Rechtbank Limburg, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBLIM:2026:6579

Op 7 July 2026 heeft de Rechtbank Limburg een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 03.122499.25, 03.222572.24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBLIM:2026:6579. De plaats van zitting was Roermond.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
03.122499.25, 03.222572.24
Datum uitspraak:
7 July 2026
Datum publicatie:
7 July 2026

Indicatie

Gevangenisstraf van 11 jaar voor doodslag op tweede Paasdag 2025 in Venlo, het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, en een poging tot zware mishandeling en bedreiging van een hulpverlener in 2024. Verwerping van beroep op noodweer(exces) en putatief noodweer (exces). Gedeeltelijke toewijzing vorderingen benadeelde partijen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummers: 03.122499.25, 03.222572.24 (ttz.gev.)

tegenspraak

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 7 juli 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te Venlo op [geboorte datum] 2005,

thans gedetineerd in P.I. Sittard te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. T.J.N. Hameleers, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1
Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

in de zaak met parketnummer 03.122499.25

De nabestaanden [nabestaande 1] en [nabestaande 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens hen is mr. P.G.J.M. Boonen gehoord. De nabestaanden [nabestaande 3] en [nabestaande 4] hebben zich ook als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens hen is mr. F.E.L. Teerling gehoord. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld. Tevens hebben [nabestaande 1] , [nabestaande 2] en [nabestaande 4] het spreekrecht uitgeoefend.

in de zaak met parketnummer 03.222572.24

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Hij is niet verschenen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.

2
De tenlastelegging

De – gewijzigde – tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Na wijziging tenlastelegging komt de verdenking er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

in de zaak met parketnummer 03.122499.25

op 21 april 2025 in Venlo:

feit 1: opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] heeft gedood door met een vuurwapen een kogel in zijn (boven)lichaam te schieten;

feit 2: een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad;

in de zaak met parketnummer 03.222572.24:

op 29 oktober 2023 in Venlo:

feit 1: [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

feit 2: heeft geprobeerd [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel hem heeft mishandeld, door hem met een theeglas tegen zijn hoofd te slaan.

Overwegingen

3
De beoordeling van het bewijs
3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het navolgende standpunt gesteld:

in de zaak met parketnummer 03.122499.25

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag. Hij heeft verwezen naar de melding van het schietincident, het ter plaatse aantreffen van een neergeschoten persoon, zijnde [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) de getuigenverklaringen van getuigen [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) en [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ), de aanhouding van de verdachte, de bekennende verklaring van de verdachte tijdens het derde politieverhoor, het sectieverslag van de Forensische Opsporing en de camerabeelden.

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Hoewel er aanwijzingen zijn dat de verdachte van plan was iets te gaan doen, zijn er geen aanwijzingen dat de verdachte juist [slachtoffer] iets wilde aandoen. De beslissing om op [slachtoffer] te schieten is op dat moment genomen en moet worden gekwalificeerd als doodslag.

De verdachte heeft op korte afstand met een pistool op [slachtoffer] geschoten, waarbij deze in zijn hart is getroffen. Het met een vuurwapen op zo’n korte afstand schieten op het lichaam van een persoon is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood dat dit niet anders kan worden uitgelegd dan als een bewust handelen gericht op de dood.

Hoewel het dossier aanwijzingen geeft dat de verdachte samen met anderen [getuige 3] en aanhang zou treffen, is daarmee nog niet gezegd dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de uiteindelijke doodslag. Het onderzoek heeft geen duidelijkheid, dan wel invulling over die rol gegeven. Dit dient te leiden tot partiële vrijspraak van het bestanddeel ‘medeplegen’.

De officier van justitie heeft verder gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat het vuurwapen niet is aangetroffen, maar dat uit het dossier blijkt dat het slachtoffer door een afgevuurd 9mm patroon dodelijk is getroffen. Dit patroon was afkomstig uit een wapen dat door de verdachte werd afgevuurd. Ter plaatse is ook een huls en nog een patroon aangetroffen.

in de zaak met parketnummer 03.222572.24

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde bedreiging en de onder feit 2 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Verwezen wordt naar de aangifte van [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] ), de foto’s van het letsel, de medische verklaring, de getuigenverklaringen van getuigen [getuige 4] (hierna: [getuige 4] ) en [getuige 5] (hierna: [getuige 5] ) en de (deels) bekennende verklaring van de verdachte. De verdachte heeft [benadeelde partij] met een glas tegen het hoofd geslagen. Uit de stukken valt op te maken dat deze slag met behoorlijke kracht heeft plaats gevonden. Het glas is immers gebroken. Gelet op zijn uiterlijke verschijningsvorm heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij] bewust aanvaard.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het navolgende aangevoerd:

in de zaak met parketnummer 03.122499.25

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder feit 1 tenlastegelegde moord. Bij de verdachte was geen sprake van een vooropgezet plan om [slachtoffer] van het leven te beroven. De onder feit 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag kan wel worden bewezen.

De verdediging heeft eveneens vrijspraak bepleit van het onder feit 2 tenlastegelegde, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft geschoten met een vuurwapen zoals bedoeld in categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

in de zaak met parketnummer 03.222572.24

De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van de onder feit 1 tenlastegelegde bedreiging. De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder feit 2 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling vanwege een gebrek aan bewijs.

De verdediging beroept zich ten aanzien van de onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde mishandeling op noodweer. De verdachte werd door [benadeelde partij] geslagen, waarop hij hem terugsloeg met de mok nog in zijn hand.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.

De zaak met parketnummer 03.122499.25  (Voetnoot 1)

Inleiding

Op 21 april 2025 omstreeks 17:14 uur ontving de politie een melding van een schietincident op de [plaats delict] te Venlo. De melder had gezien dat een persoon een pistool uit zijn zak pakte en hiermee het slachtoffer neerschoot. De schutter zou zijn gevlucht. Ter plaatse werd het slachtoffer liggend op de grond aangetroffen op de parkeerplaats tussen Bureau Jeugdzorg en de apotheek. Het slachtoffer had een schotwond in zijn borst en hier kwam bloed uit. Korte tijd later is het slachtoffer overleden. De verdachte werd na een intensief opsporingsonderzoek op 23 april 2025 aangehouden. Op 1 mei 2025 heeft de verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] heeft doodgeschoten.

Feit 1

Voorbedachte raad

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet onomstotelijk blijkt dat de verdachte een vooropgezet plan had om [slachtoffer] van het leven te beroven. De verdachte had met [getuige 3] afgesproken vanwege een langlopend conflict. Op enig moment ziet de verdachte [getuige 3] en [slachtoffer] op zich af komen. [slachtoffer] liep voorop en droeg, zo bleek, een mes bij zich. De verdachte heeft het vuurwapen ter hand genomen en daarmee gericht geschoten. De rechtbank kan niet vaststellen dat er eerder bij de verdachte het plan bestond om juist [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank ziet onvoldoende bewijsmiddelen om vast te kunnen stellen dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van het onderdeel ‘voorbedachten rade’.

Bewijsmiddelen

De rechtbank acht de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag wel wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank komt tot bewezenverklaring van dit misdrijf op grond van de inhoud van de volgende bewijsmiddelen. Daarbij zal de rechtbank, nu de verdachte het feit heeft bekend en door of namens hem geen verweer is gevoerd met betrekking tot de impliciet subsidiair aan hem tenlastegelegde doodslag, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

- De bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting; (Voetnoot 2)

- De beschrijving van de camerabeelden door de politie; (Voetnoot 3)

- Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict; (Voetnoot 4)

- Het rapport forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden van 9 mei 2025; (Voetnoot 5)

- Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte](Voetnoot 6)

- Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2](Voetnoot 7)

De verdachte heeft met een vuurwapen één kogel op [slachtoffer] afgeschoten. Ten gevolge van één doorschot door de romp is [slachtoffer] overleden. Het handelen van verdachte kan redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan gericht op het doden van [slachtoffer] .

Medeplegen

Hoewel het dossier diverse aanwijzingen bevat voor de betrokkenheid van anderen is de rechtbank van oordeel dat daarmee niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er sprake was van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking gericht op de dood van [slachtoffer] . De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van het onderdeel ‘medeplegen’.

Feit 2

Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De verdachte heeft ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – verklaard: (Voetnoot 8)

Het is juist dat ik op 21 april 2025 in Venlo met een vuurwapen op [slachtoffer] heb geschoten. Het vuurwapen was geladen en was schietklaar.

In het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [plaats delict] Venlo staat – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd: (Voetnoot 9)

Op 21 april 2025, omstreeks 18:20 uur, kwamen wij, naar aanleiding van een doodslag/moord, voor een forensisch onderzoek aan op de locatie [plaats delict] Venlo. De plaats van het incident is gelegen voor de bedrijfspanden [adres 1] Bij de parkeervakken voor perceel [adres 1] te Venlo werden een huls en een patroon aangetroffen. De huls lag, gemeten vanaf de overledene, op een afstand van ongeveer 10 meter en de patroon op een afstand van ongeveer 12 meter. De huls ( [gegevens munitie] ) en de patroon ( [gegevens munitie] ) zijn verpakt in een koker en veiliggesteld.

In het proces-verbaal uitslag vergelijkend sporenonderzoek staat – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd: (Voetnoot 10)

Munitie van plaats delict, [plaats delict] te Venlo

[gegevens munitie]

[gegevens munitie]

Ik zag dat de kogelpatroon [gegevens munitie] (plaats delict) was voorzien van de

bodemstempel "W-W 9mm Luger". De kogel in de patroon was koperkleurig en het

slaghoedje was zilverkleurig. De huls [gegevens munitie] was voorzien van bodemstempel

"MEN-85-5 9x19". Het slaghoedje van de huls was roodkleurig.

Alle onderzochte kogelpatronen zijn van de merken Winchester Western (W-W) en Sellier & Bellot (S&B). Alle onderzochte kogelpatronen hebben het kaliber 9 mm Luger. De aangetroffen huls heeft het kaliber 9x19 dat een synoniem is voor het kaliber 9 mm Luger. De huls is van de fabriek Metallwerk Eisenhutte (MEN), waarbij 85 staat voor het jaartal en 5 staat voor lotnummer.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een vuurwapen in de vorm van een pistool, van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, alsmede van munitie, van categorie III van voormelde wet. De verdachte heeft verklaard dat hij met een vuurwapen op [slachtoffer] heeft geschoten. Het vuurwapen is niet gevonden. Op de plaats delict zijn wel een huls en een patroon aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij het wapen in Belfeld in de Maas heeft gegooid. Uit het vergelijkend sporenonderzoek is komen vast te staan dat de huls en het kogelpatroon het kaliber 9mm Luger hebben. Op basis hiervan kan worden vastgesteld dat het daadwerkelijk gaat om een vuurwapen, omdat deze patronen alleen in een vuurwapen kunnen worden geplaatst en afgevuurd.

3.3.2.

De zaak met parketnummer 03.222572.24  (Voetnoot 11)

De bewijsmiddelen t.a.v. feit 1 en 2

[benadeelde partij] heeft aangifte gedaan en – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: (Voetnoot 12)

Ik ben werkzaam bij Redos, een woongroep van cliënten met psychische of

gedragsproblematiek. De woongroep is gelegen op de [adres 2] te Venlo. Sinds ongeveer 10 maanden woont [verdachte] ook in een van de studio’s.

Bij [adres 2] is ons kantoor gelegen. Op 29 oktober 2023 was ik werkzaam op de groep zoals hierboven beschreven. Omstreeks 09.45 uur kwam mijn collega [getuige 5] binnen. [verdachte] had een bord met een wrap met kaas en een theeglas met melk voor zich op tafel staan. Het is gebruikelijk dat wij als begeleiding de overdracht doen zonder andere cliënten erbij. Daarom verwees ik [verdachte] naar zijn eigen studio om daar verder te gaan eten. Dit accepteerde [verdachte] echter niet. Ik ben tegenover [verdachte] aan tafel gaan zitten. De afstand tussen ons was maximaal 90-100cm. Ik zag dat [verdachte] uit zijn stoel opstond, zijn theeglas vast had in zijn rechterhand en met een soort lompe boerenslag het theeglas tegen de linkerkant van mijn hoofd, ter hoogte van mijn oor, met kracht kapot sloeg. Ik voelde daarbij meteen een flinke pijn aan mijn linkeroor en de zijkant van mijn hoofd. Ik voelde aan mijn linkeroor en zag dat ik bloedde. Ik zag dat [verdachte] een groot vleesmes vastpakte dat op het aanrecht lag. Ik zag dat [verdachte] dreigend met het mes op mij afkwam. Ik hoorde dat [verdachte] daarbij zei: "Ik steek je neer. Moet ik je eraan rijgen." Ik voelde me toen nog meer in het nauw gedreven door [verdachte] . De afstand tussen [verdachte] en mij was ongeveer 1 meter op dat moment.

Ik ben naar de SEH van het VieCuri te Venlo gereden om mijn verwondingen te laten verzorgen. Bij de arts van het SEH begreep ik pas dat er glas in mijn oor zat. Dat is verwijderd en uiteindelijk is er een hechting in mijn oor gezet en hebben ze de andere schrammen geplakt. Ik was op dat moment echt bang en ik was er van overtuigd dat [verdachte] meende wat hij zei, dat hij mij zou gaan neersteken.

[getuige 4] is door de politie als getuige gehoord. Hij heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: (Voetnoot 13)

Ik ben zelf woonachtig bij Redos op het adres [adres 2] te Venlo. Op 29 oktober 2023 hoorde ik flink geschreeuw. Ik hoorde dat [verdachte] en [benadeelde partij] naar elkaar aan het schreeuwen waren. Ik zag dat er overal bloed lag, op de grond, op de muren en op de tafel. Ik zag dat er nog iemand van de begeleiding was, dat was [getuige 5] . Op enig moment hoorde ik dat [verdachte] weer begon te schreeuwen en in de richting van [getuige 5] en [benadeelde partij] stormde. Ik hoorde dat [verdachte] zei “Ik steek je dood". Ik heb [benadeelde partij] uit de situatie gehaald en ik ben met [benadeelde partij] naar het ziekenhuis gegaan.

[getuige 5] is door de politie als getuige gehoord. Hij heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: (Voetnoot 14)

Ik werk ook als begeleider bij Redos, op de locatie [adres 2] te Venlo. Op 29 oktober 2023 rond 9:30 uur kwam ik aan in studio [adres 2] . Ik hoorde toen ik boven aan kwam meteen al dat mijn collega [benadeelde partij] en cliënt [verdachte] flink in discussie waren. Ik hoorde glasgerinkel. Ik liep hierop terug naar de gezamenlijke ruimte en zag overal bloed op de vloer, de tafel de muur, de rechterhand van [verdachte] en het linkeroor van [benadeelde partij] . Op enig moment werd [verdachte] weer heel erg boos. Ik zag dat [verdachte] meteen een groot vleesmes van het aanrecht afpakte, dit in de richting van [benadeelde partij] richtte en ik hoorde dat [verdachte] daarbij zei:" Ik steek je dood".

Bewijsoverweging feit 1

Op basis van de bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [benadeelde partij] heeft bedreigd. Uit de aangifte van [benadeelde partij] blijkt dat de verdachte met een mes op [benadeelde partij] richtte en dat [benadeelde partij] vreesde voor zijn leven. De verdachte heeft daaraan de dreigende woorden, namelijk: “Ik steek je neer. Moet ik je eraan rijgen” en “Ik steek je dood”, althans woorden van gelijke strekking toegevoegd. Dit blijkt ook uit de getuigenverklaringen van [getuige 5] en [getuige 4] . Bij [benadeelde partij] kon de redelijke vrees ontstaan dat de verdachte hem iets wilde aandoen, dit temeer nu aan deze bedreiging de slag met het theeglas voorafging.

Bewijsoverweging feit 2

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 29 oktober 2023 in Venlo met een theeglas tegen het hoofd van [benadeelde partij] heeft geslagen, dat daarbij het glas kapotgegaan is en dat [benadeelde partij] hierdoor letsel heeft opgelopen aan zijn oor.

Poging zware mishandeling

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het opzet van de verdachte ten aanzien van het onder feit 2 primair tenlastegelegde erop gericht was om aan [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte willens en wetens heeft getracht [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De vraag is vervolgens of de verdachte voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte met een theeglas tegen het hoofd van de verdachte heeft geslagen en dat het theeglas vervolgens kapot is gesprongen. Hierbij is er glas in het oor van [benadeelde partij] terecht gekomen. Dit is zonder meer fors geweld. Aangever heeft verklaard dat het met kracht gebeurde. Het glas is ook kapot gegaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op de koop toe genomen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

in de zaak met parketnummer 03.122499.25 :

feit 1:

op 21 april 2025 te Venlo [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel in het bovenlichaam van voornoemde [slachtoffer] te schieten ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

feit 2:

op 21 april 2025 te Venlo een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de vorm van een pistool, en (bijbehorende) munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad;

in de zaak met parketnummer 03.222572.24 :

feit 1:

op 29 oktober 2023 te Venlo [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde partij] dreigend de woorden toe te voegen "Ik steek je neer" en/of "Ik steek je dood" en/of "moet ik je eraan rijgen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en door daarbij een mes te tonen en door met dit mes dreigend richting die [benadeelde partij] te lopen;

feit 2 primair:

op 29 oktober 2023 te Venlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een theeglas tegen het hoofd van die [benadeelde partij] kapot heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4
De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

in de zaak met parketnummer 03.122499.25

feit 1: doodslag;

feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

in de zaak met parketnummer 03.222572.24:

feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

feit 2 primair: poging tot zware mishandeling.

5
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.1

Het standpunt van de verdediging

in de zaak met parketnummer 03.122499.25

De verdediging stelt zich primair ten aanzien van de doodslag op het standpunt dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer toekomt. De verdachte werd continu door [getuige 3] bedreigd. [getuige 3] nam het initiatief om af te spreken. De verdachte wilde niet afspreken, maar hem werd eigenlijk geen keuze gelaten. De verdachte werd, aldus de verdediging, geconfronteerd met drie agressieve mannen die op hem af kwamen rennen. Twee mannen ( [getuige 3] en [slachtoffer] ) kwamen van de voorkant en een van opzij. De verdachte werd omsingeld en in het nauw gedreven. De verdachte zag dat [slachtoffer] hevig onder invloed was, dat [slachtoffer] een voorwerp vast had waarvan de verdachte dacht dat het een (vuur)wapen was en dat [slachtoffer] zijn hand omhoog bracht. Dit in combinatie met de eerder naar de verdachte gestuurde doodsbedreigingen en het feit dat er werd geroepen dat ze de verdachte zouden schieten, maakt dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De verdachte heeft hierop gereageerd door eenmaal te schieten. Het schieten was gepast en geboden. Er was voor de verdachte geen reële en redelijke mogelijkheid om zich aan de dreigende aanranding te onttrekken.

in de zaak met parketnummer 03.222572.24

De verdediging stelt zich ten aanzien van feit 2 primair op het standpunt dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij zich kan beroepen op noodweer. De verdachte werd door [benadeelde partij] geslagen, waarop hij hem terugsloeg met de mok nog in zijn hand.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

in de zaak met parketnummer 03.122499.25

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt. Er is geen sprake van verdediging. De verdachte heeft zelf de aanval gekozen. Hij is immers op [slachtoffer] afgelopen en heeft vrijwel direct een vuurwapen getrokken en daarmee in een vrijwel vloeiende beweging geschoten. Nu hij zelf de aanval kiest is er geen sprake van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding.Bovendien strandt een beroep op noodweer op de “eigen schuld”. De verdachte heeft immers de confrontatie gezocht of aanvaard waarbij hij een vuurwapen bij zich had. Daarnaast was het handelen van de verdachte niet proportioneel en subsidiair.

in de zaak met parketnummer 03.222572.24

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een noodweersituatie. Het beroep op noodweer moet daarom worden verworpen.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

in de zaak met parketnummer 03.122499.25

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende vast. Er was sprake van een langlopend conflict tussen de verdachte en [getuige 3] over onder meer een ondeugdelijke wapen dat [getuige 3] aan de verdachte zou hebben verkocht. Beiden waren bevriend met getuige [getuige 6] , waarbij zij ook in elkaars vaarwater zaten. Ze kwamen elkaar tegen in een milieu waarover de verdachte weinig duidelijkheid wil geven. Op grond van het berichtenverkeer is duidelijk dat ze elkaar bleven opzoeken en uitdagen. Op 21 april 2025 hebben de verdachte en [getuige 3] telefonisch en via whatsapp contact gehad wat erin heeft geresulteerd dat zij hebben afgesproken bij de woning van de verdachte op de [plaats delict] in Venlo. Uit de inhoud van deze berichten leidt de rechtbank af dat [getuige 3] uit was op een confrontatie (Van de zijde van [getuige 3] kwam het bericht: “Wie je wil bellen van Venlo of Blerick, bel wie je wil. Opkankeren met jou, ik ben nu hier”) en dat de verdachte deze confrontatie niet uit de weg ging (“De achterdeur is open voor jullie”). Toen de verdachte samen met [medeverdachte] op de scooter via de [straat 1] de [plaats delict] inreed zag hij [getuige 3] en [slachtoffer] op de hoek bij de Voedselbank staan. De verdachte is toen samen met [medeverdachte] doorgereden naar de hoek van de parkeerplaats ( [plaats delict] , tussen Bureau Jeugdzorg en de apotheek [apotheek] ). De verdachte is dan in het bezit van zijn vuurwapen, dat geladen is, en dat zelfs doorgeladen en direct schietklaar is. Nadat [medeverdachte] enkele korte rondjes in de nabijheid van de verdachte heeft gereden, gebaart de verdachte dat hij weg moet rijden en vraagt hij [medeverdachte] , zo verklaart deze, om verderop te wachten op de verdachte. [medeverdachte] vertrekt dan in de richting van de kruising van de [straat 2] met de [straat 3] . De verdachte blijft, met zijn helm nog op, in de hoek op de stoep achter een boom staan. Vervolgens komen [getuige 3] en [slachtoffer] vanuit de richting van de Voedselbank in de richting van de verdachte lopen, waarbij [slachtoffer] voorop loopt met – op enig moment – een voorwerp in zijn rechterhand. Achteraf blijkt dit een mes te zijn. Op dat moment komt de verdachte achter de boom vandaan, zet een paar stappen in de richting van [slachtoffer] en [getuige 3] , pakt zijn vuurwapen, richt zijn arm(en) naar voren, komt tot stilstand, spreidt zijn benen en schiet op [slachtoffer] . [slachtoffer] maakt op het moment dat de verdachte schiet een opwaartse beweging met zijn rechterarm, loopt drie passen achteruit en valt op de grond waarbij het mes uit zijn rechterhand valt. De verdachte rent daarna weg in de richting van de kruising van de [straat 2] met de [straat 3] , waar [medeverdachte] kort daarvoor uit het zicht van de camera is verdwenen. De door de Forensische Opsporing gemeten afstand tussen de positie van de verdachte op het moment van schieten en de positie van [slachtoffer] bedroeg tussen de 12,25 en 15 meter. Niet exact duidelijk is of daarbij is uitgegaan van de plek waar het lichaam van [slachtoffer] is aangetroffen of de plek waarop [slachtoffer] zich bevond ten tijde van het schieten. Zelfs als van het eerste wordt uitgegaan en rekening houdende met de drie achterwaartse passen, bevond [slachtoffer] zich ten tijde van het schieten op ruime afstand van de verdachte. Tijdens al het vorenstaande is, afgezien van de scooterrijder [medeverdachte] en een verderop voorbijrijdende fietser, tot op het moment waarop de verdachte schiet op [slachtoffer] niemand anders op de beelden te zien dan de verdachte, [slachtoffer] en [getuige 3] .

De verdachte stelt dat hij heeft geschoten, omdat hij zich moest verdedigen.

Voor een geslaagd beroep op noodweer als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht en de vaste jurisprudentie hierover dient allereerst aannemelijk te zijn dat er sprake is geweest van een noodweersituatie, dat wil zeggen: (een onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen vervolgens noodzakelijke verdediging geboden was.

Gelet op het voorgaande is geen sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer] richting de verdachte. Vervolgens is de vraag of op dat moment sprake is geweest van een daartoe onmiddellijk dreigend gevaar. De rechtbank is van oordeel dat daarvan evenmin sprake is geweest. Weliswaar liepen [slachtoffer] en [getuige 3] op de verdachte af waarbij [slachtoffer] een mes in zijn rechterhand had, maar op het moment van schieten bevond [slachtoffer] zich nog op afstand van de verdachte. Daarbij komt dat uit de camerabeelden blijkt dat [slachtoffer] tijdens het lopen zijn arm omlaag hield, geen stekende beweging richting de verdachte heeft gemaakt en pas op het moment dat de verdachte schoot een opwaartse beweging met zijn rechterarm heeft gemaakt. Dat er een derde persoon vanuit de richting van de apotheek op de verdachte is afgekomen waardoor er a. sprake zou zijn van een onmiddellijk dreigend gevaar en er b. geen mogelijkheid zou bestaan om in die richting weg te rennen acht de rechtbank evenmin aannemelijk geworden. Dit vindt geen steun in de camerabeelden. De wel door getuigen [getuige 1] en [getuige 2] genoemde derde persoon, die dus niet op de camerabeelden te zien is, loopt volgens die verklaringen in dezelfde richting als – en in het bijzijn van – [getuige 3] en [slachtoffer] . De rechtbank acht evenmin aannemelijk geworden dat [slachtoffer] heeft geroepen dat ze op de verdachte zouden schieten. Dit vindt geen steun in het dossier. Integendeel. Getuige [getuige 2] verklaart juist dat [getuige 3] en de derde persoon – en niet [slachtoffer] – iets naar de verdachte riepen. Dit rijmt bovendien niet met de eerdere verklaring van de verdachte dat tegen hem zou zijn gezegd: “Als je wat hebt, schiet dan.” Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Voor zover er al sprake zou zijn geweest van een dreigend gevaar, zou het beroep op noodweer falen, omdat niet is voldaan aan de subsidiariteitseis. De verdachte had zich aan de aanranding kunnen en moeten onttrekken. De verdachte had de mogelijkheid om weg te gaan, nu de weg rechts van hem vrij was. Bovendien heeft de verdachte er klaarblijkelijk voor gekozen om niet te roepen dat hij zou schieten, niet te waarschuwen dat hij zou schieten, niet een waarschuwingsschot te lossen en ook niet te richten op een ander deel van het lichaam dan het bovenlichaam, wat stuk voor stuk toe te passen opties zouden kunnen zijn geweest om [slachtoffer] af te remmen of af te schrikken.

in de zaak met parketnummer 03.222572.24

De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk zijn geworden. De stelling dat de verdachte eerst door [benadeelde partij] werd geslagen, waarop hij hem terugsloeg met het theeglas nog in zijn hand, vindt geen steun in ander (objectief) bewijsmateriaal. Het dossier bevat geen getuigenverklaringen of camerabeelden die het gestelde noodweerscenario bevestigen. Nu niet is gebleken van een noodweersituatie waartegen verdediging geboden was, verwerpt de rechtbank reeds hierom het beroep op noodweer.

in beide zaken

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6
De strafbaarheid van de verdachte
6.1

Het standpunt van de verdediging

in de zaak met parketnummer 03.122499.25

De verdediging stelt zich subsidiair ten aanzien van feit 1 op het standpunt dat de verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt. Er is sprake geweest van een situatie waarin de verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat hij zich moest verdedigen, omdat hij zich verontschuldigbaar (het dreigende gevaar voor) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding heeft ingebeeld, dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. De verdachte dacht dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich droeg en dat mocht hij ook denken gelet op de eerder gestuurde berichten, hetgeen er geroepen werd en de voorkennis over bij [getuige 3] dat deze over vuurwapens beschikt. Mocht de rechtbank van mening zijn dat de verdachte in zijn verdediging te ver is gegaan, dan stelt de verdediging zich meer subsidiair op het standpunt dat die overschrijding van de proportionaliteit te wijten is aan een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte. Daarmee komt aan de verdachte in elk geval een geslaagd beroep op (putatief) noodweerexces toe. De verdachte dient in alle gevallen te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

in de zaak met parketnummer 03.222572.24

De verdediging stelt zich ten aanzien van feit 2 subsidiair op het standpunt dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij zich kan beroepen op noodweerexces.

6.2

Het standpunt van de officier van justitie

in de zaak met parketnummer 03.122499.25

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op putatief noodweer(exces) of noodweerexces toekomt, nu er geen sprake was van een noodweersituatie en van een hevige gemoedstoestand eveneens niets is gebleken.

in de zaak met parketnummer 03.222572.24

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweerexces toekomt, nu niet gebleken is dat er sprake was van een noodweersituatie.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

in de zaak met parketnummer 03.122499.25

Noodweerexces

Zoals hiervoor onder 5.3 is overwogen, heeft naar het oordeel van de rechtbank geen noodweersituatie bestaan. In dat oordeel ligt tevens besloten dat de verdachte geen succesvol beroep op noodweerexces toekomt. Bovendien is de rechtbank niets gebleken van een hevige gemoedsbeweging. Op basis van het dossier ontstaat namelijk juist een beeld van de verdachte die met zijn helm op zijn hoofd ogenschijnlijk rustig op [getuige 3] en [slachtoffer] staat te wachten, bij hun nadering zelf kalm op hen afloopt, daarbij zonder aarzeling in een vloeiende beweging het doorgeladen en schietklare vuurwapen pakt, met dat wapen met zijn beide handen aanlegt en richt, zijn benen in een spreidstand positioneert en ten slotte schiet op een moment dat er door [slachtoffer] nog niet met het mes was bewogen. Daarna verdwijnt de verdachte met medeneming van zijn wapen in de richting waarvan hem bekend is dat [medeverdachte] er met zijn scooter op hem staat te wachten en gaat hij met zijn helm op achterop bij [medeverdachte] zitten. Nergens is sprake van paniek. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweerexces.

De verdediging heeft ter aanvullende onderbouwing van het beroep op noodweerexces nog aangevoerd dat de scooterrijder [medeverdachte] heeft verklaard dat, toen de verdachte bij hem terugkwam, deze er geschrokken uitzag zoals hij hem nog niet eerder had gezien.

Niets wijst er echter op dat deze door [medeverdachte] waargenomen gemoedstoestand ook voorafgaand aan en op het moment van schieten op [slachtoffer] bestond.

Putatief noodweer(exces)

Van putatief noodweer is sprake, wanneer een verdachte verschoonbaar dwaalt over het bestaan van een noodweersituatie. Aannemelijk dient te zijn dat er omstandigheden waren die de verdachte redelijkerwijze aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen. De subjectieve ervaring van de verdachte is daarbij niet leidend.

De verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat [slachtoffer] met een vuurwapen op hem afkwam. Dit rijmt evenwel niet met zijn eerdere verklaring en uitlatingen tegenover anderen dat [slachtoffer] hem met een mes wilde steken. De rechtbank verwijst in dit verband voorts naar rechtsoverweging 5.3. Zelfs als de verdachte daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde, hetgeen de rechtbank niet aannemelijk acht, dat [slachtoffer] een vuurwapen in zijn rechterhand had, mocht de verdachte redelijkerwijs niet menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan. De verdachte had een ander middel kunnen aanwenden om [slachtoffer] te stoppen door bijvoorbeeld een waarschuwingsschot te lossen. Gelet op het voorgaande kan het beroep op putatief noodweer niet slagen.

In dit oordeel van de rechtbank ligt tevens besloten dat de verdachte geen beroep op putatief noodweerexces toekomt. De rechtbank verwerpt daarom ook het beroep op putatief noodweerexces.

in de zaak met parketnummer 03.222572.24

Zoals hiervoor onder 5.3 is overwogen heeft naar het oordeel van de rechtbank geen noodweersituatie bestaan. In dat oordeel ligt tevens besloten dat de verdachte geen succesvol beroep op noodweerexces toekomt. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweerexces.

Conclusie

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7
De straf
7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, gelet op hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie weegt daarbij het strafblad, het meenemen van een vuurwapen en de locatie en het tijdstip van het schietincident in strafverzwarende zin mee.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om bij een strafoplegging rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van het geval en de mate van geweld die vanuit de kant van [getuige 3] kwam en te volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van hooguit 5 jaren.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten. Het zwaartepunt van die feiten ligt uiteraard bij de doodslag op [slachtoffer] . De verdachte is op klaarlichte dag in een woonwijk nabij het centrum van Venlo bewust de confrontatie aangegaan en is met een doorgeladen vuurwapen naar de afgesproken locatie gegaan. Aanleiding voor deze confrontatie was een langlopend conflict tussen de verdachte en de schoonbroer van het slachtoffer, [getuige 3] . Toen [slachtoffer] en [getuige 3] op de verdachte af kwamen lopen heeft de verdachte doelgericht op [slachtoffer] geschoten, die als gevolg van een doorschot door de romp kansloos was en ter plaatse is overleden. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan één van de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht en heeft het slachtoffer diens meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. De verdachte is gevlucht en heeft zich schuilgehouden tot zijn arrestatie. Hij heeft bekend geschoten te hebben, maar dit uit zelfverdediging, hetgeen de vraag oproept in hoeverre hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Het behoeft geen betoog dat de verdachte met zijn handelen een onomkeerbaar verlies teweeg heeft gebracht en de nabestaanden van [slachtoffer] groot leed heeft aangedaan. Het leed van de nabestaanden blijkt ook uit de op de terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen. Hierin weerklinkt het grote gemis en verdriet dat het handelen van de verdachte bij de naasten heeft teweeggebracht. De jonge dochters van het slachtoffer hebben indringend verwoord dat ze nooit meer voor advies of om gewoon te praten bij hun vader terecht zullen kunnen, waarmee de verdachte ook in hun leven iets kapot heeft gemaakt. Naast het leed en verdriet bij de nabestaanden heeft het handelen van de verdachte ook grote gevoelens van onveiligheid en onrust met zich gebracht voor de buurt en de samenleving als geheel. Met zijn handelswijze heeft de verdachte ook omstanders die hiervan ongewild getuige waren, schrik en angst aangejaagd.

De verdachte, toen 20 jaar, inmiddels 21 jaar, heeft [slachtoffer] , een vader van 50 jaar, doodgeschoten. De verdachte heeft zich daarmee tevens schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.

In strafverzwarende zin neemt de rechtbank voorts in overweging dat de verdachte andere jongere mannen in zijn spoor heeft meegenomen en hen daarmee heeft beschadigd; anderen hebben met aanhouding en detentie te maken gehad, gelet op hetgeen de verdachte teweeg heeft gebracht. Bovendien heeft de verdachte, blijkens de nadien beluisterde telefoongesprekken, anderen bewogen om de scooter of telefoons weg te gooien, waarmee hij hen verder betrok in mogelijk strafbaar handelen.

Vanaf het moment dat de verdachte verklaarde over de gebeurtenissen in de [plaats delict] , heeft hij zich erop beroepen dat [getuige 7] hem van rechts naderde waardoor hij niet kon vluchten, en dat [getuige 3] en [slachtoffer] met een mes op hem af kwamen gerend. Echter, op de camerabeelden is te zien dat ze liepen, ze renden niet. Naderhand heeft de verdachte verklaard dat hij niet zeker wist of [getuige 7] hem de vlucht belette. Mogelijk ging het toch om een onbekend iemand. Met zijn – wisselende – verklaringen heeft de verdachte wellicht getracht omstandigheden aan te voeren die zijn gedrag enigszins acceptabel maken. Dat is het echter op geen enkele manier.

De rechtbank weegt mee dat het feit zich op klaarlichte dag heeft afgespeeld in een woonwijk nabij het centrum van Venlo en dat de verdachte zich kennelijk niets heeft aangetrokken van dit gevaar voor derden.

Naast de feiten van 21 april 2025 heeft de verdachte een bedreiging en een poging tot zware mishandeling van een begeleider gepleegd. Ook bij dit feit stelt de verdachte slechts te handelen als reactie op de actie van de ander. Dit is een miskenning van zijn onvermogen de situatie zonder geweld op te lossen. De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.

De rechtbank houdt er rekening mee dat het schietincident heeft plaatsgevonden vanwege een hoogoplopend conflict tussen de verdachte en [getuige 3] waarbij [getuige 3] evenzeer ernstige bedreigingen richting de verdachte heeft geuit en ook [getuige 3] de confrontatie heeft gezocht. Dit conflict is [getuige 3] zwager fataal geworden.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 2 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict. De rechtbank leidt ook daaruit af dat de verdachte geweld niet schuwt.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de jeugdige leeftijd van de verdachte.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 19 juni 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte al vanaf jonge leeftijd problemen ervaart en veroorzaakt. Hij is daarvoor in behandeling geweest en begeleid. De reclassering adviseert om het volwassenstrafrecht toe te passen en om nu een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De verdachte heeft stellig aangegeven niet open te staan voor reclasserings(interventies) en bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet gezien de houding van de verdachte en de beperkte openheid die hij heeft gegeven op de leefgebieden vooralsnog geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken. De rechtbank neemt dit advies over.

Hoewel de rechtbank de door de officier van justitie aangehaalde strafverzwarende omstandigheden aldus deelt, komt zij desondanks tot een lagere strafoplegging dan geëist. Dit is er in gelegen dat de rechtbank de omstandigheden anders weegt in het bepalen van de hoogte van de straf en daarbij nadrukkelijk gewicht toekent aan de rol van [getuige 3] .

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. De rechtbank heeft gekeken naar de straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken voor doodslag worden opgelegd, te weten een gevangenisstraf tussen de acht en twaalf jaren. Uitgaande van die bandbreedte, de LOVS-oriëntatiepunten en met inachtneming van het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van elf jaren met aftrek van het voorarrest geboden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Gelet op de door de raadsman ten aanzien van de doodslag gevoerde verweren tot rechtvaardiging dan wel tot strafuitsluiting heeft hij opheffing van het bevel voorlopige hechtenis verzocht. Gelet op de verwerping van al die verweren en gelet op de door de rechtbank hierna te nemen beslissing zal de rechtbank het bevel voorlopige hechtenis niet opheffen.

8
De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.1

De vordering van de benadeelde partij

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend:

in de zaak met parketnummer 03.122499.25

[nabestaande 1] , de partner van het slachtoffer, vordert een schadevergoeding van € 43.566,26 bestaande uit € 20.000,00 wegens affectieschade, € 20.000,00 wegens schokschade, € 2.900,01 wegens kosten lijkbezorging en € 666,25 wegens kosten behandeling (eigen risico);

[dochter 1] , de minderjarige dochter van het slachtoffer, vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordiger mevrouw [nabestaande 1] , vordert een schadevergoeding van € 22.700,00 bestaande uit € 20.000,00 wegens affectieschade en € 2.700,00 wegens gederfd levensonderhoud;

[dochter 2] , de meerderjarige dochter van het slachtoffer, vordert een schadevergoeding van € 17.500,00 wegens affectieschade;

[zoon] , de meerderjarige zoon van het slachtoffer, vordert een schadevergoeding van € 20.000,00 wegens affectieschade en € 17,80 wegens kosten uittreksel geboorteregister.

Alle benadeelde partijen vorderen bovendien de wettelijke rente over de gevorderde bedragen en verzoeken de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

in de zaak met parketnummer 03.222572.24

De heer [benadeelde partij] heeft het schadevergoedingsverzoek-formulier ingediend, maar heeft geen bedrag aan schade gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

in de zaak met parketnummer 03.122499.25

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de partner gevorderde affectieschade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,00 en de overige door de partner gevorderde bedragen volledig kunnen worden toegewezen. Hij heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de door [dochter 2] en [zoon] gevorderde affectieschade kan worden toegewezen tot € 15.000,00. De door [zoon] gevorderde kosten wegens opvragen van het uittreksel geboorteregister kunnen worden toegewezen. De vordering van [dochter 1] kan geheel worden toegewezen. De officier heeft ten aanzien van alle vorderingen gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

in de zaak met parketnummer 03.222572.24

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de benadeelde partij geen bedrag aan schade heeft gevorderd.

8.3

Het standpunt van de verdediging

in de zaak met parketnummer 03.122499.25

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vorderingen, gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vorderingen dienen te worden gematigd wegens eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer, [getuige 3] en de partner van het slachtoffer. Verder voert de verdediging verweer tegen de door de partner gevorderde schok- en affectieschade. De verdediging betwist voor wat betreft de schokschade de onverhoedse confrontatie, het geestelijk letsel en het causaal verband hiertussen. De verdediging betwist voorts dat de partner de levensgezel van het slachtoffer was en zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden. Bovendien kan vanwege de samenloop van schok- en affectieschade niet beide (onbeperkt)worden toegewezen. Tot slot betwist de verdediging de hoogte van de schok- en affectieschade. De verdediging voert ook verweer tegen de door [dochter 1] gevorderde kosten wegens gederfd levensonderhoud. Niet gebleken is dat het slachtoffer mede in haar levensonderhoud voorzag. De partner is op grond van artikel 1:392 BW verplicht om [dochter 1] in levenshoud te voorzien. Tot slot voert de verdediging verweer tegen de hoogte van de door [zoon] gevorderde affectieschade. De verdediging betwist dat de zoon thuiswonend is.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

in de zaak met parketnummer 03.122499.25

Het feit dat [slachtoffer] en [getuige 3] de confrontatie met de verdachte hebben opgezocht, is een omstandigheid die in beginsel zou kunnen leiden tot een causaliteitsverdeling. Het handelen van de verdachte staat naar het oordeel van de rechtbank echter niet in verhouding tot het handelen van [slachtoffer] en [getuige 3] . Van eigen schuld van de partner is in het geheel geen sprake. De verdachte is daarom volledig aansprakelijk voor de schade. De rechtbank zal hierna de schadevorderingen van de benadeelde partijen per post beoordelen.Affectieschade (partner en kinderen)Op grond van artikel 6:108 lid 3 BW kunnen nabestaanden affectieschade vorderen in het geval het overlijden van het slachtoffer het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een ander, in dit geval de verdachte, aansprakelijk is. De partner maakt aanspraak op vergoeding van affectieschade van € 20.000,00. Zij heeft gesteld dat zij de partner/levensgezel van [slachtoffer] is en dat zij tot zijn overlijden een duurzame gemeenschappelijke huishouding vormden (artikel 6:108 lid 4 onder b BW). Zij heeft in dat verband aangevoerd dat zij weliswaar formeel op een ander adres stonden ingeschreven, maar dat zij in de praktijk samenwoonden en op alle mogelijke manieren een gezamenlijke huishouding voerden. De verdediging heeft betwist dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De rechtbank zal de partner niet in de gelegenheid stellen om dit nader te onderbouwen, omdat dat dat een onevenredige belasting van het strafproces vormt. Wel stelt de rechtbank vast dat de partner en [slachtoffer] al jarenlang een affectieve relatie hadden en samen een dochter - [nabestaande 2] - hebben. Daarmee staat de partner in zo’n nauwe persoonlijke betrekking tot [slachtoffer] dat haar een beroep toekomt op de zogenaamde hardheidsclausule (artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g BW). Gelet op het voorgaande zal de rechtbank overeenkomstig het Besluit vergoeding affectieschade een bedrag van € 17.500,00 aan de partner toewijzen en haar voor wat betreft het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaren in haar vordering. Zij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.De kinderen van [slachtoffer] behoren tot de vaste kring van personen die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade (artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder d BW). De rechtbank zal daarbij uitgaan van de bedragen zoals vermeld in het Besluit vergoeding affectieschade. [dochter 1] is minderjarig, zodat de rechtbank een bedrag van € 20.000,00 zal toewijzen. [dochter 2] is meerderjarig en uitwonend, zodat de rechtbank een bedrag van € 17.500,00 zal toewijzen. [zoon] is meerderjarig. De rechtbank zal een bedrag van € 17.500,00 toewijzen, omdat de zoon tegenover de gemotiveerde betwisting van de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd dat hij thuiswonend is. Weliswaar staat vast dat de zoon stond ingeschreven op het adres van [slachtoffer] , maar onduidelijk is in hoeverre hij nog op dit adres woonde. [zoon] krijgt geen gelegenheid om het meerdere alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank zal [zoon] daarom voor wat betreft het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Hij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen. Schokschade (partner)De rechtbank stelt voorop dat iemand die een ander (het primaire slachtoffer) door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt - afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden - ook onrechtmatig kan handelen jegens degene (het secundaire slachtoffer) bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt.Het antwoord op de vraag óf jegens het secundaire slachtoffer onrechtmatig is gehandeld is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Gezichtspunten die daarbij een rol spelen zijn:- de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad;- de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met die onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan;- en de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer.Het recht op vergoeding van schokschade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot schade die volgt uit geestelijk letsel. Het moet gaan om geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig en in voldoende mate objectiveerbaar is. Bij samenloop van affectie- en schokschade moet de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wegens schokschade rekening moet worden gehouden met de vergoeding wegens affectieschade.

Zoals hiervoor is overwogen is [slachtoffer] met één schot om het leven gekomen. De partner heeft gesteld dat de confrontatie tijdens de identificatie in het mortuarium een hevig emotionele schok bij haar teweeg heeft gebracht. De beelden die dit bij haar heeft opgeroepen zijn niet volledig te vergelijken met de feitelijke en directe waarneming van de gevolgen van misdrijven, maar zijn evenzeer emotioneel schokkend. Ook de berichten die de partner heeft ontvangen hebben tot gevolg gehad dat zij voortdurend is geconfronteerd met details. Dit geldt ook voor de periode daarna aangezien deze details in het strafrechtelijk onderzoek uitgebreid zijn behandeld en zij ook is geconfronteerd met de beelden. Uit de brief van de GZ-psycholoog van 2 april 2026 blijkt dat de partner hierdoor met traumaklachten (waaronder flashbacks) kampt, dat de diagnose PTSS is gesteld en dat zij hiervoor in behandeling is. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de partner in aanmerking komt voor vergoeding van schokschade. Een precieze afbakening tussen schokschade en affectieschade is doorgaans niet mogelijk. Dat geldt ook hier. Voor wat betreft de hoogte heeft de rechtbank gekeken naar bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank acht in redelijkheid en billijkheid, naast de toe te wijzen affectieschade, een bedrag van € 10.000, gelet op alle omstandigheden in deze zaak, passend en zal het meer gevorderde afwijzen.

Kosten lijkbezorging (partner) De rechtbank zal het door de partner gevorderde bedrag van € 2.900,01 wegens kosten lijkbezorging toewijzen, omdat deze kosten niet zijn betwist en voldoende zijn onderbouwd.

Ziektekosten (partner) De rechtbank zal het door de partner gevorderde bedrag van € 666,25 wegens kosten behandeling (eigen risico) toewijzen, omdat deze kosten niet zijn betwist en voldoende zijn onderbouwd.

Kosten levensonderhoud (dochter [dochter 1] ) [dochter 1] heeft een bedrag van € 2.700,00 gevorderd voor (toekomstig) gederfd levensonderhoud, omdat haar vader niet meer in haar levensonderhoud kan voorzien. [dochter 1] heeft voor wat betreft de hoogte van het bedrag aansluiting gezocht bij de situatie waarin haar ouders zouden zijn gescheiden en [slachtoffer] kinderalimentatie had moeten betalen. [dochter 1] is daarbij uitgegaan van een periode van 54 maanden, te weten 21 april 2025 (datum overlijden) tot 22 oktober 2029 (datum waarop zij 18 jaar zal worden). [dochter 1] stelt zich primair op het standpunt dat een bedrag van € 50,00 per maand redelijk en billijk is. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat uitgegaan dient te worden van een bedrag van € 25,00 per maand. Zij verwijst in dit verband naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 juli 2025, ECLI:GHARL:2025:4282. De verdediging betwist deze post en stelt zich – onder verwijzing naar artikel 1:392 BW - op het standpunt dat het slachtoffer niet verplicht is levensonderhoud aan de dochter te verstrekken, omdat dit van de partner kan worden verkregen.

Op grond van 6:108 lid 1 BW is de verdachte verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud aan de minderjarige dochter van [slachtoffer] en wel tot ten minste het bedrag van het haar krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud. Op grond van artikel 1:392 BW zijn ouders verplicht om in het levensonderhoud van hun kinderen te voorzien. De rechtbank heeft geen aanwijzingen om te veronderstellen dat [slachtoffer] tot zijn overlijden op geen enkele wijze heeft bijdragen aan de kosten van het levensonderhoud van [dochter 1] . Evenals [dochter 1] zoekt de rechtbank aansluiting bij de situatie waarin haar ouders zouden zijn gescheiden en [slachtoffer] kinderalimentatie had moeten betalen. Op grond van het rapport alimentatienormen 2026 bedraagt de minimumdraagkracht € 25,00 per maand, zodat de rechtbank - bij gebrek aan inkomensgegevens - daarvan zal uitgaan. Uitgaande van 54 maanden komt dit neer op € 1.350,00. Het meerdere is onvoldoende onderbouwd. [dochter 1] krijgt geen gelegenheid het meerdere alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank zal daarom [dochter 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaren in haar vordering. Zij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Kosten uittreksel geboorteregister (zoon [zoon] ) De rechtbank zal het door [zoon] gevorderde bedrag van € 17,80 wegens kosten uittreksel geboorteregister toewijzen, omdat deze kosten niet zijn betwist en voldoende zijn onderbouwd. ConclusieDe rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen als volgt toewijzen: - de partner: € 31.066,26; - de dochter [dochter 1] : € 21.350,00; - de dochter [dochter 2] : € 17.500,00;- de zoon [zoon] : € 17.517,80.

De wettelijke rente over voormelde bedragen wordt eveneens toegewezen en wel met ingang van 21 april 2025 tot de dag van algehele voldoening.

Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.

De rechtbank zal, om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en gijzeling opleggen. Gelet op de maximale duur van de gijzeling, zal het maximale totaal aantal dagen worden verdeeld over de vier vorderingen.

Omdat [dochter 1] minderjarig is, bepaalt de rechtbank, zoals gevorderd, dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.

In de zaak met parketnummer 03.222572.24

De vordering van de heer [benadeelde partij] voldoet niet aan de vereisten van artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering, nu er geen schadebedragen zijn ingevuld. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Daarnaast wordt de benadeelde partij veroordeeld in de kosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

9
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 57, 60a, 285, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55, leden 1 en 3 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

10
De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

In de zaak met parketnummer 03.122499.25

[nabestaande 1]

wijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 31.066,26, bestaande uit € 3.566,26 materiële schade en € 27.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [nabestaande 1] van een bedrag van € 31.066,26, bestaande uit € 3.566,26 materiële schade en € 27.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 90 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

[nabestaande 2]

wijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij [dochter 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 21.350,00, bestaande uit € 1.350,00 materiële schade en € 20.000,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [dochter 1] van een bedrag van € 21.350,00, bestaande uit € 1.350,00 materiële schade en € 20.000,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 90 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

[nabestaande 4]

wijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij [dochter 2] toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 17.500,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [dochter 2] van een bedrag van €17.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 90 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

[nabestaande 3]

wijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij [zoon] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 17.517,80, bestaande uit € 17,80 materiële schade en € 17.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [zoon] van een bedrag van €17.517,80 bestaande uit € 17,80 materiële schade en € 17.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 90 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

In de zaak met parketnummer 03.222572.24

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en de vordering slechts bij de burgerlijke rechtere rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H. van den Hombergh, voorzitter, mr. L.H.M. Geuns en mr. B. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.E. Adams, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2026.

Buiten staat

Mr. B. de Groot is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging (na wijziging)

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

In de zaak met parketnummer 03-122499-25:

feit 1:

hij, op of omstreeks 21 april 2025 te Venlo, in de gemeente Venlo, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer (onbekend gebleven) ander(en), althans alleen,

[slachtoffer]

opzettelijk, al dan niet

met voorbedachten rade

van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel in het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] te schieten ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

feit 2:

hij, op of omstreeks 21 april 2025 te Venlo, in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te

weten een pistool, in elk geval zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en

een of meer (bijbehorende) munitie van categorie III,

voorhanden heeft gehad;

In de zaak met parketnummer 03-222572-24:

feit 1:

hij op of omstreeks 29 oktober 2023 te Venlo

[benadeelde partij] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [benadeelde partij] dreigend de woorden toe te voegen "Ik steek je neer" en/of "Ik steek je dood" en/of "moet ik je eraan rijgen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of door daarbij een mes te tonen en/of door met dit mes (dreigend) richting die [benadeelde partij] te lopen;

feit 2 primair:

hij op of omstreeks 29 oktober 2023 te Venlo

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [benadeelde partij]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

een mok of theeglas tegen het hoofd van die [benadeelde partij] kapot heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 subsidiair:

hij op of omstreeks 29 oktober 2023 te Venlo

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [benadeelde partij]

heeft mishandeld

door die [benadeelde partij] , al dan niet met een voorwerp, tegen het hoofd te slaan.

Voetnoot

Voetnoot 1

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer LB1R025042, onderzoek Quokka, gesloten d.d. 22 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1652.

Voetnoot 2

De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026.

Voetnoot 3

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina. 270 en 277 tot en met 279.

Voetnoot 4

Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [plaats delict] Venlo, pagina 1031, 1033 en 1034.

Voetnoot 5

Het rapport forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden d.d. 9 mei 2025, pagina 1144, 1147 en 1148.

Voetnoot 6

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 16 mei 2025, pagina 1516.

Voetnoot 7

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 21 april 2025, pagina 120 en 121.

Voetnoot 8

De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026.

Voetnoot 9

Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [plaats delict] Venlo d.d. 1 juli 2025, pagina 1031 tot en met 1033.

Voetnoot 10

Het proces-verbaal uitslag vergelijkend sporenonderzoek d.d. 29 april 2025, pagina 1117 en 1118.

Voetnoot 11

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023173127, gesloten d.d. 24 juni 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 31.

Voetnoot 12

Het proces-verbaal aangifte van [benadeelde partij] d.d. 29 oktober 2023, pagina 2 tot en met 4.

Voetnoot 13

Het proces-verbaal van verhoor getuige van [getuige 4] d.d. 2 november 2023, pagina 18 en 19.

Voetnoot 14

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 2 november 2023, pagina 21 en 22.