Rechtbank Limburg, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBLIM:2026:7342

Op 21 July 2026 heeft de Rechtbank Limburg een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 03.083412.24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBLIM:2026:7342. De plaats van zitting was Maastricht.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
03.083412.24
Datum uitspraak:
21 July 2026
Datum publicatie:
21 July 2026

Indicatie

De rechtbank acht poging tot doodslag, meermalen gepleegd, bewezen. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer. De rechtbank honoreert het beroep op noodweerexces. De verdachte wordt vanwege een geslaagd beroep op noodweerexces ontslagen van alle rechtsvervolging. De benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03.083412.24

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 juli 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1976,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.C. Sassen, advocaat kantoorhoudende te Utrecht.

1
Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 juli 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

De slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens beide benadeelde partijen is gehoord mr. N. Pennino. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] om het leven te brengen door hen meermalen met een mes te steken.

Overwegingen

3
De beoordeling van het bewijs
3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het feit.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring.

3.3

Het oordeel van de rechtbank  (Voetnoot 1)

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde pogingen tot doodslag op grond van de inhoud van de hierna te noemen bewijsmiddelen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het bewezenverklaarde sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit. De rechtbank zal daarom volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan zij tot een bewezenverklaring is gekomen, namelijk:

de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 7 juli 2026;

het proces-verbaal van forensisch onderzoek persoon inzake [slachtoffer 1](Voetnoot 2)

- het rapport forensisch radiologisch onderzoek inzake [slachtoffer 1](Voetnoot 3)

- het proces-verbaal van forensisch onderzoek persoon inzake [slachtoffer 2](Voetnoot 4)

- het rapport forensisch radiologisch onderzoek inzake [slachtoffer 2](Voetnoot 5)

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om de broers [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) om het leven te brengen. Daarvoor moet de rechtbank vaststellen dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van de slachtoffers. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte [slachtoffer 1] op 4 tot mogelijk 6 plekken op zijn lichaam heeft gestoken, waarbij het gaat om steekwonden in de rug, buik, in een been en in een arm. Daarnaast heeft de verdachte [slachtoffer 2] op 6 plekken op zijn lichaam gestoken met een mes, waarbij het gaat om steekwonden in de buik, een been en een arm. De rechtbank is niet van oordeel dat de verdachte de intentie heeft gehad om de slachtoffers te doden. Er is dus geen sprake van vol opzet. Wel is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van de slachtoffers. Door iemand meermalen te steken met een mes, bestaat de kans dat een vitaal orgaan en/of slagader wordt geraakt en dat die persoon daardoor komt te overlijden. Naar het oordeel van de rechtbank is die kans naar algemene ervaringsregels ook aanmerkelijk te achten. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte door zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de slachtoffers zouden komen te overlijden.

De rechtbank acht de tenlastegelegde poging tot doodslag op de twee slachtoffers dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 8 maart 2024 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal,

- in de rug, buik, een been en een arm van die [slachtoffer 1] , en

- in de buik, een been en een arm van die [slachtoffer 2] ,

heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
4.1

Het standpunt van de verdediging: beroep op noodweer

De verdediging heeft primair bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat de noodweersituatie aannemelijk is geworden en er sprake was van een directe aanval door beide broers waaraan de verdachte geen weerstand kon bieden en waaraan hij onmogelijk kon ontsnappen. Aldus was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door beide broers jegens de verdachte, waartegen verdediging geboden was. De verdediging met het mes was daarbij noodzakelijk om de aanval te stoppen. Andere minder ingrijpende pogingen om de broers te doen stoppen – zoals duwen en slaan – voldeden in de gegeven situatie niet. De verdachte was bang en vreesde voor zijn leven. Het was twee tegen één en de aanval van de broers ging door. Zijn bedoeling was erop gericht om de aanval te stoppen en zichzelf te verdedigen. Het mes als verdedigingsmiddel stond daarmee in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Hiermee is voldaan aan de proportionaliteitseis. Ook naar de uiterlijke verschijningsvorm dient het handelen van verdachte als verdedigend te worden gezien. Bovendien is voldaan aan het subsidiariteitsvereiste, nu er geen reële mogelijkheid voor de verdachte was om zich aan de aanval te onttrekken, omdat de enige vluchtroute uit de kamer van de verdachte werd geblokkeerd door beide broers. Ook van culpa in causa was geen sprake, zodat de verdachte een gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer niet slaagt, waarbij zij een onderscheid heeft gemaakt tussen de (potentiële) noodweersituaties ten aanzien van beide broers. Ten aanzien van [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er geen noodweersituatie was waartegen de verdachte zich moest verdedigen. De steekverwondingen in de rug en de schouder van [slachtoffer 1] passen niet bij een aanval van [slachtoffer 1] op de verdachte. Tevens is [slachtoffer 1] door de politie in de keuken aangetroffen, en lag het foedraal van het mes dat de verdachte heeft gebruikt ook in de keuken. Gelet hierop is [slachtoffer 1] niet in de kamer te plaatsen, waar de noodweersituatie zich volgens de verdachte wel zou hebben voorgedaan. Verder blijkt uit de verklaring van getuige [naam 1] dat de verdachte in de keuken is geweest tijdens of na het incident, en getuige [naam 2] hoorde van een donkere man met een mes dat een Somaliër en een Pool hem de hele tijd bij zijn deur zaten te treiteren en al langer gangster liepen te doen – een verklaring die niet past bij iemand die moest vechten voor leven en dood maar eerder bij iemand die klaar is met het getreiter en daarop heeft gehandeld. Een noodweersituatie ten aanzien van [slachtoffer 1] is daarom niet aan de orde. Ten aanzien van [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie aangevoerd dat er zich weliswaar een noodweersituatie voordeed, maar dat de verdachte te ver is gegaan in zijn aanval en dus de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Noodweer

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) sprake moet zijn van een noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Beantwoording van de vraag of een gedraging geboden is ter noodzakelijke verdediging - waarin de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit besloten liggen - hangt af van de feitelijke omstandigheden van het geval.

Feitelijke grondslag Indien namens de verdachte een beroep op noodweer is gedaan, moet de rechtbank allereerst de feitelijke grondslag van dat beroep onderzoeken. Voor aanvaarding van het beroep op noodweer is onder meer vereist dat de rechtbank de feitelijke grondslag ervan aannemelijk acht. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de verklaringen van de getuigen [naam 2] , [naam 3] , [naam 1] en [naam 4] te vaag en onvoldoende concreet zijn om te gebruiken voor de vaststelling van de feiten. Zo noemen de getuigen de (mogelijk) betrokken personen niet bij naam, maar enkel bij afkomst – zoals de Afrikaanse man, de Somaliër en de Poolse man – of bij huidskleur – zoals de donkere man – waardoor niet met zekerheid valt vast te stellen over wie deze getuigen hebben verklaard. Te meer nu sommige getuigen de verdachte lijken te verwarren met medebewoner [naam 5] . Daarnaast heeft geen van de getuigen het incident, noch de aanleiding van het incident, zelf gezien, of wordt enkel verklaard op basis van horen zeggen. De rechtbank schuift deze verklaringen daarom ter zijde. De slachtoffers, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , kunnen zich niets van het incident herinneren, dus ook hun verklaringen bieden geen grondslag voor de feitenvaststelling. Wat overblijft is de verklaring van de verdachte, die de rechtbank betrouwbaar en aannemelijk acht, nu de verdachte duidelijk, gedetailleerd en consistent heeft verklaard over wat er is gebeurd in de avond van 8 maart 2024 tussen hem en de twee broers. Dit doet hij kort na het incident bij de politie op 10 maart 2024, en ook ter terechtzitting van 7 juli 2026 bevestigt hij zijn eerdere verhaal op cruciale punten. De rechtbank neemt de verklaring van de verdachte daarom tot uitgangspunt bij de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop het beroep op noodweer steunt.

De rechtbank acht aannemelijk dat de gang van zaken op 8 maart 2024 als volgt is geweest. De verdachte kwam die vrijdagavond thuis van zijn werk. De verdachte woont in een kamerverhuurpand, en zijn kamer is enkel bereikbaar via de gemeenschappelijke keuken. Toen de verdachte die avond thuiskwam, stond medebewoner [slachtoffer 1] verscholen in een inham in de keuken. [slachtoffer 1] stond hem aan te kijken, maar dit was de verdachte naar eigen zeggen wel gewend, want er waren al een aantal maanden spanningen tussen verdachte, [slachtoffer 1] en zijn broer. De verdachte besloot hem te negeren en liep door de keuken naar zijn kamer. Opeens hoorde de verdachte een harde krak. De verdachte ging kijken waar het geluid vandaan kwam, en zag in de keuken [slachtoffer 1] met een afgebroken deurtje van een keukenkastje in zijn handen staan. [slachtoffer 1] begon meteen tegen verdachte te schreeuwen en riep onder meer ‘What the fuck kijk je’. De verdachte zei ‘Ik ga weer terug naar mijn kamer’. Op dat moment rende [slachtoffer 1] de keuken uit om zijn broer [slachtoffer 2] te halen. De aanwezigheid van [slachtoffer 2] in het pand was overigens ook niet vreemd; hij woonde niet in het pand, maar was er wel heel vaak. [slachtoffer 1] kwam terug naar de keuken zonder zijn broer, keek verbaasd achter zich, en verliet de keuken weer. Daarna kwam [slachtoffer 2] aangerend en die stond opeens in de deuropening van de kamer van verdachte. [slachtoffer 2] begon de verdachte meteen te duwen en riep daarbij ‘Do you want problems?’. De verdachte duwde [slachtoffer 2] terug, maar [slachtoffer 2] duwde de verdachte steeds verder zijn eigen kamer in. Er ontstond duw- en trekwerk, waarbij [slachtoffer 2] de verdachte ook steeds omver probeerde te duwen. Opeens kreeg de verdachte uit het niets van achteren een suckerpunch tegen zijn slaap van [slachtoffer 1] , die zich kennelijk weer bij hen had gevoegd op de kamer van verdachte. Vanaf dat moment stopten de broers niet met het duwen en slaan van de verdachte. Beide broers waren - naar de indruk van verdachte - onder invloed van alcohol en verdovende middelen. Wanneer de verdachte zich verdedigde tegen [slachtoffer 2] , sloeg [slachtoffer 1] hem, en andersom. De verdachte werd steeds verder zijn eigen kamer ingewerkt, waarbij de broers steeds probeerden hem naar de grond toe te werken. De enige vluchtweg uit zijn kamer, de deur naar de keuken, werd daarbij doorlopend geblokkeerd door de broers. De broers werden almaar agressiever, en de verdachte vreesde voor zijn leven. Toen zag de verdachte het mes liggen waar hij altijd zijn post mee open maakte. In paniek pakte hij het mes, en zwaaide daarmee om zich heen om de broers van zich af te houden. De verdachte heeft de broers hiermee ernstig verwond. “Het was voorbij voordat ik het door had” stelde de verdachte op zitting en bij de politie verklaarde verdachte dat het steken een ‘waas’ was. Hij verliet daarna het pand, belde 112, wachtte buiten op de politie en vertelde de politie ‘Daar ligt het wapen waarmee het is gebeurd’.

Juridische beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank kan het handelen van de twee broers, te weten het steeds verder duwen van de verdachte in zijn eigen kamer, het vervolgens een suckerpunch geven, het blokkeren van de enige in- en uitgang van verdachtes kamer en het herhaaldelijk duwen en slaan en trachten de verdachte naar de grond te werken, worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte zijn lijf. Daarbij maakt de rechtbank, anders dan de officier van justitie, geen onderscheid tussen beide broers wat betreft hun aanval, nu zij deze aanval gezamenlijk hebben uitgevoerd en er naar het oordeel van de rechtbank geen reden is om het handelen van beide broers los van elkaar te beoordelen.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdediging door de verdachte noodzakelijk en geboden was, en of er dus is voldaan aan de subsidiariteits- en proportionaliteitseis.

Ten aanzien van de eis van subsidiariteit overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich niet aan de fysieke confrontatie kon onttrekken, nu de positie van de verdachte, de kleine ruimte waarin hij zich bevond in combinatie met de aanval door twee mannen, redelijkerwijs geen mogelijkheid boden tot onttrekking aan de aanranding. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] blokkeerden tijdens de gehele aanval samen de enige in- en uitgang van verdachtes kamer waarbij de broers, al duwend en slaand, de verdachte steeds verder zijn kamer indreven. Kortom, een reële en redelijke mogelijkheid om zich aan de aanval te onttrekken was er niet en het was dan ook noodzakelijk voor de verdachte om zichzelf te verdedigen.

De vraag of het gekozen verdedigingsmiddel, het gebruik van het mes op de wijze zoals verdachte dat heeft gedaan, ook proportioneel was in relatie tot de confrontatie, beantwoordt de rechtbank ontkennend. De verdachte kan zich niet herinneren hoe, waar, en hoe vaak hij de broers heeft gestoken met het mes, nu dat deel voor de verdachte een grote waas is gebleven. Uit de verwondingen die de broers hebben overgehouden aan het incident valt echter af te leiden dat de verdachte [slachtoffer 1] minimaal 4 keer en [slachtoffer 2] 6 keer heeft gestoken en dat dit geen oppervlakkige verwondingen zijn geweest. Het gebruik van het mes op deze vergaande wijze en het daardoor toebrengen van deze verwondingen, welke verwondingen de broers bijna fataal zijn geworden, staat niet in verhouding tot de aanval van de broers met blote handen.

Aan het proportionaliteitsvereiste is aldus niet voldaan, zodat het beroep van de verdediging op noodweer niet kan slagen.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

5
De strafbaarheid van de verdachte
5.1

Het standpunt van de verdediging: beroep op noodweerexces

De raadsvrouw heeft subsidiair bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ook geen beroep op noodweerexces ten aanzien van [slachtoffer 2] toekomt, omdat er onvoldoende reden is om aan te nemen dat de geweldsoverschrijding het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging en dat die hevige gemoedsbeweging is ontstaan door de aanranding. Ten aanzien van [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er geen noodweersituatie was waartegen de verdachte zich moest verdedigen, waardoor een beroep op noodweerexces niet aan de orde is.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Noodweerexces

Op grond van artikel 41, tweede lid, Sr is niet strafbaar de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.

Voor noodweerexces geldt dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging onder meer sprake kan zijn indien de verdachte binnen een noodweersituatie verder gaat dan geboden. Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het "onmiddellijk gevolg" moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid, jegens het slachtoffer. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde “onmiddellijk gevolg”, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.

De verdachte heeft op de zitting over zijn gemoedstoestand ten tijde van het steken verklaard dat hij veel angst had, vreesde voor zijn leven en dat alles wat er tijdens de steekpartij is gebeurd, een grote waas is. Verdachte handelde uit doodsangst. De broers waren agressief en volgens de verdachte onder invloed. Het was twee tegen één en de verdachte kon zich niet aan de confrontatie onttrekken. De rechtbank acht het gelet op die omstandigheden aannemelijk dat bij de verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging, die bestond uit paniek en vrees voor eigen leven.

De rechtbank acht verder aannemelijk dat de voorafgaande aanranding door de broers van doorslaggevend belang is geweest voor het ontstaan van deze hevige gemoedsbeweging en deze in essentie daarop is terug te voeren. Weliswaar had de verdachte al zeven maanden lang last van de broers en hun gedrag, maar de bestaande spanningen vormden naar het oordeel van de rechtbank niet de aanleiding voor het handelen van de verdachte. Zo heeft de verdachte bij herhaling verklaard dat hij de broers al zeven maanden heeft vermeden en dat hij zich is blijven focussen op zichzelf, maar dat die avond het geweld geheel onverwacht kwam, en dat de broers hem op dat moment geen keuze lieten.

De hevige gemoedsbeweging heeft vervolgens geleid tot het overschrijden van de grenzen van noodzakelijke verdediging. Hierbij acht de rechtbank de aard en de intensiteit van de gemoedsbeweging van belang; verdachte verkeerde door de aanval in doodsangst.

De steekwonden, namelijk op de rug, in de buik en achter op een been, en de veelheid van de verwondingen duiden erop dat de verdachte daadwerkelijk in paniek en doodsangst om zich heen heeft gestoken, waardoor hij bij zijn handelen de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, welke overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van die paniek en doodsangst veroorzaakt door de aanranding.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat aan de verdachte een beroep op noodweer-exces toekomt. Dit betekent dat de verdachte niet strafbaar is voor het bewezenverklaarde en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6
De benadeelde partijen
6.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert schadevergoeding tot een bedrag van

€ 31.404,67, bestaande uit € 1.404,67 materiële schade en € 30.000,00 immateriële schade.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert schadevergoeding tot een bedrag van

€ 62.025,45, bestaande uit € 17.025,45 materiële schade en € 45.000,00 immateriële schade.

De benadeelde partijen hebben beiden verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank overweegt dat op grond van het bepaalde in artikel 361, tweede lid, Sv de benadeelde partij alleen ontvankelijk is in de vordering indien de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd dan wel in geval toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a Sr. Daarvan is in deze zaak geen sprake. De rechtbank zal daarom de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partijen en de verdachte dragen ieder de eigen proceskosten.

Beslissing

7
De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

Ontslag van alle rechtsvervolging

- verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde feit niet strafbaar en ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging;

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Beije, voorzitter, mr. dr. M.M. Koevoets en

mr. T.C.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.R.G. Rebergen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 juli 2026.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 8 maart 2024 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal,

- in de rug, buik, benen en/of armen, althans in het lichaam van die [slachtoffer 1] ,

en/of

- in de buik, heup, benen en/of armen, althans in het lichaam van die [slachtoffer 2] , heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voetnoot

Voetnoot 1

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer LB2R024024-21/HOLMES, gesloten op 3 juni 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 287.

Voetnoot 2

Het proces-verbaal van forensisch onderzoek persoon inzake [slachtoffer 1] van 15 maart 2024, pg. 155-177.

Voetnoot 3

Het rapport forensisch radiologisch onderzoek inzake [slachtoffer 1] van 5 juli 2024, BVH nummer 2024038846, rapport nummer 22/2024.

Voetnoot 4

Het proces-verbaal van forensisch onderzoek persoon inzake [slachtoffer 2] van 7 april 2024, pg. 192-205.

Voetnoot 5

Het rapport forensisch radiologisch onderzoek inzake [slachtoffer 2] van 5 juli 2024, BVH nummer 2024038846, rapport nummer 21/2024.