3.3.1
Vrijspraak feit 1 en 2
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 15 februari 2024 omstreeks 19:30 uur zagen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beide verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee, twee personenauto’s geparkeerd staan aan de achterzijde van het BP tankstation “Zwarte Water” in de gemeente Venlo. Het betrof een Kia Carnival en een Volkswagen Polo. Beiden waren voorzien van Duitse kentekenplaten. De Volkswagen stond rechts van de Kia. De portierdeur aan de bijrijderskant van de Kia was geopend. De portierdeur aan de bestuurderskant van de Volkswagen was eveneens geopend. Tussen de geopende portierdeuren stond een persoon. De verbalisanten schrijven dat ‘het bij ons in elk geval leek alsof er een conflict gaande was’. Hierop zijn de verbalisanten gestopt en uit hun dienstvoertuig gestapt. De persoon die tussen de geopende portierdeuren stond, liep direct op de verbalisanten af en vroeg wat ze kwamen doen. [verbalisant 1] vroeg hierop aan de persoon wat er aan de hand was en wat ze aan het doen waren. De persoon verklaarde dat ze onderweg waren naar Gelsenkirchen in Duitsland en dat ze aan het chillen waren. Hij maakte een onrustige indruk. Tijdens dit gesprek bleef de bestuurder van de Volkswagen recht voor zich uitkijken. De verbalisanten besloten daarop de personen staande te houden en hun identiteitsbewijs te vorderen. Op dat moment zagen zij dat er zich op de bestuurderstoel van de Kia nog een persoon bevond. Ook hij is staande gehouden en gevorderd om een identiteitsbewijs te tonen. De persoon die tussen de geopende portierdeuren stond overhandigde een identiteitskaart van Griekenland. Deze was op naam gesteld van [naam id bewijs] (hierna: [naam id bewijs] ). De persoon op de bestuurderstoel van de Volkswagen overhandigde een identiteitskaart van Polen. Deze was op naam gesteld van [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). De persoon op de bestuurderstoel van de Kia overhandigde een paspoort van Turkije. Deze was op naam gesteld van [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). De verbalisanten vroegen aan [naam id bewijs] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waar ze vandaan kwamen, waar ze naar toe gingen en wat het doel was van hun verblijf op de parkeerplaats. [naam id bewijs] verklaarde dat hij onderweg was met de meneer in de Kia. Hij kwam vanuit Nederland en was onderweg naar Duitsland. Er was geen conflict gaande, want ze waren allemaal vrienden van elkaar. [naam id bewijs] wilde niet zeggen waar hij in Nederland was geweest. Hij bleef tijdens het gesprek op en neer wandelen en maakte nog steeds een onrustige en gespannen indruk. [medeverdachte 2] verklaarde dat hij onderweg was naar Gelsenkirchen. Hij kon de namen van de mannen die bij hem waren niet noemen. De verbalisanten vonden dit opmerkelijk gelet op hetgeen [naam id bewijs] had verklaard. [medeverdachte 1] verklaarde dat hij niet wist wat ze daar deden. De verbalisanten vonden ook dit opmerkelijk. Zij schrijven hierbij dat ‘enkel [dit] begrepen’ werd uit de gesprekken met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , ‘in verband met de taalbarrière’. De verbalisanten hebben de identiteitskaarten en het paspoort op echtheid onderzocht. Zij zagen dat de echtheidskenmerken in de identiteitskaart van Griekenland niet overeenkwamen met een origineel door de autoriteiten van Griekenland afgegeven identiteitskaart van dit model. Hiervoor hebben de verbalisanten telefonisch contact gehad met een documentendeskundige die de bevindingen en waarnemingen bevestigde. Bij de verbalisanten rees daardoor het vermoeden dat de door [naam id bewijs] overhandigde identiteitskaart een vals exemplaar betrof. Hierop hebben de verbalisanten [naam id bewijs] aangehouden op verdenking van overtreding van de artikelen 231 lid 2 en/of 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht. Door [verbalisant 1] is aansluitend een tweede patrouille ter plaatse gevraagd ter doorzoeking van de twee voertuigen en ondersteuning ten behoeve van het vervoer. Hierna is [naam id bewijs] in het dienstvoertuig geplaatst, waarbij [verbalisant 1] in de deuropening van het voertuig bleef staan om toezicht te houden op [naam id bewijs] . Omstreeks 20:00 uur kwamen verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] ter plaatse. Hierop hebben zij beide voertuigen doorzocht ter vaststelling van de identiteit van [naam id bewijs] . Dit omdat volgens de verbalisanten niet duidelijk was met welk voertuig [naam id bewijs] was vervoerd. Tijdens de doorzoeking van de Volkswagen werden door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] verdovende middelen aangetroffen. Na het aantreffen van deze verdovende middelen heeft [naam id bewijs] [verbalisant 1] geschopt, waarbij [verbalisant 1] ten val kwam, en is [naam id bewijs] uit het dienstvoertuig ontsnapt. Vervolgens is hij gevlucht door de snelweg over te steken. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] werden aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet. [naam id bewijs] is uiteindelijk op 29 september 2025 aan de hand van een Europees Aanhoudingsbevel in Bielefeld te Duitsland aangehouden. Middels een politieel verzoek buitenland is vastgesteld dat de ware identiteit van [naam id bewijs] , [verdachte] (hierna: [verdachte] ), geboren op [geboortegegevens] betreft.
Op 17 juni 2024 heeft mr. Van Wijk, de raadsman van [medeverdachte 2] , onderzoekswensen ingediend. Hij heeft onder andere verzocht om de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] te horen, omdat hij vraagtekens zet bij de rechtmatigheid van de controle. Hij wenst de verbalisanten te bevragen over hun bevindingen en handelingen. Op 19 juni 2024 heeft mr. Woodrow, raadsman van [medeverdachte 1] onderzoekswensen ingediend. Hij heeft eveneens verzocht om de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] als getuigen te horen. Mr. Woodrow wenst de verbalisanten te bevragen omtrent de redenen waarom tot doorzoeking van de Volkswagen is overgegaan. De verzoeken zijn op 2 juli 2024 door de rechter-commissaris toegewezen.
Op 24 oktober 2024 hebben de getuigenverhoren van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] bij de rechter-commissaris plaatsgevonden. De getuigenverhoren bij de rechter-commissaris zijn later ook toegevoegd aan het dossier van [verdachte] . Tijdens de getuigenverhoren is duidelijk geworden dat er op voorhand contact is geweest tussen de verbalisanten die als getuigen door de rechter-commissaris zijn gehoord, waarbij inhoudelijk is gesproken over de onderzoekswensen van de verdediging en over de gewenste antwoorden op vragen die gesteld zouden worden
Om te beginnen heeft [verbalisant 1] een appje gestuurd naar [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] . Dit appje is toegevoegd aan het proces-verbaal van verhoor getuige [verbalisant 4] en luidt als volgt:
Hallo Toppers,
In verband met cursus en afwijkende diensten zijn wij geen dag samen op de brigade. Vandaar even op deze manier.
Donderdag zijn wij opgeroepen door de rechtbank als getuige in de drugszaak
“van de Turk en de Pool”.
Het betreft dus niet de mishandeling of vervalsing “van de Griek” die hieruit ook voortvloeide. Let hier even op.
Ik ben vanmorgen bij [naam rechercheur] van de R geweest. Hier hebben we gebeld met de OVJ in deze zaak. De verdediging (lees advocaat) van de Pool heeft aanvullende onderzoekswensen ingediend. Waaronder dus het horen van de 4 zaak verbalisanten als getuige. Dat is de reden dat we worden opgetrommeld.
Hij wil opheldering over:
*de aanleiding van de controle en de hierin gegeven verklaringen van de 3 verdachten aan de verbalisant(en). Hij is van mening dat die niet aansluit bij de verklaring van zijn dient.
*doorzoeking voertuig van “de Pool”. Hij is van mening dat deze doorzoeking onrechtmatig is geweest en de drugs dus onrechtmatig verkregen bewijs is. Lees geen strafvervolging mag komen voor zijn dient.
Voor mij (en [naam 2] ) belangrijk om de aanleiding in deze zaak, en waarom er is besloten tot doorzoeking van beide voertuigen, scherp te hebben en te kunnen uitleggen. In het pv aanleiding staat namelijk dat wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , ze hebben gevraagd wat ze daar deden en waar ze vandaag kwamen. Als je iets niet weet verwijs gerust naar mij (ik en mijn Duitse taal).
Voor [naam 3] en [naam 4] belangrijk om de doorzoeking te verduidelijken. Verwijs vooral naar mij (en [naam 2] ). Wij hebben jullie erbij gevraagd ter doorzoeking voertuigen. De aanleiding heb ik jullie daar wel verteld, maar kan me voorstellen dat je in details daar niks over kan vertellen. Verwijs vooral naar het pv aanleiding. Let wel op dat er dus zochten naar (valse) documenten ivm het valse ID document van “de Griek”.
Volgens [naam rechercheur] kunnen er nog aanvullende vragen worden gesteld. Dus het advies om de zaak nog even zelf door te nemen voor je daar gaat zitten. Vooral vertellen wat je weet en aangeven als je ergens niets van weet. Want vragen die een van ons niet kan weten zullen ook gesteld worden om onrust en onduidelijkheid te zaaien, aldus [naam rechercheur] .
Als er vragen zijn dan bel mij (of [naam rechercheur] ) gerust even op komende dagen.
Uit het appje blijkt dat [verbalisant 1] contact heeft gehad met [naam rechercheur] van de recherche. Ook blijkt dat zij contact hebben opgenomen met een officier van justitie en dat is verteld welke onderzoekwensen er door de verdediging zijn ingediend. De officier van justitie heeft ter terechtzitting verduidelijkt dat de parketsecretaris zonder zijn medeweten de ingediende onderzoekswensen per e-mail heeft doorgestuurd naar de coördinator van de recherche. [verbalisant 1] heeft deze onderzoekswensen vervolgens in het appje opgesomd. In het appje geeft [verbalisant 1] (van de vier te horen verbalisanten de hoogste in rang) aan [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] adviezen over hoe inhoudelijk te antwoorden op vragen bij het getuigenverhoor. Hij zegt onder meer dat de verbalisanten vooral naar het proces-verbaal moeten verwijzen en hij benadrukt dat er werd gezocht naar (valse) documenten in verband met het aantreffen van het valse identiteitsbewijs van [verdachte] . Getuige [verbalisant 3] heeft verklaard dat hij op het appje van [verbalisant 1] heeft gereageerd. [verbalisant 3] heeft deze appjes aan de rechter-commissaris laten zien. De rechter-commissaris heeft de appjes voorgelezen. De appjes zijn opgenomen in het proces-verbaal van verhoor getuige [verbalisant 3] en luiden als volgt:
- Reactie getuige aan [verbalisant 1] : Duidelijk [verbalisant 1] , ik lees sowieso morgen ook nog even in. Zal wel loslopen, niet mijn eerste roleo dit jaar (emoticon met lachende poppetje).
- Reactie van [verbalisant 1] : Nee hoorde ik al. Zal altijd afhangen van de toon die de advocaat zet.
- Reactie van [verbalisant 1] : Maar ik denk dat ik deze wel uit kan leggen. Ik snap wel dat hij het probeert als ik de aanleiding lees.
- Reactie van de getuige: Ja deze kan zeker uitgelegd worden hoor, niks aan de hand.
Daarnaast is gebleken dat op de dag van de getuigenverhoren een fysiek overleg heeft plaatsgevonden op de brigade. [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 4] waren hierbij aanwezig. Verder is naar voren gekomen dat er tussen de getuigenverhoren door nog contact is geweest tussen de verbalisanten onderling. [verbalisant 4] heeft verklaard met [verbalisant 1] te hebben gebeld nadat [verbalisant 1] was gehoord en voordat [verbalisant 4] moest worden gehoord. Hetzelfde geldt voor [verbalisant 3] . [verbalisant 3] heeft verklaard dat hij met [verbalisant 1] en [verbalisant 4] ná hun beider verhoor heeft gesproken over de vragen die er door de verdediging gesteld werden en de daarop gegeven antwoorden.
Aanleiding van de controle
De rechtbank stelt voorop dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan hetgeen door de verbalisanten is gerelateerd over de aanleiding voor de controle. Door de positie van de camera bij het tankstation is niet goed zichtbaar wat er zich tussen de voertuigen afspeelde. Hoewel het conflict niet op de camerabeelden te zien is, wil dat niet zeggen dat de verbalisanten dit vanuit hun positie niet hebben kunnen waarnemen. Hetgeen door de verbalisanten is gerelateerd, namelijk dat er sprake leek te zijn van een conflict, wordt bovendien ondersteund door de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat het er misschien uitzag als ruzie, maar dat ze geen ruzie hadden. [medeverdachte 2] heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat er heftig werd gediscussieerd in de andere auto en dat er wel iets gebeurde tussen hen. De rechtbank overweegt derhalve dat er geen sprake is van schending van de verbaliseringsplicht van artikel 152 Sv en geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
Staandehouding en identiteitscontrole
Uit de bovengenoemde feiten en omstandigheden volgt dat de verbalisanten een conflict dachten te zien tussen de persoon tussen de geopende portierdeuren en de bestuurder van de Volkswagen. Om die reden wilden zij vaststellen met welke personen zij te maken hadden. De verbalisanten waren op grond van artikel 8 van de Politiewet 2012 bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de politietaak. Artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht verplicht vervolgens een ieder om op de eerste vordering een identiteitsbewijs te tonen aan een ambtenaar in de zin van artikel 8 van de Politiewet 2012. Er hoeft daarbij geen sprake te zijn van een verdenking.
De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die aanleiding vormden voor het vragen om legitimatie duidelijk in het proces-verbaal zijn omschreven en dat hieruit kan worden afgeleid dat de verbalisanten dit hebben gedaan in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de openbare orde. Het verweer van de raadsman dat de staandehouding en het vorderen van identificatie onrechtmatig was wordt daarom verworpen.
Doorzoeking voertuigen
Uit de bovengenoemde feiten en omstandigheden volgt dat bij de verbalisanten het vermoeden rees dat de door [verdachte] overhandigde Griekse identiteitskaart een vals exemplaar betrof. De verbalisanten hebben [verdachte] daarop aangehouden en een tweede patrouille ter plaatse gevraagd om beide voertuigen te doorzoeken ter vaststelling van de identiteit van [verdachte] , omdat volgens de verbalisanten niet duidelijk was met welk voertuig [verdachte] was vervoerd. Tijdens de doorzoeking van de Volkswagen zijn verdovende middelen aangetroffen.
[verdachte] heeft echter direct na de identiteitscontrole verklaard dat hij onderweg was met de meneer in de Kia. Het portier van de Kia stond aan de bijrijderskant open, [verdachte] stond aan die kant naast en dichtbij de auto en [medeverdachte 2] zat op de bestuurderstoel. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat de verbalisanten op dat moment geen geldige reden hadden om te twijfelen aan de verklaring van [verdachte] . Aangezien er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv, waren de verbalisanten op grond van artikel 96b Sv bevoegd om de Kia te doorzoeken. Naar het oordeel van de rechtbank hadden de verbalisanten daarentegen redelijkerwijs geen aanleiding om ook de Volkswagen te doorzoeken, met als gevolg dat zij daar niet toe bevoegd waren. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de Volkswagen onrechtmatig is doorzocht. Dit is een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv.
Getuigenverhoren
De rechtbank acht op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden aannemelijk dat de verbalisanten elkaar onderling hebben beïnvloed en dat werd beoogd om de inhoud van de door hen nog af te leggen verklaringen op elkaar af te stemmen. Zij zijn niet vrij gelaten om te verklaren over de feiten en omstandigheden die zij zelf hebben waargenomen en ondervonden en wat hun redenen van wetenschap zijn. Zodoende is de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verbalisanten ernstig aangetast. Dit terwijl de verdediging juist twijfels had bij de rechtmatigheid van de door de verbalisanten uitgevoerde controle en de aanleiding van de doorzoeking van de voertuigen en zij de verbalisanten hierover wenste te bevragen. De verdediging is hierdoor in haar belangen geschaad, omdat zij de betrouwbaarheid van de door verbalisanten opgemaakte processen-verbaal niet op adequate wijze heeft kunnen toetsen. Hierdoor is de waarheidsvinding op ernstige wijze belemmerd. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op.
Rechtsgevolg
De onrechtmatige doorzoeking en de ontoelaatbare gang van zaken omtrent de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris leveren onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv op.
De rechtbank staat vervolgens voor de vraag welk rechtsgevolg moeten worden verbonden aan voornoemde vormverzuimen. Bij de bepaling van het daaraan te verbinden rechtsgevolg sluit de rechtbank aan bij de maatstaven die in de jurisprudentie van de Hoge Raad zijn ontwikkeld (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889).
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging komt als een rechtsgevolg van een vormverzuim slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in het onderhavige geval geen sprake van. De verdediging is in de gelegenheid gesteld de verbalisanten te bevragen over hun bevindingen. Tijdens deze bevraging is de beïnvloeding/afstemming van de verklaringen aan het licht gekomen. De verklaringen van de verbalisanten zijn bovendien controleerbaar aan de hand van de camerabeelden die zich in het dossier bevinden. Daarmee kan niet worden gesteld dat sprake is een zodanige ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. De rechtbank zal het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging verwerpen.
In een geval waarin zich meerdere vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen, is het volgens de Hoge Raad niet uitgesloten dat strafvermindering ter compensatie van het daadwerkelijk ondervonden nadeel plaatsvindt. Het uitgangspunt van subsidiariteit dwingt de rechtbank om waar mogelijk te volstaan met dit minder verstrekkende rechtsgevolg. In dit geval is dat naar het oordeel van de rechtbank echter geen gepast rechtsgevolg. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de vormverzuimen juist in samenhang bezien dusdanig ernstig zijn dat bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtstatelijke waarborg en als middel om de met opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden
Bij dit oordeel heeft de rechtbank enerzijds acht geslagen op de ernst van uitvoer van (netto) bijna een kilo cocaïne en bijna tweeënhalve kilo hennep en anderzijds op het gegeven dat er geen rechten van slachtoffers in het geding zijn en op de verwijten die aan politie en justitie worden gemaakt. In deze zaak is in de kern geprobeerd de toetsing van een onrechtmatige doorzoeking onmogelijk te maken door een onrechtmatige belemmering van de ondervraging van de betrokken verbalisanten. Dat is zodanig ernstig dat bewijsuitsluiting noodzakelijk is.
De getuigenverhoren en alles wat tijdens de doorzoeking van de Volkswagen is aangetroffen, alsmede de resultaten van het daarop gebaseerde vervolgonderzoek moeten van het bewijs worden uitgesloten.
Conclusie
Omdat het dossier verder geen wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde te komen, zal de rechtbank de verdachte daarvan vrijspreken.