RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12213252 \ MV EXPL 26-62
Vonnis in kort geding van 25 juni 2026
WOONSTICHTING GOEDESTEDE,
gevestigd te Almere,
eisende partij,
gemachtigde: mr. T. Mulder,
[gedaagde partij]
in hoedanigheid van bewindvoerder van de heer [onderbewindgestelde], wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen.
Partijen worden hierna GoedeStede en [gedaagde partij] of de bewindvoerder genoemd.
De onderbewindgestelde wordt [onderbewindgestelde] genoemd.
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 mei 2026 met 14 producties;
- de nadere producties 15 en 16 van GoedeStede.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Namens GoedeStede is verschenen mevrouw [A] , consulent leefbaarheid (hierna: [A] ), bijgestaan door mr. L. Wanders (kantoorgenote van mr. T. Mulder). Namens de bewindvoerder is verschenen mr. E.D. van Tellingen. [onderbewindgestelde] is ook verschenen. Partijen hebben hun standpunten (aan de hand van overgelegde aantekeningen) toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.
1.3.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.
Overwegingen
3.1.
In een kort geding moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang. De kantonrechter is van oordeel dat hiervan voldoende is gebleken, gelet op de aard van de vordering tot ontruiming en de omstandigheid dat, na de sluiting van de woning door de burgemeester, de huurovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden door GoedeStede. Dit brengt namelijk met zich dat [onderbewindgestelde] op dit moment zonder recht of titel in de woning verblijft. Dat er enige tijd zit tussen de ontbinding en de dagvaarding doet niet af aan het spoedeisend belang. In de tussenliggende periode hebben partijen namelijk gecorrespondeerd over een vrijwillige opzegging zodat dit kort geding kon worden voorkomen.
Ontruiming in kort geding
3.2.
Toewijzing van de ontruiming in kort geding heeft het verstrekkende (en in de praktijk vaak onomkeerbare) gevolg dat de huurder zijn woning verliest. Daarom is voor toewijzing in kort geding vereist dat het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat de bodemrechter de ontruiming eveneens zal toewijzen in een bodemprocedure.
Toetsingskader buitengerechtelijke ontbinding
3.3.
Door het sluitingsbesluit van de burgemeester is GoedeStede bevoegd om op grond van artikel 7:231 lid 2 BW tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst over te gaan. Omdat de bewindvoerder zich niet hierbij neerlegt, moet de kantonrechter, als daartoe voldoende is aangevoerd, beoordelen of de ontbinding of de ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW) en of GoedeStede haar bevoegdheid tot ontbinding heeft misbruikt (art. 3:13 BW). Bij de beoordeling hiervan moet de kantonrechter ook een belangenafweging maken, waarbij onder meer kunnen worden betrokken de aard en ernst van de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot sluiting van de woning door het bevoegd gezag en in hoeverre de huurder een verwijt kan worden gemaakt van deze feiten en omstandigheden. (Voetnoot 2)
De buitengerechtelijke ontbinding kan in stand blijven
3.4.
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de buitengerechtelijke ontbinding in stand kan blijven.
3.5.
Vooropgesteld wordt dat sprake is geweest van een heftig incident, dat aanleiding is geweest voor de woningsluiting. Op 29 november 2025 heeft namelijk bij een juwelier in de nabije omgeving van de woning een gewelddadige overval plaatsgevonden door drie overvallers. Direct na de overval werd één verdachte op straat aangehouden en werd bij hem een vuurwapen aangetroffen. De twee andere verdachten zijn gevlucht naar de woning van [onderbewindgestelde] en vervolgens door het arrestatieteam in de woning aangehouden. Daarbij is in de prullenbak in de woning een vuurwapen aangetroffen dat is gebruikt tijdens de overval. Uit de overgelegde (aanvullende) bestuurlijke rapportage van de politie van 2 (en 10) december 2025 (hierna: de rapportage) en het overgelegde nieuwsartikel (productie 5) volgt dat de overval de openbare orde ernstig heeft verstoord: de locatie was middenin een winkelstraat waar veel mensen aanwezig waren.
3.6.
Verder volgt uit de rapportage dat toen het arrestatieteam voor de deur van de woning stond [onderbewindgestelde] verklaarde dat hij lag te slapen met zijn vriendin en dat hij niet wist dat twee jongens in zijn woning aanwezig waren. De kantonrechter acht dit ongeloofwaardig. Uit de rapportage (pagina 2) volgt namelijk dat uit onderzoek is gebleken dat twee van de drie overvallers vóór de overval uit het portiek van de woning kwamen en dat ná de overval de centrale toegangsdeur direct na aanbellen werd geopend waarop de twee verdachten naar binnen gaan.
3.7.
Op de mondelinge behandeling heeft [onderbewindgestelde] zijn verklaring genuanceerd: [onderbewindgestelde] wist wel dat hij de jongens had binnengelaten, maar wat daarna is gebeurd weet hij niet, omdat hij verder ging slapen. Echter, voorafgaand aan het binnentreden van de woning heeft het arrestatieteam via de megafoon omgeroepen dat alle bewoners binnen moesten blijven, cirkelde een helikopter boven het gebied, werd de openbare weg afgezet en werden meerdere politieauto’s ingezet. Ook is de kleding die gebruikt was tijdens de overval aangetroffen in de wasmachine van [onderbewindgestelde] , die op dat moment aan het draaien was. Dat [onderbewindgestelde] van niks wist omdat hij lag te slapen, acht de kantonrechter onder deze omstandigheden dan ook ongeloofwaardig en kan daarom – ook bij gebrek aan onderbouwing – niet worden gevolgd. Bovendien heeft [onderbewindgestelde] op de mondelinge behandeling verklaard dat de jongens van de overval een dag ervoor op een feestje bij hem thuis waren en drugs gebruikten.
3.8.
Maar ook als ervan moet worden uitgegaan dat [onderbewindgestelde] geen enkele betrokkenheid had bij of wetenschap had van de overval en het vuurwapen, kan dit niet afdoen aan zijn aansprakelijkheid voor de gedragingen van derden die met zijn goedvinden in de woning verblijven. Ook na de heropening van de woning op 1 april 2026 heeft [onderbewindgestelde] zijn woning laten gebruiken door personen die zich bezighouden met drugshandel. GoedeStede heeft in dit kader een e-mail overgelegd van [A] (productie 15) met een verslag naar aanleiding van haar contacten met de wijkagent [wijkagent] . Hieruit volgt onder meer dat op 15 mei 2026 een drugsdealer is aangehouden die aangaf te verblijven in de woning van [onderbewindgestelde] en een sleutel van de woning te hebben. Op 21 mei 2026 is [A] met de wijkagent naar de woning gegaan waar zij een andere bekende drugsdealer aantroffen, die aangaf dat hij van [onderbewindgestelde] in de woning mocht verblijven. Verder is geconstateerd dat de twee slaapkamers zijn voorzien van cilindersloten (productie 16), hetgeen ook een indicatie is dat [onderbewindgestelde] zijn woning in gebruik geeft. Ook geeft [A] aan dat op 1 juni 2026 een melding is ontvangen van een bewoner die aangaf dat de woning wordt betreden door verschillende personen die betrokken zijn bij “straatactiviteiten” en die kennelijk ook de sleutel hebben. Weliswaar heeft de bewindvoerder voornoemde meldingen betwist, maar zij heeft, hoewel dit op haar weg lag, geen enkel stuk in het geding gebracht dat deze meldingen ontkracht. Aan de blote betwisting moet dan ook worden voorbijgegaan. Bovendien heeft GoedeStede de onderliggende verklaringen van de wijkagent voorgelezen op de mondelinge behandeling en de inhoud daarvan komt overeen met voornoemde e-mail van [A] .
3.9.
Anders dan [onderbewindgestelde] meent, kan het incident met de overval dus niet worden gezien als een op zichzelf staand incident. Niet alleen ná de heropening van de woning, maar ook in het verleden zijn vele (drugsgerelateerde) meldingen bij de politie gedaan vanwege overlast door drugsdealer en -gebruikers die [onderbewindgestelde] toelaat in zijn woning. (Voetnoot 3) Het valt [onderbewindgestelde] te verwijten dat hij onvoldoende toezicht houdt op zijn woning dan wel zijn woning nog steeds laat gebruiken door verschillende personen die zich bezighouden met drugsgerelateerde activiteiten. Dit geldt des te meer omdat de overval een heftige impact heeft gemaakt op de buurt. De gemeente heeft daarom ook besloten om sinds 1 april 2026 cameratoezicht in de omgeving in te stellen en politie en handhavers in te zetten om de drugsgerelateerde overlast aan te pakken.
3.10.
De bewindvoerder heeft verder aangevoerd dat de bezwaarprocedure nog loopt tegen de sluiting van de woning, maar dit verweer kan [onderbewindgestelde] niet baten. Het sluitingsbesluit hoeft namelijk niet onherroepelijk te zijn. De feitelijke sluiting van het gehuurde vormt de grondslag voor de buitengerechtelijke ontbinding, zodat de verhuurder niet behoeft te wachten tot het sluitingsbesluit onherroepelijk is geworden om tot buitengerechtelijke ontbinding over te gaan. (Voetnoot 4) De civiele rechter dient niet te treden in de beoordeling van het bestuursrechtelijke besluit tot sluiting van een woning. (Voetnoot 5)
Ontruiming wordt toegewezen
3.11.
Uit het voorgaande volgt dat er onvoldoende omstandigheden naar voren zijn gebracht waaruit blijkt dat GoedeStede naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen gebruik heeft mogen maken van haar ontbindingsbevoegdheid. Dat sprake is van misbruik van bevoegdheid is niet gesteld, maar ook niet gebleken. Ook een belangenafweging kan de bewindvoerder niet baten. De kantonrechter begrijpt dat ontruiming ingrijpende gevolgen voor [onderbewindgestelde] heeft, maar de kantonrechter moet ook rekening houden met de zwaarwegende belangen van GoedeStede en haar andere huurders die daar wonen. Dit belang weegt extra zwaar sinds het incident met de overval. GoedeStede moet immers zoveel mogelijk zorgen voor het rustig en veilig huurgenot van haar huurders. GoedeStede heeft er belang bij dat haar andere huurders niet (nog) langer overlast hoeven te ondervinden van [onderbewindgestelde] en de mensen die hij nog steeds in zijn woning toelaat. De belangen van GoedeStede en haar andere huurders wegen in dit geval zwaarder dan het belang van [onderbewindgestelde] bij woningbehoud. Bij deze stand van zaken is het hoogst waarschijnlijk dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat de huurovereenkomst terecht buitengerechtelijk is ontbonden.
Van GoedeStede kan dus niet worden gevergd dat de uitkomst van een (lange) bodemprocedure wordt afgewacht. De gevorderde ontruiming is daarom – vooruitlopend op de bodemprocedure – toewijsbaar.
3.12.
Omdat de vordering tot ontruiming op basis van de primaire grondslag wordt toegewezen, behoeft de subsidiaire grondslag van de vordering (ontbinding wegens gestelde tekortkomingen) geen verdere behandeling.
3.13.
De ontruimingstermijn zal worden bepaald op zeven dagen zoals is gevorderd.
De bewindvoerder heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die een langere ontruimingstermijn rechtvaardigen. Bovendien is geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen deze termijn en heeft (de bewindvoerder van) [onderbewindgestelde] er al geruime tijd rekening mee kunnen houden dat de woning moet worden ontruimd.
De bewindvoerder moet de proceskosten betalen
3.14.
De bewindvoerder van [onderbewindgestelde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van GoedeStede worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
151,94
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus eventuele betekeningskosten)
Totaal
€
1.299,94
3.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.16.
GoedeStede vordert tot slot dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Hierbij moet worden beoordeeld of de belangen van GoedeStede bij tenuitvoerlegging van het vonnis zwaarder wegen dan het belang van [onderbewindgestelde] bij behoud van de bestaande toestand tot het einde van de beroepstermijn of tot op een eventueel in te stellen rechtsmiddel is beslist. Dit is niet het geval, gezien hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3.11 is overwogen. Daarom zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
Beslissing
De kantonrechter, rechtdoende in kort geding
4.1.
veroordeelt [gedaagde partij] , in haar hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder van [onderbewindgestelde] , om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te [woonplaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van GoedeStede zijn, en de sleutels af te geven aan GoedeStede, met het verbod de woning na de ontruiming opnieuw te betrekken c.q. te gebruiken;
4.2.
veroordeelt de bewindvoerder van [onderbewindgestelde] in de proceskosten van € 1.299,94, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
4.3.
veroordeelt de bewindvoerder van [onderbewindgestelde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening zijn betaald;
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.