:14 uur ontving de politie een melding van een schietincident op de [plaats delict] te Venlo. De melder had gezien dat een persoon een pistool uit zijn zak pakte en hiermee het slachtoffer neerschoot. De schutter zou zijn gevlucht. Ter plaatse werd het slachtoffer liggend op de grond aangetroffen op de parkeerplaats tussen Bureau Jeugdzorg en de apotheek. Het slachtoffer had een schotwond in zijn borst en hier kwam bloed uit. Korte tijd later is het slachtoffer overleden. De verdachte werd na een intensief opsporingsonderzoek op 23 april 2025 aangehouden. Op 1 mei 2025 heeft de verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] heeft doodgeschoten.
Feit 1
Voorbedachte raad
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet onomstotelijk blijkt dat de verdachte een vooropgezet plan had om [slachtoffer] van het leven te beroven. De verdachte had met [getuige 3] afgesproken vanwege een langlopend conflict. Op enig moment ziet de verdachte [getuige 3] en [slachtoffer] op zich af komen. [slachtoffer] liep voorop en droeg, zo bleek, een mes bij zich. De verdachte heeft het vuurwapen ter hand genomen en daarmee gericht geschoten. De rechtbank kan niet vaststellen dat er eerder bij de verdachte het plan bestond om juist [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank ziet onvoldoende bewijsmiddelen om vast te kunnen stellen dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van het onderdeel ‘voorbedachten rade’.
Bewijsmiddelen
De rechtbank acht de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag wel wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank komt tot bewezenverklaring van dit misdrijf op grond van de inhoud van de volgende bewijsmiddelen. Daarbij zal de rechtbank, nu de verdachte het feit heeft bekend en door of namens hem geen verweer is gevoerd met betrekking tot de impliciet subsidiair aan hem tenlastegelegde doodslag, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:
- De bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting; (Voetnoot 2)
- De beschrijving van de camerabeelden door de politie; (Voetnoot 3)
- Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict; (Voetnoot 4)
- Het rapport forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden van 9 mei 2025; (Voetnoot 5)
- Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] ; (Voetnoot 6)
- Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] . (Voetnoot 7)
De verdachte heeft met een vuurwapen één kogel op [slachtoffer] afgeschoten. Ten gevolge van één doorschot door de romp is [slachtoffer] overleden. Het handelen van verdachte kan redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan gericht op het doden van [slachtoffer] .
Medeplegen
Hoewel het dossier diverse aanwijzingen bevat voor de betrokkenheid van anderen is de rechtbank van oordeel dat daarmee niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er sprake was van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking gericht op de dood van [slachtoffer] . De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van het onderdeel ‘medeplegen’.
Feit 2
Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank
De verdachte heeft ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – verklaard: (Voetnoot 8)
Het is juist dat ik op 21 april 2025 in Venlo met een vuurwapen op [slachtoffer] heb geschoten. Het vuurwapen was geladen en was schietklaar.
In het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [plaats delict] Venlo staat – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd: (Voetnoot 9)
Op 21 april 2025, omstreeks 18:20 uur, kwamen wij, naar aanleiding van een doodslag/moord, voor een forensisch onderzoek aan op de locatie [plaats delict] Venlo. De plaats van het incident is gelegen voor de bedrijfspanden [adres 1] Bij de parkeervakken voor perceel [adres 1] te Venlo werden een huls en een patroon aangetroffen. De huls lag, gemeten vanaf de overledene, op een afstand van ongeveer 10 meter en de patroon op een afstand van ongeveer 12 meter. De huls ( [gegevens munitie] ) en de patroon ( [gegevens munitie] ) zijn verpakt in een koker en veiliggesteld.
In het proces-verbaal uitslag vergelijkend sporenonderzoek staat – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd: (Voetnoot 10)
Munitie van plaats delict, [plaats delict] te Venlo
[gegevens munitie]
Ik zag dat de kogelpatroon [gegevens munitie] (plaats delict) was voorzien van de
bodemstempel "W-W 9mm Luger". De kogel in de patroon was koperkleurig en het
slaghoedje was zilverkleurig. De huls [gegevens munitie] was voorzien van bodemstempel
"MEN-85-5 9x19". Het slaghoedje van de huls was roodkleurig.
Alle onderzochte kogelpatronen zijn van de merken Winchester Western (W-W) en Sellier & Bellot (S&B). Alle onderzochte kogelpatronen hebben het kaliber 9 mm Luger. De aangetroffen huls heeft het kaliber 9x19 dat een synoniem is voor het kaliber 9 mm Luger. De huls is van de fabriek Metallwerk Eisenhutte (MEN), waarbij 85 staat voor het jaartal en 5 staat voor lotnummer.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een vuurwapen in de vorm van een pistool, van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, alsmede van munitie, van categorie III van voormelde wet. De verdachte heeft verklaard dat hij met een vuurwapen op [slachtoffer] heeft geschoten. Het vuurwapen is niet gevonden. Op de plaats delict zijn wel een huls en een patroon aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij het wapen in Belfeld in de Maas heeft gegooid. Uit het vergelijkend sporenonderzoek is komen vast te staan dat de huls en het kogelpatroon het kaliber 9mm Luger hebben. Op basis hiervan kan worden vastgesteld dat het daadwerkelijk gaat om een vuurwapen, omdat deze patronen alleen in een vuurwapen kunnen worden geplaatst en afgevuurd.
3.3.2.
De zaak met parketnummer 03.222572.24
(Voetnoot 11)
De bewijsmiddelen t.a.v. feit 1 en 2
[benadeelde partij]
heeft aangifte gedaan en – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: (Voetnoot 12)
Ik ben werkzaam bij Redos, een woongroep van cliënten met psychische of
gedragsproblematiek. De woongroep is gelegen op de [adres 2] te Venlo. Sinds ongeveer 10 maanden woont [verdachte] ook in een van de studio’s.
Bij [adres 2] is ons kantoor gelegen. Op 29 oktober 2023 was ik werkzaam op de groep zoals hierboven beschreven. Omstreeks 09.45 uur kwam mijn collega [getuige 5] binnen. [verdachte] had een bord met een wrap met kaas en een theeglas met melk voor zich op tafel staan. Het is gebruikelijk dat wij als begeleiding de overdracht doen zonder andere cliënten erbij. Daarom verwees ik [verdachte] naar zijn eigen studio om daar verder te gaan eten. Dit accepteerde [verdachte] echter niet. Ik ben tegenover [verdachte] aan tafel gaan zitten. De afstand tussen ons was maximaal 90-100cm. Ik zag dat [verdachte] uit zijn stoel opstond, zijn theeglas vast had in zijn rechterhand en met een soort lompe boerenslag het theeglas tegen de linkerkant van mijn hoofd, ter hoogte van mijn oor, met kracht kapot sloeg. Ik voelde daarbij meteen een flinke pijn aan mijn linkeroor en de zijkant van mijn hoofd. Ik voelde aan mijn linkeroor en zag dat ik bloedde. Ik zag dat [verdachte] een groot vleesmes vastpakte dat op het aanrecht lag. Ik zag dat [verdachte] dreigend met het mes op mij afkwam. Ik hoorde dat [verdachte] daarbij zei: "Ik steek je neer. Moet ik je eraan rijgen." Ik voelde me toen nog meer in het nauw gedreven door [verdachte] . De afstand tussen [verdachte] en mij was ongeveer 1 meter op dat moment.
Ik ben naar de SEH van het VieCuri te Venlo gereden om mijn verwondingen te laten verzorgen. Bij de arts van het SEH begreep ik pas dat er glas in mijn oor zat. Dat is verwijderd en uiteindelijk is er een hechting in mijn oor gezet en hebben ze de andere schrammen geplakt. Ik was op dat moment echt bang en ik was er van overtuigd dat [verdachte] meende wat hij zei, dat hij mij zou gaan neersteken.
[getuige 4]
is door de politie als getuige gehoord. Hij heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: (Voetnoot 13)
Ik ben zelf woonachtig bij Redos op het adres [adres 2] te Venlo. Op 29 oktober 2023 hoorde ik flink geschreeuw. Ik hoorde dat [verdachte] en [benadeelde partij] naar elkaar aan het schreeuwen waren. Ik zag dat er overal bloed lag, op de grond, op de muren en op de tafel. Ik zag dat er nog iemand van de begeleiding was, dat was [getuige 5] . Op enig moment hoorde ik dat [verdachte] weer begon te schreeuwen en in de richting van [getuige 5] en [benadeelde partij] stormde. Ik hoorde dat [verdachte] zei “Ik steek je dood". Ik heb [benadeelde partij] uit de situatie gehaald en ik ben met [benadeelde partij] naar het ziekenhuis gegaan.
[getuige 5]
is door de politie als getuige gehoord. Hij heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: (Voetnoot 14)
Ik werk ook als begeleider bij Redos, op de locatie [adres 2] te Venlo. Op 29 oktober 2023 rond 9:30 uur kwam ik aan in studio [adres 2] . Ik hoorde toen ik boven aan kwam meteen al dat mijn collega [benadeelde partij] en cliënt [verdachte] flink in discussie waren. Ik hoorde glasgerinkel. Ik liep hierop terug naar de gezamenlijke ruimte en zag overal bloed op de vloer, de tafel de muur, de rechterhand van [verdachte] en het linkeroor van [benadeelde partij] . Op enig moment werd [verdachte] weer heel erg boos. Ik zag dat [verdachte] meteen een groot vleesmes van het aanrecht afpakte, dit in de richting van [benadeelde partij] richtte en ik hoorde dat [verdachte] daarbij zei:" Ik steek je dood".
Bewijsoverweging feit 1
Op basis van de bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [benadeelde partij] heeft bedreigd. Uit de aangifte van [benadeelde partij] blijkt dat de verdachte met een mes op [benadeelde partij] richtte en dat [benadeelde partij] vreesde voor zijn leven. De verdachte heeft daaraan de dreigende woorden, namelijk: “Ik steek je neer. Moet ik je eraan rijgen” en “Ik steek je dood”, althans woorden van gelijke strekking toegevoegd. Dit blijkt ook uit de getuigenverklaringen van [getuige 5] en [getuige 4] . Bij [benadeelde partij] kon de redelijke vrees ontstaan dat de verdachte hem iets wilde aandoen, dit temeer nu aan deze bedreiging de slag met het theeglas voorafging.
Bewijsoverweging feit 2
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 29 oktober 2023 in Venlo met een theeglas tegen het hoofd van [benadeelde partij] heeft geslagen, dat daarbij het glas kapotgegaan is en dat [benadeelde partij] hierdoor letsel heeft opgelopen aan zijn oor.
Poging zware mishandeling
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het opzet van de verdachte ten aanzien van het onder feit 2 primair tenlastegelegde erop gericht was om aan [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte willens en wetens heeft getracht [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De vraag is vervolgens of de verdachte voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte met een theeglas tegen het hoofd van de verdachte heeft geslagen en dat het theeglas vervolgens kapot is gesprongen. Hierbij is er glas in het oor van [benadeelde partij] terecht gekomen. Dit is zonder meer fors geweld. Aangever heeft verklaard dat het met kracht gebeurde. Het glas is ook kapot gegaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op de koop toe genomen.