Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursrecht overig
ECLI:NL:RBMNE:2025:7758
Op 2 December 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 25/3687, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2025:7758. De plaats van zitting was Utrecht.
Indicatie
Deze uitspraak gaat over het besluit van 29 april 2025 waarin het bezwaar van eiser gegrond is verklaard, maar geen proceskostenvergoeding is toegekend omdat volgens de Dienst Toeslagen de voorschotbeschikking niet is herroepen wegens aan de Dienst Toeslagen te wijten onrechtmatigheid. Eiser is het hiermee niet eens en verzoekt in beroep om de Dienst Toeslagen alsnog te veroordelen in de proceskosten die hij in bezwaar heeft gemaakt.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
zaaknummer: UTR 25/3687
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: A. Stokhof),
Dienst Toeslagen,
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van 29 april 2025 waarin het bezwaar van eiser gegrond is verklaard, maar geen proceskostenvergoeding is toegekend omdat volgens de Dienst Toeslagen de voorschotbeschikking niet is herroepen wegens aan de Dienst Toeslagen te wijten onrechtmatigheid. Eiser is het hiermee niet eens en verzoekt in beroep om de Dienst Toeslagen alsnog te veroordelen in de proceskosten die hij in bezwaar heeft gemaakt. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de Dienst Toeslagen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht heeft vastgesteld dat er geen aanleiding bestond om een proceskostenvergoeding in bezwaar toe te kennen. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
Procesverloop
2. Op 28 december 2024 heeft eiser een voorschotbeschikking voor zorgtoeslag voor het toeslagjaar 2025 ontvangen.
2.1.
Eiser heeft op 21 december 2024 bezwaar ingediend omdat het inkomen te hoog zou zijn ingeschat.
2.2.
Met het bestreden besluit van 29 april 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Daarbij heeft de Dienst Toeslagen overwogen dat de voorschotbeschikking is herzien op basis van door eiser op 9 januari 2025 ingediende gegevens. Er is geen proceskostenvergoeding toegekend omdat het besluit niet herroepen is door een aan de Dienst Toeslagen te wijten onrechtmatigheid.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigden van de Dienst Toeslagen en de gemachtigde van eiser. Deze laatste heeft telefonisch aan de zitting deelgenomen.
2.5.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
3. In geschil is of de Dienst Toeslagen in bezwaar een proceskostenvergoeding had moeten toekennen. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bestaat slechts aanspraak op vergoeding van de kosten in bezwaar indien het bestreden besluit door de Dienst Toeslagen is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
3.1.
Eiser voert aan dat hiervan sprake is. Volgens hem is bij de voorschotbeschikking het inkomen onjuist ingeschat, namelijk op €39.400,-. Uit eerdere aanslagen inkomstenbelasting blijkt dat zijn inkomen steeds rond €25.000,- lag. De Dienst Toeslagen had daarom kunnen en moeten weten dat een schatting van €39.400,- niet juist kon zijn.
3.2.
De rechtbank volgt eiser hierin niet en overweegt als volgt. Het gaat in dit geval om een voorschot zorgtoeslag. Het systeem van de bevoorschotting is zodanig ingericht dat de Dienst Toeslagen in korte tijd een groot aantal voorschotbeschikkingen kan nemen. Daarbij wordt in beginsel uitgegaan van de door de aanvrager overgelegde gegevens. De controle op het recht op een toeslag vindt pas na afloop van het berekeningsjaar plaats. (Voetnoot 1) Ook wanneer – zoals in dit geval – sprake is van automatische continuering, is het de verantwoordelijkheid van de toeslaggerechtigde om de juiste gegevens over het inkomen tijdig door te geven. Wanneer deze gegevens niet worden verstrekt, mag de Dienst Toeslagen uitgaan van de bij hem bekende meest recente gegevens. De Dienst Toeslagen heeft hierover op de zitting toegelicht dat hij in dat geval – overeenkomstig interne gedragsregels – eerst nagaat of gegevens uit de inkomstenbelasting over het relevante jaar beschikbaar zijn. Indien dat niet het geval is, wordt gekeken naar andere inkomensbronnen, zoals het meest recente belastbaar jaarloon dat beschikbaar is via het loonheffingensysteem. Vervolgens wordt een indexering toegepast.
3.3.
In dit geval heeft eiser voorafgaand aan het vaststellen van de voorschotbeschikking geen gegevens over zijn inkomen aangeleverd. De Dienst Toeslagen heeft daarom op 24 september 2024 gekeken naar de inkomensgegevens die wel beschikbaar waren. Op dat moment was er nog geen aanslag inkomstenbelasting over 2023 vastgesteld. Daarom is uitgegaan van het belastbaar jaarloon over 2023, vermeerderd met een indexering. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de Dienst Toeslagen uitgaan van deze gegevens. Daarbij acht de rechtbank van belang dat op de Dienst Toeslagen in het kader van de bevoorschotting geen onderzoeksplicht rust. (Voetnoot 2)
De verwijzing van eiser naar de uitspraak van 12 november 2024 van het Gerechtshof Den Haag (Voetnoot 3) leidt niet tot een ander oordeel. Die uitspraak gaat nader in op de belastingsystematiek en gaat om een situatie waarin sprake was van een omkering en verzwaring van de bewijslast. In de hier voorliggende uitspraak gaat het om het toekennen van zorgtoeslag. Dat kent een eigen wettelijke systematiek die wordt uitgevoerd door de Dienst Toeslagen, een ander bestuursorgaan dan de Belastingdienst (inspecteur). Bovendien geldt voor de systematiek van bevoorschotting het hiervoor genoemde uitgangspunt dat het aan de aanvrager is om juiste inkomensgegevens aan te leveren. Het is ook niet gebleken dat die voor eiser niet mogelijk was. Daarbij wijst de rechtbank er op dat uit het dossier blijkt dat eiser op 9 januari 2025 een melding wijziging inkomen heeft gedaan, waarna de voorschotbeschikking is aangepast.
3.4.
Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat de voorschotbeschikking is herroepen wegens een aan de Dienst Toeslagen te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15 Awb. De Dienst Toeslagen heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten in aanmerking komt.
3.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn in beroep gemaakte proceskosten.
4.1.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025 door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A. Gomes de Jorge, griffier
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoot
Voetnoot 1
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3373.
Voetnoot 2
ECLI:NL:RVS:2014:3373.
Voetnoot 3
ECLI:NL:GHDHA:2024:2342.