RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Dienst Toeslagen,
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de definitieve berekening van de huurtoeslag voor het toeslagjaar 2023. Eiser is het niet eens met de hoogte van de definitieve vaststelling en met het feit dat de Dienst Toeslagen dhr. [betrokkene] (betrokkene) als medebewoner heeft aangemerkt. Eiser voert daartoe meerdere beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de Dienst Toeslagen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de betrokkene terecht als medebewoner heeft aangemerkt. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
Procesverloop
2. Bij voorschotbeschikking van 28 december 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan eiser een voorschot huurtoeslag voor het jaar 2023 toegekend van € 4.241. Daarbij is betrokkene aangemerkt als medebewoner. Daarna ontvangt de Dienst Toeslagen meldingen uit de Basisregistratie Inkomen (BRI) dat het inkomen van eiser € 18.986 bedraagt en dat van betrokkene € 11.652. Op basis hiervan stelt DT bij beschikking van 6 september 2024 de huurtoeslag over 2023 definitief vast op € 3.104, uitgaande van een gezamenlijk toetsingsinkomen van € 30.638. Op 2 oktober 2024 maakt eiser bezwaar tegen dit besluit.
2.1.
Bij beschikking van 8 november 2024 herziet de Dienst Toeslagen – naar aanleiding van een herziene definitieve aanslag, de definitieve berekening naar € 3.283.
2.2.
Bij besluit van 31 maart 2025 (het bestreden besluit) handhaaft de Dienst Toeslagen deze definitieve berekening en verklaart het bezwaar van eiser ongegrond.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van de Dienst Toeslagen. Eiser is niet verschenen.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen. Uit het dossier blijkt dat de uitnodiging voor de zitting op 29 september 2025 per aangetekende post is verzonden naar het bij de rechtbank bekende adres. Deze brief is ongeopend retour ontvangen. Vervolgens is de uitnodiging bij brief van 20 oktober 2025 nogmaals per gewone post verzonden naar hetzelfde adres. Een e-mailadres van eiser was bij de rechtbank niet bekend. De rechtbank concludeert dat eiser op de juiste wijze is uitgenodigd voor de zitting en doet uitspraak op basis van het dossier en hetgeen op de zitting is besproken.
Heeft de Dienst Toeslagen betrokkene terecht aangemerkt als medebewoner?
4. Eiser voert aan dat hij vanaf begin af aan de Dienst Toeslagen heeft laten weten dat betrokkene geen medebewoner is, maar dat er sprake is van onderhuur. Hij heeft eerder stukken hierover toegestuurd - die toen ook door de Dienst Toeslagen geaccepteerd zijn - maar daar komen ze nu in 2025 op terug.
4.1.
Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (Wht) wordt de draagkracht van de huurder én zijn medebewoners betrokken bij de berekening van de huurtoeslag. Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bepaalt dat een persoon die op hetzelfde adres is ingeschreven geen medebewoner is als hij “een deel van de woning huurt op basis van een schriftelijke overeenkomst”, tenzij sprake is van een bloed- of aanverwant in de eerste graad. Niet in geschil is dat de betrokkene niet de partner of een bloedverwant van eiser is.
4.2.
Eiser heeft in 2022 een document overgelegd waarin met betrokkene afspraken zijn gemaakt over het huren van een (deel van de) woonruimte van eiser. Het document bevat geen datum, maar is wel door beide partijen ondertekend. In artikel 3 van het document staat dat de huurprijs “nader te bepalen” is en dat de onderhuurder op dat moment geen inkomsten heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is dit document niet aan te merken als een schriftelijke huurovereenkomst in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awir. Op grond van het burgerlijk recht is de essentie van een huurovereenkomst voor een woonruimte dat de verhuurder de woonruimte in gebruik verstrekt aan de huurder tegen een bepaalde tegenprestatie. (Voetnoot 1) Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat partijen daadwerkelijk een huurprijs zijn overeengekomen. Verder is niet gebleken dat betrokkene in 2023 huur heeft betaald, terwijl uit het dossier kan worden opgemaakt dat hij in dat jaar wel inkomen had. Ook anderszins is niet gebleken van een tegenprestatie. Nu geen sprake is van huur door de betrokkene op basis van een schriftelijke overeenkomst heeft de Dienst Toeslagen de betrokkene terecht als medebewoner aangemerkt en zijn inkomen terecht betrokken bij de berekening van de hoogte van de huurtoeslag.
4.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is een dwangsom verschuldigd wegens het niet-tijdig beslissen?
5. Eiser heeft opgemerkt dat de Dienst Toeslagen niet tijdig hebben beslist en daarom een dwangsom is verschuldigd. Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is een dwangsom pas verschuldigd wanneer de beslistermijn is verstreken én twee weken zijn voorbijgegaan nadat het bestuursorgaan een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Uit vaste rechtspraak volgt dat zonder een ingebrekestelling geen dwangsom kan ontstaan. (Voetnoot 2) In dit geval is niet gebleken dat eiser de Dienst Toeslagen in gebreke heeft gesteld. Alleen al om die reden is geen dwangsom verschuldigd.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A. Gomes de Jorge, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.