Rechtbank Midden-Nederland, kort geding civiel recht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:2227

Op 7 May 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een kort geding procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 12133808 LV EXPL 26-9 RD/960, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:2227. De plaats van zitting was Lelystad.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
12133808 LV EXPL 26-9 RD/960
Datum uitspraak:
7 May 2026
Datum publicatie:
7 May 2026

Indicatie

Kort geding, huur, hoofdverblijf huurder, aannemelijk dat huurder geen hoofdverblijf in het gehuurde heeft.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Lelystad

zaaknummer: 12133808 LV EXPL 26-9 RD/960

Kort geding vonnis van 7 mei 2026

inzake

de stichting

WOONSTICHTING CENTRADA,

gevestigd te Lelystad,

verder ook te noemen Centrada,

eisende partij,

gemachtigde: mr. L. Wanders,

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

gemachtigden: mr. K. van Polen en E. Visch.

1
De procedure
1.1.

Bij dagvaarding, met producties 1 tot en met 35, van 10 april 2026 is [gedaagde partij] opgeroepen voor de terechtzitting van 23 april 2026. Centrada heeft productie 36 ingediend. [gedaagde partij] heeft producties 1 en 2 ingediend.

1.2.

Op de zitting zijn namens Centrada [A] en [B] verschenen met de gemachtigde. [gedaagde partij] is verschenen met zijn gemachtigden.

1.3.

Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2
De feiten
2.1.

[gedaagde partij] huurt sinds 17 november 2023 van Centrada de woning aan [adres 1] te [woonplaats] . De woning heeft een oppervlakte van ongeveer 31 m2 en heeft één slaapkamer.

2.2.

De woning maakt onderdeel uit van een project voor aan Lelystad gebonden woningzoekenden die met spoed een woning nodig hebben.

2.3.

Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden woningen van toepassing.

2.4.

De dochter van [gedaagde partij] en haar minderjarige zoon verblijven in de woning.

2.5.

Centrada is in september 2025 een onderzoek gestart naar het hoofdverblijf van [gedaagde partij] .

3
Het geschil
3.1.

Centrada vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde partij] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis de woning staande en gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] , met al degenen die zich daarin bevinden en al datgene dat zich daarin bevindt te verlaten, te ontruimen en in oorspronkelijke, onbeschadigde, schone en lege staat op te leveren aan Centrada, onder afgifte van de sleutels aan Centrada, met het verbod de woning na de ontruiming opnieuw te betrekken c.q. te gebruiken;

II. in het geval [gedaagde partij] niet vrijwillig aan de onder I. gevraagde veroordeling tot ontruiming voldoet, en Centrada de ontruiming met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder zelf dient te bewerkstelligen, aan haar de kosten van ontruiming te voldoen op vertoning van en conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming;

III. [gedaagde partij] te veroordelen in de kosten van de procedure, met bepaling dat [gedaagde partij] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is vanaf acht dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening, alsmede tot betaling van de nakosten.

3.2.

Centrada voert aan dat zij uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar het hoofdverblijf van [gedaagde partij] . Daaruit blijkt dat [gedaagde partij] niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft. [gedaagde partij] heeft de huur niet op willen zeggen. Centrada vordert daarom ontruiming van de woning.

3.3.

[gedaagde partij] voert aan dat hij wel zijn hoofdverblijf in de woning heeft. Hij woont daar samen met zijn dochter en kleinzoon. Door zijn werk als taxichauffeur verblijft hij weliswaar onregelmatig in de woning, maar het is wel zijn hoofdverblijf.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Overwegingen

4
De beoordeling
Juridisch kader
4.1.

Voor toewijzing van een vordering in kort geding is om te beginnen vereist dat sprake is van een spoedeisend belang. Dat is hier het geval. Centrada heeft, zeker gelet op de doelgroepen voor deze woningen, een zwaarwegend belang bij spoedige duidelijkheid over de beschikbaarheid van de woning. [gedaagde partij] stelt daartegenover dat hij vermoedt dat Centrada van hem af wil, maar dit staat aan de spoedeisendheid niet in de weg.

4.2.

Een veroordeling tot ontruiming van woonruimte in kort geding is een maatregel die diep ingrijpt in het woonrecht, het woonbelang en de huurbescherming van een huurder. Daarom moet de kantonrechter terughoudend zijn met toewijzing van een dergelijke vordering.

4.3.

Dat betekent dat voor een veroordeling tot ontruiming in kort geding alleen plaats is als het zeer waarschijnlijk is dat die vordering in een bodemprocedure ook wordt toegewezen, en als de belangen van Centrada bij ontruiming van de woning zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde partij] bij behoud van de woning.

4.4.

In artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat iedere tekortkoming van de schuldenaar in de nakoming van zijn verplichtingen de schuldeiser de bevoegdheid geeft om de overeenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

4.5.

Centrada stelt dat [gedaagde partij] in strijd met artikel 6.3 van de huurvoorwaarden zijn hoofdverblijf niet in de woning heeft en daarmee tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst.

4.6.

Uitgangspunt is dat sprake is van het houden van hoofdverblijf in een woning, als het leven van de huurder zich in hoofdzaak in en vanuit de woning afspeelt. Daarbij is de plaats waar iemand regelmatig ’s nachts slaapt van grote betekenis. Bij de beoordeling of iemand op een bepaalde plaats zijn hoofdverblijf heeft, moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen.

De aannemelijkheid

4.7.

[gedaagde partij] voert aan dat de bewijslast met betrekking tot het hoofdverblijf bij Centrada ligt.

4.8.

Centrada doet een beroep op het bepaalde in artikel 6.5 van de huurvoorwaarden waarin is bepaald dat [gedaagde partij] , bij een vermoeden van Centrada dat hij niet het hoofdverblijf in de woning heeft, feiten en omstandigheden naar voren moet brengen en onderbouwen waaruit blijkt dat hij wel onafgebroken zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehad.

4.9.

Naar het oordeel van de kantonrechter ligt het niet op de weg van [gedaagde partij] om voldoende aannemelijk te maken dat hij wel steeds zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad, maar moet Centrada voldoende aannemelijk maken dat [gedaagde partij] niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad. Daarin is Centrada naar het oordeel van de voorzieningenrechter geslaagd.

Het hoofdverblijf

4.10.

Zoals hiervoor overwogen moet Centrada haar vordering aannemelijk maken. Centrada heeft haar vordering onderbouwd aan de hand van bezoeken aan het gehuurde, en het over een langere periode observeren van de woning van de (ex) partner van [gedaagde partij] , verklaringen van de complexbeheerder en buurtbewoners, camerabeelden en het gebruik van de toegangstag van [gedaagde partij] . Het onderzoek bestrijkt de periode van 16 september 2025 tot 1 april 2026.

4.11.

[gedaagde partij] voert aan dat door het onderzoek van Centrada een te grote inbreuk op zijn privacy is gemaakt en dat het bewijs als gevolg hiervan onrechtmatig is verkregen.

4.12.

De kantonrechter passeert dit verweer van [gedaagde partij] . Het onderzoek van Centrada is proportioneel geweest en van onrechtmatig verkregen (bewijs)materiaal is geen sprake. Niet aannemelijk is geworden dat Centrada slechts gegevens heeft overgelegd die haar standpunt onderbouwen of dat verklaringen van de complexbeheerder en buurtbewoners niet in overeenstemming zijn met de waarheid.

4.13.

[gedaagde partij] moet op grond van artikel 6.19 van de algemene huurvoorwaarden [gedaagde partij] toegang tot de woning verlenen bij controle op de naleving van de algemene huurvoorwaarden, waaronder het hebben van hoofdverblijf. Tijdens de huisbezoeken zijn foto’s gemaakt van de aangetroffen situatie. Hoewel dit een inbreuk is op de privacy van [gedaagde partij] , is deze in het kader van het onderzoek van Centrada niet ontoelaatbaar.

4.14.

Hetzelfde geldt voor de observaties van Centrada aan [adres 2] te [woonplaats] . Geconstateerd is slechts dat de door [gedaagde partij] gebruikte auto al dan niet bij dit adres geparkeerd stond.

4.15.

Aan de hand van de onder 4.10 genoemde onderbouwing is het voor de kantonrechter voldoende aannemelijk dat [gedaagde partij] niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning. Tijdens de huisbezoeken is geconstateerd dat slechts de dochter en de kleinzoon van [gedaagde partij] in de woning verbleven. [gedaagde partij] stelt weliswaar dat de slaapkamer door zijn dochter en kleinzoon wordt gebruikt en dat hij op de bank slaapt, maar dat is tijdens de huisbezoeken niet gebleken. [gedaagde partij] heeft in het kader van deze procedure weliswaar foto’s overgelegd waaruit zou moeten blijken dat hij wel in de woning verblijft en op de bank slaapt, maar onduidelijk is wanneer deze foto’s zijn gemaakt en de bank lijkt ook qua formaat niet geschikt voor regelmatig en langdurig gebruik als slaapplek. Uit de camerabeelden en het gebruik van de toegangstag blijkt dat [gedaagde partij] het wooncomplex vaak kortdurend betreedt. Dat hij dan steeds weg moet voor een taxirit lijkt niet aannemelijk en is door [gedaagde partij] ook niet onderbouwd, bijvoorbeeld aan de hand van een rittenoverzicht. Ook is hij overdag vaak slechts kortdurend in en om het complex aanwezig. Verder is over een langere periode geconstateerd dat de auto van [gedaagde partij] (langdurig) geparkeerd staat aan [adres 2] te [woonplaats] . Op grond van de combinatie van deze bevindingen vindt de kantonrechter het aannemelijk dat [gedaagde partij] niet zijn hoofverblijf heeft in het gehuurde.

4.16.

[gedaagde partij] weerspreekt de bevindingen van Centrada voor het overige slechts in algemene zin. Dit brengt de kantonrechter niet tot een ander oordeel.

4.17.

Tegenover het belang van [gedaagde partij] bij het behoud van zijn woning, staat het belang van Centrada om de woning te kunnen verhuren aan een (andere) huurder die wel hoofdverblijf houdt in de woning. De kantonrechter is van oordeel dat het belang van Centrada zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde partij] .

De ontruiming

4.18.

Op grond van al het voorgaande is aannemelijk dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Daarom zal [gedaagde partij] daarop vooruitlopend worden veroordeeld om het gehuurde te ontruimen.

4.19.

De minderjarige kleinzoon van [gedaagde partij] verblijft in de woning. Vooropgesteld wordt dat de belangen van minderjarige kinderen een eerste overweging moeten vormen op grond van artikel 3 van het Internationaal verdrag voor de rechten van het kind. Tot deze belangen behoort onder andere hun recht op huisvesting. Toch betekent dat niet dat een woning waarin kinderen wonen nooit zou mogen worden ontruimd. Hun belangen moeten worden afgewogen tegen de overige belangen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.

4.20.

De ontruiming heeft niet alleen voor [gedaagde partij] (en zijn dochter), maar ook voor zijn kleinzoon nadelige gevolgen. [gedaagde partij] (en zijn dochter) zijn wel zelf verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot ontruiming van de woning kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van [gedaagde partij] om de nadelige effecten van de ontruiming voor zijn kleinzoon zoveel mogelijk te beperken. Een vordering tot ontruiming is echter niet toewijsbaar als de ontruiming tot een acute noodtoestand voor de kleinzoon zou leiden. Dat die situatie zich voordoet, in die zin dat de kleinzoon bij een ontruiming letterlijk op straat komt te staan, is gesteld noch gebleken. [gedaagde partij] heeft niet weersproken dat zijn dochter en kleinzoon terug kunnen keren naar de woning aan [adres 2] te [woonplaats] .

4.21.

Vanwege de belangen van de minderjarige kleinzoon van [gedaagde partij] zal de ontruimingstermijn worden gesteld op één maand na betekening van het vonnis. Gelet op de omstandigheid dat [gedaagde partij] had kunnen anticiperen op de meermaals aangekondigde ontruimingsvordering, wordt dit een redelijke termijn geacht om aan de veroordeling tot ontruiming te voldoen.

De kosten

4.22.

[gedaagde partij] zal worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Centrada. Deze worden begroot op € 1.301,02, bestaande uit € 153,02 aan dagvaardingskosten, € 139,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. De wettelijke rente over de proceskosten is als niet weersproken als onderstaand toewijsbaar.

4.23.

Centrada heeft ook een vergoeding gevorderd voor de kosten van een eventuele gedwongen ontruiming van het gehuurde. Deze vordering is niet toewijsbaar. Op grond van de wet (artikel 237 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) kan de partij die ongelijk krijgt alleen worden veroordeeld tot betaling van kosten die vóór de uitspraak zijn gemaakt, dan wel kosten die nog niet zijn gemaakt maar zich al wel laten begroten. Dat is niet het geval bij ontruimingskosten. Deze kosten worden namelijk (mogelijk) na het ontruimingsvonnis gemaakt en laten zich niet op voorhand begroten. Op de datum van het ontruimingsvonnis staat nog niet vast of deze kosten gemaakt zullen worden en hoe hoog deze kosten mogelijk zullen zijn.

Beslissing

5
De beslissing

De kantonrechter:

geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

5.1.

veroordeelt [gedaagde partij] om binnen één maand na betekening van dit vonnis de woning staande en gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] , met al degenen die zich daarin bevinden en al datgene dat zich daarin bevindt te verlaten, te ontruimen en in oorspronkelijke, onbeschadigde, schone en lege staat op te leveren aan Centrada, onder afgifte van de sleutels aan Centrada, met het verbod de woning na de ontruiming opnieuw te betrekken c.q. te gebruiken;

5.2.

veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Centrada, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.301,02, waarin begrepen € 865,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling. Als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde partij] ook de kosten van betekening betalen;

5.3.

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.