Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:485

Op 4 February 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 11769867 \ MC EXPL 25-3645, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:485. De plaats van zitting was Almere.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
11769867 \ MC EXPL 25-3645
Datum uitspraak:
4 February 2026
Datum publicatie:
16 February 2026

Indicatie

Verbintenissenrecht. Na vernietiging overeenkomst geen recht op schadevergoeding wegens tekortkoming.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 11769867 \ MC EXPL 25-3645

Vonnis van 4 februari 2026

in de zaak van

[eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam],

te [plaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. M.J.M. Groen,

tegen

[gedaagde] B.V.,

te [plaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. C.M. Sellmeijer.

1
De procedure
1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie,- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, tevens akte verminderen van eis in reconventie,- de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2
De kern van de zaak
2.1.

[eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] diverse bouwwerken geplaatst, steeds bij aparte overeenkomst. [gedaagde] heeft een aantal facturen niet betaald (in totaal voor € 17.263,92), die [eiser] nu in hoodsom vordert in deze procedure in conventie, met nevenvorderingen. [gedaagde] betwist niet dat zij die hoofdsom moet betalen, maar zij zou die kunnen verrekenen met haar tegenvordering. Volgens [gedaagde] heeft zij schade geleden door het handelen van [eiser] , in totaal (bij akte beperkt tot) € 24.999,99. Het meerdere boven de vordering van [eiser] vordert [gedaagde] in reconventie. [gedaagde] voert aan dat [eiser] in haar opdracht een overkapping bij een derde ( [A] ) heeft geplaatst, zonder deugdelijke fundering. [gedaagde] heeft de overeenkomst tussen haar en [eiser] voor de [A] -opdracht vernietigd en vordert haar schade op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). De kantonrechter wijst de vordering [eiser] in conventie toe en van [gedaagde] in reconventie af. .

3. De beoordeling

in conventie

3.1.

Omdat [gedaagde] erkent dat zij de hoofdsom in conventie moet betalen, wordt deze toegewezen. [gedaagde] kan niets verrekenen, omdat hierna wordt beslist dat [gedaagde] geen recht heeft op schadevergoeding. De wettelijke handelsrente zal zoals gevorderd worden toegewezen vanaf de respectievelijke vervaldata van de gevorderde facturen (dat is onweersproken vanaf de negende dag na de dagtekening van de facturen) tot de betaling.

3.2.

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (€ 1.052,64). De vordering voldoet aan de eisen voor toekenning van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De hoogte van het gevorderde bedrag is hoger dan het bepaalde in de staffel van het Besluit. Berekend over de hoofdsom zal daarom € 947,64 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen, vanaf de dag van de dagvaarding (20 juni 2025) tot de betaling.

3.3.

[gedaagde] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

119,40

- griffierecht

732,00

- salaris gemachtigde

864,00

(2 punten × € 432,00)

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.859,40

in reconventie

Geen overeenkomst = geen tekortkoming

3.4.

[gedaagde] heeft zoals gezegd de overeenkomst tussen haar en [eiser] voor de [A] -opdracht buitengerechtelijk vernietigd en vordert haar schade in deze procedure expliciet en nadrukkelijk uitsluitend op grond van buitencontractueel onrechtmatig handelen van [eiser] . De kantonrechter heeft het daarmee te doen. [eiser] heeft in de vernietiging berust, waarmee de overeenkomst voor de [A] -opdracht wordt geacht nooit te hebben bestaan. De kantonrechter hoeft dus niet te beoordelen of [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn contractuele verplichtingen. Uitsluitend ligt de vraag voor of [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW en zo ja, of de schade die [gedaagde] vordert door dat onrechtmatig handelen is veroorzaakt. Van onrechtmatig handelen zoals in artikel 6:162 BW is bedoeld is kort gezegd sprake bij een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke verplichting en in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Van alle drie is geen sprake, zoals hierna wordt uitgelegd.

Van onrechtmatig handelen blijkt onvoldoende

3.5.

[gedaagde] heeft een inbreuk op een recht door [eiser] niet gesteld, en de kantonrechter kan dat ook niet afleiden uit de feiten die [gedaagde] heeft aangevoerd.

3.6.

Dan het handelen in strijd met een wettelijke plicht. [gedaagde] beroept zich op de waarschuwingsplicht van een aannemer zoals bedoeld in artikel 7:754 BW. Tussen partijen bestaat er geen discussie over dat de overkapping die [eiser] bij [A] heeft gebouwd niet gefundeerd was, en dat dit wel had gemoeten. Volgens [gedaagde] (zo begrijpt de kantonrechter dat betoog) had [eiser] haar moeten waarschuwen dat zonder de (zoals nu blijkt) benodigde fundering schade zou kunnen optreden die [gedaagde] zou moeten vergoeden aan [A] . [gedaagde] stelt dat die wettelijke waarschuwingsplicht ook buitencontractueel van toepassing zou zijn. Maar dat heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. [eiser] stelt onweersproken dat alle contacten en activiteiten bij [A] plaatsvonden in uitvoering van de opdracht van [gedaagde] . Van pre-contractuele activiteiten en -contacten tussen [eiser] en [A] is geen sprake. En de waarschuwingsplicht waar [gedaagde] op doelt geldt expliciet voor een persoon in de relatie aannemer – opdrachtgever, dus binnen een overeenkomst van aanneming.

3.7.

Van een doen of nalaten in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer blijkt verder onvoldoende. Als van [eiser] buitencontractueel verwacht zou kunnen worden dat hij [gedaagde] gewaarschuwd zou hebben voor mogelijke schade, dan is [eiser] daaraan alleen gehouden voor zover hij de onjuistheden kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. Buitencontractueel is de drempel daarvoor hoger dan contractueel (zie de bepalingen in dit kader van artikel 7:754 BW). Volgens [eiser] worden de palen van de overkappingen zoals bij [A] geplaatst op poeren, waar omheen beton wordt gestort. Dat voldoet in het algemeen voor lichte bouwwerken zoals de overkapping van [A] . In voorkomende gevallen moet een ‘verzwaard funderingspakket’ worden geplaatst, en die opdracht krijgt [eiser] (zo stelt [eiser] onweersproken) dan van [gedaagde] . [gedaagde] is volgens [eiser] degene die onderzoekt of een dergelijk verzwaard funderingspakket nodig is. Bij [A] heeft [eiser] (zo stelt hij onweersproken) geen aanwijzingen gezien dat de overkapping anders dan met de gebruikelijke poeren gefundeerd zou moeten worden. Omdat [gedaagde] dat alles niet weerspreekt, kan de kantonrechter niet tot de conclusie komen dat [eiser] redelijkerwijs anders dan in het kader van de overeenkomst aan de bel getrokken zou moeten hebben dat de overkapping zonder extra fundering geplaatst werd.

3.8.

De conclusie is dat [gedaagde] onvoldoende heeft aangetoond dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld zoals bedoeld in artikel 6:162 BW. De kantonrechter hoeft daarom het verband tussen dat handelen en de schade van [gedaagde] niet te beoordelen.

Dat de vernietiging de schuld van [eiser] is, staat niet vast

3.9.

Subsidiair heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiser] schuld heeft aan de vernietiging en daarom de schade van [gedaagde] moet betalen. Dat slaagt niet. Ten eerste heeft [gedaagde] onvoldoende duidelijk aangetoond dat de schade in oorzakelijk verband staat met de vernietiging van de overeenkomst. De kantonrechter kan dat ook niet logischerwijs concluderen uit de feiten die [gedaagde] heeft aangedragen.

3.10.

Ten tweede heeft [eiser] weliswaar berust in de vernietiging, maar dat wil op zichzelf niet zeggen dat [eiser] daarmee zegt dat zij het inhoudelijk eens is met de vernietiging. Dat betoogt [eiser] niet en blijkt ook niet uit het betoog van [gedaagde] . Als grond voor de vernietiging heeft [gedaagde] namelijk aangevoerd dat zij gedwaald zou hebben bij het aangaan daarvan. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] die dwaling baseert op haar stelling dat [eiser] niet beschikte over de benodigde kennis en expertise om op de juiste wijze te kunnen waarschuwen voor een ontbrekende fundering onder een overkapping zoals bij [A] . Dat is (zoals [eiser] terecht aanvoert) in tegenspraak met de omstandigheid dat [gedaagde] [eiser] ook ná de [A] -opdracht meermaals heeft ingezet bij de plaatsing van overkappingen. Ook is in het voorgaande al beslist dat niet vast is komen te staan dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld of redelijkerwijs buitencontractueel voor het ontbreken van een fundering had moeten waarschuwen. [gedaagde] heeft geen nadere feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit de gestelde ontbrekende kennis en expertise dan wel heeft bestaan.

Slotsom in reconventie en proceskosten

3.11.

De conclusie is dat de vordering voor de hoofdsom in reconventie moet worden afgewezen. De nevenvorderingen delen dit lot.

3.12.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op € 1.154,00 aan salaris gemachtigde (2 punten × € 577,00).

Beslissing

4
De beslissing

De kantonrechter

in conventie

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 17.263,92, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 947,64 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

4.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.859,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in reconventie

4.4.

wijst de vorderingen van [gedaagde] af,

4.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.154,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in conventie en in reconventie

4.6.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.7.

verklaart dit vonnis behalve de onder 4.4 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,

4.8.

wijst het meer of anders in conventie of in reconventie gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.

RW1368