Rechtbank Limburg, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBLIM:2026:7406

Op 22 July 2026 heeft de Rechtbank Limburg een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 03.333990.25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBLIM:2026:7406. De plaats van zitting was Maastricht.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
03.333990.25
Datum uitspraak:
22 July 2026
Datum publicatie:
22 July 2026

Indicatie

Veroordeling voor gekwalificeerde verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden en een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contact- en locatieverbod (geen DUT) voor de duur van 3 jaren. Vordering benadeelde partij geheel toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03.333990.25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 22 juli 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 2002,

wonende te [adres 1] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. L. Bien, advocaat te Maastricht.

1
Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 juli 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Het slachtoffer [naam 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. S. Maas. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 3 oktober 2024 te Oostrum [naam 1] (die op dat moment de leeftijd van 12 jaren maar nog niet die van 16 jaren had bereikt) heeft verkracht en daarbij geweld heeft gebruikt.

Overwegingen

3
De beoordeling van het bewijs
3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het aan de verdachte tenlastegelegde feit.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de verdachte. De verklaring van de aangeefster is volgens de verdediging onbetrouwbaar, waardoor deze niet tot bewijs kan dienen en er onvoldoende bewijs is voor het tenlastegelegde.

3.3

Het oordeel van de rechtbank  (Voetnoot 1)

3.3.1

De bewijsmiddelen

Op woensdagavond 2 oktober 2024 ontmoeten de verdachte en aangeefster elkaar bij hotel café ‘ [café] ’ in Venray. Later die avond (iets na middernacht op 3 oktober 2024) haalt de verdachte met zijn auto aangeefster thuis op en rijden ze naar de parkeerplaats naast de begraafplaats in Oostrum.

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] (geboren op [geboortedatum 1] 2009) vermeldt – onder meer – het volgende: (Voetnoot 2)

V: Zeg eens in je eigen woorden waar je aangifte van doet?

A: Ik ben gedrogeerd en verkracht.

V: Je zegt gedrogeerd, wat bedoel jij hiermee?

A: De man die dit bij mij heeft gedaan die heeft mij water aangeboden, hier heb ik van gedronken. Na het drinken werd ik heel erg duizelig, ik was van de wereld af.

V: En wat bedoel je met verkracht?

A: Hij heeft mij meegenomen naar de achterbank van zijn auto. Hij begon mij te zoenen en toen heeft hij mijn kleren uit gedaan en heeft hij seks met mij gehad.

V: Tegen wie doe je aangifte?

A: [verdachte] .

V: Wanneer is dat gebeurd?

A: Op donderdag 3 oktober.

V: Waar is dat gebeurd?

A: In het bos, langs de begraafplaats van Venray en dan een stukje verder door. (Voetnoot 3)

V: Hoe laat is dat gebeurd?

A: Tussen 01.00 uur en 03.00 uur.

[…]

V: Vertel, wat is er gebeurd?A: Ik ben met mijn zus [naam 2] naar ‘ [café] ’ gegaan, meestal drinken we daar wat met z'n tweeën. Toen zijn we naar buiten gegaan om te roken. Hier zijn wij twee mannen tegen gekomen. Wij zijn met hun in gesprek gegaan. Later zijn wij nog een keer naar buiten gegaan om te roken. Toen stonden ze daar ook weer. Ik ben door [verdachte] gevraagd naar mijn Snap. [naam 2] en ik zijn samen naar huis gegaan. Toen ik thuis was kreeg ik een berichtje van [verdachte] dat ik mijn aansteker daar op tafel had laten liggen. Wij hadden daar app contact over gehad. [verdachte] zei dat hij het wel even kwam brengen. Toen is hij onder invloed naar mijn huis komen rijden. Ik heb mijn adres gegeven aan hem. [naam 2] was al naar boven gegaan. Ik kreeg een appje dat hij in de straat was en nam toen mijn telefoon en sleutels mee naar de auto om de aansteker te gaan halen. Ik maakte de bijrijdersdeur open en ik stond daar met hem te praten. Gewoon van 'he hoe is het'. Ik moest vervolgens heel veel hoesten, hij pakte een fles water uit de auto en vroeg of ik wat wilde drinken. Ik kon niet stoppen met hoesten. Ik nam die fles dus aan. Een paar minuten later werd ik heel duizelig, ik voelde geen kracht meer in mijn benen en voelde mij van de wereld. Toen vroeg hij of ik even moest zitten. Dat heb ik gedaan. Toen is de deur dicht gegaan en is hij weggereden. We zijn langs de Mc Donalds gereden dan naar rechts, stukje verderop langs de begraafplaats. Dan een stukje verderop heeft hij zijn auto stil gezet. Hij heeft zijn koplampen aan laten staan en hij vroeg in een keer aan mij wat ik wilde doen. Ik heb daar geen antwoord op gegeven. Hij begon mij te zoenen. Toen nam hij mij mee naar de achterbank en vroeg hij meerdere keren of ik mijn kleren kon uit doen. Uiteindelijk heeft hij het witte hemdje wat ik aanhad naar beneden getrokken. Hij heeft mijn broek uitgetrokken en de rest van mijn kleren ook. Hij heeft mij gevingerd. En vervolgens seks met mij gehad. Het moment dat ik weer kon nadenken wilde ik ook mijzelf naar achter trekken. Toen pakte hij mij bij mijn keel en kreeg ik bijna geen lucht meer. Er was heel snel een uur voor bij. Dus net iets na 2en weet ik dat ik mijn kleren weer aan deed en wilde hij mij naar huis gaan brengen. […]

V: Die twee mannen waar je mee ging praten, kende jij die?

A: [naam 2] herkende een van die mannen wel. Dat was [verdachte] . Ik kende ze allebei niet.

V: [verdachte] vroeg je naar je Snap?

A: Ja, en hij vroeg ook naar mijn leeftijd. Ik heb toen 15 jaar oud gezegd. […]

V: Heb jij überhaupt nog berichten van hem?A: Nee, tussen mij en hem heb ik niets meer. Maar [naam 3] , de bedrijfsleider van [café] heeft wel met hem geappt. Dit kan ik wel laten zien.O: Het bericht tussen [naam 3] en [verdachte] word als bijlage 2 toegevoegd aan deze aangifte.

Het geschrift, zijnde bijlage 2 van het hiervoor opgenomen proces-verbaal van aangifte, vermeldt – onder meer – het volgende: (Voetnoot 4)

Ik (de rechtbank begrijpt, [naam 3] )

Ah ja hoorde er wat over via via dat je [naam 1] op de achterbank had

[verdachte]

Ja

Dat had ik […]

Maar die 15 nuchterde wel goed op

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 4] (de moeder van aangeefster) vermeldt – onder meer –het volgende: (Voetnoot 5)

V: Wat kunt u zeggen over gedragsverandering van [naam 1] na het incident?

A: Veel boosheid, veel schuldgevoel. Soms ook wel uitbarstingen, woeduitbarstingen uit het niets. De randjes opzoeken. Daar bedoel ik mee bijvoorbeeld drinken om maar niet te voelen. Niet aan afspraken houden bijvoorbeeld, hoe laat thuis te zijn. Veel huilen. Letterlijk opgebrand zijn dat zie ik aan haar en de slapenloosheid steeds. Dat zijn de hoofdingen die er plaats vinden. […]

V: Wat zag u aan [naam 1] op het moment dat ze dit aan u vertelde?

A: Ze was emotioneel maar anderzijds ook alsof ze nog in shock was en niet helemaal besefte wat er was gebeurd.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 5] vermeldt – onder meer – het volgende: (Voetnoot 6)

V: Ik ben op vrijdag 11 of zaterdag 12 oktober bij een vriend, [naam 6] , een biertje gaan drinken. Toen was er ook een vriend van [naam 6] bij, dat was [verdachte] . We hadden allemaal een paar biertjes op.

Ik hoorde dat [verdachte] vertelde dat wij op het werk bij [café] , een mooie afwasser hadden en dat het zo'n mooie meid was. Dat ging dus over [naam 1] . [verdachte] zei ook dat hij met haar had geneukt. […]

V: Hoe kwam dat gesprek tot stand over neuken?

A: […] [verdachte] vroeg aan mij: "Hoe heet dat mooie meisje wat bij ' [café] ’ werkt in de afwaskeuken" Toen zei ik dus " [naam 1] ". Toen kwam hij met dat verhaal.

V: Wat bedoel je met dat verhaal?

A: Ja, hij zei: "Die heb ik ook gedaan". […]

V: Wat bedoel jij met als je zegt: "Die heb ik ook gedaan"?

A: Dat je seks hebt gehad met die persoon.

De verdachte heeft – zakelijk weergeven – ter terechtzitting van 8 juli 2026 het volgende verklaard:

In de nacht van 2 op 3 oktober ben ik met wat vrienden wat gaan drinken in de ‘ [café] ’. Daar heb ik met [naam 1] gepraat. […] Het idee was dat wij ergens naartoe zouden gaan om seksuele handelingen te verrichten. […] Ik heb haar later die avond opgehaald met de bedoeling om seksuele handelingen te verrichten. […] Wij zijn toen naar die plek toegereden [de rechtbank begrijpt: de parkeerplaats bij de begraafplaats van Venray], daar hebben we gezoend. Dat zoenen duurde relatief lang – 45 minuten schat ik. Ik heb toen voorgesteld om naar de achterbank van de auto te gaan. Daar hebben we nogmaals zitten zoenen.

3.3.2

De bewijsoverweging

Om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te kunnen komen, moet de rechtbank eerst beoordelen of de aangifte van aangeefster als betrouwbaar kan worden beschouwd. Indien dat het geval is, moet de rechtbank daarna beoordelen of er voldoende steunbewijs is voor de aangifte.

Betrouwbaarheid aangifte

De rechtbank acht de aangifte van [naam 1] betrouwbaar. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Het slachtoffer heeft op meerdere momenten consistente verklaringen afgelegd. Zo komt hetgeen zij tegen haar moeder en de politie heeft verteld op grote lijnen en op essentiële onderdelen overeen en heeft ze uitvoerig en gedetailleerd verklaard. Aangeefster kan zich bijvoorbeeld de route die ze hebben gereden nog herinneren en de aangeefster beschrijft hoe ze op een gegeven moment naar de achterbank van de auto is verplaatst, alwaar de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Daarnaast wordt haar verklaring op veel punten – behalve de seksuele handelingen en het drogeren – bevestigd door de verdachte. Zo verklaren beide over dat er in de auto gezoend is en dat op het einde de wegenwacht is gekomen om de autoproblemen te verhelpen.

Daar tegenover staat de verklaring van de verdachte, die op cruciale punten op verschillende moment volstrekt wisselend is. Zo verklaarde de verdachte eerst dat er contact via snapchat is geweest, dat er niet gezoend was en dat hij ‘directe pleite’ was toen hij niet meer verder wilde. Op zitting verklaarde hij echter dat er géén snapchat contact was geweest en dat ze 45 minuten gezoend hebben. Zijn verklaring acht de rechtbank dan ook onbetrouwbaar.

Steunbewijs aangifte

Over de aanwezigheid van steunbewijs voor de aangifte van [naam 1] overweegt de rechtbank het volgende.

Zoals hiervoor reeds omschreven wordt de aangifte op veel punten bevestigd door de verdachte. Verdachte bekent dat hij de aangeefster die avond heeft ontmoet in de ‘ [café] ’. Hij heeft haar later die avond thuis opgepikt met zijn auto met de bedoeling seksuele handelingen met haar te gaan verrichten. Ze zijn daarna samen naar de afgelegen parkeerplaats bij de begraafplaats gereden, waar ze langdurig hebben gezoend, waarna ze naar de achterbank van de auto zijn verhuisd waar ze weer hebben gezoend. Over wat er daarna gebeurt lopen de verklaringen van de verdachte en aangeefster uiteen.

De verdachte verklaarde op zitting dat hij na het zoenen, op het moment dat hij zich samen met [naam 1] op de achterbank van de auto bevond, opeens ‘geen zin’ meer had (naar de rechtbank begrijpt: in verdere intimiteiten tussen hemzelf en [naam 1]) en – na tussenkomst van de wegenwacht – naar huis is gegaan. Op de vraag waarom verdachte opeens geen zin meer had, nu hij [naam 1] toch eerder had opgepikt met de bedoeling om seksuele handelingen met haar te verrichten, kwam de verdachte op zitting – ook na doorvragen door de rechtbank – niet verder dan dat hij daar “geen echte toelichting” bij had. De rechtbank volgt deze verklaring niet, mede ook gelet op het feit dat verdachte op meerdere cruciale punten wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard. Ook verklaarde de verdachte wisselend op vragen wat hij wist over de leeftijd van [naam 1] .De aangifte daarentegen vindt steun in meerdere bewijsmiddelen. Zo neemt de moeder van de aangeefster een duidelijke gedragsverandering waar bij de aangeefster na het incident en vertelt de verdachte tegenover getuige [naam 5] dat hij en de aangeefster wel degelijk seks hebben gehad. Uit de aangifte blijkt voorts dat de aangeefster aan de verdachte tijdens hun eerste gesprek bij café [café] heeft verteld dat zij 15 jaar oud was, wat wordt ondersteund door het berichtje dat de verdachte hier later over verstuurt aan [naam 3] .

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is voor de aangifte van [naam 1] .

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte op 3 oktober 2024 te Oostrum seksuele handelingen heeft verricht bij [naam 1] , mede bestaande uit het seksueel binnendringen van haar lichaam, waarbij hij voorts geweld heeft gebruikt door [naam 1] bij haar keel te pakken. Het tenlastegelegde feit kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 3 oktober 2024 te Oostrum, gemeente Venray met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [naam 1] , seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten:

- het brengen van zijn vingers tussen de schaamlippen en bij de vagina en in de vagina van die [naam 1] en;

- het brengen van zijn penis in de vagina van die [naam 1] ;

en welke verkrachting werd vergezeld van geweld door die [naam 1] bij haar keel te pakken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

gekwalificeerde verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5
De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6
De straf en de maatregelen
6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan de verdachte een contactverbod met het slachtoffer (als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafvordering) wordt opgelegd voor de duur van 3 jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om, bij een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit, een gevangenisstraf van maximaal 24 maanden op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verrichten van seksuele handelingen bij het slachtoffer, terwijl zij op dat moment pas 15 jaar oud was. Deze handelingen bestonden (mede) uit het seksueel binnendringen van het lichaam. De verdachte en het slachtoffer hebben elkaar leren kennen bij ‘ [café] ’. Hier heeft de verdachte het idee gevat om seks te hebben met het slachtoffer, terwijl hij op dit moment al wist dat het slachtoffer slechts 15 jaar oud was. Later heeft hij haar thuis opgehaald en in zijn auto meegenomen naar de parkeerplaats bij de begraafplaats in Oostrum, waar de verdachte en het slachtoffer seks hebben gehad. Hoewel aangeefster heeft aangegeven dat het voelde alsof zij door verdachte is gedrogeerd en de rechtbank op zichzelf geen reden ziet om aan die verklaring te twijfelen, heeft de rechtbank dit gevoel van aangeefster niet bekrachtigd gezien in objectief bewijs in het dossier. Reden waarom de rechtbank er, in het voordeel van de verdachte, van uit zal gaan dat hij aangeefster, zoals hij zelf heeft verklaard, alleen water heeft gegeven.

Het hebben van seks met een minderjarige van 15 jaar oud is strafbaar gesteld, omdat jongeren zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase bevinden en zij nog onvoldoende in staat zijn om zelf hun seksuele integriteit te bewaken of zelfstandig de gevolgen van seksueel contact in te schatten. Daar komt nog bij dat, op het moment dat het slachtoffer zich naar achter trok, weg van de verdachte, hij haar keel vast pakte en zo dwong om de seksuele handelingen te ondergaan. Ook dit signaal, dat het slachtoffer de seks niet wilde evenals haar uitlatingen dat het pijn deed, heeft de verdachte genegeerd. De verdachte had de lichamelijke en seksuele ontwikkeling van het slachtoffer ongemoeid moeten laten, maar heeft dit niet gedaan. Hij heeft hier zijn eigen wellust voorop gesteld, zonder oog te hebben voor het slachtoffer. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.

Dat het slachtoffer hierdoor is geschaad blijkt eveneens uit haar slachtofferverklaring:

“Ik vind het zorgelijk dat je denkt dat het oké is om een 15 jarig meisje te drogeren en verkrachten aan de rand van een bos en om me vervolgens te berichten dat we dit vaker moesten doen alsof het de normaalste zaak van de wereld voor je was. Dit is gewoon ziekelijk. Je hebt hiermee een stukje onschuldigheid van me afgenomen en een stukje puurheid bij me weggerukt. Ik heb me zo ontzettend vies en gebruikt gevoeld. […]

Ik kreeg paniekaanvallen op werk als ik je zag zitten in het café of überhaupt bij de gedachten van wat er was gebeurd. […]

De gevolgen die dit met zich mee heeft gebracht, draag ik nog elke dag met mij mee. Mijn gevoel van veiligheid, mijn vertrouwen en een deel van mijn onbezorgheid zijn niet meer hetzelfde als voorheen.”

Voor een misdrijf als dit zijn er geen oriëntatiepunten. De straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd lopen uiteen van ongeveer 6 maanden tot 24 maanden (on)voorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere of lichtere straf kan worden volstaan dan met vrijheidsbeneming van de verdachte.

De rechtbank neemt mee in haar overweging dat de verdachte – op een enkele boete na – nog niet eerder in aanraking met politie of justitie is geweest. Ten nadele van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij op geen enkel moment inzicht heeft getoond in het kwalijke van zijn handelen, of zich bewust heeft getoond van de ernst ervan en de impact op het slachtoffer.

De verdachte heeft niet gereageerd op de contactverzoeken van de reclassering, waardoor er geen rapportage over de verdachte is opgemaakt. Het is daarom voor de rechtbank niet mogelijk om passende bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel te formuleren. Om toch een vangnet te realiseren voor de verdachte op het moment dat hij uit zijn detentieperiode terug de maatschappij in keert, zal de rechtbank géén voorwaardelijk strafdeel opleggen om zo de mogelijkheid tot voorwaardelijke invrijheidstelling voor de verdachte open te houden.

Alles overwegend veroordeelt de rechtbank de verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden.

Daarnaast ziet de rechtbank, mede gelet op de slachtofferverklaring, voldoende aanleiding om een contactverbod op te leggen in de vorm van een gedragsbeïnvloedende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Ook zal de rechtbank bij deze maatregel een locatieverbod opleggen voor hotel café ‘ [café] ’. De maatregel zal gelden voor de duur van 3 jaren, waarbij een vervangende hechtenis van 1 week kan worden opgelegd indien de verdachte hier niet aan voldoet (met een maximum van 6 maanden).

De rechtbank ziet echter geen omstandigheden die ertoe leiden dat er ernstig rekening mee moet worden houden dat de verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen of zich belastend zal gedragen tegen personen. De rechtbank zal dan ook niet – in tegenstelling tot wat is gevorderd – de dadelijke uitvoerbaarheid van de gedragsbeïnvloedende maatregel bevelen.

De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

7
De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van €27.600,00. Deze vordering is opgebouwd uit € 21.600,00 aan vergoeding voor het oplopen van één jaar studievertraging en € 6.000,00 aan immateriële schade.

De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de gevorderde schade.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, nu vrijspraak is bepleit van het aan de vordering ten grondslag liggende feit.

Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de vordering voor de gevorderde materiële schade voor de studievertraging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, bij gebrek aan causaal verband. De gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd tot € 4.000,00.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt over de twee in de vordering opgevoerde schadeposten als volgt.

Materiële schade (studievertraging)

De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd.

In tegenstelling tot wat door de verdediging is bepleit, is de rechtbank van oordeel dat het causaal verband tussen het bewezenverklaarde misdrijf en de opgelopen vertraging bij het behalen van het Havodiploma van de benadeelde voldoende bewezen is. Uit de onderbouwing van deze schade in (de bijlagen bij) het voegingsformulier en hetgeen ter terechtzitting door de benadeelde partij naar voren is gebracht, blijkt dat bij de benadeelde ná het incident duidelijk achteruitgang in de schoolprestaties zichtbaar is. Hierdoor is besloten het havo-examen over twee jaar te spreiden, waardoor één jaar studievertraging is ontstaan. Het gevorderde bedrag betreft een forfaitair vastgesteld bedrag voor één jaar vertraging bij havo, mbo of vwo; conform de Richtlijn Studievertraging van de Letselschaderaad. Het volledig gevorderde (materiële) bedrag komt daarom voor toewijzing in aanmerking.

Immateriële schade

De wet regelt in artikel 6:106 BW de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Volgens artikel 6:106 aanhef en onder b BW komt vergoeding van ander nadeel in aanmerking bij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze.

Van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Voor een geslaagd beroep dienen voldoende concrete gegevens te worden aangevoerd waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval geestelijk letsel is ontstaan. Ook kunnen de aard en ernst van de normschending reeds met zich brengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat ontucht met een kind op zowel korte als lange termijn psychische schade tot gevolg heeft. Dat hiervan bij [naam 1] sprake is, is de rechtbank gebleken uit de slachtofferverklaring en de schriftelijke onderbouwing van de schadevordering. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van het feit meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Voor de gevorderde immateriële schade is aansluiting gezocht bij laagste categorie voor dit type misdrijf uit de Rotterdamse Schaal. Dat hierbij aansluiting is gezocht bij de bovenkant van deze schaal komt de rechtbank niet onbillijk over. Bij deze categorie zou geen sprake zijn van binnendringen met een geslachtsdeel, wat in casu wel is gebeurd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de immateriële schade dient te worden bepaald op € 6.000,00.

Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente

De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Daarnaast zal de rechtbank de gevorderde immateriële schade verhogen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De gevorderde materiële schade zal de rechtbank verhogen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2025 – het moment dat de studievertraging is ontstaan – tot aan de dag der algehele voldoening.

8
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38v en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

9
De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden;

Maatregel

legt aan de verdachte op een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van 3 jaren, bestaande uit een contactverbod en gebiedsverbod;

het contactverbod houdt in dat de veroordeelde gedurende 3 jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met het slachtoffer [naam 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009;

het gebiedsverbod houdt in dat de veroordeelde zich gedurende 3 jaren niet bevindt in het hotel café ' [café] ', gelegen op [adres 2] ;

beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan deze maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [naam 1] , van een bedrag van € 27.600,00, bestaande uit € 21.600,00 materiële schade en € 6.000,00 immateriële schade, de materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2025 en de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 1] , van een bedrag van € 27.600,00, bestaande uit € 21.600,00 materiële schade en € 6.000,00 immateriële schade, de materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2025 en de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 150 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.B.A. Ferwerda, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en mr. J. Linders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.V. Haring, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 juli 2026.

Buiten staat

Mr. J. Linders is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 3 oktober 2024 te Oostrum, gemeente Venray met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [naam 1] ,een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten:

- het brengen van zijn vingers tussen de schaamlippen en bij de vagina en in de vagina van die [naam 1] en/of;

- het brengen van zijn penis in de vagina van die [naam 1] ;

en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [naam 1] bij haar keel te pakken.

Voetnoot

Voetnoot 1

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2024168399, gesloten op 10 november 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 63.

Voetnoot 2

Proces-verbaal van aangifte van 30 oktober 2024, pagina’s 5 tot en met 7.

Voetnoot 3

De kop van de aangifte vermeld als plaats delict: [adres 3] .

Voetnoot 4

Geschrift, zijnde bijlage 2 bij proces-verbaal van aangifte, pagina 26.

Voetnoot 5

Proces-verbaal van verhoor getuige van 10 april 2025, pagina’s 38, 39 en 41.

Voetnoot 6

Proces-verbaal van verhoor getuige van 2 november 2024, pagina’s 34 en 35.