Rechtbank Limburg, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBLIM:2026:8040

Op 5 August 2026 heeft de Rechtbank Limburg een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 03-229300-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBLIM:2026:8040. De plaats van zitting was Maastricht.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
03-229300-25
Datum uitspraak:
5 August 2026
Datum publicatie:
5 August 2026

Indicatie

De minderjarige verdachte heeft een grote steen vanaf een brug naar beneden gegooid. Het slachtoffer werd door de steen geraakt en liep daarbij een klaplong en meerdere breuken op.

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een werkstraf van tachtig uren voor zware mishandeling en de vordering van de benadeelde partij grotendeels toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht, jeugdstrafrecht

Parketnummer : 03-229300-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 5 augustus 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010,

wonende te [adres 1] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.W. Heemskerk, advocaat te Roermond.

1
Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juli 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Ook de moeder van de verdachte is gehoord.

De benadeelde partij [benadeelde] was, bijgestaan door mevrouw [naam 1] van SHN en zijn ouders, ter terechtzitting aanwezig. Mevrouw [naam 1] heeft zijn vordering namens hem toegelicht.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging - na wijziging - is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

door een steen vanaf een brug naar beneden te gooien en [benadeelde] met die steen te raken, waardoor deze een klaplong en meerdere breuken opliep,

primair: [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht,

subsidiair: [benadeelde] heeft mishandeld, terwijl deze mishandeling zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had,

meer subsidiair: heel onvoorzichtig is geweest, waardoor het zijn schuld is dat [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Overwegingen

3
De beoordeling van het bewijs
3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de verdachte integraal vrij te spreken. Kort gezegd heeft hij hiertoe aangevoerd dat de verdachte consequent heeft verklaard dat hij de steen niet heeft gegooid, terwijl de verklaringen van de overige betrokkenen van elkaar verschillen. Het bewijs dat de verdachte de steen gooide, acht hij daarom niet overtuigend. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de verdachte vrij te spreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde en hem te veroordelen voor het meer subsidiair tenlastegelegde, omdat sprake was van een stom ongeluk. De raadsman refereert zich met betrekking tot de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Op 25 juni 2025 had een groep jongeren, waaronder de goede vrienden [benadeelde] en de verdachte, gezwommen bij een brug over [adres 2] in Stevensweert. Terwijl zij zich klaarmaakten om te vertrekken, werd vanaf de brug een steen naar beneden gegooid. [benadeelde] kreeg deze steen op zijn rug. Nadat een van de jongeren 112 had gebeld, kwamen een ambulance en de politie. [benadeelde] werd meegenomen naar het ziekenhuis.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De rechtbank is van oordeel dat het namens de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze hieronder zijn uitgewerkt. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewijsmiddelen  (Voetnoot 1)

1. Het proces-verbaal van aangifte (pagina’s 40 tot en met 43), voor zover inhoudende – zakelijk weergeven – als verklaring van [naam 2] :

Ik doe aangifte namens mijn zoon [benadeelde] van zware mishandeling.

Op 25-06-2025 in Stevensweert kwam er een steen vanaf de brug naar beneden en landde op mijn zoon [benadeelde] zijn rug.

In het ziekenhuis werd geconstateerd dat [benadeelde] een klaplong had. We weten nu ook dat er 3 ribben gebroken zijn, scheurtje in het staartbeen, fractuur in bekken.

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige (pagina’s 52 tot en met 54), voor zover inhoudende – zakelijk weergeven – als verklaring van [getuige 1] :

Op 25 juni 2025 was ik in Stevensweert. Toen ik onder bij het water met [benadeelde] was, zag ik dat boven op de brug twee jongens stonden. Deze jongens ken ik als [getuige 2] en [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] een grote steen vast hield. Ik zag dat [verdachte] de steen naar onder gooide. Ik zag dat de kei op [benadeelde] kwam en ik hoorde dat [benadeelde] hard schreeuwde.

3. Een schriftelijk stuk, te weten het ongetekende proces-verbaal van verhoor getuige (pagina’s 50 en 51), voor zover inhoudende – zakelijk weergeven – als verklaring van [getuige 2] :

Op 25 juni 2025 was ik in Stevensweert. Toen ik op de brug stond zag ik [verdachte] . Ik zag dat hij met een hele grote kei richting de rand van de brug liep. Ik zag dat [verdachte] zonder naar beneden te kijken deze kei over de rand naar beneden gooide. Op dat moment zag ik onder de brug, bij de waterkant, [benadeelde] liggen. Ik zag dat de kei die [verdachte] naar onder gooide op [benadeelde] terecht kwam.

4. Het proces-verbaal van verhoor getuige (pagina’s 69 tot en met 71), voor zover inhoudende – zakelijk weergeven – als verklaring van [getuige 3] :

Op 25 juni 2025 was ik in Stevensweert. Ik zag dat [verdachte] met een steen van beneden naar boven liep. Ik zag dat de steen ongeveer 20 centimeter lang was, 15 centimeter breed en 15 centimeter hoog. Ik hoorde dat [benadeelde] ineens schreeuwde van de pijn. Toen hoorde ik dat [getuige 1] en [naam 3] ook schreeuwden, ik hoorde dat ze riepen dat [verdachte] een steen had gegooid.

5. Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer (pagina’s 47 tot en met 49), voor zover inhoudende – zakelijk weergeven – als verklaring van [benadeelde] :

Op 25 juni 2025 was ik aan het zwemmen in Stevensweert bij de brug die over [adres 2] loopt. Op het moment toen wij eigenlijk klaar waren met zwemmen en wilden vertrekken, ging ik mij nog even afspoelen bij het water. Dit omdat ik onder de modder zat. [getuige 1] , [naam 4] en nog een paar stonden bij mij onder aan het water. Ik hoorde dat [getuige 1] zei: "pas op er zit hier nog iemand!". Toen kwam er een steen omlaag en deze steen kwam op mij terecht.

Op 26 juni 2025 kreeg ik een bericht van [verdachte] op Snapchat. Dit bericht heb ik niet opgeslagen. Maar ik zag dat [verdachte] naar mij stuurde dat hij zijn excuses aanbood aan mij en zei dat het niet zijn bedoeling was om de steen op mij te gooien. Ik stuurde toen terug naar [verdachte] dat ik wel geloofde dat het niet de bedoeling was om de steen op mij te gooien, maar vroeg hem wel waarom hij überhaupt de steen naar onder gooide. Ik zag dat [verdachte] stuurde dat het zijn bedoeling was om de steen langs de kant te gooien net in het water. Zodat de spetters van het water de mensen langs de kant zouden nat maken.

6. Een schriftelijk stuk, te weten een brief van drs. [naam 5] , chirurg, aan drs. [naam 6] , huisarts (pagina’s 44 en 45), voor zover inhoudende – zakelijk weergeven:

Betreft: [benadeelde]

25-6 opname met thoraxtrauma: # costa 9,1 0,11 L, hematopneumothorax waarvoor drainage

Verder # proc transversus T 10, 11,12 en LI

#os sacrum L bij Sl-gewricht, allen stabiel

Bewijsoverwegingen

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte een grote steen vanaf de brug naar beneden heeft gegooid, dat deze steen [benadeelde] heeft geraakt en dat [benadeelde] daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Ook stelt de rechtbank vast dat de verdachte wist dat, toen hij de steen gooide, mensen onder de brug aanwezig waren.

Voorwaardelijk opzet

Naar het oordeel van de rechtbank brengt het gooien van een grote steen van een brug, terwijl zich onder die brug mensen bevinden, de aanmerkelijke kans op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel met zich. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen, heeft de verdachte die kans ook aanvaard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Betrouwbaarheid van getuigenverklaringen

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat de verklaringen van de diverse getuigen niet geheel met elkaar in overeenstemming zijn. Anders dan de raadsman heeft bepleit, acht de rechtbank deze verklaringen daardoor echter niet onbetrouwbaar. Ieder van de jeugdige getuigen heeft immers over zijn eigen waarnemingen verklaard en daarvan uitgaande verschillen de verklaringen naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dat aan de betrouwbaarheid daarvan getwijfeld moet worden. Naar het oordeel van de rechtbank weerspreken de discrepanties tussen de verschillende verklaringen juist dat de getuigen hun verklaringen met elkaar hebben afgestemd, zoals door de verdachte is gesuggereerd.

Betrouwbaarheid van verklaring van [benadeelde] over bericht op Snapchat

De verdachte heeft verklaard dat hij het bericht, waarover [benadeelde] in bewijsmiddel 5 verklaart, niet heeft verzonden. De rechtbank heeft echter geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring van [benadeelde] . Niet is gebleken dat [benadeelde] enige reden had om over zijn goede vriend, de verdachte, te liegen. Dat [benadeelde] , zoals de verdachte naar voren heeft gebracht, geen screenshot van het bericht heeft gemaakt, weerspreekt de verklaring van [benadeelde] niet. [benadeelde] hoefde er destijds immers niet op bedacht te zijn dat hij later een screenshot van het bericht nodig zou hebben als bewijs in een strafzaak.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Ten aanzien van primair:

op 25 juni 2025 te Stevensweert aan [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong en meerdere breuken, heeft toegebracht, door vanaf een brug een steen naar beneden te gooien en daarbij die [benadeelde] met die steen te raken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Ten aanzien van primair:

zware mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5
De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6
De straf en/of de maatregel
6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van tachtig uren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring mocht komen, heeft de raadsman verzocht de helft van de door de officier van justitie gevorderde straf onvoorwaardelijk op te leggen en eventueel nog een deel daarvan voorwaardelijk. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het tenlastegelegde een ongeluk was.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel toegebracht door een grote steen van een brug te gooien. [benadeelde] liep hierbij een klaplong, drie gebroken ribben, een scheurtje in zijn staartbeen en een fractuur in zijn bekken op. In de zomer waarin hij zestien werd, heeft [benadeelde] daardoor geen leuke dingen kunnen doen, maar moest hij hard aan zijn revalidatie werken. De rechtbank gaat ervan uit dat het een ongeluk was dat de door de verdachte gegooide steen [benadeelde] raakte en dat het dus niet de bedoeling van de verdachte was om [benadeelde] ernstig letsel toe te brengen. Dat is echter wel gebeurd en de verdacht heeft, door de steen van de brug naar beneden te gooien terwijl hij wist dat daar mensen aanwezig waren, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit zou gebeuren. De verdachte is daar strafrechtelijk verantwoordelijk voor en naar het oordeel van de rechtbank verdient hij daar een straf voor.

De rechtbank heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS, waarin voor jeugdigen als oriëntatiepunt voor zwaar lichamelijk letsel zonder gebruik van een wapen een onvoorwaardelijke taakstraf vanaf tachtig uren, dan wel een dienovereenkomstige jeugddetentie is opgenomen. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat de verdachte een blanco strafblad heeft. Verder heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat de Raad voor de Kinderbescherming in zijn advies van 15 juli 2026 heeft gerapporteerd dat het recidiverisico laag is en dat de Raad heeft geadviseerd een werkstraf op te leggen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is. De rechtbank zal de op te leggen straf daarom bepalen op een werkstraf van tachtig uren.

7
De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
7.1

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 6.106,86. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

Materiële schade

a. Medische hulpmiddelen

€ 69,78

b. Apotheek

€ 70,40

c. Verlies arbeidsvermogen

€ 542,73

d. Abonnement zwembad

€ 55,76

e. Reiskosten

€ 140,19

f. Ziekenhuisdaggeldvergoeding

€ 228,00

Immateriële schade

€ 5.000,00

De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de posten c. en d. heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de zomervakantie eraan zat te komen en dat de verdachte dan waarschijnlijk met vakantie zou zijn gegaan en dus minder zou hebben gewerkt en minder gebruik zou hebben gemaakt van het zwembad. Hij heeft verzocht de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de posten c. en d. De raadsman heeft zich ten aanzien van de overige posten van de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de immateriële schade heeft hij verzocht de vordering te matigen tot € 2.500,-.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De zomervakantie biedt scholieren doorgaans de mogelijkheid om meer te werken dan zij tijdens het schooljaar, als zij immers ook naar school moeten, doen. Blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring die de moeder van [benadeelde] namens hem heeft opgesteld, was [benadeelde] ook van plan extra te werken in de zomer van 2025. De zomervakantie is daarnaast bij uitstek de tijd waarin scholieren naar het (buiten) zwembad kunnen gaan. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat [benadeelde] , ook als hij een of enkele weken met vakantie zou zijn gegaan, in de zomervakantie gemiddeld net zo vaak of vaker gebruik zou hebben gemaakt van zijn zwembad-abonnement als buiten de zomervakantie. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen reden om de verdachte nietontvankelijk te verklaren ten aanzien van de posten c. en d. of deze posten te matigen.

De reiskosten naar het politiebureau ter hoogte van € 3,89 (onderdeel van post e.) vormen naar het oordeel van de rechtbank en gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad geen rechtstreekse materiële schade die voor vergoeding in aanmerking komt. De vordering zal daarom in zoverre worden afgewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.102,97, te weten het totaalbedrag van de hierboven onder a, b, c, d, e en f genoemde posten minus de reiskosten naar het politiebureau. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Immateriële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel (bestaande uit een klaplong, drie gebroken ribben, een scheurtje in zijn staartbeen en een fractuur in zijn bekken) heeft opgelopen ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen. Artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek bepaalt - voor zover hier relevant - dat de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen. Er is dus een grondslag voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De rechtbank begroot deze schade, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en ernst van het delict alsmede de gevolgen ervan voor de benadeelde partij, en met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, op een bedrag van € 5.000,-. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De materiële schade waarvoor een vergoeding zal worden toegekend, is naar schatting van de rechtbank gemiddeld op 1 augustus 2025 ingetreden. Het toe te wijzen bedrag ter zake van materiële schade zal daarom vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2025 worden toegewezen.

Het toe te wijzen bedrag ter zake van immateriële schade zal vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2025 - de datum waarop het lichamelijk letsel is ingetreden - worden toegewezen.

De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

9
De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van tachtig uren;

beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van veertig dagen;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van primair:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]:

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde] , van een bedrag van 6.102,97 euro, bestaande uit 1.102,97 euro materiële schade en 5.000,00 euro immateriële schade;

de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

wijst de vordering voor het overige af;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde] , van een bedrag van 6.102,97 euro;

voormeld bedrag bestaat uit 1.102,97 euro materiële schade en 5.000,00 euro immateriële schade;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 0 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.B.A. Ferwerda, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en mr. J.P.E. Mullers, allen kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. I.W. Levelt-Iseger, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 5 augustus 2026.

Buiten staat

Mr. J.P.E. Mullers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

primair:

hij, op of omstreeks 25 juni 2025 te Stevensweert, althans in gemeente Maasgouw aan een ander, te weten [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong en/of één of meerdere breuken, heeft toegebracht, door vanaf een (hoge) brug een steen naar beneden te gooien en (daarbij) die [benadeelde] met die steen te raken;

subsidiair:

hij, op of omstreeks 25 juni 2025 te Stevensweert, althans in gemeente Maasgouw

[benadeelde] heeft mishandeld, door een steen vanaf een (hoge) brug naar beneden te gooien en die [benadeelde] met die steen te raken, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong en/of één of meerdere breuken, ten gevolge had;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 25 juni 2025 te Stevensweert, althans in de gemeente Maasgouw grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig vanaf een (hoge) brug een steen naar beneden heeft gegooid, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel, te weten een klap long en/of één of meerdere

breuken, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of

verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan.

Voetnoot

Voetnoot 1

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL23002025115786, gesloten op 29 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 76.