Op 9 February 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van socialezekerheidsrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is UTR 25/5623, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:615. De plaats van zitting was Utrecht.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. G.J.A.M. Gloudi),
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten, het college
(gemachtigde: J. Hiemstra).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de bijstandsuitkering van eiseres. Het college heeft de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 1 juni 2024 ingetrokken, omdat niet duidelijk was waar eiseres feitelijk verbleef en daardoor het recht op een uitkering niet was vast te stellen. Eiseres is het niet eens met de intrekking van de bijstandsuitkering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van het college.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het college de bijstandsuitkering mocht intrekken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. Eiseres ontving sinds 2012 een bijstandsuitkering en zij is vrijgesteld van arbeidsverplichtingen.
4. Het college heeft een onderzoek naar eiseres gedaan. De conclusies van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapportage van 11 juli 2024. Aanleiding voor het onderzoek was het uitblijven van een reactie op het verzoek van het college om bankgegevens op 5 juni 2024. Daarop is een hersteltermijn geboden en bij het persoonlijk bezorgen van die brief op 18 juni 2024 is geconstateerd door een medewerker van de gemeente dat alle ramen geblindeerd waren en dat de woning er van buitenaf niet bewoond uitzag. Vervolgens is de uitkering na het verstrijken van de hersteltermijn per 27 juni 2024 opgeschort. Eiseres is nogmaals schriftelijk in de gelegenheid gesteld te reageren, waarop bij het uitblijven van haar reactie op 11 juli 2024 een huisbezoek heeft plaatsgevonden. Eiseres is niet thuis aangetroffen, de woning was aan de voorzijde en aan de achterzijde dichtgeplakt en er lag meer post in de gang. Bij het college was er sprake van gerede twijfel of eiseres feitelijk op het door haar opgegeven adres verbleef. Eiseres heeft het college niet geïnformeerd over haar feitelijke woonsituatie en daarmee heeft zij volgens het college haar inlichtingenplicht geschonden. (Voetnoot 1) Op grond van de Pw moet het college bij een schending van de inlichtingenplicht een uitkering herzien of intrekken als dit heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van de bijstand. (Voetnoot 2) Het college kon daarom het recht op een uitkering niet vaststellen en heeft de bijstandsuitkering met het besluit van 31 juli 2024 (het primaire besluit) per 1 juni 2024 ingetrokken.
5. Met het besluit van 14 januari 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (zaaknummer UTR 25/1057).
6. De rechtbank heeft op 4 augustus 2025 uitspraak gedaan en het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
7. Het college heeft op 28 augustus 2025 een nieuw besluit op bezwaar genomen onder een verbeterde motivering en heeft de bezwaren van eiseres (opnieuw) ongegrond verklaard.
8. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
9. De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Standpunten van partijen
10. Eiseres voert aan dat het college geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 4 augustus 2025. Het college heeft een nieuw besluit genomen zonder nader onderzoek te doen en heeft dit besluit mede gebaseerd op ontwikkelingen na, soms zelfs ruim na 1 juni 2024. Het college heeft geen contact opgenomen met eiseres en niet opnieuw gekeken naar de feitelijke situatie op 1 juni 2024. Eiseres is van mening dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Subsidiair doet eiseres een beroep op overmacht en stelt dat zij niet verwijtbaar heeft gehandeld, omdat door de ziekte van haar vader haar hoofd niet naar andere zaken stond. Eiseres stelt eveneens dat de intrekking van haar bijstandsuitkering in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, nu de nadelige gevolgen voor haar onevenredig zijn. Eiseres wijst in dit kader op haar medische en financiële situatie.
11. Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden omdat zij niet de gevraagde gegevens heeft overgelegd na herhaaldelijke schriftelijke verzoeken en geen melding heeft gemaakt van haar feitelijke woonsituatie waardoor het recht op bijstand vanaf 1 juni 2024 niet kan worden vastgesteld. Het college stelt dat het gelet hierop de uitkering van eiseres moet intrekken.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
12. De rechtbank stelt vast dat de in deze zaak te beoordelen periode loopt van 1 juni 2024 tot en met 31 juli 2024 (de datum van het primaire besluit).
13. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. (Voetnoot 3) Als de belanghebbende niet aan deze inlichtingenverplichting heeft voldaan, is het college verplicht de bijstand in te trekken. (Voetnoot 4)
14. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het college is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de bewijslast dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust.
Het overleggen van de gevraagde gegevens
15. Het college heeft aan de schending van de inlichtingenplicht mede ten grondslag gelegd dat eiseres niet aan haar informatieplicht heeft voldaan door, na herhaaldelijke schriftelijke verzoeken daartoe, niet de gevraagde gegevens te overleggen. De rechtbank overweegt dat in de uitspraak van de rechtbank van 4 augustus 2025 is bepaald dat er door het college geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden, omdat het college op “de hoogte was en/of kon zijn van haar situatie en op welke wijze eiseres bereikbaar was waardoor het op de weg van het college had gelegen om op andere wijze – dan het enkel versturen van brieven gericht aan haar woonadres – contact op te nemen met eiseres.” Op basis hiervan overweegt de rechtbank dat het feit dat zij niet op de brieven heeft gereageerd onvoldoende is om een schending van de inlichtingenplicht aan te nemen. Deze omstandigheden kunnen dan ook niet ten grondslag worden gelegd aan de intrekkingsbeslissing
16. Dan resteert nog de vraag of eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken van haar feitelijke woon- of verblijfssituatie. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de rechtspraak volgt dat waar een betrokkene zijn woonadres heeft, is daar waar hij het hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. De rechtbank wijst hierbij op de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken. (Voetnoot 5)
17. In deze zaak heeft op 11 juli 2024 een bezoek aan de woning aan [adres 1] plaatsgevonden. Eiseres is toen niet thuis aangetroffen, de woning was aan de voorzijde en aan de achterzijde dichtgeplakt en er lag meer post in de gang.
18. Op 17 september 2024 is eiseres, in het kader van een nieuwe aanvraag, gehoord over haar hoofdzakelijk verblijf. Zij heeft toen het volgende verklaard: “Ik heb denk ik in februari 2024 de sleutel van mijn huis ontvangen, [adres 1] in [plaats] . Ik was met het overbrengen van spullen, inrichting en schoonmaken begonnen, maar toen werd mijn vader ziek. Mijn hoofd stond niet meer op verhuizen., ik was gericht op mijn vader. Ik ben mantelzorg gaan verlenen. (…) Ik verbleef daarom bij mijn ouders op het adres [adres 2] in [plaats] . (…) Ik heb uiteraard wel de intentie om in mijn eigen woning aan [adres 1] te gaan wonen, maar ik richt mij eerst op de situatie rondom mijn vader en mijn eigen gezondheidssituatie. Ik heb geen planning met betrekking tot het betrekken van mijn eigen woning. Dat moet eerst nog af gemaakt worden, dat doen mijn moeder en ik tussendoor.” Op zitting heeft eiseres daar aan toegevoegd dat zij vanaf maart 2024 bij haar ouders verbleef. Zij heeft desgevraagd naar voren gebracht dat zij er niet aan heeft gedacht om dit door te geven aan het college, omdat haar hoofd er niet naar stond.
19. Uit het voorgaande volgt dat eiseres haar hoofdverblijf in de periode waarop het besluit betrekking heeft, in ieder geval niet had op haar uitkeringsadres en eiseres had naar het oordeel van de rechtbank het college daarover moeten informeren. Eiseres had namelijk kunnen en behoren te weten dat het feit dat zij niet op het uitkeringsadres verbleef, gevolgen kan hebben voor haar recht op bijstand. Zo is eiseres onder meer in het besluit tot toekenning van de bijstandsuitkering gewezen op de verplichting die op haar rust om wijzigingen in haar persoonlijke, gezins- en/of financiële situatie door te geven.
20. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 4 augustus 2025 geoordeeld dat als in mei/juni 2024 zorgvuldig onderzoek was gedaan, het college toen al op de hoogte had kunnen zijn van de redenen waarom eiseres bij haar ouders verbleef. Dat neemt niet weg dat eiseres zelf heeft verklaard dat zij haar woning nog niet had betrokken en dat zij feitelijk ergens anders verbleef en dat het haar verantwoordelijkheid was dit door te geven. Daarbij tekent de rechtbank overigens wel aan dat deze gang van zaken bij de gemeente, waarbij twee afdelingen kennelijk langs elkaar heen lijken te werken als het gaat om informatievoorziening en adresgegevens, niet de schoonheidsprijs verdient.
21. Doordat eiseres het college niet heeft geïnformeerd heeft zij naar het oordeel van de rechtbank de op haar rustende inlichtingenplicht geschonden. (Voetnoot 6) Voor zover eiseres een beroep heeft gedaan op overmacht en stelt dat het niet melden haar niet kan worden verweten door de gezondheidssituatie van haar vader is het van belang dat de inlichtingenplicht een geobjectiveerde verplichting is, waarbij verwijtbaarheid en gestelde overmacht geen rol speelt.
22. Als gevolg van de vaststelling dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden was het college vervolgens gehouden de bijstand in te trekken. (Voetnoot 7) Nu dit een zogenaamde gebonden bevoegdheid en dus een verplichting betreft, kon het college geen rekening houden met de door eiseres aangevoerde persoonlijke, medische en financiële omstandigheden.
Conclusie en gevolgen
23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college terecht het recht op bijstand heeft ingetrokken. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Venderbosch, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoot
Voetnoot 1
Zie artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet (Pw)
Voetnoot 2
Op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw.
Voetnoot 3
Artikel 17, eerste lid, van de Pw.
Voetnoot 4
Artikel 54, derde lid, van de Pw.
Voetnoot 5
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 1 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:969.
Voetnoot 6
Artikel 17, eerste lid, van de Pw.
Voetnoot 7
Gelet op artikel 54, derde lid, van de Pw.