RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , België, eiseres
(gemachtigde: mr. H. Akbaba),
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de Dienst Toeslagen dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie of een tegemoetkoming op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de Dienst Toeslagen.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht heeft geoordeeld dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie of tegemoetkoming op grond van de Wht. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Procesverloop
3. Op 26 januari 2021 heeft eiseres een verzoek om herbeoordeling kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2016 tot en met 2018 gedaan. In de herbeoordeling is ook toeslagjaar 2019 meegenomen. Met het besluit van 21 februari 2022 heeft de Dienst Toeslagen, na uitvoering van de eerste toets, aan eiseres medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000. Vervolgens heeft de Dienst Toeslagen onderzocht of eiseres in aanmerking komt voor een herstelregeling op grond van de Wht.
4. De voorlopige conclusie van dit onderzoek is opgenomen in het informatie- en beoordelingsformulier en voorgelegd aan de onafhankelijke Commissie van Wijzen. Deze commissie heeft in haar advies van 28 juni 2023 aangegeven dat zij van oordeel is dat de Dienst Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2019.
5. Met het besluit van 13 juli 2023 heeft de Dienst Toeslagen besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor een compensatie of een tegemoetkoming op grond van de Wht. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar ingediend. Met de beslissing op bezwaar van 10 februari 2026 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
6. De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
Wat vindt eiseres in beroep?
7. De beroepsgronden zien alleen op toeslagjaar 2017. In dat jaar is eiseres naar België verhuisd. In dat jaar is de kinderopvangtoeslag uitbetaald door de Dienst Toeslagen en door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De Dienst Toeslagen heeft een deel van de uitbetaalde bedragen teruggevorderd. Eiseres stelt dat dit zonder toereikende wettelijke grondslag heeft plaatsgevonden. Dit is in strijd met het legaliteitsbeginsel en de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Wanneer een wettelijke basis ontbreekt, mag het bestuursorgaan geen gebruik maken van een herzienings- of terugvorderingsbevoegdheid en resteert slechts de civielrechtelijke weg. Eiseres verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank van 21 januari 2022. (Voetnoot 1)
7.1
Op de zitting heeft eiseres aangegeven dat zij nog steeds de gevolgen ondervindt van de terugvordering. Er ligt nog een beslag. Er is ook een periode helemaal geen kinderopvangtoeslag uitbetaald waardoor haar kinderen niet naar de opvang konden, met alle gevolgen van dien. Daarnaast zijn er wisselende en niet-gemotiveerde besluiten genomen waardoor de besluitvorming volgens eiseres onduidelijk, onzorgvuldig en onrechtmatig was. Dit is een fout van de Dienst Toeslagen en vormt een grond om eiseres als gedupeerde aan te merken. In het dossier ontbreekt iedere onderbouwing waaruit blijkt waarom vanaf het voorjaar van 2017 ineens een ander land voorrang zou hebben gehad. Er zijn volgens eiseres geen stukken die dit aantonen en er is geen inzicht in de gegevens die aan de gestelde wijziging ten grondslag zouden hebben gelegen.
7.2
Door de combinatie van de onduidelijkheid van de beslissingen, de terugvordering en de overgang van uitbetaling door de Belastingdienst naar de SVB, is er volgens eiseres sprake van vooringenomenheid zoals bedoeld in 2.2.1.4 uit het Handboek IB Vaktechniek, versie 3.16 (het Handboek). (Voetnoot 2) In het Handboek staat bij 2.2.1.4 namelijk dat naast de reguliere redenen die leiden tot de conclusie dat sprake is van vooringenomenheid, ook andere onzorgvuldigheden meegewogen moeten worden. Eiseres vindt dat hiervan sprake is.
Wat vindt de Dienst Toeslagen in beroep?
8. De Dienst Toeslagen merkt op dat de beroepsgronden zien op de vraag of de terugvordering in 2017 op de juiste juridische gronden heeft plaatsgevonden en niet op de vraag of de Dienst Toeslagen ten aanzien van die terugvordering institutioneel vooringenomen heeft gehandeld. Dat de terugvordering in strijd zou zijn met de door eiseres aangevoerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maakt niet dat de Dienst Toeslagen institutioneel vooringenomen heeft gehandeld in de zin van de Wht.
8.1
Uit de Memorie van Toelichting op de Wht (Voetnoot 3) blijkt volgens de Dienst Toeslagen dat het moet gaan om institutionele vooringenomenheid zoals beschreven in het interim-advies Omzien in verwondering en het eindadvies Omzien in verwondering 2 van de Adviescommissie uitvoering toeslagen. Uit het dossier blijkt volgens de Dienst Toeslagen niet dat er sprake is van één of meerdere elementen van institutionele vooringenomenheid. Eiseres heeft ook niet toegelicht dat en waarom er sprake zou zijn van institutionele vooringenomenheid. In de beslissing op bezwaar is uitvoerig ingegaan op de terugvordering en waarom deze terecht is geweest. Van de bijzondere categorie van vooringenomenheid, zoals beschreven in het Handboek en waar eiseres een beroep op doet, is volgens de Dienst Toeslagen daarom ook geen sprake.
8.2
Op de zitting heeft de Dienst Toeslagen uitgelegd dat ook overigens geen sprake is van onzorgvuldigheden in 2017. Er zijn beslissingen genomen naar aanleiding van door eiseres doorgegeven wijzigingen. Van een stopzetting van de uitbetaling van kinderopvangtoeslag is volgens de Dienst Toeslagen geen sprake geweest. Uit het overzicht van uitbetalingen volgt dat er maandelijks bedragen op de rekening van eiseres zijn uitbetaald. Deze bedragen wisselden, maar dat komt door wijzigingen die eiseres zelf heeft doorgegeven.
8.3
De Dienst Toeslagen merkt op dat de Wht niet is bedoeld om fouten, die mogelijk in het verleden bij de besluitvorming over het recht op kinderopvangtoeslag zijn gemaakt te herstellen. De vraag of de kinderopvangtoeslag ten aanzien van het toeslagjaar 2017 juist is vastgesteld, ligt om die reden dan ook niet voor. (Voetnoot 4)
8.4
Daarnaast stelt de Dienst Toeslagen dat geen sprake is van schade zoals bedoeld in de Wht. De terugvorderingen zijn het gevolg geweest van reguliere wijzigingen in het aantal opvanguren en het toetsingsinkomen. Het is volgens de Dienst Toeslagen inmiddels vaste rechtspraak dat reguliere wijzigingen niet leiden tot de conclusie dat sprake is van schade als gevolg van institutioneel vooringenomen handelen.
8.5
Dat de Dienst Toeslagen een bedrag heeft teruggevorderd van eiseres omdat dit ten onrechte was uitbetaald door de Dienst Toeslagen, maakt niet dat er sprake is van schade. Dit bedrag is door de Dienst Toeslagen teruggevorderd omdat de SVB in plaats van de Dienst Toeslagen het bevoegde orgaan was om de kinderopvangtoeslag uit te betalen. Het (teruggevorderde) bedrag heeft eiseres alsnog ontvangen van de SVB.
Wat is het toetsingskader?
9. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht kent de Dienst Toeslagen een compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen.
9.1
Hoe men bepaalt of er sprake is van individuele vooringenomenheid is uitgewerkt in het Handboek IB Vaktechniek, versie 3.16, onder 2.2.1.2. Hierin worden vijf kenmerken genoemd. Uit paragraaf 2.2.1.4 uit het Handboek IB vaktechniek volgt dat er naast de onterechte verlagingen ook andere redenen, of een combinatie van omstandigheden mogelijk zijn om tot een compensatie vanwege vooringenomen handelen te komen. Dus naast de vijf kenmerken van vooringenomen handelen, worden ook onzorgvuldigheden en/of er tijdens het bezwaarproces vooringenomen of onzorgvuldige handelingen meegewogen. Door de combinatie van de omstandigheden af te wegen wordt er een conclusie getrokken of sprake is geweest van vooringenomen handelen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
10. De rechtbank moet in deze procedure beoordelen of de Dienst Toeslagen terecht heeft besloten dat eiseres niet is aan te merken als gedupeerde van de toeslagenaffaire en daarom niet in aanmerking komt voor compensatie of een tegemoetkoming op grond van de Wht.
10.1
Voor zover de beroepsgronden zien op een eventuele onjuiste vaststelling van de kinderopvangtoeslag in 2017 is de rechtbank het met de Dienst Toeslagen eens dat dit geen aanleiding is om aan eiseres een compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht toe te kennen. De herstelregelingen zijn niet bedoeld om fouten die mogelijk zijn gemaakt bij de vaststelling van het recht op kinderopvangtoeslag te herstellen. De reden van de bijstelling van de kinderopvangtoeslag is gelegen in de berekening van het recht op kinderopvangtoeslag aan de hand van het inkomen, het aantal uren opvang en het onterecht uitbetalen door de Dienst Toeslagen terwijl dit door het SVB had moeten gebeuren. De vraag of de kinderopvangtoeslag juist is vastgesteld en of er terecht is teruggevorderd, kan in deze procedure niet worden beoordeeld.
10.2
Het beroep van eiseres op paragraaf 2.2.1.4 van het Handboek kan naar oordeel van de rechtbank ook niet slagen. Om hier een geslaagd beroep op te kunnen doen, moet er immers op zijn minst sprake zijn van onzorgvuldigheden en daarvan is niet gebleken. Voor de terugvordering vanwege de onterechte, dubbele uitbetaling is naar oordeel van de rechtbank wel degelijk een wettelijke grondslag. De uitspraak waaruit volgens eiseres blijkt dat voor terugvordering een grondslag ontbreekt, is vernietigd door de Raad van State. (Voetnoot 5) Van onzorgvuldigheid is hierbij dan ook geen sprake. Uit de gestelde beslaglegging door de SVB volgt ook niet dat de Dienst Toeslagen onzorgvuldig is geweest. Eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat beslag is gelegd, wat daarvoor de grondslag is en wat die beslaglegging dan met de Dienst Toeslagen te maken heeft. Datzelfde geldt voor de gestelde stopzetting van de uitbetalingen van de kinderopvangtoeslag. Uit het overzicht in het ouderdossier blijkt dat er maandelijks wel betalingen zijn gedaan op het toenmalige rekeningnummer van eiseres. Op de zitting heeft eiseres bevestigd dat het in de overzichten genoemde rekeningnummer destijds van haar was. Dat deze overzichten met uitbetalingen niet zouden kloppen, heeft eiseres op geen enkele manier onderbouwd.
10.3
Uit bovenstaande volgt naar oordeel van de rechtbank dat de Dienst Toeslagen terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van onzorgvuldigheden waaruit de conclusie zou kunnen worden getrokken dat er sprake is van vooringenomen handelen zoals omschreven in 2.2.1.4 van het Handboek. Het beroep is ongegrond.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.