1
de vennootschap onder firma
[opposant sub 1] ,
gevestigd te [plaats] ,
hierna te noemen: [opposant sub 1] ,2. [opposant sub 2] , vennoot van sub 1,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: vennoot 1,3. [opposant sub 3] , vennoot van sub 1,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: vennoot 2,4. [opposant sub 4] , vennoot van sub 1,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: vennoot 3,
verder ook tezamen en in mannelijk enkelvoud te noemen: [opposanten] ,
eisende partij in het verzet,
gedaagde partij in de oorspronkelijke procedure (Voetnoot 1),
gemachtigde: mr. B.H.M. Nijsten,
[geopposeerde]
,
wonende te [plaats] ,
verder ook te noemen: [geopposeerde] ,
gedaagde partij in het verzet,
eisende partij in de oorspronkelijke procedure (Voetnoot 2),
gemachtigde: drs. M. Taja, werkzaam bij Tax & Legalhof.
Overwegingen
[opposanten] is ontvankelijk in het verzet
4.1.
[opposanten] heeft vijf weken na betekening van het verstekvonnis verzet aangetekend. Hij heeft dus op tijd en op de juiste manier verzet ingesteld. (Voetnoot 15)
Rechtsgeldige eigendomsoverdracht? Nee
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de koopovereenkomst een consumentenkoop is als bedoeld in artikel 7:5 lid 1 BW. Oorspronkelijk verwees [geopposeerde] naar artikel 7:17 BW (dat gaat over nonconformiteit) als de juridische grondslag van zijn vorderingen en stellingen. [opposanten] heeft aanvankelijk in dat juridisch kader verweer gevoerd. Tijdens de eerste mondelinge behandeling heeft de kantonrechter uitgelegd dat artikel 7:17 BW betrekking heeft op fysieke gebreken aan een roerende zaak, terwijl het in deze zaak gaat om een gestelde verduisterde en gekloonde auto. De kantonrechter heeft met ambtshalve aanvulling van rechtsgronden met partijen besproken dat artikel 7:9 BW de juridische grondslag is, welk artikel bepaalt dat een verkoper verplicht is de verkochte zaak in eigendom over te dragen. De kantonrechter heeft ook met partijen besproken dat de stelling van [opposanten] dat hij te goeder trouw heeft gehandeld, wordt aangemerkt als een beroep op artikel 3:86 lid 1 BW. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om hun stellingen mede in het licht van deze artikelen aan te vullen door middel van nadere conclusies.
4.3.
Als komt vast te staan dat de auto die [opposanten] aan [geopposeerde] heeft verkocht en geleverd de verduisterde auto met het ingeslagen chassisnummer [letter] is en niet kan worden vastgesteld dat [opposanten] te goeder trouw was toen hij deze auto zelf in België van een particulier aankocht en geleverd heeft gekregen, dan heeft dit tot gevolg dat [opposanten] de eigendom van de verkochte en geleverde auto met het ingeslagen chassisnummer [letter] niet rechtsgeldig heeft overdragen aan [geopposeerde] . De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. Dit levert een tekortkoming op van [opposanten] , zodat [geopposeerde] de koopovereenkomst tussen partijen mag ontbinden. Dit wordt hieronder toegelicht.
[opposanten] heeft aan [geopposeerde] een verduisterde auto verkocht en geleverd
4.4.
[geopposeerde] stelt dat de auto die [opposanten] aan hem heeft verkocht en geleverd, een verduisterde auto is. Hij voert hiertoe aan dat [opposanten] de aan hem geleverde auto heeft verkocht als een auto met het chassisnummer [letter] , terwijl deze verkochte en geleverde auto het ingeslagen chassisnummer [letter] heeft waarvan de letter [letter] in de letter [letter] is gewijzigd. Deze auto is verduisterd. [opposanten] betwist dat de auto die het ingeslagen chassisnummer [letter] heeft en waarvan het chassisnummer van [letter] in [letter] is gewijzigd, de auto is die hij aan [geopposeerde] heeft verkocht en geleverd. Volgens hem heeft [geopposeerde] een andere auto bij [bedrijf] gebracht die vervolgens door de politie in beslag is genomen voor forensisch onderzoek, dan de auto die [opposanten] aan [geopposeerde] heeft verkocht en geleverd.
4.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [opposanten] aan [geopposeerde] een auto heeft verkocht en geleverd waarbij het chassisnummer [letter] in de carrosserie van de geleverde auto zichtbaar was en het chassisnummer [letter] in de papieren van de DIV stond vermeld. Uit de e-mail van [bedrijf] (Voetnoot 16) volgt dat in de carrosserie van de auto die [geopposeerde] aldaar heeft gebracht, het chassisnummer [letter] zichtbaar was en dat dit chassisnummer niet overeenkwam met het chassisnummer [letter] dat in het in deze auto geïnstalleerde MMI radio navigatiesysteem en de boardcomputer stond en dat het chassisnummer [letter] stond geregistreerd als gestolen – later blijkt dat het niet om diefstal maar om verduistering gaat – (Voetnoot 17). Nadat [bedrijf] dit heeft gemeld, heeft de politie deze auto bij [bedrijf] in beslag genomen voor forensisch onderzoek. Uit het forensisch onderzoek van het Openbaar Ministerie volgt dat deze bij [bedrijf] in beslag genomen auto, waarbij het chassisnummer [letter] in de carrosserie zichtbaar is, het oorspronkelijke ingeslagen chassisnummer [letter] heeft die als verduisterd staat geregistreerd. (Voetnoot 18) [opposanten] heeft weliswaar ter betwisting gesteld dat [geopposeerde] niet de auto die [opposanten] aan hem heeft verkocht en geleverd naar [bedrijf] heeft gebracht, maar hij heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot die conclusie kunnen leiden. Zo heeft [opposanten] bijvoorbeeld niet gesteld – en evenmin is gebleken – dat het schadebeeld (Voetnoot 19) van de door hem aan [geopposeerde] verkochte en geleverde auto niet overeenkomt met het (herstelde schade)beeld van de auto die [geopposeerde] naar [bedrijf] heeft gebracht en die door de politie aldaar in beslag is genomen voor forensisch onderzoek. De kantonrechter stelt daarom vast dat [opposanten] aan [geopposeerde] een verduisterde auto waarvan het chassisnummer [letter] is gewijzigd in chassisnummer [letter] (hierna: de auto), heeft verkocht en geleverd.
Niet is vast te stellen dat [opposanten] te goeder trouw was
4.6.
[geopposeerde] stelt dat [opposanten] weliswaar de te koop aangeboden, verduisterde auto aan hem heeft geleverd maar niet in eigendom heeft overgedragen, omdat [opposanten] niet bevoegd was om over deze auto te beschikken. Daardoor is [opposanten] tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichting uit de koopovereenkomst, aldus [geopposeerde] .
4.7.
[opposanten] verweert zich en stelt dat hij te goeder trouw was op het moment dat hij zelf deze auto kocht van een particulier in België. Hij voert hiertoe aan dat hij van de toenmalige verkoper de originele papieren van de auto heeft gekregen, waarop het chassisnummer [letter] stond vermeld, en de carrosserie van de auto heeft bekeken, alwaar het chassisnummer [letter] stond ingegraveerd. De DIV heeft ook niet aangegeven dat de auto gekloond was. Doordat [opposanten] te goeder trouw was toen hij de auto kocht, is hij eigenaar geworden van deze verduisterde auto en heeft hij bij de verkoop van de verduisterde auto aan [geopposeerde] de eigendom aan [geopposeerde] overgedragen, aldus [opposanten]
4.8.
De kantonrechter overweegt als volgt. [opposanten] heeft onweersproken gesteld dat hij, toen hij de auto kocht, het chassisnummer [letter] in de autobescheiden zag staan en de carrosserie van de auto heeft bekeken alwaar hij ook het chassisnummer [letter] heeft zien staan. Daarbij mocht hij afgaan op de omstandigheid dat het DIV na onderzoek van de auto een Belgisch kenteken heeft afgegeven zonder verdere aantekeningen die zouden kunnen doen vermoeden dat de auto niet op reguliere wijze is verkregen. [opposanten] is echter een professionele in-/verkoper van auto’s, niet alleen in Nederland maar ook in België. In die hoedanigheid mag van hem worden verwacht dat hij, wanneer hij een auto (met een Belgisch kenteken) inkoopt, vóór de inkoop controleert of deze auto al dan niet is verduisterd/gekloond. Naar het oordeel van de kantonrechter had [opposanten] daarom, ter verificatie van de identiteit van de auto, ook de software van de auto moeten uitlezen en moeten onderzoeken of het chassisnummer zoals deze in de software stond vermeld, overeenkwam met het chassisnummer zoals stond vermeld in de autobescheiden en op de carrosserie zichtbaar was. Dit geldt temeer nu hij, naar eigen zeggen, in het verleden al eens te maken heeft gehad met een gestolen auto.
4.9.
[opposanten] heeft niet betwist dat hij de software had kunnen uitlezen. Uit de email van [bedrijf] (Voetnoot 20) blijkt dat [bedrijf] de software van de auto heeft uitgelezen en daar het chassisnummer [letter] uitkwam. Als [opposanten] vóór de inkoop van de auto de software had uitgelezen, dan had hij dus kunnen ontdekken dat de auto het chassisnummer [letter] had en niet het chassisnummer [letter] zoals in de aan hem overhandigde autobescheiden staat, althans had hij kunnen ontdekken dat de auto verschillende chassisnummers had. Het doen van nader onderzoek lag dan in de rede. [opposanten] heeft dat echter niet gedaan. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat [opposanten] ten tijde van de inkoop van de auto te goeder trouw was. Om die reden heeft hij de eigendom van de verduisterde auto niet rechtsgeldig kunnen overdragen aan [geopposeerde] .
De koopovereenkomst wordt ontbonden
4.10.
[geopposeerde] vordert primair een verklaring van recht dat partijen een stilzwijgende ontbindende voorwaarde zijn overeengekomen die inhoudt dat de koopovereenkomst zou worden ontbonden als geen rechtsgeldig voertuig zou worden geleverd. [geopposeerde] heeft niet gemotiveerd of onderbouwd op welke wijze partijen deze stilzwijgende ontbindende voorwaarde zijn overeengekomen. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
4.11.
Subsidiair vordert [geopposeerde] dat de koopovereenkomst wordt ontbonden op grond van artikel 6:265 BW. Deze vordering wordt toegewezen. Doordat [opposanten] de eigendom van de te koop aangeboden auto niet rechtsgeldig aan [geopposeerde] heeft overgedragen, is hij tekortgeschoten in zijn verplichting uit artikel 7:9 BW. Aangezien [opposanten] deze tekortkoming niet meer kan herstellen, is hij per direct in verzuim. De kantonrechter ontbindt de overeenkomst daarom per vandaag.
[opposanten] moet de koopprijs terugbetalen
4.12.
Op grond van artikel 6:271 BW ontstaan door een ontbinding ongedaanmakings-verbintenissen. Dit betekent dat [geopposeerde] de auto terug moet geven aan [opposanten] en dat [opposanten] de koopprijs aan [geopposeerde] moet terugbetalen. [opposanten] wordt daartoe veroordeeld.
4.13.
Partijen verschillen van mening over de hoogte van de koopprijs. [geopposeerde] stelt dat de koopprijs € 18.750,00 was, waarvan hij € 15.000,00 heeft overgemaakt en € 3.750,00 contant heeft afgerekend. Hij onderbouwt dit met de verklaring van zijn echtgenote, mevrouw [A] (hierna te noemen: [A] ). (Voetnoot 21) [opposanten] betwist dit. Volgens hem hadden partijen een koopprijs van € 15.000,00 afgesproken en heeft [geopposeerde] niet meer betaald dan € 15.000,00. Dit bedrag staat ook op de factuur vermeld.
4.14.
De kantonrechter overweegt als volgt. De verklaring van [A] vertoont een discrepantie met de stellingen/producties van [geopposeerde] . [A] verklaart dat zij op 14 februari 2024 samen met haar echtgenoot een proefrit heeft gemaakt en aan [opposanten] heeft verzocht de auto voor hen te reserveren. [opposanten] zou hebben aangegeven dat een reservering mogelijk was, als [A] / [geopposeerde] een voorschot van € 15.000,00 zou overmaken. [A] verklaart dat zij dit bedrag toen heeft overgemaakt. Vervolgens zou zij de auto op 15 februari 2024 hebben opgehaald en op dat moment nog het restantbedrag van € 3.750,00 contant hebben betaald. Op de overgelegde pin/betaalbewijzen (Voetnoot 22) is echter te zien dat op 13 februari 2024 al een bedrag van € 3.750,00 is gepind en op 14 februari 2025 een bedrag van € 15.000,00 is overgemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling van 7 mei 2025 zijn door [geopposeerde] ook wisselende stellingen ingenomen. Tijdens deze zitting is eerst gesteld dat het restantbedrag ook op 14 februari 2024 is betaald en vervolgens is gesteld dat het restantbedrag op 15 februari 2024 is betaald. [geopposeerde] heeft geen rechtens acceptabele reden gegeven voor deze discrepantie en wisselende stellingen. Gelet hierop heeft [geopposeerde] zijn stelling dat een koopprijs van € 18.750,00 is overeengekomen, niet voldoende gemotiveerd en/of onderbouwd. Daar komt bij dat op de factuur een koopprijs staat van € 15.000,00 en [geopposeerde] deze factuur heeft getekend. De kantonrechter is daarom van oordeel dat vaststaat dat de koopprijs € 15.000,00 bedraagt. Dit bedrag moet [opposanten] aan [geopposeerde] teruggeven.
Stallingskosten & Transportkosten & Herstelkosten
4.15.
[geopposeerde] vordert verschillende bedragen aan respectievelijk stallingskosten, transportkosten en herstelkosten. [opposanten] heeft betwist dat [geopposeerde] deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt. De kantonrechter wijst deze vorderingen af, omdat [geopposeerde] (ook na het verstekvonnis) geen (bancaire) stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt.
[opposanten] wordt ongerechtvaardigd verrijkt
4.16.
[geopposeerde] vordert € 1.919,00 aan BPM kosten op grond van ongerechtvaardigde verrijking. (Voetnoot 23) Ter onderbouwing van de betaling hiervan heeft hij een bancair betalingsbewijs overgelegd. (Voetnoot 24) [geopposeerde] stelt dat de BPM wordt verdisconteerd in de marktwaarde, waardoor [opposanten] bij teruggave van de auto ongerechtvaardigd wordt verrijkt ten koste van [geopposeerde] . [opposanten] betwist dat hij deze kosten moet vergoeden en voert hiertoe aan dat hij te goeder trouw was bij de in/verkoop van de auto. De kantonrechter heeft onder 4.6 tot en met 4.9 reeds overwogen dat niet vastgesteld kan worden dat [opposanten] te goeder trouw was. Dit verweer gaat dus niet op. De kantonrechter wijst de gevorderde BPM kosten daarom toe.
Immateriële schadevergoeding & onderzoekskosten/huurkosten
4.17.
[geopposeerde] had aanvankelijk ook immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 105,00 aan onderzoekskosten/huurkosten gevorderd, maar deze vorderingen heeft hij ingetrokken. Voormelde vorderingen behoeven dan ook geen beoordeling.
Administratie- en bijkomende schade
4.18.
[geopposeerde] heeft in de conclusie van antwoord in oppositie ook administratie- en bijkomende schade gevorderd, nader op te maken bij staat. Deze vordering wordt afgewezen omdat [geopposeerde] deze vordering niet heeft gemotiveerd en/of onderbouwd.
Verrekening bedrag ter grootte van de beslagkosten
4.19.
Na het verstekvonnis heeft [geopposeerde] beslag laten leggen op de volledige handelsvoorraad en alle bankrekeningen van [opposanten] Vóór de tweede mondelinge behandeling van 24 oktober 2025 heeft [opposanten] aan [geopposeerde] in totaal een bedrag van € 24.985,29 (Voetnoot 25) betaald en daarnaast de beslagkosten van € 5.203,41 aan hem vergoed.
4.20.
De kantonrechter verwerpt de stelling van [geopposeerde] dat het hierna te bespreken beroep van [opposanten] op verrekening buiten de beoordeling van deze zaak moet blijven. [opposanten] heeft immers reeds tijdens de eerste mondelinge behandeling dit beroep op verrekening gedaan, waarop [geopposeerde] in de conclusie van repliek en tijdens de mondelinge behandeling heeft gereageerd. Van schending van de beginselen van de goede procesorde, waaronder het beginsel van hoor en wederhoor dan wel het verdedigingsbeginsel, is dan ook geen sprake.
4.21.
[opposanten] wil dat de door hem aan [geopposeerde] vergoede beslagkosten van € 5.203,41 worden verrekend met de vorderingen van [geopposeerde] die in deze procedure worden toegewezen. Hij voert hiertoe aan dat hij na het verstekvonnis van 25 september 2024 aan [geopposeerde] had voorgesteld om de volledige bij verstekvonnis toegewezen bedragen inclusief de proceskosten over te maken op een derdenrekening bij zijn advocaat of de deurwaarder. [geopposeerde] heeft dit voorstel geweigerd en is daarna overgegaan tot beslaglegging op de volledige handelsvoorraad en alle bankrekeningen van [opposanten] Dit staat in geen verhouding tot de omvang van de bij verstek toegewezen vorderingen en is ook in strijd met de eis van subsidiariteit, aldus [opposanten]
4.22.
[geopposeerde] is het hier niet mee eens. Hij voert aan dat hij [opposanten] na het verstekvonnis van 25 september 2024 meermaals heeft aangeschreven, maar dat [opposanten] daarop niet heeft gereageerd en niet is overgegaan tot betaling van de toegewezen vorderingen. Hij had daarom geen andere keus dan het leggen van executoriaal beslag.
4.23.
De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van het veroordelende verstekvonnis van 25 september 2024 had [geopposeerde] een executoriale titel ter verkrijging van betaling waartoe [opposanten] bij verstek was veroordeeld. Niet is weersproken dat [opposanten] na het verstekvonnis aanvankelijk niet op de aanschrijvingen van [geopposeerde] heeft gereageerd. [opposanten] heeft echter onbetwist gesteld dat hij daarna ter voorkoming van daadwerkelijke beslaglegging op zijn gehele handelsvoorraad en alle bankrekeningen contact met [geopposeerde] heeft opgenomen en aan [geopposeerde] heeft aangeboden een bedrag gelijk aan de volledige bij verstekvonnis toegewezen bedragen inclusief proceskosten over te maken op een derdenrekening bij zijn advocaat of de deurwaarder. Hiermee had [geopposeerde] voldoende zekerheid gehad dat zijn bij verstekvonnis toegewezen vorderingen zouden worden voldaan als [opposanten] in de verzetprocedure ongelijk zou krijgen/ook zou worden veroordeeld tot betaling. Het belang dat [geopposeerde] nog had bij beslaglegging is daarmee onevenredig aan het belang van [opposanten] dat met beslaglegging is geschaad: het kunnen blijven uitoefenen van zijn bedrijfsvoering. Naar het oordeel van de kantonrechter had [geopposeerde] in redelijkheid moeten afzien van het laten leggen van executoriaal beslag. Door ondanks het aanbod tot zekerheidstelling van [opposanten] executoriaal beslag te laten leggen op de volledige handelsvoorraad en alle bankrekeningen van [opposanten] heeft [geopposeerde] in strijd met de eis van subsidiariteit gehandeld. Er is dan ook sprake van misbruik van bevoegdheid (Voetnoot 26) en dus onrechtmatig handelen. De schade die [opposanten] daardoor heeft geleden, bestaande in de aan [geopposeerde] vergoede beslagkosten van € 5.203,41, moet [geopposeerde] dan ook aan [opposanten] vergoeden. Het beroep van[opposanten] op verrekening slaagt dan ook. Een bedrag gelijk aan de door [opposanten] aan [geopposeerde] betaalde beslagkosten van € 5.203,41 wordt daarom verrekend met de aan [geopposeerde] toegewezen hoofdsom.
4.24.
Gelet op het voorgaande wordt de vordering van [geopposeerde] om [opposanten] te veroordelen in de beslagkosten, afgewezen.
4.25.
[opposanten] is (€ 15.000,00 + € 1.919,00 =) € 16.919,00 aan [geopposeerde] verschuldigd. Met dit bedrag wordt een bedrag gelijk aan de door [opposanten] betaalde beslagkosten van € 5.203,41 verrekend. Dit betekent dat [opposanten] nog een bedrag van (€ 16.919,00 - € 5.203,41 =) € 11.715,59 aan [geopposeerde] verschuldigd is (voor zover hij dit bedrag niet reeds heeft voldaan).
Wettelijke rente over de hoofdsom
4.26.
De over € 16.919,00 gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is toewijsbaar, zoals in de beslissing staat. Bij de berekening van de rente dient rekening te worden gehouden met de betalingen die [opposanten] na het verstekvonnis aan [geopposeerde] heeft gedaan en de omstandigheid dat de verrekening terugwerkt tot het tijdstip, waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. (Voetnoot 27)
[opposanten] is buitengerechtelijke incassokosten aan [geopposeerde] verschuldigd
4.27.
[geopposeerde] vordert € 931,13 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [geopposeerde] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is lager dan het in het Besluit bepaalde tarief en wordt toegewezen.
Rente over de buitengerechtelijk incassokosten wordt afgewezen
4.28.
[geopposeerde] vordert de wettelijke (handels)rente over de buitengerechtelijke incassokosten. Nog los van het feit dat geen grondslag is gesteld of gebleken voor de gevorderde wettelijke handelsrente, is evenmin gesteld of gebleken dat [geopposeerde] deze kosten al daadwerkelijk aan zijn gemachtigde heeft betaald of met de betaling daarvan in verzuim verkeert en als zodanig vermogensschade heeft geleden. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom niet toegewezen.
[opposanten] moet de proceskosten en wettelijke rente betalen
4.29.
[opposanten] is grotendeels in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. Dit betekent dat hij zijn eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten (inclusief nakosten) van [geopposeerde] aan hem moet betalen. De kosten voor het herstelexploot van 13 augustus 2024 blijven als nodeloos gemaakte kosten voor rekening van [geopposeerde] . De proceskosten van [geopposeerde] worden begroot op:
- dagvaarding
€
143,66
- griffierecht
€
706,00
- salaris gemachtigde
€
2.443,50
(4,5 punten x tarief € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus eventuele kosten van betekening)
Totaal
€
3.437,16
4.30.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals in de beslissing staat.
[opposant sub 1] , vennoot 1, vennoot 2 en vennoot 3 worden hoofdelijk veroordeeld
4.31.
De veroordeling van [opposanten] wordt hoofdelijk (Voetnoot 28) uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.32.
De kantonrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Vernietiging verstekvonnis
4.33.
Omdat [geopposeerde] zijn vorderingen meerdere keren heeft gewijzigd en de vorderingen in deze procedure daarom verschillen van de vorderingen ten tijde van het verstekvonnis, ziet de kantonrechter aanleiding om het verstekvonnis te vernietigen en opnieuw recht te doen op grond van de huidige vorderingen.
4.34.
Bij de executie van dit vonnis in verzet moet [geopposeerde] rekening houden met de bedragen die [opposanten] reeds aan hem heeft betaald.