Overwegingen
De vordering van Leaseproces wordt gedeeltelijk toegewezen
3.1.
De kantonrechter wijst de vordering van Leaseproces gedeeltelijk toe. In principe heeft Leaseproces er recht op dat [gedaagde] het afgesproken percentage betaalt. Op basis van de overeenkomst is dat een bedrag van € 4.938,08. [gedaagde] moet de verplichting die zij heeft op grond van de overeenkomst nakomen. Maar het beroep van [gedaagde] dat het niet eerlijk is als zij het (volledige) percentage moet betalen, slaagt. De kantonrechter wijst daarom de helft van het gevorderde percentage toe. Hierna wordt uitgelegd waarom [gedaagde] moet betalen, maar ook waarom [gedaagde] slechts de helft hoeft te betalen.
[gedaagde] moet in principe het afgesproken percentage over het resultaat betalen
3.2.
In de overeenkomst tussen Leaseproces en [gedaagde] van 1 september 2006 is afgesproken dat Leaseproces de juridische belangen van [gedaagde] behartigt tegenover Dexia. De bedoeling van partijen was om een beter (financieel) resultaat te bereiken dan de aangeboden Duisenberg-regeling. Ook is afgesproken dat [gedaagde] aan Leaseproces een percentage verschuldigd is over het resultaat. Leaseproces brengt als beloning op grond van de overeenkomst de volgende percentages over het resultaat in rekening:
30% over de eerste € 10.000,--;
20% over het meerdere tot € 20.000,--;
(…)
3.3.
Het resultaat is volgens de overeenkomst het voordeel voor [gedaagde] ten opzichte van de Duisenberg-regeling. Als [gedaagde] had meegedaan met de Duisenberg-regeling dan had zij nog € 6.282,31 moeten betalen. Door de schikking met Dexia heeft [gedaagde] € 13.000,00 ontvangen. Het voordeel voor [gedaagde] is daarom (€ 6.282,31 + € 13.000,00 =) € 19.282,31. Leaseproces vordert op basis van dit bedrag een beloning van € 4.938,08. (Voetnoot 2) [gedaagde] heeft de hoogte van het bedrag niet betwist.
Dat [gedaagde] zelf een schikking heeft getroffen doet niet af aan haar verplichting om te betalen
3.4.
[gedaagde] moet de beloning ook betalen terwijl zij zelf, met bijstand van haar gemachtigde, een schikking heeft getroffen met Dexia. In de overeenkomst staat namelijk expliciet dat de beloning ook verschuldigd is als met Dexia een schikking wordt getroffen. Dat de schikking uiteindelijk met hulp van een andere gemachtigde tot stand is gekomen, maakt dit niet anders. De afspraak dat [gedaagde] in geval van een schikking een beloning moet betalen is niet beperkt tot de situatie dat de schikking door bemiddeling van Leaseproces tot stand is gekomen. Dat zou anders kunnen zijn als het resultaat helemaal geen verband houdt met de werkzaamheden van Leaseproces, maar dat is hier niet zo.
3.5.
De werkzaamheden van Leaseproces waren namelijk essentieel voor het uiteindelijke resultaat, de schikking met Dexia. Zo heeft Leaseproces onder meer:
Dexia aansprakelijk gesteld namens [gedaagde]
een “opt-outverklaring” ingediend namens [gedaagde] (waardoor [gedaagde] niet meedeed met de Duisenberg-regeling) (Voetnoot 3)
procedures gevoerd tegen Dexia namens andere gedupeerden, waardoor de juridische positie van [gedaagde] ten opzichte van Dexia verbeterde
de vordering van [gedaagde] op Dexia gestuit, zodat de vordering niet verjaarde
Zonder deze werkzaamheden was het voor [gedaagde] niet mogelijk geweest om de uiteindelijke, voor haar gunstige schikking met Dexia te treffen.
Dat [gedaagde] ontevreden was doet niet af aan haar verplichting om te betalen
3.6.
Dat [gedaagde] ontevreden was over de werkzaamheden van Leaseproces en het tempo waarin deze werkzaamheden werden verricht, doet ook niet af aan haar verplichting om te betalen. [gedaagde] heeft de overeenkomst namelijk niet ontbonden of opgezegd toen zij ontevreden was over Leaseproces. De overeenkomst is in stand gebleven. Dat betekent dat [gedaagde] zich aan haar verplichtingen uit de overeenkomst moet houden. Zij moet haar betalingsverplichting in principe dus nakomen.
Het beroep van [gedaagde] dat het niet eerlijk is dat zij het (volledige) percentage moet betalen, slaagt
3.7.
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd waarom zij het niet eerlijk vindt dat zij Leaseproces zou moeten betalen. De kantonrechter legt het verhaal van [gedaagde] zo uit, dat zij er een beroep op doet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij het (volledige) percentage aan Leaseproces moet betalen. De kantonrechter geeft [gedaagde] hierin gelijk. Voor die beslissing zijn de volgende omstandigheden afgewogen en van belang:
a) Tijdsverloop van achttien jaar
3.8.
Tussen de inschakeling van Leaseproces op 1 september 2006 en het treffen van de schikking door [gedaagde] halverwege 2024 zit bijna achttien jaar. Leaseproces heeft er in die achttien jaar voor gekozen om (nog) geen procedure voor [gedaagde] te starten en in haar zaak af te wachten. Op zichzelf is dat niet onbegrijpelijk, omdat Leaseproces bezig was met andere procedures tegen Dexia. Hierdoor zou de positie van [gedaagde] duidelijker – en hopelijk beter – worden. Maar na een aantal relevante uitspraken tegen Dexia vanaf 2016, en in ieder geval in 2022, had Leaseproces namens [gedaagde] in actie kunnen en moeten komen. Alhoewel pas in de laatste jaren een gunstige schikking mogelijk leek te zijn geworden, is er juist in die jaren onnodig lang afgewacht. Dit was voor [gedaagde] , zeker na het tijdsverloop van jaren, zeer vervelend. [gedaagde] heeft jarenlang in schulden geleefd en daarvan stress ondervonden. Leaseproces had hier eerder een einde aan kunnen en moeten maken.
b) Leaseproces wist of had moeten weten dat [gedaagde] zo snel mogelijk een oplossing wilde voor de schuld aan Dexia
3.9.
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling verteld dat zij verschillende keren heeft gebeld met Leaseproces omdat zij een oplossing wilde. Leaseproces heeft haar steeds geadviseerd om te wachten. [gedaagde] besloot daarom begin 2024 een financieel adviseur in te schakelen. Leaseproces erkent dat zij in 2024 (in elk geval) één telefoongesprek heeft gehad met [gedaagde] en haar financieel adviseur. De kantonrechter vindt het aannemelijk dat in dit gesprek ter sprake is gekomen dat [gedaagde] een schikking wilde treffen met Dexia. Leaseproces had dat ook kunnen opmaken uit het feit dat [gedaagde] een financieel adviseur liet mee bellen. Maar Leaseproces heeft [gedaagde] laten weten dat zij nog een jaar moest wachten.
3.10.
Dat het voor Leaseproces duidelijk had moeten zijn dat [gedaagde] een oplossing wilde, heeft ook te maken met de BKR registratie die [gedaagde] als gevolg van de schuld aan Dexia had. [gedaagde] heeft bijna achttien jaar een BKR registratie gehad. Zij heeft hier veel last van gehad. Door het gebrek aan communicatie en actie vanuit Leaseproces lijkt het erop dat Leaseproces onvoldoende oog heeft gehad voor de impact die de BKR registratie op het dagelijks leven van [gedaagde] had. Deze omstandigheid legt ook veel gewicht in de schaal.
d) Onvoldoende duidelijke communicatie
3.11.
Het was jarenlang onduidelijk voor [gedaagde] of en wanneer er een concrete oplossing zou (kunnen) komen in haar individuele zaak. De informatie die [gedaagde] de laatste jaren van Leaseproces ontving was namelijk of algemeen of onduidelijk. (Voetnoot 4) Het had op de weg van Leaseproces gelegen om [gedaagde] duidelijk en concreet advies te geven over de stand van zaken en de mogelijkheden in haar individuele zaak en concreet te vragen wat [gedaagde] wilde. Dit heeft Leaseproces onvoldoende gedaan.
e) [gedaagde] heeft kosten gemaakt voor het inschakelen van een financieel adviseur
3.12.
[gedaagde] wilde in verband met haar BKR registratie zo snel mogelijk een oplossing voor haar schuld aan Dexia. Maar Leaseproces bood onvoldoende duidelijkheid over het moment waarop een schikking mogelijk zou zijn en ondernam geen concrete actie richting Dexia. Het is dan ook begrijpelijk dat [gedaagde] zich genoodzaakt voelde een financieel adviseur in te schakelen voor advies en bijstand richting Dexia. Tegen advies van Leaseproces in, heeft [gedaagde] met de hulp van haar financieel adviseur een schikking met Dexia getroffen. [gedaagde] heeft hiervoor kosten gemaakt terwijl het aan Leaseproces was om deze werkzaamheden te verrichten. Ook die omstandigheid draagt bij aan de beslissing van de kantonrechter dat [gedaagde] niet het volledige percentage aan Leaseproces hoeft te betalen.
[gedaagde] moet de helft van het percentage betalen aan Leaseproces
3.13.
De in 3.8 tot en met 3.12 genoemde omstandigheden samen maken dat de kantonrechter beslist dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als [gedaagde] het volledige percentage aan Leaseproces moet betalen. [gedaagde] moet daarom de helft van het afgesproken percentage, namelijk een bedrag van € 2.469,04, aan Leaseproces betalen.
Afwijzing vordering op grond van onrechtmatige daad
3.14.
De kantonrechter zal de vorderingen van Leaseproces op grond van onrechtmatige daad afwijzen, omdat niet is gebleken dat [gedaagde] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Leaseproces. Leaseproces heeft niet aangetoond dat [gedaagde] Leaseproces met opzet heeft misleid door achter haar rug om een schikking te treffen met Dexia. Leaseproces was er namelijk van op de hoogte dat [gedaagde] dit wilde doen. Ook heeft Leaseproces niet aangetoond dat zij schade heeft geleden als gevolg van het handelen van [gedaagde] .
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
3.15.
Leaseproces vordert € 142,05 aan wettelijke rente vanaf de datum waarop [gedaagde] de factuur uiterlijk had moeten betalen (verzuim) tot en met 15 september 2025. De kantonrechter wijst de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW (Voetnoot 5) toe. Omdat slechts de helft van de gevorderde hoofdsom wordt toegewezen, is [gedaagde] alleen over dit bedrag de wettelijke rente verschuldigd. De verschuldigde wettelijke rente bedraagt tot en met 15 september 2025 € 71,03.
3.16.
[gedaagde] moet ook de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedrag van € 2.469,04 betalen vanaf 16 september 2025 tot de dag dat [gedaagde] Leaseproces volledig heeft betaald.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.17.
Leaseproces heeft buitengerechtelijke incassokosten gevorderd voor een bedrag van € 617,81. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat Leaseproces voldoende heeft gesteld en aangetoond dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Leaseproces heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW.
3.18.
De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom. Dat is het gevolg van een omstandigheid die zich na het versturen van de aanmaning heeft voorgedaan, namelijk het feit dat de kantonrechter de helft van de vordering afwijst. De kantonrechter zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom. Een bedrag van € 370,35 wordt daarom toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
Partijen moeten de kosten van deze procedure ieder voor zichzelf betalen
3.19.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3.20.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door Leaseproces is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Beslissing
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Leaseproces te betalen een bedrag van € 2.469,04, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Leaseproces te betalen een bedrag van € 71,03 aan wettelijke rente over de toegewezen hoofdsom als bedoeld in artikel 6:119 BW voor de periode van 25 maart 2025 tot en met 15 september 2025,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Leaseproces te betalen een bedrag van € 370,35 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.W. Zwart en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.