Rechtbank Midden-Nederland, wraking bestuursrecht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:3591

Op 18 June 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een wraking procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 610233 HA RK 26-76, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:3591. De plaats van zitting was Lelystad.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
610233 HA RK 26-76
Datum uitspraak:
18 June 2026
Datum publicatie:
22 June 2026

Indicatie

Wrakingszaak. Wrakingsverzoek afgewezen. De beslissing om het aanhoudingsverzoek af te wijzen is een procesbeslissing, die geen grond voor wraking oplevert. De motivering van die beslissing geeft geen blijk van vooringenomenheid. Ook uit het niet gesplitst willen behandelen van de zaken, het opvragen van ongelakte stukken, het toelaten van een te laat ingediend verweerschrift en het opvragen van een ontbrekend stuk bij de wederpartij, kan geen vooringenomenheid worden opgemaakt.

Uitspraak

Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Lelystad

Zaaknummer: 610233 HA RK 26-76

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

18 juni 2026

op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van:

[verzoeker] ,

verder te noemen verzoeker.

1
De procedure
1.1.

Verzoeker heeft op 16 april 2026 mrs. G. Schnitzler, I. Helmich en F. Çapkurt (hierna: de rechters) gewraakt. De rechters zijn de behandelend rechters in de beroepszaak en herzieningszaak van verzoeker met zaaknummers UTR 25/1877 en UTR 25/2457 (hierna: de hoofdzaken).

1.2.

De rechters hebben op 13 mei 2026 een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ingediend.

1.3.

De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek op 28 mei 2026 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling zijn verzoeker en mrs. Schnitzler en Helmich verschenen. [A] van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport was als toehoorder aanwezig. Verzoeker heeft het wrakingsverzoek aan de hand van spreekaantekeningen toegelicht en vragen van de wrakingskamer beantwoord.

1.4.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2
Het wrakingsverzoek
2.1.

Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend om de volgende redenen.

De rechters hebben het aanhoudingsverzoek van verzoeker afgewezen en de behandeling van beide hoofdzaken op de zitting door laten gaan, terwijl zij ervan op de hoogte waren dat verzoeker niet alle processtukken had ontvangen, verzoeker die processtukken niet had kunnen inzien en verzoeker op aanvraag ook geen afschrift van die processtukken had gekregen. De rechters hebben ook zonder meer ingestemd met zwartgelakte stukken, terwijl die ongelakt hadden moeten zijn. Ook hebben zij op de zitting nog ongelakte stukken opgevraagd bij de wederpartij. Zij hebben de wederpartij daarnaast actief gevraagd om last minute een ontbrekend stuk (stuk 965) in te dienen, maar verzoeker niet de gelegenheid gegeven om stukken over gegevensverwerking die in zijn visie relevant zijn voor de hoofdzaken toe te (laten) voegen aan het dossier. De wederpartij heeft haar verweerschrift te laat ingediend, maar de rechters hebben dat verweerschrift toch toegelaten. Verzoeker heeft verzocht om de zaken gesplitst te behandelen, maar de rechters hebben de zaken gelijktijdig op de zitting willen behandelen zonder een gemotiveerde beslissing te nemen op het splitsingsverzoek dat door verzoeker was gedaan. Door deze gang van zaken is bij verzoeker de vrees ontstaan dat de rechters vooringenomen zijn en dat zij de hoofdzaken niet onpartijdig zullen behandelen.

2.2.

De rechters hebben niet berust in de wraking. Dit betekent dat zij het niet eens zijn met de wraking. In hun schriftelijke reactie hebben de rechters dit uitgelegd. De rechters zijn van mening dat hun beslissing om het aanhoudingsverzoek af te wijzen een procesbeslissing is en die beslissing geen grond voor wraking oplevert, omdat uit de motivering van die beslissing geen vooringenomenheid blijkt. De gronden die verzoeker verder voor de wraking aanvoert, zijn dezelfde gronden als die hij aanvoerde voor zijn aanhoudingsverzoek. De rechters hebben bij de afwijzing van het aanhoudingsverzoek duidelijk gemaakt dat aan het eind van de zitting bekeken zou worden hoe de procedure verder moet gaan. Dat verzoeker op de zitting niet over alle stukken beschikte, was voor de rechters geen reden om aan te houden, omdat zij hadden vastgesteld dat verzoeker die stukken op een eerder moment wel heeft ontvangen. Daarnaast heeft hij niet gereageerd op brieven waarin werd gevraagd of hij de stukken nogmaals wilde hebben en is hij niet ingegaan op het aanbod om de stukken op te halen. Zij hebben de wederpartij verzocht om gelakte stukken alsnog ongelakt aan de rechtbank te doen toekomen, omdat zij wilde beoordelen of onder de gelakte passages geen informatie stond die voor de hoofdzaken van verzoeker van belang zou zijn en dat een gebruikelijke gang van zaken is. De rechters hebben daarnaast een stuk (stuk 965) bij de wederpartij opgevraagd, omdat uit correspondentie bleek dat de wederpartij had bedoeld dat stuk in te brengen, maar de rechtbank dat stuk nog niet had ontvangen. Zij hebben de wederpartij geen opdracht gegeven om bepaalde stukken op verzoek van verzoeker aan het dossier toe te voegen, omdat niet duidelijk was waarom dat op de hoofdzaken betrekking hebbende stukken waren. Verder is het ook niet ongebruikelijk dat te laat ingediende verweerschriften door de rechtbank worden betrokken bij de behandeling ter zitting. De Awb en het procesreglement kennen hiervoor ook geen harde regels. Verzoeker had ook nog de mogelijkheid om op het verweerschrift te reageren, maar daar is door de wraking niet aan toegekomen.

Overwegingen

3
De beoordeling

Het toetsingskader

3.1.

Artikel 8:15 Awb bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.

De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.

Het oordeel van de wrakingskamer

3.3.

De beslissing van de rechters om het aanhoudingsverzoek van verzoeker af te wijzen is een procesbeslissing. Dat de rechters die beslissing hebben genomen ten nadele van verzoeker is geen grond voor wraking. De wrakingskamer mag ook geen oordeel geven over de juistheid van de procesbeslissing van de rechters. Dat kan alleen worden gedaan door de rechter in hoger beroep. Dit geldt in het algemeen ook voor de motivering van die procesbeslissing als reden voor wraking. Dit kan alleen anders zijn als de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid van de rechters die de motivering hebben gegeven.

3.4.

Daarvan is in dit geval geen sprake. Het proces-verbaal van de zitting is voor de wrakingskamer de kenbron van wat er op de zitting is voorgevallen. De wrakingskamer maakt uit het proces-verbaal op dat de rechters puntsgewijs hebben toegelicht waarom zij het aanhoudingsverzoek van verzoeker afwijzen. Die motivering is niet summier en kan ook niet worden gezien als onbegrijpelijk of gebrekkig. Zoals hiervoor al aangegeven heeft een eventuele juridische fout in een procesbeslissing niet tot gevolg dat daartegen met een wrakingsverzoek kan worden opgekomen. De bewoordingen van (de motivering van) de beslissing geven er geen blijk van dat de rechters vooringenomen zouden zijn. Dat verzoeker niet over alle stukken zou beschikken en de rechters toch een aanvang met de behandeling van de zaken hebben willen maken, is geen reden om die vooringenomenheid aan te nemen. De rechters hebben namelijk bij hun beslissing aangegeven dat in de loop van de behandeling zou worden bekeken hoe de procedure verder zou gaan. De rechters hebben daardoor ruimte gelaten voor de mogelijkheid om te beslissen dat verzoeker alsnog de beschikking over ontbrekende stukken zou moeten krijgen.

3.5.

De wrakingskamer is van oordeel dat ook uit de andere gronden geen vooringenomenheid bij de rechters blijkt om de navolgende redenen.

Hoofdzaken niet gesplitst behandelen

3.6.

De wrakingskamer maakt uit het proces-verbaal op dat de rechters de beslissing om de hoofdzaken gelijktijdig te behandelen nog niet hadden genomen. De rechters hebben aangegeven dat zij een aanvang wilden maken met de inhoudelijke behandeling en dat zij aan het eind van de zitting zouden bekijken wat het vervolg van de procedure moet zijn. Door het wrakingsverzoek zijn de rechters niet toegekomen aan de beslissing op het verzoek om de zaken gesplitst te behandelen. Het enkele feit dat beide hoofdzaken gelijktijdig zouden kunnen worden behandeld, geeft geen blijk van vooringenomenheid bij de rechters.

(On)gelakte stukken

3.7.

Verzoeker meent dat er stukken gelakt aan de rechters zijn verstrekt, die ongelakt hadden moeten zijn en de rechters daar niet op een juiste wijze mee zijn omgegaan. De rechters hebben op de zitting de wederpartij nog verzocht om de ongelakte stukken te verstrekken. Volgens verzoeker laten de rechters hiermee zien dat zij partijdig zijn, maar het is aan de rechters om ervoor te zorgen dat zij over de benodigde stukken beschikken. De rechters hebben de ongelakte stukken opgevraagd om te kunnen controleren of er geen voor verzoeker relevante gegevens waren weggelakt. Dat wijst niet op partijdigheid bij de rechters. Het is in zaken als de hoofdzaken een gebruikelijke gang van zaken dat ongelakte stukken door een geheimhoudingskamer worden bekeken en beoordeeld. De geheimhoudingskamer beoordeelt of het geheel of gedeeltelijk geheimhouden van stukken gerechtvaardigd is. Die beoordeling ligt dus niet bij de rechters zelf. De rechters kunnen de ongelakte stukken opvragen en bekijken als partijen daarvoor toestemming geven. Verzoeker had die toestemming gegeven. Dat de rechters de ongelakte stukken hebben opgevraagd, geeft dus geen blijk voor vooringenomenheid. De wrakingskamer maakt uit het proces-verbaal op dat op de zitting bleek dat de stukken ook al ongelakt aan de rechtbank waren verstrekt. Dat dit bij de rechters niet bekend was, is wellicht geen juiste gang van zaken, maar maakt niet dat de rechters vooringenomen zouden zijn.

Het verweerschrift

3.8.

Verzoeker meent dat de rechters het verweerschrift dat de wederpartij te laat had ingediend, niet hadden mogen toelaten in de procedure en dat zij door dat wel te doen bij verzoeker de indruk wekken dat zij partijdig zijn. Het is niet ongebruikelijk dat de rechtbank verweerschriften die te laat worden ingediend, toelaat in de procedure. Dat heeft ermee te maken dat een verweerder niet verplicht is om voorafgaand aan de zitting een schriftelijk verweer in te dienen, maar op de zitting ook mondeling verweer mag voeren. Dit betekent dat als de rechters het te laat ingediende verweerschrift hadden geweigerd, de wederpartij datzelfde verweer alsnog mondeling op de zitting had mogen voeren. Dit was reden voor de rechters om het verweerschrift toe te laten. Verzoeker moet in dat geval wel de mogelijkheid hebben en krijgen om op het verweer te reageren. Die mogelijkheid had verzoeker op de zitting. Hij had de rechters ook extra tijd kunnen vragen om zijn reactie te kunnen voorbereiden. Door de wraking is het zover niet gekomen. De beslissing van de rechters om het te laat ingediende verweerschrift toe te laten, getuigt daarom niet van vooringenomenheid.

Stuk (965) bij wederpartij opgevraagd

3.9.

Verzoeker meent ook dat de rechters partijdig zijn, omdat zij niet de stukken hebben opgevraagd die verzoeker aan het dossier toegevoegd wilde hebben, maar zij de wederpartij wel actief hebben gevraagd om een stuk dat geheel ontbrak last-minute in te sturen. Volgens verzoeker had dit stuk al in het dossier moeten zitten. De rechters hebben toegelicht dat uit correspondentie bleek dat de wederpartij dit stuk had willen indienen, maar de rechtbank het stuk nog niet had ontvangen. De rechters hebben verweerder dus niet zelf verzocht om stukken aan het dossier toe te voegen. Het ging om een ontbrekend stuk waarvan de wederpartij al had aangegeven dat stuk te willen inbrengen. Dat de rechters de wederpartij erop wijzen dat zij het stuk (nog) niet hebben ontvangen, maakt niet dat de rechters vooringenomen zijn.

3.10.

De wrakingskamer heeft gelet op het voorgaande geen reden om aan te nemen dat sprake is van partijdigheid of vooringenomenheid bij de rechters. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.

3.11.

Tenslotte; de wrakingskamer heeft uit het dossier en de behandeling ter zitting afgeleid dat er veel problemen hebben gespeeld bij het via de post verzenden van stukken aan verzoeker. De afhandeling daarvan is niet goed gegaan en dat heeft ook tot klachten geleid. Dat is tijdrovend en belastend voor verzoeker geweest.

Beslissing

4
De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

wijst het wrakingsverzoek af;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoeker, de rechters waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, aan de betrokken teamvoorzitter van de afdeling Bestuursrecht waarin de rechters werkzaam zijn, en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummers UTR 25/1877 en

UTR 25/2457 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. D. Wachter, voorzitter, en mr. B.F. Hammerle en

mr. J.G. Nicholson als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. K.F. van Dam, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.

de griffier de jongste rechter

de griffier is buiten staat deze beslissing

te ondertekenen

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.