RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11916577 \ MC EXPL 25-5411
Vonnis van 18 februari 2026
NS REIZIGERS B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: NS Reizigers,
gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders Groningen,
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
2.1.
[gedaagde] was tijdens een treinrit van Amsterdam Muiderpoort naar Almere Muziekwijk niet in het bezit van een geldig vervoerbewijs. Daarom voldeed [gedaagde] niet aan de verplichtingen in het Besluit Personenvervoer 2000 en overtrad [gedaagde] de Wet op Personenvervoer 2000. [gedaagde] is daarom volgens NS Reizigers de ritprijs van € 6,50, de wettelijke verhoging van € 50,00 en de administratiekosten van € 15,00 verschuldigd. [gedaagde] heeft niet betaald. De vraag is of [gedaagde] deze boete, met rente en kosten, aan NS Reizigers moet betalen. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] alleen de boete, met rente, moet betalen en niet de bijkomende kosten.
Overwegingen
[gedaagde] moet de boete (= ritprijs en de wettelijke verhoging) betalen
3.1.
[gedaagde] stelt dat zij op 18 februari 2025 met de trein heeft gereisd, alleen kon zij op dat moment haar eigen OV-chipkaart niet vinden. Daarom heeft zij gebruik gemaakt van de OV-chipkaart van haar dochter. Op haar kaart stond nog voldoende saldo. Het was niet haar bedoeling om zo te reizen. Zij heeft het uitgelegd aan de conducteur en dacht dat die haar had begrepen en haar had vergeven. De kantonrechter gaat voorbij aan dit deel van het verweer van [gedaagde] . De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de ritprijs en de wettelijke verhoging van € 50,00 moet betalen en wel om het volgende.
3.2.
Vaststaat dat [gedaagde] heeft gereisd met de ov-kaart van haar dochter. Op de OV-chipkaart van haar dochter stond een studentenabonnement. Weliswaar heeft een OV-chipkaart in beginsel te gelden als een geldig elektronisch vervoersbewijs, mits ermee is ingecheckt, maar in dit geval was er geen sprake van een geldig vervoersbewijs. Op grond van artikel 47 lid 2 onder c van het Besluit personenvervoer 2000 is een elektronisch vervoerbewijs geldig als het elektronisch vervoersbewijs, voor zover het op naam is gesteld, overeenstemt met de identiteit van de houder ervan. Dat was niet het geval. Immers, de OV-chipkaart, die [gedaagde] heeft gebruikt stond op naam van haar dochter. Daarom gold die OV-chipkaart van haar dochter niet als een geldig vervoerbewijs van [gedaagde] . Dat op de eigen OV-chipkaart van [gedaagde] (achteraf) wel voldoende saldo stond, is irrelevant, omdat [gedaagde] op dat moment niet met haar eigen OV-chipkaart reisde. [gedaagde] was ten tijde van haar treinreis van Amsterdam Muiderpoort naar Almere Muziekwijk niet in het bezit van een geldig vervoerbewijs. [gedaagde] moet daarom de ritprijs van haar treinreis van € 6,50 betalen.
3.3.
Omdat [gedaagde] tijdens haar treinrit niet in het bezit was van een geldig vervoersbewijs, is [gedaagde] op grond van artikel 48 lid 2 juncto lid 3 van het Besluit personenvervoer 2000, de wettelijke verhoging van € 50,00 verschuldigd.
3.4.
Het bovenstaande leidt er toe dat [gedaagde] de vordering tot betaling van de ritprijs van Amsterdam Muiderpoort naar Almere Muziekwijk van € 6,50 en de wettelijke verhoging van € 50,00 moet betalen.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
3.5.
[gedaagde] is te laat met het betalen van de boete. [gedaagde] is daarom de wettelijke rente over de boete verschuldigd. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, omdat niet is gebleken dat [gedaagde] eerder op de hoogte was van de verschuldigdheid van de boete dan door deze procedure (hierna meer onder 3.6. en volgende).
[gedaagde] hoeft de bijkomende kosten (= de proceskosten en de administratiekosten) niet te betalen
Er kan niet vastgesteld worden dat de brieven [gedaagde] hebben bereikt
3.6.
[gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen de bijkomende kosten – de administratiekosten en de proceskosten –. [gedaagde] meent dat zij rauwelijks is gedagvaard, omdat zij voorafgaand de procedure geen enkele brief of betaalverzoek van NS Reizigers heeft ontvangen. De dagvaarding was het poststuk dat zij van NS Reizigers ontving. Dit verweer van [gedaagde] slaagt. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de bijkomende kosten niet hoeft te betalen en hij overweegt daartoe als volgt.
3.7.
Met toepassing van de zogenoemde ontvangsttheorie, zoals opgenomen in artikel 3:37 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), heeft een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring alleen werking wanneer vast staat dat die verklaring de betrokken persoon ook daadwerkelijk heeft bereikt. Als de ontvangst van de verklaring wordt betwist, moet de afzender feiten en omstandigheden stellen – en zo nodig te bewijzen – waaruit volgt dat de verklaring door haar is verzonden naar een adres waarvan zij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar kon worden bereikt én dat de verklaring is aangekomen.
3.8.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , had het op de weg van NS Reizigers gelegen om haar standpunt – dat de betalingsherinneringen en sommaties die Bos Incasso en LAVG namens NS Reizigers per post hebben verzonden –, [gedaagde] wél hebben bereikt – op dit punt nader te onderbouwen. Dat heeft NS Reizigers niet gedaan. Als NS Reizigers (Bos Incasso of LAVG) er zeker van had willen zijn dat haar brieven [gedaagde] zouden bereiken, had NS Reizigers de brieven aangetekend per post moeten versturen. Dit heeft NS Reizigers echter nagelaten, ook nadat zij geen reactie van [gedaagde] had ontvangen.
3.9.
Het voorgaande leidt er toe dat niet vast staat dat de brieven, die Bos Incasso en LAVG namens NS Reizigers hebben verzonden, [gedaagde] hebben bereikt.
[gedaagde] hoeft de administratiekosten niet te betalen
3.10.
NS Reizigers vordert op grond van artikel 48 lid 6 van het Besluit personenvervoer 2000 de administratiekosten van € 15,00. Volgens dit artikellid is [gedaagde] de administratiekosten van € 15,00 pas verschuldigd als zij eerst de gelegenheid heeft gekregen om de opgelegde boete – kosteloos – binnen veertien dagen aan NS Reizigers te betalen. Weliswaar heeft NS Reizigers gesteld dat zij op 19 februari 2025 en 10 maart 2025 [gedaagde] die gelegenheid heeft gegeven, maar zoals hiervoor is overwogen kan niet vastgesteld worden dat de correspondentie, waaronder de voornoemde brieven, [gedaagde] ook heeft bereikt. Nu niet vast te stellen is dat [gedaagde] de voornoemde brieven van NS Reizigers heeft ontvangen en NS Reizigers aldus heeft voldaan aan het vereiste in artikel 48 lid 6 van het Besluit personenvervoer 2000, is [gedaagde] de administratiekosten van € 15,00 niet aan NS Reizigers verschuldigd. De vordering tot betaling van de administratiekosten van € 15,00 wordt daarom afgewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.11.
Omdat niet vast is komen te staan dat [gedaagde] de herinneringen en/of sommaties, die Bos Incasso en LAVG namens NS Reizigers hebben verzonden, heeft ontvangen, wordt aanleiding gezien om de proceskosten tussen partijen te compenseren. Dat betekent dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.
Beslissing
4.1.
veroordeelt De Boer om aan NS Reizigers tegen bewijs van kwijting te betalen € 56,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 18 februari 2026 tot de voldoening,
4.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.3.
verklaart de veroordeling onder 4.1. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op
18 februari 2026.