Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursrecht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:618

Op 24 February 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is UTR 25/1615-T, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:618. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
UTR 25/1615-T
Datum uitspraak:
24 February 2026
Datum publicatie:
24 February 2026

Indicatie

Deze uitspraak gaat over een Woo-verzoek over alle documenten die betrekking hebben op alle incidenten en maatregelen die zijn genomen omtrent de [wijk] en dan specifiek omtrent zijn bedrijf [bedrijf], destijds gevestigd aan de [adres] in [plaats]. De rechtbank oordeelt dat het hier niet gaat om een verzoek om individuele informatieverstrekking als bedoeld in artikel 5.5 van de Woo, maar om een verzoek om openbaarmaking als bedoeld in artikel 4.1 van de Woo. De weigeringsgronden ‘belang van opsporing en vervolging’ en de ‘eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer’ heeft de korpschef juist toegepast. De rechtbank oordeelt verder dat eraan kan worden getwijfeld of de korpschef de zoekslag wel voldoende zorgvuldig heeft gedaan. De rechtbank doet een tussenuitspraak en stelt de korpschef in de gelegenheid om het geconstateerde gebrek in de zoekslag te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/1615-T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.P. van Knippenbergh),

en

de korpschef van politie,

(gemachtigde: mr. P.M.L. van der Schot-Schröder).

Procesverloop

Procesverloop

Eiser heeft op 3 juni 2024 verzocht om openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op alle incidenten en maatregelen die zijn genomen omtrent de [wijk] en dan specifiek omtrent zijn bedrijf [bedrijf] , destijds gevestigd aan de [adres] in [plaats] , in de periode van 2012 tot en met 2022.

Bij besluit van 8 augustus 2024 heeft de korpschef een deel van de 174 aangetroffen documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt en een deel van de documenten volledig geweigerd openbaar te maken. Met het bestreden besluit van 21 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de korpschef hierbij gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de korpschef.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank
De toepasselijkheid van artikel 5.5. van de Woo

Eiser heeft een verzoek om openbaarmaking van documenten gedaan op grond van artikel 4.1. van de Wet open overheid. In beroep heeft eiser verwezen naar artikel 5.5. van de Woo. Hij voert aan dat de Wet politiegegevens (Wpg) en de Algemene Verordening gegevensbescherming (AVG) in dit geval niet de individuele informatieverstrekking uitputtend regelen. Artikel 5.5. van de Woo is daarom van toepassing, gelet op de vangnetfunctie van deze bepaling. Dit heeft ermee te maken dat het gaat om ‘gemêleerde gegevens’, waarbij persoonsgegevens zijn vermengd met publieke informatie. Eiser wijst erop dat hij medevennoot was van [bedrijf] , een vennootschap onder firma.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef het verzoek terecht opgevat als een openbaarmakingsverzoek op grond van artikel 4.1 van de Woo. Eiser verzoekt om openbaarmaking, niet om verstrekking. Bovendien heeft de informatie waar eiser om verzoekt ook geen betrekking op hem persoonlijk. Die informatie is er in dit geval ook niet. Voor zover eiser heeft bedoeld het verzoek in de hoedanigheid van voormalig vennoot van [bedrijf] in te dienen, vraagt hij niet specifiek om informatie die betrekking heeft op [bedrijf] . Hij vraagt namelijk om openbaarmaking van alle documenten (niet alleen delen daaruit die over [bedrijf] gaan) die betrekking hebben op alle incidenten en maatregelen die zijn genomen omtrent de [wijk] . Het Woo-verzoek is dus geen verzoek als bedoeld in artikel 5.5 van de Woo.

De zoekslag

3. Eiser voert verder aan dat de zoekslag onvoldoende is geweest. Hij mist documenten over interdisciplinair overleg in de driehoek, dat er wel moet zijn geweest. Ook heeft hij de beschikking over een aangifte van vernieling van 31 juli 2017, die niet bij de stukken zit. Dit is een aanwijzing dat de zoekslag wel te beperkt moet zijn geweest.

4. Op de zitting heeft de korpschef toegelicht dat er geen interdisciplinair overleg heeft plaatsgevonden. Om die reden zijn daarvan geen documenten gevonden. Er heeft wel sectoroverleg plaatsgevonden en de documenten die daarop betrekking hebben zijn verstrekt. Terugkoppelingen van deze overleggen zijn veelal per e-mail gedaan en dat verklaart dat er geen verslagen of memo’s van overleggen zijn. De rechtbank ziet dit bevestigd in de verstrekte documenten, zodat aannemelijk is dat er geen documenten bestaan naar aanleiding van interdisciplinair overleg. Eiser is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat er bij de korpschef nog andere documenten berusten die hierover gaan.

5. Het door eiser in beroep ingebrachte document over de aangifte van vernieling is een brief van de politie aan [bedrijf] , waarin een terugkoppeling wordt gegeven naar aanleiding van een aangifte van vernieling op 3 juni 2017. De korpschef kan gevolgd worden in zijn standpunt dat de aangifte van vernieling niet openbaar gemaakt kan worden, omdat de Wpg daaraan in de weg staat. Dit geldt echter niet voor de brief van 31 juli 2017. Daarover heeft de korpschef op de zitting gezegd dat deze niet bij de openbaar gemaakt stukken zit, omdat het document betrekking heeft op een vernieling en daarom niet onder de reikwijdte van het Woo-verzoek valt. Dat heeft immers alleen betrekking op overlast volgens de korpschef. Hierin volgt de rechtbank de korpschef niet. Eiser heeft in zijn Woo-verzoek gevraagd om openbaarmaking van documenten met betrekking tot alle incidenten en maatregelen omtrent de [wijk] en dan specifiek zijn bedrijf [bedrijf] . Daaronder valt evident ook een document dat gaat over een aangifte van vernieling door [bedrijf] . Dat eiser in zijn Woo-verzoek uitdrukkelijk ‘overlast’ benoemt, maakt niet dat zijn verzoek zich daartoe beperkte, nog los van de vraag of vernieling in de context van deze zaak niet ook moet worden gekwalificeerd als overlast. Dit betekent dat het door eiser ingebrachte document bij de zoekslag gevonden had moeten worden. Daarnaast blijkt uit de uitleg van de korpschef dat het Woo-verzoek te beperkt is opgevat. Daarom kan eraan getwijfeld worden of de zoekslag die de korpschef heeft gedaan wel volledig is geweest. Het besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid. De beroepsgrond slaagt.

De toegepaste weigeringsgronden

6. De korpschef heeft in het politiesysteem BVH een groot aantal registraties aangetroffen waarop de Wpg van toepassing is. Deze zijn om die reden niet openbaar gemaakt. Daartegen heeft eiser geen gronden gericht.

7. Daarnaast heeft de korpschef 174 documenten aangetroffen uit de periode van 3 juni 2017 tot 19 februari 2019. Daarvan zijn er 14 volledig geweigerd, één document is volledig openbaar gemaakt en de rest is gedeeltelijk openbaar gemaakt. De korpschef heeft de volgende weigeringsgronden gebruikt voor de weigering van (passages in) de documenten: de opsporing en vervolging van strafbare feiten (artikel 5.1 lid 2, sub c van de Woo) en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 5.1, lid 2, sub e van de Woo). In twee documenten zijn passages weggelakt omdat het om persoonlijke beleidsopvattingen gaat. Op een aantal (passages in de) documenten is verder de Wpg van toepassing, volgens de korpschef.

8. De korpschef heeft de documenten waarvan hij (gedeeltelijke) openbaarmaking heeft geweigerd vertrouwelijk aan de rechtbank overgelegd. Op grond van artikel 8:29, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), neemt alleen de rechtbank kennis van deze documenten.

9. De rechtbank komt tot het oordeel dat de korpschef de weigeringsgrond opsporing en vervolging van strafbare feiten juist heeft toegepast en het belang van openbaarmaking niet zwaarder heeft hoeven laten wegen dan het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Het tijdsverloop en de omstandigheid dat de vervolging van strafbare feiten inmiddels is afgerond, maken dit niet anders. De korpschef heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de geweigerde informatie inzicht geeft in onderzoeksstrategieën die door de politie en/of het openbaar ministerie worden gebruikt. Dat is nog actueel en dat mag de korpschef zwaarder laten wegen.

10. Ook het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer heeft de korpschef zwaarder mogen laten wegen dan het belang van openbaarmaking. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen namen zijn weggelakt van personen die uit hoofde van hun functie in de openbaarheid treden. Dit geldt ook voor de persvoorlichter en/of woordvoerder. Op het moment dat deze personen e-mailcontact hebben met collega’s en/of ketenpartners vervullen zij een andere, niet in het openbaar uitgeoefende, taak en treden zij niet in de openbaarheid. Het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van deze personen heeft de korpschef daarom ook zwaarder mogen laten wegen dan het belang van openbaarmaking.

11. De rechtbank heeft geconstateerd dat zich onder de documenten ook enkele krantenartikelen bevinden. Ook daarin zijn namen weggelakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef afdoende toegelicht waarom dit is gebeurd. De korpschef heeft onderzocht of deze krantenartikelen nog te vinden zijn op het internet (de zogenoemde “google-test”). Als dat niet het geval was, zijn zekerheidshalve de namen in het betreffende artikel onleesbaar gemaakt. De rechtbank volgt de korpschef in zijn standpunt dat in dat geval het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking.

12. Tot slot overweegt de rechtbank over document 139 nog het volgende. Openbaarmaking van dit document is door de korpschef volledig geweigerd vanwege het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Tijdens de zitting heeft de korpschef (desgevraagd) verklaard dat dit niet de juiste grondslag is voor de weigering. De rechtbank stelt de korpschef daarom in de gelegenheid om dit motiveringsgebrek in het besluit te herstellen. De korpschef moet dit document alsnog openbaar maken dan wel motiveren welke weigeringsgrond zich daartegen verzet en waarom.

13. In de documenten 7 en 110 heeft de korpschef passages weggelakt omdat dit persoonlijke beleidsopvattingen betreffen. De rechtbank heeft kennis genomen van deze passages en vastgesteld dat het om persoonlijke beleidsopvattingen gaat in documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad. De korpschef heeft deze passages om die reden kunnen weigeren.

14. Tijdens de zitting heeft de rechtbank de korpschef erop gewezen dat van de documenten 108, 134, 157 en 163 de gelakte versies ontbreken. De korpschef heeft daarop toegezegd deze documenten alsnog naar eiser en de rechtbank te sturen. De rechtbank constateert dat dit nog niet is gebeurd, maar gaat ervan uit dat de korpschef hiertoe alsnog zo snel mogelijk zal overgaan.

Conclusie en gevolgen

15. Zoals hiervoor is overwogen onder 5 en 12 is het bestreden besluit op onderdelen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de korpschef in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op de aanvraag, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen moet het college opnieuw een zoekslag uitvoeren (overweging 5) en beoordelen of document 139 openbaar gemaakt kan worden op grond van de Woo (overweging 12). Het college moet dit doen met inachtneming van deze tussenuitspraak. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de korpschef de gebreken kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

16. De korpschef moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als de korpschef gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de korpschef. In beginsel, ook in de situatie dat de korpschef de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- draagt de korpschef op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;

- stelt de korpschef in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.

De rechter is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

griffier

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.