4.3
Het oordeel van de rechtbank
Noodweer
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) sprake moet zijn van een noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Beantwoording van de vraag of een gedraging geboden is ter noodzakelijke verdediging - waarin de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit besloten liggen - hangt af van de feitelijke omstandigheden van het geval.
Feitelijke grondslag
Indien namens de verdachte een beroep op noodweer is gedaan, moet de rechtbank allereerst de feitelijke grondslag van dat beroep onderzoeken. Voor aanvaarding van het beroep op noodweer is onder meer vereist dat de rechtbank de feitelijke grondslag ervan aannemelijk acht. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de verklaringen van de getuigen [naam 2] , [naam 3] , [naam 1] en [naam 4] te vaag en onvoldoende concreet zijn om te gebruiken voor de vaststelling van de feiten. Zo noemen de getuigen de (mogelijk) betrokken personen niet bij naam, maar enkel bij afkomst – zoals de Afrikaanse man, de Somaliër en de Poolse man – of bij huidskleur – zoals de donkere man – waardoor niet met zekerheid valt vast te stellen over wie deze getuigen hebben verklaard. Te meer nu sommige getuigen de verdachte lijken te verwarren met medebewoner [naam 5] . Daarnaast heeft geen van de getuigen het incident, noch de aanleiding van het incident, zelf gezien, of wordt enkel verklaard op basis van horen zeggen. De rechtbank schuift deze verklaringen daarom ter zijde. De slachtoffers, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , kunnen zich niets van het incident herinneren, dus ook hun verklaringen bieden geen grondslag voor de feitenvaststelling. Wat overblijft is de verklaring van de verdachte, die de rechtbank betrouwbaar en aannemelijk acht, nu de verdachte duidelijk, gedetailleerd en consistent heeft verklaard over wat er is gebeurd in de avond van 8 maart 2024 tussen hem en de twee broers. Dit doet hij kort na het incident bij de politie op 10 maart 2024, en ook ter terechtzitting van 7 juli 2026 bevestigt hij zijn eerdere verhaal op cruciale punten. De rechtbank neemt de verklaring van de verdachte daarom tot uitgangspunt bij de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop het beroep op noodweer steunt.
De rechtbank acht aannemelijk dat de gang van zaken op 8 maart 2024 als volgt is geweest. De verdachte kwam die vrijdagavond thuis van zijn werk. De verdachte woont in een kamerverhuurpand, en zijn kamer is enkel bereikbaar via de gemeenschappelijke keuken. Toen de verdachte die avond thuiskwam, stond medebewoner [slachtoffer 1] verscholen in een inham in de keuken. [slachtoffer 1] stond hem aan te kijken, maar dit was de verdachte naar eigen zeggen wel gewend, want er waren al een aantal maanden spanningen tussen verdachte, [slachtoffer 1] en zijn broer. De verdachte besloot hem te negeren en liep door de keuken naar zijn kamer. Opeens hoorde de verdachte een harde krak. De verdachte ging kijken waar het geluid vandaan kwam, en zag in de keuken [slachtoffer 1] met een afgebroken deurtje van een keukenkastje in zijn handen staan. [slachtoffer 1] begon meteen tegen verdachte te schreeuwen en riep onder meer ‘What the fuck kijk je’. De verdachte zei ‘Ik ga weer terug naar mijn kamer’. Op dat moment rende [slachtoffer 1] de keuken uit om zijn broer [slachtoffer 2] te halen. De aanwezigheid van [slachtoffer 2] in het pand was overigens ook niet vreemd; hij woonde niet in het pand, maar was er wel heel vaak. [slachtoffer 1] kwam terug naar de keuken zonder zijn broer, keek verbaasd achter zich, en verliet de keuken weer. Daarna kwam [slachtoffer 2] aangerend en die stond opeens in de deuropening van de kamer van verdachte. [slachtoffer 2] begon de verdachte meteen te duwen en riep daarbij ‘Do you want problems?’. De verdachte duwde [slachtoffer 2] terug, maar [slachtoffer 2] duwde de verdachte steeds verder zijn eigen kamer in. Er ontstond duw- en trekwerk, waarbij [slachtoffer 2] de verdachte ook steeds omver probeerde te duwen. Opeens kreeg de verdachte uit het niets van achteren een suckerpunch tegen zijn slaap van [slachtoffer 1] , die zich kennelijk weer bij hen had gevoegd op de kamer van verdachte. Vanaf dat moment stopten de broers niet met het duwen en slaan van de verdachte. Beide broers waren - naar de indruk van verdachte - onder invloed van alcohol en verdovende middelen. Wanneer de verdachte zich verdedigde tegen [slachtoffer 2] , sloeg [slachtoffer 1] hem, en andersom. De verdachte werd steeds verder zijn eigen kamer ingewerkt, waarbij de broers steeds probeerden hem naar de grond toe te werken. De enige vluchtweg uit zijn kamer, de deur naar de keuken, werd daarbij doorlopend geblokkeerd door de broers. De broers werden almaar agressiever, en de verdachte vreesde voor zijn leven. Toen zag de verdachte het mes liggen waar hij altijd zijn post mee open maakte. In paniek pakte hij het mes, en zwaaide daarmee om zich heen om de broers van zich af te houden. De verdachte heeft de broers hiermee ernstig verwond. “Het was voorbij voordat ik het door had” stelde de verdachte op zitting en bij de politie verklaarde verdachte dat het steken een ‘waas’ was. Hij verliet daarna het pand, belde 112, wachtte buiten op de politie en vertelde de politie ‘Daar ligt het wapen waarmee het is gebeurd’.
Juridische beoordeling
Naar het oordeel van de rechtbank kan het handelen van de twee broers, te weten het steeds verder duwen van de verdachte in zijn eigen kamer, het vervolgens een suckerpunch geven, het blokkeren van de enige in- en uitgang van verdachtes kamer en het herhaaldelijk duwen en slaan en trachten de verdachte naar de grond te werken, worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte zijn lijf. Daarbij maakt de rechtbank, anders dan de officier van justitie, geen onderscheid tussen beide broers wat betreft hun aanval, nu zij deze aanval gezamenlijk hebben uitgevoerd en er naar het oordeel van de rechtbank geen reden is om het handelen van beide broers los van elkaar te beoordelen.
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdediging door de verdachte noodzakelijk en geboden was, en of er dus is voldaan aan de subsidiariteits- en proportionaliteitseis.
Ten aanzien van de eis van subsidiariteit overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich niet aan de fysieke confrontatie kon onttrekken, nu de positie van de verdachte, de kleine ruimte waarin hij zich bevond in combinatie met de aanval door twee mannen, redelijkerwijs geen mogelijkheid boden tot onttrekking aan de aanranding. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] blokkeerden tijdens de gehele aanval samen de enige in- en uitgang van verdachtes kamer waarbij de broers, al duwend en slaand, de verdachte steeds verder zijn kamer indreven. Kortom, een reële en redelijke mogelijkheid om zich aan de aanval te onttrekken was er niet en het was dan ook noodzakelijk voor de verdachte om zichzelf te verdedigen.
De vraag of het gekozen verdedigingsmiddel, het gebruik van het mes op de wijze zoals verdachte dat heeft gedaan, ook proportioneel was in relatie tot de confrontatie, beantwoordt de rechtbank ontkennend. De verdachte kan zich niet herinneren hoe, waar, en hoe vaak hij de broers heeft gestoken met het mes, nu dat deel voor de verdachte een grote waas is gebleven. Uit de verwondingen die de broers hebben overgehouden aan het incident valt echter af te leiden dat de verdachte [slachtoffer 1] minimaal 4 keer en [slachtoffer 2] 6 keer heeft gestoken en dat dit geen oppervlakkige verwondingen zijn geweest. Het gebruik van het mes op deze vergaande wijze en het daardoor toebrengen van deze verwondingen, welke verwondingen de broers bijna fataal zijn geworden, staat niet in verhouding tot de aanval van de broers met blote handen.
Aan het proportionaliteitsvereiste is aldus niet voldaan, zodat het beroep van de verdediging op noodweer niet kan slagen.
Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
Poging tot doodslag, meermalen gepleegd.