Rechtbank Midden-Nederland, kort geding civiel recht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:2228

Op 7 May 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een kort geding procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 12104666 MV EXPL 26-26 RD/960, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:2228. De plaats van zitting was Almere.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
12104666 MV EXPL 26-26 RD/960
Datum uitspraak:
7 May 2026
Datum publicatie:
7 May 2026

Indicatie

kort geding, staking executie dwangsommen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

zaaknummer: 12104666 MV EXPL 26-26 RD/960

Kort geding vonnis van 7 mei 2026

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eisende partij] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [eisende partij] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. J.C. Vreugdenhil,

tegen:

1
[gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde sub 1] ,

en

2
[gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] (Costa Rica)

verder ook te noemen [gedaagde sub 2] ,

en

3
[gedaagde sub 3] ,

wonende te [woonplaats] (Costa Rica),

verder ook te noemen [gedaagde sub 3] ,

gedaagde partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. R. de Leeuw.

1
De procedure
1.1.

Bij dagvaarding, met producties 1 tot en met 17, van 14 april 2026 zijn [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] gedagvaard voor de terechtzitting van 23 april 2026. [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben een vordering in reconventie ingesteld met producties 1 tot en met 38.

1.2.

Op de zitting in Lelystad zijn namens [eisende partij] [A] en

[B] verschenen met de gemachtigde. Verder hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] de zitting via Teams bijgewoond en was hun gemachtigde in de zittingszaal aanwezig. [gedaagde sub 1] is niet verschenen.

1.3.

Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2
De feiten
2.1.

[eisende partij] drijft een jachthaven.

2.2.

[gedaagde sub 1] huurde daar een ligplaats voor zijn woonark.

2.3.

Bij e-mail van 29 november 2024 schrijft [eisende partij] het volgende aan [gedaagde sub 1] :

Naar aanleiding van uw verzoek d.d. 24 november jl. bericht ik u als volgt.

Huidige situatie:

U huurt op dit moment een ligplaats voor een woonschip met een afmeting van 11,90m x 4,40m. Deze

ligplaats omvat tevens het gebruiksrecht voor 1 parkeerplaats. De huidige jaarvergoeding voor het

voorgaande bedraagt € 3.321,=.

Ten westen van uw huidige woonark is een terras gesitueerd. Dit terras is momenteel geen onderdeel

van het gehuurde maar wordt wel door u gebruikt.

Nieuwe situatie:

Medio juni 2025 verwacht u dat uw nieuwe woonark arriveert. U krijgt hierbij toestemming uw

woonark te vervangen, Deze woonark is groter dan de bestaande ark en meet 12,09m x 4,59m.

Uitgangspunt is dat uw woonark ( [nummer] ) alleen via de ligplaats van [C] ( [nummer] ) vervangen kan

warden. Eventuele andere mogelijkheden zijn optioneel maar in eerste aanleg niet het uitgangspunt!

Wij hebben begrepen dat u voornemens bent het bestaande terras te vervangen en uit te breiden. Wij

stellen voor het water onder het terras tot het gehuurde te laten behoren. Dit watergedeelte mag

worden ingericht en gebruikt als een terras, zonder permanente bebouwing. Eventueel benodigde

vergunningen vanuit overheidswegen zijn voor rekening en risico van de huurder.

De afmetingen van het te bouwen terras is (na de herstructurering) maximaal 3,0m ten westen van uw

ark en een lengte van maximaal 12,0 m. Wij zullen hiervoor een allonge op de huurovereenkomst

opmaken, onder het voorbehoud dat partijen overeenstemming hebben over de

vierpartijenovereenkomst (zie onderstaand). Het totaal gehuurde waterperceel wordt daarmee

maximaal 91,50 m2.

Vierpartijenovereenkomst:

Gezien het feit dat u het voornemen heeft uw woonark te vervangen, zult u hiervoor in principe de

medewerking moeten hebben van [C] .

Door in principe te blijven liggen op dezelfde ligplaatsen, is het niet meer mogelijk dat woonschip [nummer] ( [D] & [E] ) zonder medewerking van [C] en u kan uitvaren / kan warden vervangen.

Bijgevoegd treft u in concept een vier partijenovereenkomst, welke als voorbehoud en als

kettingbeding voor jullie rechtsopvolgers, aan de huurovereenkomsten wordt gehecht waarin deze

afspraken warden verwoord tussen de eigenaren van [nummer] , [nummer] en [nummer] .

Huurprijzen:

Conform artikel 1.2 van de huurovereenkomst zal per de datum dat uw nieuwe woonark is afgemeerd

de huurprijs verhoogd warden, evenredig naar het oppervlakte van uw nieuwe ark en derhalve

€ 3.755,47 per jaar bedragen.

Per de datum van de herstructurering zal de huurprijs warden verhoogt conform artikel 13.2 van de

huurovereenkomst. De afronding van de herstructurering staat vooralsnog gepland op 1 juli 2025. De

huurprijs zal alsdan € 4.131,02 per jaar gaan bedragen.

2.4.

Bij vonnis van 12 november 2025 is [gedaagde sub 1] gemachtigd om [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in zijn plaats te stellen als huurder van de ligplaats [nummer] in de jachthaven van [eisende partij] .

2.5.

Verder is [eisende partij] in dit vonnis veroordeeld om toe te staan dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] na de indeplaatsstelling de nieuwe woonark afmeren op ligplaats [nummer] . Dit onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag of elk dagdeel dat [eisende partij] hieraan niet voldoet met een maximum van € 100.000,00.

2.6.

Het vonnis is op 3 december 2025 aan [eisende partij] betekend.

2.7.

Bij exploot van 10 februari 2026 maken [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] aanspraak op betaling door [eisende partij] van € 64.000,00 omdat [eisende partij] zich in de periode van 8 december 2025 tot en met 10 februari 2026 niet aan de veroordeling in het vonnis van 12 november 2025 zou hebben gehouden.

2.8.

[eisende partij] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 12 november 2025.

2.9.

De nieuwe woonark is op 2 april 2026 in de jachthaven afgemeerd.

3
Het geschil
3.1.

[eisende partij] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk te bevelen om met onmiddellijke ingang de executie van alle op 10 februari 2026 bij exploot aangezegde dwangsommen te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 100.000,00;

II. kosten rechtens.

3.2.

In reconventie vorderen [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] om [eisende partij] te veroordelen tot betaling van de baggerkosten van € 6.050,00 binnen drie dagen na het te wijzen vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het vonnis tot aan de dag van de voldoening en [eisende partij] te veroordelen in de kosten van de procedure in reconventie.

3.3.

[eisende partij] is van mening dat zij in overeenstemming met het vonnis heeft gehandeld en daarom geen dwangsommen is verschuldigd. Het verbeuren en executeren van dwangsommen zou grote gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering van [eisende partij] .

3.4.

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] voeren aan dat van [eisende partij] bij de uitvoering van het vonnis een actieve houding verwacht mocht worden. [eisende partij] heeft echter maandenlang geweigerd om de fysieke belemmeringen weg te nemen die het in- en uitvaren van de oude en de nieuwe ark belemmerden en om de ligplaats door middel van baggeren toegankelijk te maken voor de nieuwe ark. Als gevolg van haar passieve houding heeft [eisende partij] niet aan het vonnis van 12 november 2025 voldaan en is zij dwangsommen aan [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] verschuldigd.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Overwegingen

4
De beoordeling in conventie en in reconventie
4.1.

Gelet op de samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk beoordeeld worden.

Het juridisch kader

4.2.

De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 1] niet in deze procedure is verschenen. Artikel 140 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat wanneer er meerdere gedaagden zijn en één of meer gedaagden niet verschijnen, de rechter toch één eindvonnis wijst ten aanzien van alle partijen. Dit vonnis wordt tegen alle betrokkenen als een vonnis op tegenspraak beschouwd.

4.3.

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] wonen in Costa Rica. De zaak heeft daarom een internationaal

karakter, zodat eerst de vraag moet warden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd

is van de vordering kennis te nemen, en welk recht toepasselijk is.

4.4.

De Nederlandse rechter is op grond van artikel 24 van de in deze zaak toepasselijke

Verordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX-Vo 2012) bevoegd van de vordering kennis te nemen, omdat de zaak gaat over de huur van een onroerende zaak (een ligplaats) die in

Nederland is gelegen.

4.5.

Partijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. De kantonrechter

begrijpt daaruit, en uit de op het Nederlandse recht gebaseerde stellingen van partijen, dat

partijen voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen.

De toetsing

4.6.

In een executiegeschil als dit, waarin het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd, omdat een veroordeling niet of onvoldoende is nageleefd, beperkt de kantonrechter zich ertoe de ter uitvoering van de veroordelende beslissing verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij moet tevens een eventueel restitutierisico betrokken worden.

4.7.

De inhoud van de veroordeling moet worden uitgelegd aan de hand van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid. Ook de processtukken van partijen kunnen daarbij een rol spelen. Bij uitleg moeten het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer worden genomen, omdat de veroordeling niet verder strekt dan het bereiken van het daarmee beoogde doel. Als een veroordeling algemeen is geformuleerd, kunnen de omstandigheden van het geval aanleiding zijn om de door de veroordeling vereiste prestatie zo uit te leggen dat deze alleen is verricht als daar geen twijfel over mogelijk is. Ten slotte kunnen ook de maatstaven van redelijkheid en billijkheid van belang zijn.

4.8.

Daarbij moet de kantonrechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtlijn nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.

4.9.

De kantonrechter kan geen oordeel geven over de juistheid van de rechterlijke beslissing die ten uitvoer wordt gelegd of van de onderliggende rechtsoverwegingen.

4.10.

In dit kort geding worden dus de door [eisende partij] ter uitvoering van het afmeren van de nieuwe woonark verrichtte handelingen getoetst aan het vonnis van 12 november 2025 om te bepalen of zij dwangsommen heeft verbeurd. Als [eisende partij] daaraan heeft voldaan, is de dreigende executie onrechtmatig. Daarbij is van belang dat een vordering in een kort geding alleen kan worden toegewezen als het voldoende aannemelijk is dat de vordering ook in de bodemprocedure zal worden toegewezen. Bij een dreigende onrechtmatigheid kan een verbod worden toegewezen. Het ligt op de weg van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] om aannemelijk te maken dat [eisende partij] onvoldoende medewerking heeft verleend.

4.11.

[eisende partij] voert aan dat met [gedaagde sub 1] afspraken zijn gemaakt over het afvoeren van de oude ark en het afmeren van de nieuwe ark. Deze afspraken zijn vastgelegd in de brief van 29 november 2024. Deze afspraken gelden ook voor [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . Deze afspraken is [eisende partij] naar haar mening nagekomen. [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] stellen nu extra eisen en willen kosten ten onrechte voor rekening van [eisende partij] brengen.

4.12.

[gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] brengen naar voren dat over de inhoud van de brief van 29 november 2024 geen overeenstemming bestaat. Om te voldoen aan het vonnis van 12 november 2025 moeten steigers en afmeerpalen verwijderd worden en gebaggerd worden. Deze kosten moeten voor rekening van [eisende partij] als verhuurder komen. [eisende partij] werkt hier ten onrechte niet aan mee. Als gevolg hiervan is het proces van in- en uitvaren door toedoen van [eisende partij] vertraagd en zijn dwangsommen verbeurd.

4.13.

De kantonrechter overweegt als volgt.

4.14.

Met betrekking tot het afmeren van de nieuwe woonark heeft de kantonrechter in het vonnis van 12 november 2025 het volgende overwogen:

[gedaagde c.s.] vordert ook dat hij de nieuwe woonboot mag afmeren en dat [eisende partij] hieraan medewerking zal verlenen.

[eisende partij] heeft tegen deze vordering geen inhoudelijk verweer gevoerd in de situatie dat de indeplaatsstelling wordt toegewezen.

In artikel 1.2 van de huurovereenkomst staat dat, indien gewenst, de maten van de woonboot vergroot mogen worden tot maximaal 13 meter lang en 5 meter breed. Bij brief van 29 november 2024 heeft [eisende partij] aan [gedaagde sub 1] toestemming gegeven om de woonboot te vervangen voor een nieuwe woonboot. [eisende partij] stelt dat deze toestemming later is ingetrokken. Voor zover toestemming van de verhuurder voor vervanging van de woonboot überhaupt al nodig is, gelet op artikel 1.2 van de huurovereenkomst, heeft [eisende partij] geen goede reden gegeven waarom zij haar toestemming heeft ingetrokken. De kantonrechter is het daarom met [gedaagde c.s.] eens dat deze intrekking in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben inmiddels ook een ontheffing op de

Woonschepenverordening overgelegd. De kantonrechter zal [eisende partij] daarom veroordelen

om toe te staan dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] de nieuwe woonboot na de indeplaatsstelling op de

ligplaats afmeren.

4.15.

Voorshands wordt niet aangenomen dat [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] gebonden zijn aan eventueel op 29 november 2024 gemaakte afspraken. [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] betwisten dat op 29 november 2024 afspraken zijn gemaakt over het in- en uitvaren. Wat daar ook van zij, uit de onder 4.14 opgenomen overwegingen van de kantonrechter blijkt dat [eisende partij] de toestemming voor de vervanging van de woonark in heeft willen trekken. Zij voelde zich dus blijkbaar niet gebonden aan de door haar gestelde afspraken. De kantonrechter is weliswaar niet meegegaan in de intrekking van de toestemming, maar voorshands is niet aannemelijk dat de door de kantonrechter gegeven toestemming tot het afmeren van de nieuwe woonark onder dezelfde voorwaarden is toegewezen, als op 29 november 2024 door [eisende partij] is verwoord.

4.16.

[gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn van oordeel dat [eisende partij] in de e-mail van 8 december 2025 te kennen heeft gegeven niet mee te zullen werken aan de veroordeling van 12 november 2025. De kantonrechter volgt hen niet in dit standpunt. Voornoemde e-mail start met de opmerking van [eisende partij] dat zij uitvoering geeft aan het vonnis en toestaat dat de nieuwe woonark afgemeerd wordt op de ligplaats. Verder valt de e-mail aan te merken als de zienswijze van [eisende partij] op de uitvoering van het vonnis van 12 november 2025 en bevat de e-mail een verzoek om een planning van de werkzaamheden, opgave van de beoogde aannemer en een tekening van de plaatsing van de afmeerpalen. [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] nemen in hun reactie van 15 december 2025 ook niet het standpunt in dat [eisende partij] weigert mee te werken aan het afmeren van de nieuwe woonark. Dat de dwangsom vanaf 8 december 2025 verbeurd wordt is daarmee niet aannemelijk geworden.

4.17.

Bovendien is de kantonrechter voorshands van oordeel dat [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet in redelijkheid kunnen verlangen dat [eisende partij] de kosten van het in- en uitvaren voor haar rekening neemt. Uit het vonnis en de aanvankelijk tussen partijen gewisselde stukken blijkt dit standpunt van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet uitdrukkelijk. Dat een dergelijke verplichting voortvloeit uit de rol van [eisende partij] als verhuurder is niet op voorhand aannemelijk.

4.18.

Gelet op het bovenstaande komt de kantonrechter dan ook tot het oordeel, mede in aanmerking nemend dat mogelijk een restitutierisico aan de zijde van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] bestaat, dat de executie van de dwangsommen gestaakt moet worden en gestaakt moet blijven.

4.19.

De dwangsom die in dit vonnis zal worden verbonden aan het bevel om de executie te staken, zal als onderstaand gemaximeerd worden.

4.20.

In reconventie vorderen [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] betaling van [eisende partij] van € 6.050,00 aan baggerkosten. Deze kosten moesten zij maken omdat de ligplaats [nummer] te ondiep was voor de nieuwe ark. Deze kosten moeten volgens [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] voor rekening van [eisende partij] komen.

4.21.

De kantonrechter wijst deze vordering gelet op het oordeel in conventie af. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat er een spoedeisend belang bestaat bij toewijzing van deze vordering en is onduidelijk of er mogelijk een restitutierisico aan de zijde van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] bestaat.

De kosten

4.22.

[gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] worden zowel in conventie als in reconventie veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eisende partij] . Deze worden in conventie begroot op

€ 1.276,24, bestaande uit € 128,24 aan dagvaardingskosten, € 139,00 aan griffierecht,

€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. In reconventie worden de kosten begroot op nihil.

Beslissing

5
De beslissing

De kantonrechter:

geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

In conventie:

5.1.

beveelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om met onmiddellijke ingang de executie van alle op 10 februari 2026 bij exploot aangezegde dwangsommen te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 50.000,00;

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eisende partij] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.276,24, waarin begrepen € 865,00 aan salaris gemachtigde. Als [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij ook de kosten van betekening betalen;

5.3.

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

In reconventie:

5.5.

wijst de vordering af;

5.6.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in de kosten aan de zijde van [eisende partij] , tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.