beschikking
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Toezicht
Locatie Utrecht
verzoek afkoelingsperiode
rekestnummer: 26-305 en 306
uitspraakdatum: 21 juli 2026
1. de besloten vennootschap
[verzoekster 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [verzoekster 1] ,
2. de besloten vennootschap
[verzoekster 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: [verzoekster 2] , advocaten: mr. drs. R.W.A. Brunninkhuis en mr. H. Verweij.
Verzoeksters zullen gezamenlijk [verzoeksters] worden genoemd.
1. mevrouw
[belanghebbende 1]
,
wonende te [woonplaats] (Griekenland), hierna te noemen: [belanghebbende 1] ,
advocaat: mr. R.H.J. Hoogeveen,
2. de heer
[belanghebbende 2] , wonende te [woonplaats] (Duitsland), hierna te noemen: [belanghebbende 2] , advocaten: mr. V. Vandersmissen en mr. N. Abdalla,
3. de vennootschap naar Belgisch recht
[belanghebbende 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] (België), hierna te noemen: [belanghebbende 3] , advocaat: mr. D.J.M. Kulk,
4. mevrouw
[belanghebbende 4]
,
wonende te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk),
hierna te noemen: [belanghebbende 4] , advocaat: mr. O.E. de Witt Wijnen.
Overwegingen
3.1.
De onderneming van [verzoeksters] houdt zich bezig met onder andere de inkoop, verkoop, en het onderhoud van (luxe) pleziervaartuigen. De activiteiten van [verzoeksters] vinden hun oorsprong in 1970. [verzoeksters] heeft dealerrechten voor onder andere de merken [naam] , [naam] en [naam] . [verzoekster 1] is belast met de commerciële activiteiten, waaronder de inkoop en verkoop van schepen en het verlenen van makelaarsdiensten bij aan- en verkooptransacties.
3.2.
[verzoeksters] heeft geen werknemers in dienst. [verzoekster 1] zet ongeveer 15 werknemers in, die in dienst zijn bij de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. Dit is een dochtermaatschappij van [verzoekster 2] .
3.3.
[verzoekster 2] is aandeelhouder van [verzoekster 1] en fungeert uitsluitend als holding. De commerciële activiteiten zijn ondergebracht in [verzoekster 1] .
3.4.
Bij [verzoekster 2] worden de belangrijkste balansmutaties veroorzaakt door de ontwikkeling van de deelnemingswaarden, de financiering van groepsmaatschappijen en de onderlinge rekeningcourantverhoudingen.
3.5.
De balans van [verzoekster 1] heeft betrekking op de periode 1 september 2024 tot en met 31 december 2025. Per 31 december 2025 houdt zij een voorraad met een balanswaarde van
€ 17,1 miljoen. Deze voorraad wordt in belangrijke mate gefinancierd door de vennootschap naar Duits recht akf bank GmbH & Co KG (AKF Bank), die daarvoor hypotheekrechten heeft verkregen op de betreffende schepen. De totale positie van AKF Bank per 31 december 2025 bedroeg ongeveer € 12,5 miljoen. (Voetnoot 1)
3.6.
De omzet over de periode 2023/2024 en 2024/2025 heeft in belangrijke mate bestaan uit de verkoop van schepen. Een veel beperkter deel bestaat uit gerealiseerde commissies:
3.7.
De totale schuldenlast van [verzoekster 1] bedraagt per 1 juni 2026 ongeveer € 47,3 miljoen. De totale schuldenlast van [verzoekster 2] bedraagt per 1 juni 2026 ongeveer € 12,1 miljoen.
Ontwikkelingen vanaf 31 december 2025
3.8.
In de eerste maanden van 2026 kwam de groep onder liquiditeits- en financieringsdruk te staan. Er was beperkt zicht op de financiële situatie als gevolg van wisselingen binnen het financiële team en uitval van de CFO. Twee maanden geleden is de huidige CFO aangetreden. Zij heeft nog geen controle of inzicht in alle bankrekeningen binnen de groep. De accountant heeft mede door achterstanden in de betaling pas laat een controle van de administratie uitgevoerd. Hierdoor werd in de eerste maanden van 2026 pas duidelijk dat over 2023/2024 geen winst, maar een verlies van € 1,4 miljoen was gerealiseerd en over 2024/2025 een verlies van € 5,9 miljoen.
3.9.
Als gevolg van de liquiditeitskrapte, heeft [verzoeksters] naar eigen zeggen haar betalingen beperkt tot uitgaven die noodzakelijk waren voor de voortzetting van de kernactiviteiten, het behoud van klantdossiers, de levering of verkoop van schepen en het voorkomen van verder waardeverlies.
3.10.
[verzoekster 1] is vanaf 31 december 2025 begonnen met het afbouwen van haar voorraadpositie. [verzoekster 1] gaat er vanuit dat dat, met de commerciële kennis, het relatiebestand en de verkoopvaardigheden van de heer Lengers, een belangrijke basis vormt voor de toekomstige voortzetting van haar onderneming. In verband hiermee beoogt [verzoekster 1] haar in- en verkoopactiviteiten te beperken en zich te richten op haar makelaarsactiviteiten. In mei werd een rapportage door [deskundige] opgesteld, waarin een aparte ‘relaunchstructuur’ wordt beschreven. Deze rapportage ondersteunt de focus op de makelaarsactiviteiten.
3.11.
Aan circa de helft van de werknemers is een voorstel gedaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Een Belgische verkooplocatie wordt afgebouwd en de huurovereenkomst is opgezegd. De Duitse activiteiten van de groep en de daarmee samenhangende vennootschappen worden voorbereid op beëindiging. Niet-essentiële online marketinguitgaven zijn beëindigd. De ITkosten worden verlaagd. Verder wordt onderzocht hoe het wagenpark kan worden verkleind, voor zover dit niet wordt belemmerd door op voertuigen rustende beslagen.
3.12.
Uit de balans blijkt dat per 31 mei 2026 [verzoekster 1] een voorraad houdt met een balanswaarde van € 9,4 miljoen. De vordering van AKF Bank per 31 december 2025 bedroeg ongeveer € 4,5 miljoen. (Voetnoot 2)
3.13.
[verzoeksters] heeft toegezegd binnen twee maanden aan hun schuldeisers en aandeelhouders, of een deel daarvan, een akkoord aan te bieden.
De positie van belanghebbenden
3.14.
Op 18 juni 2026 heeft [belanghebbende 1] een verzoek tot faillietverklaring van [verzoekster 1] ingediend. De behandeling van dit verzoek werd geschorst als gevolg van de voorlopig verleende afkoelingsperiode. Ook [belanghebbende 3] heeft een faillissementsverzoek tegen [verzoekster 1] ingediend.
3.15.
De rechtbank Amsterdam heeft op 10 maart 2026 [verzoekster 1] veroordeeld tot betaling aan [belanghebbende 2] van een bedrag € 42.470,36 (hoofdsom). [belanghebbende 2] heeft op 8 juni 2026 executoriaal beslag laten leggen op een aantal voertuigen (personenauto's, bedrijfsauto's en aanhangwagens) van [verzoekster 1] .
3.16.
[belanghebbende 4] stelt een vordering op [verzoekster 1] te hebben van € 736.000 in verband met gedane aanbetalingen. [belanghebbende 4] heeft op 26 juni 2026 conservatoir derdenbeslag gelegd op de bankrekeningen van [verzoekster 1] bij ING Bank en conservatoir beslag op de bedrijfsinventaris te [plaats] . Op 30 juli 2026 zal een kort geding tussen [verzoekster 1] en [belanghebbende 4] plaatsvinden ten overstaan van de Voorzieningenrechter in de Rechtbank Amsterdam.
4.1.
[verzoeksters] heeft het volgende gevraagd:
i. een voorshandse beslissing inhoudende een afkoelingsperiode met betrekking tot [verzoekster 1]
jegens [belanghebbende 1] , [belanghebbende 3] , [belanghebbende 4] en [belanghebbende 2] ; ii. een algehele afkoelingsperiode zoals bedoeld in artikel 376 Fw jegens derden voor een periode van twee maanden.
4.2.
Een verzoek tot opheffing van de door [belanghebbende 2] gelegde beslagen werd ter zitting ingetrokken.
4.3.
[verzoeksters] heeft ter onderbouwing van haar verzoek het volgende aangevoerd. [verzoeksters] verkeert in een toestand waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat zij met het betalen van haar schulden niet zal kunnen voortgaan. [verzoeksters] is begonnen met het voorbereiden van een akkoord. Het Whoa-traject heeft als doel de schuldenlast van [verzoeksters] op een gecontroleerde wijze terug te brengen tot een niveau dat past bij de toekomstige bedrijfsvoering. De vergelijking met een faillissementsscenario en de daarbij behorende liquidatiewaarde zullen nader worden onderbouwd in een waarderingsrapportage van [deskundige] .
4.4.
Een afkoelingsperiode is noodzakelijk om de activiteiten voort te zetten en een akkoord voor te bereiden. Mocht de rechtbank geen afkoelingsperiode afkondigen, dan zullen respectievelijk op
14 juli a.s. en 28 juli a.s. de door [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3] ingediende
faillissementsverzoeken worden behandeld. Een faillissement leidt tot onmiddellijke staking van de bedrijfsactiviteiten, verlies van de dealercontracten en daarmee tot aanzienlijke waardevernietiging.
4.5.
De gezamenlijke schuldeisers worden niet wezenlijk in hun belangen geschaad door de afkoelingsperiode. [verzoeksters] is in staat haar lopende verplichtingen te voldoen vanaf 1 juni 2026. Deze datum wordt als fixatiedatum gehanteerd. [verzoeksters] is niet in staat de tot de fixatiedatum opgelopen achterstanden te voldoen.
4.6.
De rechtbank wordt erop gewezen dat de balansen per 31 mei 2026 geen weerspiegeling zijn van een reguliere bedrijfsvoering. [verzoekster 1] bevindt zich in een versnelde reorganisatie- en afbouwfase: de voorraadpositie is sterk teruggebracht, afleververplichtingen zijn overgedragen aan betrokken werven (waaronder [naam] , [naam] en [naam] ), en de activa zijn gewaardeerd op de naar verwachting realiseerbare waarde.
4.7.
[verzoeksters] is, gelet op de overgelegde cashflowprognoses, in staat om de komende twee maanden aan haar lopende verplichtingen te voldoen. De prognoses zijn opgesteld op weekbasis en houden rekening met de thans bekende banksaldi, verwachte ontvangsten en uitgaven. Voor het geval de prognose onverhoopt negatief uitpakt, heeft de vennootschap naar buitenlands recht
(Singapore) [bedrijf 2] PTE Ltd. verklaard de eventuele tekorten te financieren. [bedrijf 2] heeft bereidheid uitgesproken om, bij het slagen van de Whoa-akkoorden, de verdere financiering van de herstructurering te ondersteunen in ruil voor een aandelenbelang in de groep van [verzoekster 1] .
4.8.
De verhaalspositie van de gezamenlijke schuldeisers verslechtert niet tijdens de afkoelingsperiode. De schuldenlast neemt niet toe ten opzichte van het beschikbare actief, nu geen nieuwe ‘pre-fixatie’ schulden worden opgebouwd maar de bestaande schulden worden bevroren.
4.9.
Ter zitting heeft [verzoeksters] verklaard dat zij, anders dan in de cashflowprognoses staat vermeld, geen betalingen zal doen aan de heer [E] .
5.1.
verzet zich tegen toewijzing van de verzochte afkoelingsperiode aan [verzoekster 1] . [verzoekster 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de afkoelingsperiode de belangen van de gezamenlijke schuldeisers dient. Uit de eigen liquiditeitsprognose van [verzoekster 1] volgt dat gedurende de beoogde afkoelingsperiode bestaande activa te gelde worden gemaakt en de daarmee gerealiseerde opbrengsten worden gebruikt voor lopende exploitatie-, reorganisatie- en advieskosten. Daarmee wordt verhaalsvermogen omgezet in liquiditeit en vervolgens verbruikt, zonder dat is onderbouwd dat dit leidt tot een hogere opbrengst voor de gezamenlijke schuldeisers dan in faillissement.
5.2.
Uit de cashflowprognose volgt dat [verzoekster 1] voor de maanden juli en augustus 2026 geen commissieinkomsten en geen overige opbrengsten voorziet. De geprognosticeerde totale ontvangsten bestaan nagenoeg volledig uit de verkoop van schepen. Deze verkopen kunnen ook in faillissement plaatsvinden.
5.3.
[belanghebbende 1] wordt in haar belangen geschaad als er geen faillissement wordt uitgesproken. Als de rechtbank een afkoelingsperiode gelast, dan meent [belanghebbende 1] dat het noodzakelijk is dat een observator wordt aangesteld. [verzoekster 1] is nog geen drie maanden vóór het indienen van een startverklaring jegens haar verplichtingen aangegaan. Binnen 17 dagen na de aanbetaling blijkt [verzoekster 1] niet langer in staat te betalen. [belanghebbende 1] heeft grote twijfels over de vraag of de bestuurder van [verzoekster 1] bij het aangaan van de verplichting jegens haar reeds wist of behoorde te weten dat [verzoekster 1] die verplichting niet zou kunnen nakomen en dat [verzoekster 1] onvoldoende verhaal bood. [belanghebbende 1] meent dan ook dat er goede gronden zijn om het bestuur van [verzoekster 1] aansprakelijk te houden.
5.4.
[belanghebbende 2] stelt zich op het standpunt dat het verzoek van [verzoekster 1] tot opheffing van de door hem gelegde beslagen moet worden afgewezen. Als een afkoelingsperiode wordt gelast, moet die worden beperkt, zodat [belanghebbende 2] tot uitwinning van de auto’s kan overgaan. Hij heeft hierbij als particulier (consument) belang en hij heeft een executoriale titel. Het is niet aannemelijk dat de voertuigen belangrijk zijn voor de voortzetting van de onderneming, met name niet nu een deel van die voertuigen niet voor de bedrijfsvoering worden gebruikt.
5.5.
[belanghebbende 4] vraagt de rechtbank het verzoek af te wijzen, althans de afkoelingsperiode zodanig te beperken dat haar verhaalspositie en het door haar gelegde conservatoire beslag en het door haar aanhangig gemaakte kort geding op 30 juli 2026 niet worden doorkruist.
5.6.
De cashflowprognose van [verzoekster 1] toont voor de komende twee maanden geen reguliere bedrijfsinkomsten, slechts opbrengsten uit de verkoop van voorraden. Deze opbrengsten worden aangewend voor exploitatielasten, forse marketinguitgaven en reorganisatiekosten. Per saldo neemt het voor schuldeisers beschikbare verhaalsvermogen af. Dat is niet de bedoeling van de afkoelingsperiode.
5.7.
[belanghebbende 3] heeft zich aangesloten bij de zienswijzen van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] .
5.8.
Uit de kasstroomprognose van [verzoekster 1] blijkt dat betalingen van telkens € 25.000 aan de heer [E] zijn voorzien. Het is niet duidelijk waarom deze betalingen gedurende de afkoelingsperiode wel worden voortgezet, terwijl de opeisbare vorderingen van andere schuldeisers onbetaald blijven. In aansluiting daarop heeft [belanghebbende 3] vernomen dat een schip (de [naam] ) mogelijk aan de heer [E] is of zal worden overgedragen ter gedeeltelijke voldoening van diens vordering.
6.1.
In de beschikking van 10 juli 2026 heeft de rechtbank haar bevoegdheid vastgesteld.
6.2.
Volgens artikel 376 Fw kan [verzoeksters] om een afkoelingsperiode vragen als zij een startverklaring heeft gedeponeerd en toezegt binnen twee maanden een akkoord te zullen aanbieden. Daaraan is voldaan. [verzoeksters] heeft in haar startverklaring gekozen voor een besloten akkoordprocedure. Zij heeft toegezegd binnen twee maanden een akkoord aan te bieden.
6.3.
Het verzoek van [verzoeksters] moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 376 lid 4 Fw. Daarin is bepaald dat een afkoelingsperiode wordt afgekondigd als aan drie vereisten is voldaan, namelijk (1) dat dit noodzakelijk is om de door de [verzoeksters] gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten of om de door [verzoeksters] gedreven onderneming door middel van een akkoord gecontroleerd af te kunnen wikkelen, (2) dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hierbij gediend zijn en (3) dat de door de afkoelingsperiode getroffen derden niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad.
Het verzoek van [verzoekster 2]
6.4.
Een afkoelingsperiode is over het algemeen slechts noodzakelijk als sprake is van een voldoende concrete dreiging van verhaals- of executiemaatregelen. Die noodzaak kan volgen uit onder meer aanhangige faillissementsverzoeken, aangekondigde beslagen of ontruimingen, of een dreigende stopzetting van essentiële diensten.
6.5.
[verzoekster 2] heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij wordt geconfronteerd met een reëel risico op maatregelen door schuldeisers. De stelling dat [verzoekster 2] vreest voor maatregelen, zonder enige concrete aanwijzing of onderbouwing, is onvoldoende om dit aan te nemen. [verzoekster 2] stelt borgstellingen te hebben afgegeven ten behoeve van verschillende schuldeisers van vennootschappen binnen de groep. Ter zitting heeft [verzoeksters] verklaard dat [verzoekster 2] ook borg staat voor (niet nader genoemde) schuldeisers van [verzoekster 1] voor een totaalbedrag van ongeveer € 1,8 miljoen. Uit niets blijkt echter dat er een reële dreiging is dat deze schuldeisers maatregelen zullen treffen. Uit het verzoek, noch uit de toelichting ter zitting volgt welke schuldeisers het betreft en welke maatregelen [verzoekster 2] vreest. [verzoekster 2] is een holding. Zonder nadere toelichting is niet aannemelijk dat eventuele toekomstige maatregelen jegens haar een bedreiging zouden vormen voor de voortzetting van de activiteiten van [verzoekster 1] .
6.6.
Het verzoek van [verzoekster 2] wordt daarom afgewezen.
Het verzoek van [verzoekster 1]
6.7.
De noodzaak van een afkoelingsperiode is wel voldoende aannemelijk in het geval van [verzoekster 1] . Verschillende schuldeisers hebben immers beslagen gelegd (conservatoir en executoriaal) en er lopen twee faillissementsverzoeken tegen [verzoekster 1] . Vervolgens is de vraag of de afkondiging van een afkoelingsperiode in het belang is van de gezamenlijke schuldeisers.
Liquidatie- of reorganisatieakkoord?
6.8.
Of een akkoord in het belang is van de gezamenlijke schuldeisers, hangt af van de vraag wat met dat akkoord wordt beoogd. Is sprake van een reorganisatie- of liquidatieakkoord? In het geval van een reorganisatieakkoord, is de toets of de gezamenlijke schuldeisers gebaat zijn bij de voortzetting van de onderneming. De meerwaarde van voortzetting is er dan in gelegen dat de reorganisatiewaarde (going concern) hoger is dan de waarde in het alternatieve scenario (faillissement). De rust van de afkoelingsperiode is nodig om deze hogere waarde voor de schuldeisers veilig te stellen. In het geval van een liquidatieakkoord is de toets of sprake is van een "duidelijke plus" ten opzichte van een reguliere afwikkeling door een curator in een faillissement. De schuldenaar moet concreet onderbouwen waarom een liquidatieakkoord meer opbrengt dan een faillissement, waarbij de enkele stelling dat faillissementskosten (zoals het salaris van een curator) worden bespaard, onvoldoende is en daarnaast mede gewicht toekomt aan het gegeven dat een curator onderzoek zal doen naar onregelmatigheden.
6.9.
Om vast te stellen wat nu de bedoeling is van [verzoekster 1] met het voorgestane akkoord, is niet uitsluitend van belang hoe zij dat akkoord presenteert. Het gaat hier om een beoordeling van alle omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen ook omstandigheden die in de aanloop naar de keuze
om een Whoa-traject te starten een rol spelen en zal steeds naar het geheel van de door de onderneming genomen reorganisatiemaatregelen moeten worden gekeken.
6.10.
[verzoekster 1] moet voldoende inzicht geven in deze omstandigheden. Over het algemeen kan zij daarbij volstaan met een weergave van de omstandigheden die zich hebben voorgedaan ten tijde van het deponeren van de startverklaring. Met het deponeren van een startverklaring wordt door een schuldenaar immers aangegeven dat wordt gestart met de voorbereiding van een akkoord. De bedoeling is dat dit moment zoveel mogelijk samenvalt met het moment waarop een schuldenaar weet of behoort te weten dat hij verkeert in een toestand waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat hij met het betalen van zijn schulden niet zal kunnen voortgaan zonder herstructurering. Wanneer de schuldenaar pas later een startverklaring deponeert, kan dit aanleiding zijn voor de rechtbank om ook de omstandigheden die zich voordien hebben voorgedaan bij de beoordeling te betrekken. (Voetnoot 3) Die situatie doet zich hier voor.
6.11.
De liquiditeitskrapte bestaat al vanaf januari 2026. [verzoekster 1] heeft verklaard dat zij is begonnen haar organisatie om te bouwen van in- en verkoop naar bemiddeling. De balans per datum startverklaring is, aldus [verzoekster 1] zelf, een weergave van een onderneming in transitie. Deze transitie heeft zij laten onderzoeken en wordt ondersteund in een (bij de rechtbank niet bekend) rapport van een adviseur ( [deskundige] ) uit mei 2026. In zoverre is sprake van een reorganisatieakkoord, waarbij wordt uitgegaan van een levensvatbare onderneming waarmee dus ook de meerwaarde kan worden gerealiseerd die hoort bij een toekomstige verdiencapaciteit (op basis van commissieomzet).
6.12.
Het voorgaande wijst op een reorganisatieakkoord. Echter, [verzoekster 1] is vanaf 2024 geleidelijk en vanaf december 2025 versneld, bezig haar voorraden te verkopen. De ‘oude’ in- en verkooporganisatie wordt geliquideerd. Ter zitting heeft [verzoekster 1] hierover verklaard dat het actief volledig is opgegaan aan betaling van voor de continuïteit van de onderneming noodzakelijke kosten. Dit is in de huidige cijfers niet meer terug te zien, omdat de kostenstructuur van de onderneming ook is gewijzigd. Het zo ingrijpend afbouwen van de organisatie duidt veeleer op een liquidatie van haar bestaande onderneming (in- en verkoop), waarbij activa te gelde worden gemaakt om schulden te voldoen. Uit de overgelegde kasstroomprognose blijkt ook niet dat [verzoekster 1] inmiddels de ‘nieuwe’ onderneming is gestart. Er is geen sprake van enige commissieomzet in de kasstoomprognose. De transacties tijdens de afkoelingsperiode zijn daarmee volledig op liquidatie van de onderneming gericht.
6.13.
Er zijn dus wel omstandigheden die erop wijzen dat [verzoekster 1] bezig is met de voorbereidingen van een reorganisatieakkoord, maar in materiële zin ligt de nadruk op dit moment nagenoeg volledig op de liquidatie van haar voorraden. Dit betekent dat [verzoekster 1] inzicht zal moeten geven in de vraag wat de meerwaarde van een akkoord is boven een faillissement.
Belangen gezamenlijke schuldeisers
6.14.
In de zienswijzen hebben schuldeisers gesteld dat de huidige verkoop van de voorraad evengoed in faillissement kan worden gerealiseerd. Deze stelling heeft [verzoekster 1] onvoldoende weersproken. Het is mogelijk dat bestaande dealercontracten zullen vervallen als de onderneming failliet gaat, maar niet duidelijk is waarom dit invloed zou hebben op de waarde van de voorraden. [verzoekster 1] heeft geen taxatie van die voorraden laten zien. Welke keuzes [verzoekster 1] heeft gemaakt bij het wel of niet betalen van schuldeisers gedurende 2026 is niet duidelijk, zodat onduidelijk is of voor de volledige betaling van sommige schuldeisers wel een redelijke grond heeft bestaan.
6.15.
Daar komt bij dat de verhaalspositie van de gezamenlijke schuldeisers gedurende de afkoelingsperiode verslechtert. Hierbij moet worden gekeken naar de positie van de schuldeisers op het moment dat de rechtbank een verzoek krijgt voorgelegd, ten opzichte van het scenario dat het beoogde akkoord op enig moment niet tot stand komt en alsnog een faillissement van de schuldenaar
volgt. Dit betekent dat de schulden van de onderneming in beginsel niet groter mogen worden ten opzichte van het beschikbare actief. Het gaat daarbij niet uitsluitend om de kaspositie van de schuldenaar, maar ook om mutaties in het werkkapitaal (veranderingen in voorraden, debiteuren en crediteuren). Wanneer in het kader van de herstructurering desinvesteringen zijn voorzien, moeten de effecten daarvan voor de gezamenlijke schuldeisers inzichtelijk worden. De goede en kwade kansen op een verslechtering van de positie van de gezamenlijke schuldeisers moeten vervolgens worden afgezet tegen de kansen dat een akkoord tot stand komt en de meerwaarde die daarvan is te verwachten. Indien er sprake is van een negatieve exploitatie tijdens het traject, moet er externe financiering beschikbaar zijn om dit op te vangen zonder dat daardoor op zichzelf de positie van de gezamenlijke schuldeisers verslechtert, bijvoorbeeld doordat het bestaande actief wordt uitgehold.
6.16.
[verzoekster 1] heeft een kasstroomprognose opgesteld. In de kasstroomprognose staat een fout, doordat enkele operationele uitgaven van de laatste periode niet werden afgetrokken van de opbrengst. De (gecorrigeerde) kasstroomprognose laat het volgende beeld zien:
Voorraadverkopen (na afdrachten financiers)
556.253
698.750
Kosten
Overbruggingskrediet
Herstructureringskosten
Totaal
-533.943
-522.068
50.000
50.000
-67.500
-122.500
4.810
104.182
6.17.
[verzoekster 1] heeft geen indirecte kasstroomprognose opgesteld. Het is daarom niet geheel duidelijk wat gedurende de afkoelingsperiode precies het verloop van het werkkapitaal is. Uit de toelichting van [verzoekster 1] ter zitting, volgt dat gedurende de afkoelingsperiode uitsluitend bestaande voorraden worden verkocht en geen nieuwe omzet wordt gerealiseerd. Er zijn geen commissie opbrengsten begroot.
6.18.
Uit deze kasstroomprognose volgt dat vrij actief wordt gerealiseerd van ruim € 1,2 miljoen door de verkoop van voorraden (schepen). Daarvan is een gedeelte van € 948.750 niet (geheel) zeker. Dit actief wordt voor een aanzienlijk deel gebruikt voor de voldoening van lopende kosten en is dus voor de gezamenlijke schuldeisers daarna niet meer beschikbaar. Uit niets blijkt dat door de voldoening van de lopende kosten, een omzet kan worden gerealiseerd (uit bijvoorbeeld commissieobrengsten) die deze afname van de voorraden kan compenseren.
6.19.
De stelling van [verzoekster 1] dat haar schuldenlast niet toeneemt, ‘omdat geen ‘pre-fixatie’ schulden worden toegevoegd’, miskent voorts dat ook schulden die ná de fixatiedatum ontstaan, kunnen opkomen in een eventueel faillissement. Bij een herstructurering geldt immers niet de regel dat, zoals bij het intreden van het faillissement, de rechtspositie van alle bij de boedel betrokkenen onveranderlijk wordt. (Voetnoot 4) In dit geval gaat de kasstroomprognose uit van een extra krediet van € 100.000 voor [verzoekster 1] . Het betreft een financiering van [bedrijf 2] , waarvan de voorwaarden – ondanks vragen daarover van de rechtbank – niet duidelijk zijn. De cash-toename van € 108.992 valt nagenoeg geheel weg tegen de extra schuld die door de overbruggingsfinanciering ontstaat. De voorraadpositie neemt ondertussen af met € 1,2 miljoen. Tegen deze achtergrond dient er op zijn minst een concreet uitzicht te bestaan op een akkoord dat een meerwaarde in deze orde van grootte biedt voor de gezamenlijke schuldeisers. Dat heeft [verzoeksters] niet aannemelijk gemaakt.
6.20.
De conclusie uit het voorgaande is dat de gezamenlijke schuldeisers niet bij een afkoelingsperiode zijn gebaat. De voorraden van [verzoekster 1] worden verkocht, terwijl daarvan uitsluitend financiers en lopende kosten worden voldaan. Het is niet aannemelijk dat tegenover deze vermindering van het actief een meerwaarde staat. Afkondiging van de afkoelingsperiode is daarom niet in het belang van de gezamenlijke schuldeiser.
6.21.
Het verzoek moet daarom worden afgewezen. Dit betekent dat de in de voorlopige voorziening afgekondige afkoelingsperiode zal eindigen. De voorwaardelijke verzoeken van schuldeisers om aanstelling van een observator behoeven geen beoordeling meer.