te [plaats 2] ,2. [gedaagde sub 2] B.V.,
te [plaats 3] ,3. [gedaagde sub 3] B.V.,
te [plaats 4] ,4. [gedaagde sub 4] B.V.,
te [plaats 2] ,5. [gedaagde sub 5] B.V.,
te [plaats 4] ,6. [gedaagde sub 6] B.V.,
te [plaats 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden c.s.] ,
advocaat: mr. R.W. Lagerwaard.
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 februari 2023, waarin de rechter zich kort gezegd onbevoegd heeft
verklaard om de vorderingen 1 en 4 te behandelen voor zover gegrond op de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) in verband met de daarin opgenomen arbitrageregeling en de zaak op de parkeerrol is geplaatst in afwachting van de arbitrageprocedure- de akte van [gedaagden c.s.] van 3 april 2024, waarin zij eenzijdig om voortzetting van de procedure verzoekt
- de rolbeslissing om de zaak op de parkeerrol van 2 oktober 2024 te plaatsen
- de aktes van partijen van 2 oktober 2024, waarin beide partijen verzoeken om voortzetting van de onderhavige procedure en mededelen af te zien van arbitrage
- de bepaling van een nieuwe mondelinge behandeling vanwege een rechterswissel- de akte met producties 23 t/m 30 van [gedaagden c.s.]
- de akte met productie 24 van [eisers c.s.]
- de akte met productie 26a van [gedaagde sub 1]
- de mondelinge behandeling van 16 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Daarna is vonnis bepaald.
Overwegingen
2.1
De rechtbank zal ondanks haar eerdere (gedeeltelijke) onbevoegdverklaring toch het volledige geschil beoordelen, gelet op de daarop gerichte wens van beide partijen.
2.2
Aan de vorderingen van [eisers c.s.] liggen feitelijk drie gebeurtenissen ten grondslag. In de eerste plaats de stuitingsbrief van 12 juni 2021, die door [gedaagden c.s.] aan [eisers c.s.] is verstuurd, de uitlatingen over [eiser sub 2] in het op 30 juli 2021 verschenen artikel op [website] en het verschaffen van het in dat artikel via een link weergegeven geluidsfragment.
[gedaagde sub 1] is tekortgeschoten in de nakoming van de VSO
2.3
[eisers c.s.] wil met zijn eerste vordering een verklaring voor recht van de rechtbank dat [gedaagden c.s.] tekort is geschoten in de nakoming van de VSO, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting van de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam op 17 mei 2018.
2.4
[eisers c.s.] is van mening dat [gedaagden c.s.] het in artikel 11 van de VSO vastgelegde contactverbod heeft overtreden, doordat [gedaagde sub 1] mede namens haar vennootschappen op 12 juni 2021 een stuitingsbrief heeft verzonden aan [eisers c.s.] waarin zij [eisers c.s.] aansprakelijk houdt voor de door haar en haar vennootschappen geleden schade. De rechtbank gaat daar niet in mee. Naar het oordeel van de rechtbank had [gedaagden c.s.] een gerechtvaardigd belang om de stuitingsbrief te sturen naar aanleiding van de tuchtzaak tegen mr. [advocaat] . In dat geval kan [gedaagden c.s.] ook niet worden afgehouden van het doen van een rechtshandeling om haar rechten veilig te stellen. Dit valt ook niet onder de finale kwijting-regeling van de VSO, zoals door [eisers c.s.] is betoogd, nu de aansprakelijkstelling voortkomt uit informatie die haar pas na de totstandkoming van de VSO bekend is geworden.
Negatieve uitlatingen in artikel op [website]
2.5
Dan het artikel van [website] dat op 30 juli 2021 verscheen van de hand van [A] . In dat artikel met als kop “Friese advocaat voor de tweede keer berispt” wordt [gedaagde sub 1] geciteerd. In dat citaat staat: ‘Ik kwam er een paar maanden later achter dat ik zakelijk misleid was en dat geprobeerd werd mij op een sluwe manier veel geld afhandig te maken. Toen ik niet zwichtte werd de aanval op me ingezet met behulp van advocaat [advocaat] . Terwijl die dus tegelijkertijd ook mijn advocaat was. Ik ontving compleet verzonnen facturen van [eiser sub 2] voor zogenaamd advieswerk en samen met [advocaat] dwong hij om te betalen voor de huur van het pand in [plaats 2] . Ik werd een auto ingesleurd en gedwongen te tekenen. De druk om te betalen werd steeds verder opgevoerd. (…)’. In de alinea daarna wordt ingegaan op doodsbedreigingen die [gedaagde sub 1] telefonisch zou hebben ontvangen en schrijft de journalist: “Volgens [gedaagde sub 1] rijdt hij ( [eiser sub 2] , toev. rechtbank) haar aan en probeert hij haar van de weg te duwen. ‘Ik schrok me dood en kon de auto niet meer in bedwang houden, ik belandde in de berm’. [gedaagde sub 1] doet aangifte wegens bedreiging en afpersing, maar de officier van justitie seponeert de zaak. Tegen die beslissing heeft [gedaagde sub 1] een artikel-12 procedure lopen, om alsnog vervolging af te dwingen.” En ook in de alinea die gaat over het Quote-artikel staat een citaat vermeld, dat alleen maar van [gedaagde sub 1] kan komen: “De advocaten van [eiser sub 2] worden geciteerd in dat artikel. Dat zegt genoeg over uit welke richting deze hetze komt. Er is een smeercampagne gevoerd en ik ben door het slijk gehaald, op basis van helemaal niets. Geen feiten, alleen maar geroddel van anonieme bronnen. Ik heb er zeker last van gehad.”
2.6
Dat het hier gaat om negatieve uitlatingen over onder meer [eiser sub 2] staat niet ter discussie. [gedaagde sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend telefonisch gesproken te hebben met de journalist. [gedaagde sub 1] ontkent dat zij zich negatief over [eiser sub 2] heeft uitgelaten tegenover de journalist. Volgens [gedaagde sub 1] kan de journalist de voor [eiser sub 2] negatieve opmerkingen ook uit de eerder verschenen Quote artikelen hebben gehaald. Anders dan [gedaagde sub 1] betoogt, zijn de hiervoor weergegeven citaten niet afkomstig uit eerder verschenen artikelen, zoals de artikelen uit de Quote, die in 2018 over haar zijn verschenen. De inhoud wijkt namelijk substantieel af van de inhoud van Quote artikelen. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat [gedaagde sub 1] zich tegenover de journalist negatief over [eiser sub 2] heeft uitgelaten, terwijl partijen in artikel 15 van de VSO zijn overeengekomen dat nu juist niet te doen. Conclusie is dan ook dat [gedaagde sub 1] door de wijze waarop zij zich over [eiser sub 2] heeft uitgelaten in het [website] -artikel tekort is geschoten in de nakoming van de VSO en dat de daarvoor gevraagde verklaring voor recht daarom toewijsbaar is.
2.7
Tot slot speelt dan nog de kwestie van het geluidsfragment dat in datzelfde artikel via een link wordt gedeeld. Daarin zou sprake zijn van een door [eiser sub 2] geuite bedreiging aan het adres van [gedaagde sub 1] . Volgens [eisers c.s.] kan het niet anders dan dat [gedaagde sub 1] dit geluidsfragment heeft gedeeld met de journalist, terwijl in artikel 12 van de VSO was afgesproken dat [gedaagde sub 1] de door haar gemaakte geluidsopnames van tussen [gedaagde sub 1] en [eiser sub 2] gevoerde gesprekken zou verwijderen. Ook dit levert volgens [eisers c.s.] een overtreding van de VSO op door [gedaagde sub 1] . De rechtbank volgt [eisers c.s.] daarin niet. Wil er sprake zijn van een overtreding dan moet het gaan om (één van) de door [gedaagde sub 1] gemaakte geluidsopname(s), zoals bedoeld in de VSO, die door haar vervolgens niet is vernietigd terwijl dit wel was overeengekomen. De stel- en bewijsplicht daarvan rust op [eisers c.s.] Uit het enkele feit dat er een geluidsfragment in het artikel van [website] staat opgenomen, kan dit nog niet worden opgemaakt. Zo weet de rechtbank niet of het in het artikel gedeelde fragment daadwerkelijk van [gedaagde sub 1] afkomstig is. In het artikel wordt meer in het algemeen gesproken over een bron en daarbij wordt haar naam niet genoemd. Ook is de rechtbank niet duidelijk om welk fragment het hier nu precies gaat. [eisers c.s.] heeft bijvoorbeeld geen transcript overgelegd of andere feiten en omstandigheden genoemd waaruit kan worden afgeleid wanneer en door wie het fragment zou zijn opgenomen en of het hier überhaupt wel gaat om een geluidsopname als bedoeld in de VSO. Gelet op de betwisting door [gedaagde sub 1] , heeft [eiser sub 2] zijn stelling dat het hier gaat om een geluidsopname als bedoeld in de VSO onvoldoende onderbouwd.
Er is ook sprake van onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1]
2.8
Gelet op het feit dat de rechtbank heeft geoordeeld dat [gedaagden c.s.] een gerechtvaardigd belang hadden bij het sturen van de stuitingsbrief en de betrokkenheid van [gedaagde sub 1] bij het openbaren van het geluidsfragment onvoldoende is gebleken, gaat het hier in feite alleen nog om de vraag of de negatieve uitlatingen van [gedaagde sub 1] in het artikel van [website] onrechtmatig zijn tegenover [eiser sub 2] . De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. De in overweging 2.5 weergegeven berichten schetsen een zeer negatief beeld van [eiser sub 2] , zonder dat de ernstige beschuldigingen worden onderbouwd. De uitlatingen van [gedaagde sub 1] leveren zowel een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de VSO op als een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW.
Geen reden voor een (extra) contactverbod aanwezig
2.9
Het door [eisers c.s.] gevorderde contactverbod in zowel de privésfeer als in relatie tot derden voor de duur van 25 jaar wordt afgewezen.
2.10
Het gevraagde verbod borduurt in feite voort op het eerder op 18 september 2017 door de voorzieningenrechter in Amsterdam toegewezen verbod van 10 jaar dat daarna is vastgelegd in de VSO. Volgens [eisers c.s.] laten de hiervoor genoemde gebeurtenissen zien dat [gedaagden c.s.] zich kennelijk niet laat tegenhouden door een aan haar opgelegd contactverbod wat in zijn ogen een dusdanig vergaand verbod rechtvaardigt. Uit het vonnis van 18 september 2017 volgt dat de voorzieningenrechter het verbod destijds gerechtvaardigd vond gelet op de hoeveelheid berichten, die [gedaagde sub 1] vrijwel dagelijks aan [eisers c.s.] stuurde en waarvan de wijze en inhoud (zij dreigde details over hun privérelatie openbaar te maken) volgens de voorzieningenrechter bedreigend was en erg leek op stalking (r.o. 4.12 en 4.14).
2.11
Daarvan is nu geen sprake (meer). Weliswaar heeft [gedaagde sub 1] met haar uitlatingen in het [website] -artikel de in de VSO vastgelegde afspraken geschonden, maar de door haar gedane uitlatingen zien in de kern op een zakelijk geschil. Er worden door [gedaagde sub 1] geen details over de privérelatie openbaar gemaakt. Bovendien is de rechtbank niet gebleken dat [gedaagden c.s.] buiten het sturen van de stuitingsbrief om bewust het contact heeft gezocht met [eisers c.s.] [eiser sub 2] heeft ter zitting desgevraagd ook verklaard dat er buiten het [website] -artikel om aantoonbaar niet veel meer is gebeurd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een contactverbod met een termijn van langer dan 10 jaar, laat staan een extra termijn van 25 jaar, buitenproportioneel en niet gerechtvaardigd is. De vordering wordt daarom afgewezen.
Rechtbank begroot de schade zelf
2.12
Met zijn vierde en vijfde vordering wil [eisers c.s.] een schadevergoeding voor de door hem geleden materiële en immateriële schade. Voor zijn materiële schadevergoeding vraagt hij een verwijzing naar de schadestaatprocedure. Hij zegt in ieder geval kosten te hebben gemaakt voor het inschakelen van een media-advocaat om het artikel van [website] van het internet te laten verwijderen. Tijdens de eerste mondelinge behandeling in december 2022 heeft [eiser sub 2] daarover gezegd dat hij op dat moment alleen een voorschotfactuur had ontvangen van om en nabij € 6.000,-. [gedaagden c.s.] heeft dit niet betwist. Die kosten zijn een rechtstreeks gevolg van de niet nakoming van de VSO door [gedaagde sub 1] en komen dan ook voor vergoeding in aanmerking. Gesteld noch gebleken is dat de publicatie daarna nog op internet is verschenen, zodat de kosten van de media-advocaat niet hoger zullen zijn geworden. [eiser sub 2] heeft daar tijdens de tweede mondelinge behandeling ook niets over gezegd. De rechtbank zal deze schadepost daarom zelf begroten op € 6.000,-.
2.13
[eisers c.s.] heeft daarnaast gesteld dat de door [gedaagde sub 1] veroorzaakte negatieve publiciteit over hem makkelijk tot afwijzing van een inschrijving in een aanbestedingsprocedure voor grote bouwprojecten kan leiden, wat uiteindelijk dan weer tot miljoenen euro’s schade zou kunnen leiden. [eisers c.s.] heeft zijn laatste stelling echter niet nader onderbouwd, ook niet na hervatting van de procedure. Dit terwijl het gaat om een publicatie die al halverwege 2021 plaatsvond en uiteindelijk niet langer dan zo’n twee weken online heeft gestaan. Er is dus inmiddels vier jaar verstreken sinds de publicatie van het artikel. [eisers c.s.] heeft echter geen enkel voorbeeld genoemd waarin hij een inschrijving zou zijn misgelopen als gevolg van de publicatie. Dat [eisers c.s.] mogelijk enige materiële schade zouden hebben geleden als gevolg van de publicatie op [website] is naar het oordeel van de rechtbank daarom onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank komt aan een verwijzing naar de schadestaatprocedure voor begroting van de schade dan ook niet toe.
2.14
Tot slot vordert [eisers c.s.] nog € 50.000 aan immateriële schadevergoeding vanwege de doorgaande beschadiging van de eer en goede naam van [eisers c.s.] en de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser sub 2] . Ook bij de beoordeling van deze schadepost gaat het om de negatieve uitlatingen in het [website] -artikel. De rechtbank vindt voldoende komen vast te staan dat [eiser sub 2] hiervan nadelige gevolgen heeft ervaren en geschaad is zijn eer en goede naam. Hoewel de publicatie uiteindelijk relatief kort online heeft gestaan, blijft er onzekerheid bestaan of de informatie voorgoed verwijderd is. De rechtbank acht een schadevergoeding van € 1.500,- billijk.
2.15
De gevorderde rente over de hoofdsom wordt toegewezen met ingang van de datum van deze beslissing. Er is namelijk niet toegelicht waarom de rente vanaf een eerdere datum verschuldigd is.
Geen dwangsommen verbeurd
2.16
Met zijn laatste vordering wil [eisers c.s.] betaling van € 90.000,- aan verbeurde dwangsommen, omdat [gedaagde sub 1] het hiervoor al besproken geluidsfragment aan de journalist zou hebben verstrekt. In het vonnis van 17 oktober 2018 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland [gedaagde sub 1] geboden de door haar gemaakte geluidsopnames van gesprekken tussen [gedaagde sub 1] en [eiser sub 2] te vernietigen op straffe van een dwangsom. Zoals de rechtbank onder 2.7 al heeft overwogen, staat niet vast dat dit geluidsfragment afkomstig is van [gedaagde sub 1] . Daarmee staat ook niet vast dat [gedaagde sub 1] zich niet zou hebben gehouden aan de veroordeling van de voorzieningenrechter en dat zij dwangsommen zou hebben verbeurd. De vordering wordt daarom afgewezen.
2.17
De rechtbank concludeert dat [gedaagde sub 1] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de VSO en onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser sub 2] door negatieve uitlatingen over hem te doen tegenover een journalist van [website] . De daardoor door [eiser sub 2] geleden schade wordt in totaal begroot op € 7.500,-. Dat daarnaast ook door [eiser sub 1] B.V. schade is geleden is onvoldoende gebleken. De vennootschappen van [gedaagde sub 1] (gedaagden sub 2 t/m 6) komen slechts in beeld bij de stuitingsbrief, waarvan de inhoud door de rechtbank niet ontoelaatbaar wordt geacht. Het dictum van dit vonnis richt zich daarom tot [gedaagde sub 1] en [eiser sub 2] (eiser sub 2 en gedaagde sub 1), het overige gevorderde zal worden afgewezen.
2.18
[gedaagde sub 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser sub 2] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
108,24
- griffierecht
€
667,00
- salaris advocaat
€
1.302,50
(2,5 punten × € 521,00)
Totaal
€
2.077,74
2.19
De gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Beslissing
3.1
verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen geldende VSO van 17 mei 2018 en onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser sub 2] ,
3.2
veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan [eiser sub 2] van een schadevergoeding ter hoogte van € 7.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beslissing,
3.3
veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten van € 2.077,74, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4
veroordeelt [gedaagde sub 1] in de nakosten van € 178,-, te vermeerderen met € 92,- plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.5
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.2 t/m 3.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
3.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren in samenwerking met mr. C.E.M. Roeleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.