Rechtbank Midden-Nederland, beschikking civiel recht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:610

Op 13 February 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een beschikking procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 11973636 \ UE VERZ 25-351, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:610. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
11973636 \ UE VERZ 25-351
Datum uitspraak:
13 February 2026
Datum publicatie:
24 February 2026

Indicatie

Ontslag op staande voet van medewerker Inspectie Leefomgeving en Transport is rechtsgeldig. Gedragcode Integriteit Rijk. Geen aanspraak op transitievergoeding

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer / rekestnummer: 11973636 \ UE VERZ 25-351

Beschikking van 13 februari 2026

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende in [woonplaats] ,

verzoekster, tevens verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

gemachtigde: mr. M.R.A. Rutten,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

De Staat der Nederlanden, namens deze, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, meer in het bijzonder de [verweerster] ,

gevestigd in ' [vestigingsplaats] ,

verweerster, tevens verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek,

hierna te noemen: de Staat of [verweerster] ,

gemachtigde: mr. M.C.B. Tieleman.

1
De procedure
1.1.

De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:

- het verzoekschrift met 15 producties (ingekomen op 17 november 2025);

- het verweerschrift met (voorwaardelijke) tegenverzoeken met producties 1-15 (ingekomen op 9 januari 2026);

- het verzoek van [verzoekster] van 12 januari 2025 om de procedures te splitsen en haar een termijn te geven voor het indienen van een verweerschrift tegen het zelfstandig tegenverzoek, en de afwijzende reactie daarop van de Staat;

- de mededeling van de kantonrechter dat geen aanleiding bestaat om de procedures te splitsen en om [verzoekster] een nadere termijn te geven voor het indienen van een verweerschrift.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 januari 2026. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door mr. Rutten. Namens de Staat zijn verschenen mevrouw [A] , mevrouw [B] en de heer [C] , respectievelijk integriteit coördinator, teamleider en HR-adviseur bij [verweerster] . Zij werden bijgestaan door mr. Tieleman.

[verzoekster] en de Staat hebben hun verzoek en verweer nader toegelicht. [verzoekster] aan de hand van pleitnotities. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen is besproken tijden de zitting.

1.3.

De kantonrechter heeft bepaald dat op 13 februari 2026 een beschikking zal worden gegeven.

2
De kern van de zaak
2.1.

[verzoekster] is op 18 september 2025 op staande voet ontslagen. [verzoekster] wil primair dat het ontslag wordt vernietigd en dat [verweerster] haar loon doorbetaalt. Subsidiair verzoekt [verzoekster] om betaling van een gefixeerde schadevergoeding, een transitie- en billijke vergoeding. De Staat verzet zich tegen de verzoeken van [verzoekster] . Als de opzegging wordt vernietigd verzoekt de Staat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en wijst de primaire verzoeken van [verzoekster] af. Aan een beoordeling van de subsidiaire verzoeken tot een gefixeerde schadevergoeding en billijke vergoeding komt de kantonrechter niet toe omdat die gekoppeld zijn aan een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet. Datzelfde geldt voor het voorwaardelijk tegenverzoek van de Staat. De verzochte verklaring van recht dat [verzoekster] niet aanmerking komt voor een transitievergoeding is wel toewijsbaar.

Overwegingen

3
De beoordeling

Inleiding

3.1.

[verzoekster] (33 jaar oud) is op 1 januari 2023 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [verweerster] , in de functie van Inspecteur/Medewerker Toezicht. [verzoekster] is conform de CAO Rijk ingedeeld in FGR-schaal 11, trede 6. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Rijk en de Gedragscode Integriteit Rijk (GIR) van toepassing.

3.2.

[verweerster] is een toezichthoudende organisatie van de Rijksoverheid en maakt onderdeel uit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. [verweerster] verleent vergunningen, houdt toezicht op en handhaaft wet- en regelgeving op het terrein van leefomgeving, veiligheid en duurzaamheid van transport en infrastructuur.

3.3.

Voor de functie van [verzoekster] is een Verklaring Geen Bezwaar (VGB) vereist. Die is op 21 februari 2023 verstrekt. Verder heeft [verzoekster] op 30 maart 2023 de eed afgelegd.

3.4.

Op 3 september 2025 heeft de Recherche telefonisch contact opgenomen met [verweerster] (Voetnoot 1). Vanuit een lopend strafrechtelijk onderzoek naar de handel in verdovende middelen is namelijk informatie naar voren gekomen die betrekking heeft op [verzoekster] en een familielid.

3.5.

[verzoekster] is op 11 september 2025 geschorst in afwachting van de uitkomst van nader onderzoek.

3.6.

Op 16 september 2025 heeft [verweerster] het proces-verbaal van bevindingen van 9 juni 2025 (Voetnoot 2) van de Politie Midden-Nederland ontvangen. Dit proces-verbaal gaat over “Restinformatie [verzoekster] ”. Onder “Resumé” staat het volgende:

“Uit bevindingen in onderzoek 31Whale24 is aannemelijk geworden dat (….) [de broer van [verzoekster] , opmerking kantonrechter] zich op grote schaal bezig hield met handel in verdovende middelen. Daarnaast werd aannemelijk dat hij bij deze handel gebruik heeft gemaakt van goederen en diensten die op naam van zijn zus [verzoekster] geregistreerd staan.

Zo werd aannemelijk dat hij gebruik heeft gemaakt van de bankrekening met het nummer [nummer] en twee personenauto’s op naam van [verzoekster] . En deze goederen en diensten gebruikte om zijn drugshandel te kunnen uitvoeren.

Daarnaast werd aannemelijk dat [verzoekster] mede gebruik maakt van de [adres 2] , waar haar motorfiets is aangetroffen en goederen voor de werking van verdovende middelen. Daarnaast is daar een zeer groot contant geldbedrag aangetroffen.

Uit bovenstaande bevindingen is aannemelijk geworden dat [verzoekster] , bewust dan wel onbewust,(…)(de broer van [verzoekster] , opmerking kantonrechter) faciliteerde bij de handel in harddrugs. Daarnaast is aannemelijk geworden dat zij kennis gedragen moet hebben of kon hebben van de voornoemde drugshandel.

(…)”.

3.7.

Op 18 september 2025 is [verzoekster] op staande voet ontslagen. In de bevestigingsbrief van dezelfde datum staat dat het ontslag op staande voet is verleend vanwege:

“ (…)

? Het niet melden van aanraking met justitie, conform het hiervoor genoemde kader [o.a. CAO Rijk en Gedragscode Integriteit Rijk, opmerking kantonrechter] .

? Op basis van het hier genoemde proces-verbaal van de politie is voldoende aannemelijk voor werkgever dat u betrokken bent bij het plegen van ernstige Strafbare feiten, die zich niet verhouden tot uw positie als ambtenaar, meer in het bijzonder uw vertrouwensfunctie.

? Door strafbare feiten te plegen brengt u zichzelf in een loyaliteitsconflict: de feiten zoals deze door de politie zijn gepresenteerd maken voor werkgever voldoende aannemelijk dat u chantabel bent geworden door uw eigen toedoen. Zoals ook is gebleken tijdens de huisdoorzoeking op 15 mei 2025 aan het adres [adres 3] . Tijdens deze doorzoeking vroeg u toestemming om naar uw werk te vertrekken. Deze toestemming is toen verleend, echter bent u later waargenomen op de [adres 1] , te [plaats 1] . Dit ligt niet op de route naar het werk. Op de [adres 1] in [plaats 1] woont uw broer, (…). Op dat moment vond daar een doorzoeking plaats. Daarbij zijn er een grote hoeveelheid goederen in beslag genomen, welke zijn gerelateerd aan grootschalige handel in verdovende middelen.

? Geen openheid van zaken geven wanneer u daarom wordt gevraagd

(…)”

Volgens [verweerster] vormen deze redenen elk afzonderlijk, maar ook in samenhang, een dringende reden voor ontslag op staande voet.

Rechtsvraag en juridisch kader

3.8.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet dat aan [verzoekster] gegeven is, moet worden vernietigd, en als zo wordt geoordeeld, of de arbeidsovereenkomst tussen partijen alsnog moet worden ontbonden.

3.9.

Op basis van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van de partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van de reden aan de wederpartij.

Onverwijldheid

3.10.

[verzoekster] stelt dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven omdat er tussen de mondelinge mededeling van de politie aan [verweerster] op 3 september 2025 en het schorsingsgesprek op 11 september 2025 acht dagen zitten, waarin niets gebeurd lijkt te zijn.

3.11.

Vooropgesteld wordt dat een werkgever, nadat bij hem een vermoeden is gerezen dat een werknemer mogelijk betrokken is bij onregelmatigheden waardoor de integriteit van die werknemer in het geding zou kunnen zijn, enige tijd mag nemen om onderzoek te doen en juridisch advies in te winnen. De werkgever moet dat wel voortvarend doen (Voetnoot 3).

Op de mondelinge behandeling is door [verweerster] toegelicht dat na het telefoontje van de politie op 3 september 2025 direct is verzocht om afgifte van proces-verbaal van bevindingen. Na overleg met het bevoegd gezag, de Inspecteur-Generaal van [verweerster] , is besloten om het proces-verbaal af te wachten en nog geen maatregelen te treffen. Met de concrete, verifieerbare en formele informatie uit het proces-verbaal zou immers op zorgvuldige wijze kunnen worden beoordeeld of al dan niet maatregelen genomen moesten worden ten aanzien van [verzoekster] . Omdat het proces-verbaal lang op zich liet wachten en [verweerster] vanuit zorgvuldigheidsoverwegingen niet meer wilde wachten, is [verzoekster] op 11 september 2025 geschorst. Daarbij is haar medegedeeld wat [verweerster] tot dat moment had vernomen. Uit deze gang van zaken kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden geconcludeerd dat [verweerster] tussen 3 en 11 september 2025 zonder reden heeft stilgezeten. [verweerster] was voor het toezenden van het proces-verbaal afhankelijk van de politie en dat dat (veel) langer duurde dan [verweerster] op 3 september 2025 heeft ingeschat kan [verweerster] niet worden tegengeworpen.

3.12.

Op 16 september 2025 aan het einde van de dag (om 16:41 uur) heeft [verweerster] het proces-verbaal ontvangen. Op dat moment gaat de teller lopen voor het (nadere) onderzoek en de juridische weging. [verweerster] heeft toegelicht dat afstemming over de inhoud van het proces-verbaal in de ochtend van 18 september 2025 heeft plaatsgevonden. Dat kon niet eerder omdat mevrouw [A] - de integriteitscoördinator van [verweerster] en de eerst aangewezen functionaris om deze kwestie te behandelen - niet aanwezig was op 17 september 2025. [verzoekster] is op 18 september om 13.00 uur uitgenodigd voor een gesprek waarin haar de inhoud van het het proces-verbaal is voorgehouden. Vervolgens is zij op staande voet ontslagen.

De kantonrechter oordeelt dat [verweerster] na kennisneming van het proces-verbaal voldoende voortvarend is overgegaan tot het ontslag op staande voet. Daarbij is in aanmerking genomen dat het proces-verbaal veel informatie bevat. Van onvoldoende onverwijldheid is daarom geen sprake.

3.13.

De kantonrechter volgt [verzoekster] verder niet in haar stelling dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zich te kunnen verweren omdat, zo begrijpt de kantonrechter, haar niet duidelijk was wat haar precies werd verweten. De redenen voor het ontslag zijn [verzoekster] op 18 september 2025 medegedeeld. Dat volgt uit de ontslagbrief maar ook uit (de transcriptie van) het ontslaggesprek (Voetnoot 4). Bovendien is [verzoekster] ook tijdens het schorsingsgesprek op 11 september 2025 geconfronteerd met het signaal van de politie dat [verzoekster] mogelijk betrokken zou zijn bij de handel in verdovende middelen. Zij is in dat gesprek uitgenodigd om haar visie daarop te geven en [verzoekster] heeft dat op bepaalde punten ook gedaan. Zo vermeldt de schorsingsbrief (Voetnoot 5) dat [verzoekster] tijdens het schorsingsgesprek heeft gezegd dat haar auto in beslag was genomen. Ook werd [verzoekster] in die brief uitgenodigd om informatie te delen die van belang zou kunnen zijn voor het onderzoek. [verzoekster] heeft dat niet gedaan. De stelling van [verzoekster] dat zij niet de gelegenheid heeft gehad om nadere stukken in te dienen - bijvoorbeeld de beslissing van de rechtbank van 9 september 2025 (waarin haar klaagschrift gegrond is verklaard en het Openbaar Ministerie de inbeslaggenomen auto aan [verzoekster] moet teruggeven) - kan de kantonrechter dan ook niet plaatsen. In de brief staat verder vermeld dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet wordt uitgesloten als komt vast te staan dat [verzoekster] heeft nagelaten de uit hoofde van haar functie verplichte meldingen te doen.

Dringende reden

3.14.

De volgende vraag is of de omstandigheden waarop [verweerster] het ontslag heeft gebaseerd kunnen worden aangemerkt als dringende reden in de zin van de wet. Uit artikel 7:678 lid 1 BW volgt dat voor de werkgever als dringende redenen beschouwd worden zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor de beoordeling van de vraag of daarvan sprake is, alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking moeten worden genomen, zoals de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, de aard van de dienstbetrekking, de duur ervan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zouden hebben.

3.15.

Voor de beoordeling van de vraag of het door [verweerster] aan [verzoekster] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zijn de aan [verzoekster] opgegeven redenen zoals vermeld in de brief van 18 september 2025 maatgevend (zie 3.7). De kantonrechter volgt [verzoekster] niet in haar bezwaar dat de Staat in het verweerschrift de dringende redenen nader heeft geconcretiseerd, aangepast en uitgebreid. Ook volgt de kantonrechter [verzoekster] niet in haar verweer dat de in de ontslagbrief omschreven dringende redenen onvoldoende duidelijk zijn waardoor zij zich niet adequaat heeft kunnen verdedigen. In de ontslagbrief is de context voor de aangevoerde dringende redenen uitgebreid beschreven en de hieruit voortgevloeide, aan [verzoekster] verweten gedragingen, zoals het niet melden van integriteitsrisico’s en geen openheid van zaken geven, zijn duidelijk en niet voor meerdere uitleg vatbaar.

Bijzondere positie ambtenaar en vertrouwensfunctie

3.16.

De kantonrechter is het met de Staat eens dat werknemers die werkzaam zijn bij de Rijksoverheid, zoals [verzoekster] , een bijzondere positie hebben. In de CAO Rijk (hoofdstuk 15) staat: “u moet zich als een goed ambtenaar gedragen. Dat betekent dat van u ambtelijk vakmanschap wordt verwacht en dat u uw werk goed, betrokken en gewetensvol doet en u zich houdt aan de regels. Als u toch iets doet wat niet mag of juist niets doet terwijl u wel iets had moeten doen, kan uw werkgever een straf opleggen.

In de GIR wordt verduidelijkt wat onder integriteit en integer handelen wordt verstaan. Paragraaf 2.2.: “Als goed ambtenaar hoor jij je werk goed, betrokken én gewetensvol te doen. Trouw aan de publieke taak staat hierbij voorop. (…) Bij het nemen van eigen verantwoordelijkheid hoort ook dat je integriteitsvraagstukken bespreekt met collega’s en met je leidinggevende, of eventueel met een vertrouwenspersoon.”

3.17.

Van een goed ambtenaar mag gezien de publieke functie die hij bekleedt dus een hoge mate van integriteit worden verwacht. Dat geldt helemaal voor ambtenaren die, zoals [verzoekster] , een vertrouwensfunctie hebben. De Staat heeft toegelicht dat een vertrouwensfunctie, gelet op haar aard en verantwoordelijkheden, de mogelijkheid biedt de nationale veiligheid te schaden of anderszins vitale belangen van de Staat te raken. Toegang tot deze functies is daarom wettelijk gereguleerd in de Wet veiligheidsonderzoeken en dat betekent dat een voorafgaand veiligheidsonderzoek is vereist, resulterend in een VGB. Voor de medewerkers met een vertrouwensfunctie geldt daarom een verzwaard integriteitsregime. In de GIR (paragraaf 8.3) staat daarover: “ (…) Voorbeelden van specifieke functies met extra integriteitsrisico’s zijn vertrouwensfuncties. Er is sprake van een kwetsbare ambtenaar als er, los van jouw functie, omstandigheden zijn die maken dat jouw integriteit snel in het geding kan komen, bijvoorbeeld omdat je gevoeliger bent voor chantage. Je kunt kwetsbaar zijn als je financiële problemen hebt, lijdt aan een verslaving, bepaalde privécontacten hebt (denk daarbij aan partner en familieleden), (…) Ook als jijzelf of jouw naaste familie in verband worden gebracht met wetsovertredingen, ben je als ambtenaar kwetsbaar. (…) Het is daarom aan te raden eventuele risico’s en kwetsbaarheden bespreekbaar te maken.” In paragraaf 8.5 van de GIR is opgenomen wat de gevolgen zijn van overtreding van de integriteitsregels.

3.18.

Van [verzoekster] mag worden verwacht dat zij zich hiervan bewust is. Dit wordt onderstreept door de eed die zij heeft afgelegd waarin zij heeft verklaard zorgvuldig, onkreukbaar en betrouwbaar” te zullen zijn en dat zij “niets zal doen dat het aanzien van het ambt zal schaden”.

3.19.

Als het al zo is dat [verzoekster] materieel al enige tijd geen taken horend bij een vertrouwensfunctie meer vervulde - de Staat betwist dat - dan betekent dat niet dat haar vertrouwensfunctie is opgehouden te bestaan. Vast staat dat [verzoekster] in haar functie onder meer verantwoordelijk was voor de verlening van bouwvergunningen aan het Ministerie van Defensie. [verzoekster] had daarmee toegang tot staatsgeheime informatie in de zogenoemde Defensie-kamer op het [verweerster] kantoor aan de [straat] in Utrecht. Die ruimte is niet toegankelijk wanneer daar niet expliciet toegang voor is gegeven. [verzoekster] kwam met regelmaal in deze ruimte.

Kortom, [verzoekster] behoorde tot de groep werknemers met een vertrouwensfunctie binnen [verweerster] . Zij werd ook als zodanig benaderd, bijvoorbeeld in het e-mailbericht van 8 juli 2025, waarin de beveiligingsautoriteit van het ministerie de medewerkers met een vertrouwensfunctie heeft gewezen op het hebben van een vertrouwensfunctie en wat dat betekent.

Niet melden aanraking met justitie, gebrek aan openheid en betrokkenheid bij strafbare feiten

3.20.

De inhoud van het proces-verbaal van bevindingen (zie 3.6) vormt de aanleiding voor het ontslag op staande voet. Het proces-verbaal is op ambtseed opgemaakt en [verweerster] mocht uitgaan van de juistheid van de in het proces-verbaal vermelde constateringen.

3.21.

In het proces-verbaal staat dat naar aanleiding van een inbeslagname van een partij verdovende middelen op Schiphol (eind 2023) onderzoek is gedaan naar de leverancier van die middelen. Het onderzoek “31Whale24” heeft geleid naar de broer van [verzoekster] . Uit het onderzoek is gebleken, zakelijk weergegeven, dat de broer van [verzoekster] in de periode tussen 17 en 22 december 2022 6.000 xtc-pillen heeft verkocht. Voor de betalingen is gebruik gemaakt van betaalverzoeken - van totaal € 1.300,- die werden gedaan met het bankrekeningnummer van [verzoekster] . Verder is gebleken dat de broer van [verzoekster] in de onderzoeksperiode van december 2024 tot en met mei 2025 een Volkswagen Polo en een Volkswagen Golf gebruikte die beide op naam stonden van [verzoekster] . Daarnaast hebben op 15 mei 2025 doorzoekingen plaatsgevonden in de woning van de broer van [verzoekster] in [plaats 1] (waar een grote hoeveelheid goederen in beslag zijn genomen die gerelateerd zijn aan grootschalige handel in verdovende middelen), in een bedrijfspand aan de [adres 2] in [plaats 1] (waar een grote hoeveelheid contant geld werd aangetroffen, persen waarmee harddrugs en softdrugs verwerkt konden worden, en de motorfiets van [verzoekster] ), en in de woning aan de [adres 3] in [plaats 2] van de moeder van [verzoekster] , waar [verzoekster] op dat moment aanwezig was (en waar haar bedrijfskleding van [verweerster] werd aangetroffen).

3.22.

Met de Staat is de kantonrechter van oordeel dat bovengenoemde bevindingen, objectief gezien, een risico vormen voor de betrouwbaarheid of onafhankelijkheid van een medewerker in dienst van de Rijksoverheid. Voor [verzoekster] had op basis van de inhoud en het doel van de GIR, waarop zij in het e-mailbericht van 8 juli 2025 recent nog is gewezen, duidelijk moeten zijn dat het niet melden van (in ieder geval) de huiszoeking op 15 mei 2025 en de gevolgen daarvan (voor haar broer en haarzelf) niet door de beugel kan, al helemaal niet in de vertrouwensfunctie die [verzoekster] heeft. Ter zitting heeft [verzoekster] toegelicht dat zij heeft volstaan met het zich tijdens de huiszoeking bij een of meer directe collega’s voor de rest van de dag afmelden vanwege persoonlijke omstandigheden. De realiteit was echter dat een naast familielid van [verzoekster] in aanraking is gekomen met justitie, maar ook [verzoekster] zelf omdat zij bij de huiszoeking aanwezig was en haar auto door justitie in beslag is genomen. Uit de GIR volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat juist dit soort gebeurtenissen gemeld moeten worden een leidinggevende (of een vertrouwenspersoon). Het is evident dat dit de integriteit van [verzoekster] als vertrouwensfunctionaris bij [verweerster] raakt.

3.23.

De kantonrechter begrijpt dat [verzoekster] achteraf (zo staat te lezen in het verzoekschrift) heeft ingezien dat het verstandig was geweest als ze dit bespreekbaar had gemaakt met haar leidinggevende. Op de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] toegelicht dat zij er niet bij heeft stilgestaan om hier melding van te maken omdat zij het ziet als een voorval waar zij in principe buiten staat en dat over haar broer gaat. De kantonrechter overweegt dat [verzoekster] hiermee onvoldoende blijk geeft van zelfreflectie. Met het laten gebruiken van haar bankrekening door haar broer, het uitlenen van de op haar naam gestelde auto’s aan haar broer (die al eerder met justitie in aanraking was geweest), en de aanwezigheid van haar motor in het pand aan de [adres 2] , wat [verzoekster] allemaal niet heeft weersproken, wordt minst genomen de schijn opgeroepen van beïnvloedbaarheid van buitenaf en het chantabel kunnen zijn. Dat lijkt [verzoekster] te miskennen

3.24.

De kantonrechter neemt verder in aanmerking dat er naast de doorzoeking op 15 mei 2025 aan de [adres 3] in [plaats 2] , waar [verzoekster] aanwezig was, nog andere momenten zijn geweest waar [verzoekster] melding van had moeten maken en openheid van zaken had kunnen geven bij [verweerster] . Bijvoorbeeld de door haar op 22 juni 2025 afgegeven verklaring ten behoeve van de bestuursrechtelijke procedure rond de sluiting van de loods aan de [adres 2] (Voetnoot 6), waarin zij expliciet haar functie van inspecteur bij [verweerster] heeft genoemd, en haar klaagschrift van 26 juni 2025 dat strekte tot teruggave van haar inbeslaggenomen Volkswagen Polo (Voetnoot 7). [verzoekster] heeft over deze acties gezwegen terwijl van haar verwacht had mogen worden dat zij daarin, juist vanwege het directe verband met de criminele activiteiten van haar broer, tegenover haar werkgever had gesproken. Dat zij dit niet heeft gedaan valt [verzoekster] zwaar aan te rekenen. Door dit niet te doen heeft zij er namelijk blijk van gegeven dat zij zich niet bewust is van de verantwoordelijkheden en integriteitsrisico’s die deze gebeurtenissen voor haar functie meebrengen.

Conclusie

3.25.

[verweerster] heeft terecht geconstateerd dat [verzoekster] , in strijd met de GIR, niet heeft gemeld dat zij en haar broer in aanraking zijn gekomen met justitie en dat zij, zelfs na vragen, ook verder daarover geen openheid van zaken heeft gegeven. Anders dan [verzoekster] heeft betoogd is naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam duidelijk waar [verzoekster] openheid over had moeten geven: in ieder geval over dat zij in aanraking is gekomen met justitie. Ook is haar betrokkenheid bij strafbare feiten voldoende komen vast te staan. [verzoekster] heeft ‘betrokkenheid’ uitgelegd als strafrechtelijke betrokkenheid maar dat leest de kantonrechter anders. Uit het strafrechtelijk onderzoek naar de handel in verdovende middelen is nu eenmaal informatie over [verzoekster] naar boven gekomen en dat maakt dat zij (bewust dan wel onbewust) betrokken is bij die strafbare activiteiten. Deze omstandigheden zijn naar het oordeel van de kantonrechter door [verweerster] terecht aangemerkt als dringende redenen. Het onaanvaardbare integriteitsrisico dat hierdoor is ontstaan maakt dat van de Staat in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] voort te zetten. Dat de gevolgen van het ontslag op staande voet voor [verzoekster] groot zijn, maakt de uitkomst niet anders.

3.26.

Aan de onder punt 3 genoemde reden in de ontslagbrief komt geen doorslaggevend belang toe. Die reden is niet komen vast te staan omdat [verzoekster] gemotiveerd betwist dat zij zelf strafbare feiten heeft gepleegd. Verder heeft [verzoekster] de vermelding in het proces-verbaal over de door haar gevraagde toestemming tijdens de doorzoeking om naar haar werk te vertrekken, waarna zij later werd waargenomen op de [adres 1] in [plaats 1] , gemotiveerd weersproken. Volgens [verzoekster] is zij tot het einde van de doorzoeking bij haar moeder gebleven en heeft zij zich afgemeld op haar werk, vanwege persoonlijke omstandigheden.

3.27.

De conclusie is dan ook dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. De door [verzoekster] verzochte vernietiging van het ontslag op staande voet, toelating tot de overeengekomen werkzaamheden, en betaling van het loon wordt afgewezen.

3.28.

De arbeidsovereenkomst is per 18 september 2025 rechtsgeldig geëindigd en daarom komt de kantonrechter niet meer toe aan het subsidiaire verzoek tot het toekennen van een gefixeerde schadevergoeding en billijke vergoeding. Deze verzoeken zijn immers gekoppeld aan een niet rechtsgeldig ontslag, waar in dit geval dus geen sprake van is.

Transitievergoeding

3.29.

Omdat de arbeidsovereenkomst is opgezegd door [verweerster] , heeft [verzoekster] in principe recht op een transitievergoeding (art. 7:673 lid 1 sub a onder 1 BW). De Staat stelt zich op het standpunt dat hij geen transitievergoeding verschuldigd is, omdat de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] (art. 7:673 lid 7 sub c BW). De kantonrechter volgt de Staat op dit punt. Met name het niet melden dat zij in aanraking is gekomen met justitie, terwijl het strafrechtelijk onderzoek aan het licht heeft gebracht dat haar auto en haar bankrekening gebruikt zijn in verband met de criminele activiteiten van haar broer, is evident in strijd met hetgeen van [verzoekster] mag worden verwacht als vertrouwensfunctionaris en goed ambtenaar/werknemer van [verweerster] . Daarmee heeft zij dus ernstig verwijtbaar gehandeld en nagelaten ten opzichte van [verweerster] . Het verzoek van de Staat om een verklaring van recht dat [verzoekster] geen recht heeft op een transitievergoeding wordt daarom toegewezen.

De overige (voorwaardelijke) tegenverzoeken van de Staat

3.30.

Omdat het ontslag in stand blijft en de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] is geëindigd, komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijke ontbindingsverzoek van de Staat.

3.31.

De Staat heeft in het verweerschrift onder I, III en IV verzocht om verklaringen van recht dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, dat [verzoekster] geen recht heeft op toelating tot de overeengekomen werkzaamheden en dat de Staat niet gehouden is tot toelating hiervan en dat [verzoekster] geen aanspraak kan maken op betaling van loon, IKB, pensioenpremie of enige wettelijke verhoging met betrekking tot de periode vanaf 18 september 2025. Deze verzoeken worden afgewezen omdat niet is gesteld wat het belang is van de Staat bij toewijzing daarvan. Zoals hiervoor overwogen is de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] op 18 september 2025 geëindigd door het rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet en zijn haar verzoeken om toelating tot de werkzaamheden en doorbetaling van loon afgewezen.

[verzoekster] moet de proceskosten betalen

3.32.

De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster] , omdat het ontslag op staande voet in stand blijft en zij dus voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [verzoekster] aan de Staat moet betalen op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dit is totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad

3.33.

Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

Beslissing

4
De beslissing

De kantonrechter

op het verzoek en het tegenverzoek

4.1.

wijst het verzoek van [verzoekster] af,

4.2.

verklaart voor recht dat [verzoekster] geen aanspraak heeft op een transitievergoeding inclusief wettelijke rente ten laste van de Staat,

4.3.

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 1.009,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,

4.4.

verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

4.5.

wijst het meer of anders door de Staat verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.

1257

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie randnummer 39 van het verweerschrift

Voetnoot 2

Productie 9 van [verzoekster]

Voetnoot 3

Zie Hoge Raad 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1668

Voetnoot 4

Productie 12 van de Staat

Voetnoot 5

Productie 14 van de Staat

Voetnoot 6

Productie 13 van de Staat

Voetnoot 7

Productie 3 van [verzoekster]