Op 18 December 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursprocesrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 25/4693, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2025:7700. De plaats van zitting was Utrecht.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] (België), eiseres,
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
Dienst Toeslagen, verweerder,
(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 13 februari 2024 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS).
Op 26 augustus 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van verweerder deelgenomen.
Overwegingen
1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. (Voetnoot 1) Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. (Voetnoot 2)
2. In geschil is de vraag of eiseres een aanvraag bij CWS heeft ingediend. Eiseres geeft in het beroepschrift aan dat zij dit heeft gedaan in het voorlopig bezwaarschrift. Verweerder is van mening dat eiseres op 13 februari 2024 geen aanvraag bij CWS heeft ingediend, omdat dit niet kan via een bezwaarschrift. Eiseres kan volgens verweerder wel in het bezwaarschrift opmerken dat zij tevens gebruik wenst te maken van de CWS-route, maar eiseres dient zich daarna nog steeds zelf aan te melden bij CWS via het verzoekformulier. Een dergelijke aanmelding van voornoemde datum via het verzoekformulier is niet bekend bij verweerder.
3. De rechtbank volgt verweerder in haar redenering en licht dit als volgt toe. Het voorlopig bezwaarschrift verzoekt UHT om het bezwaarschrift door te zenden naar CWS, zodat zij tot advisering kan komen. Dat sprake is van een bezwaarschrift en niet van een aanvraag, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de bewoordingen van de brief van 13 februari 2024 die als titel met vet gedrukte letters “Voorlopig bezwaarschrift” heeft. Gelet op de vorm waarin het verzoek wordt gedaan en omdat niet is opgenomen dat (mede) sprake is van een aanvraag, behelst het bezwaarschrift geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb om vergoeding van aanvullende schade.
4. Nu geen aanvraag bekend is bij de CWS, voldoet het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 van de Awb).
5. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.C. van de Biesebos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
18 december 2025.
De griffier is buiten staatte ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voetnoot
Voetnoot 1
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Voetnoot 2
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.