Rechtbank Limburg, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBLIM:2026:8752

Op 19 August 2026 heeft de Rechtbank Limburg een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 03.303673.25 (ontneming wederrechtelijk verkregen, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBLIM:2026:8752. De plaats van zitting was Roermond.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
03.303673.25 (ontneming wederrechtelijk verkregen
Datum uitspraak:
19 August 2026
Datum publicatie:
19 August 2026

Indicatie

De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van 12.492 euro.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03.303673.25 (ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel)

Tegenspraak

Uitspraak van de meervoudige kamer van 19 augustus 2026 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

in de zaak tegen

Mohammed [verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1997,

thans gedetineerd in [P.I.] ,

hierna te noemen [verdachte] .

[verdachte] wordt bijgestaan door mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1
Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 augustus 2026. [verdachte] en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03.303673.25. Op 19 augustus 2026 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.

2
De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op € 24.502,47. Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarvoor hij is veroordeeld.

Op de terechtzitting van 5 augustus 2026 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat hij het geschatte voordeel en de op te leggen betalingsverplichting op

€ 21.002,12 vaststelt.

3 De beoordeling (Voetnoot 1)

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de vordering ter terechtzitting gewijzigd, omdat de politie bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit is gegaan van een periode van 7 maanden, terwijl dit 6 maanden zouden moeten zijn. Het bewezenverklaarde vangt immers pas half juli 2025 aan en de verdachte heeft vanwege een auto-ongeluk in september 2025 ongeveer 10 dagen niet kunnen dealen.

De officier van justitie heeft voor de berekening van de opbrengsten en de kosten van deze zes maanden verwezen naar het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel zoals dat door de politie is opgesteld. Gelet op het voorgaande komt de officier van justitie uit op een bedrag van (€ 24.502,47 : 7 (maanden) x 6 (maanden)) € 21.002,12 dat dient te worden toegewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het rapport ervan uitgaat dat de verdachte gedurende de bewezenverklaarde periode elke dag heeft gedeald, terwijl de verdachte zelf verklaart dat hij ongeveer de helft van deze periode heeft gedeald. De raadsman gaat bij de berekening daarom van 100 dagen uit.

De raadsman heeft aan de hand van het door de politie opgestelde rapport de opbrengst van de cocaïne en heroïne per dag berekend. Hij is uitgekomen op een bedrag van € 265,24 per dag aan cocaïne (Voetnoot 2) en een bedrag van € 61,86 per dag aan heroïne (Voetnoot 3).

De raadsman heeft vervolgens de winst per dag berekend, conform de in het ontnemingsprocesverbaal genoemde inkoop- en verkoopprijzen. [verdachte] heeft per dag voor 5,3 gram (Voetnoot 4) aan cocaïne verkocht en dit heeft dus in totaal € 101,60 (Voetnoot 5) winst opgeleverd per dag aan cocaïne. Met betrekking tot de heroïne, heeft de raadsman berekend dat de verdachte voor 1,55 gram (Voetnoot 6) aan heroïne per dag heeft verkocht en dit heeft in totaal € 23,32 (Voetnoot 7) winst opgeleverd per dag aan heroïne. In totaal heeft [verdachte] dus € 124,92 aan winst per dag overgehouden aan de verkoop van de cocaïne en heroïne tezamen.

De raadsman heeft aangevoerd dat deze winst per dag moet worden vermenigvuldigd met de 100 dagen dat de verdachte daadwerkelijk heeft gedeald. Derhalve heeft de raadsman verzocht om maximaal een bedrag van € 12.492,- (Voetnoot 8) toe te wijzen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij voormeld vonnis van 19 augustus 2026 is [verdachte] onder meer veroordeeld wegens het handelen in harddrugs, gepleegd in de periode van 15 juli 2025 tot en met 28 januari 2026.

De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.

Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden.

De rechtbank zal het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op € 12.492,-. Hiertoe overweegt zij het volgende.

Zowel de officier van justitie als de raadsman gaat uit van de bedragen zoals genoemd in het door de politie opgestelde rapport inzake de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank neemt dit rapport daarom ook als uitgangspunt. Uit dit rapport volgt dat de winst op de verkoop van cocaïne € 101,60 per dag bedraagt en de winst op de verkoop van heroïne € 23,62 per dag. (Voetnoot 9) De totale winst die [verdachte] per dag heeft gehad met de handel in cocaïne en heroïne bedraagt aldus € 124,92 per dag.

De discussie tussen de officier van justitie en de raadsman ziet op de vraag met hoeveel dagen deze totale winst per dag moet worden vermenigvuldigd.

De rechtbank acht de verklaring van [verdachte] dat hij gedurende 100 dagen in de bewezenverklaarde periode heeft gehandeld in harddrugs aannemelijk. Deze verklaring vindt namelijk steun in de zich in het dossier bevindende chatberichten (Voetnoot 10). Uit deze chatberichten blijkt dat potentiële afnemers meermaals bij [verdachte] informeren of hij actief is, waarop hij niet steeds direct reageert en soms pas enkele dagen later antwoordt. Dit past bij de door [verdachte] geschetste situatie dat hij niet iedere dag actief was met de handel. De rechtbank zal daarom bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van een periode van 100 dagen.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarom geschat op € 12.492,-.

Op grond van het voornoemde is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 12.492,- en zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de staat.

4
Het wettelijke voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

5
De beslissing

De rechtbank:

stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 12.492,- (zegge: twaalfduizendvierhonderdtweeënnegentig euro);

legt [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 12.492,- (zegge: twaalfduizendvierhonderdtweeënnegentig euro);

- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 124 dagen.

Deze uitspraak is gewezen door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter, mr. L. Feuth en mr. S.S. Vijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Z. Houkes, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 augustus 2026.

Buiten staat

Mr. Vijn is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025118888, gesloten d.d. 22 juni 2026, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 362.

Voetnoot 2

Pg. 120: 75 euro per dag op basis van de tapgesprekken + pg. 124: 1331,67 : 7 = 190,24 euro per dag op basis van de chatgesprekken.

Voetnoot 3

Pg. 120: 40 euro per dag op basis van de tapgesprekken + pg. 124: 153 : 4 = 21,86 per dag op basis van de chatgesprekken.

Voetnoot 4

€ 265,24 : 50 verkoopprijs per gram = 5,3 gram.

Voetnoot 5

5,3 gram x € 19,17 (verkoopprijs € 50,- per gram - inkoopprijs € 30,83 per gram).

Voetnoot 6

61,86 : 40 verkoopprijs per gram = 1,55 gram.

Voetnoot 7

1,55 gram x 15,08 (verkoopprijs € 40 per gram – inkoopprijs € 24,92 per gram).

Voetnoot 8

100 dagen x € 124,92 = € 12.492,-.

Voetnoot 9

Zie voor de berekening van de winst per dag het standpunt van de raadsman onder 3.2 en pg. 119-125 van het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [naam 1] en [naam 2] van 18 april 2026.

Voetnoot 10

Zie o.a. het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam 2] van 10 maart 2026, pg. 106 en 107.