RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12318464 \ MV EXPL 26-103
Vonnis in kort geding van 14 september 2026
de besloten vennootschap
[eiser]
,
woonplaats kiezend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] (in vrouwelijk enkelvoud),
gemachtigde: mr. H.C. Uittenbogaart,
1. de vennootschap onder firma
[gedaagde sub 1]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2] , in zijn hoedanigheid van vennoot van gedaagde sub1,
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,3. [gedaagde sub 3] , in zijn hoedanigheid van vennoot van gedaagde sub 1,
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden c.s] ,
niet verschenen.
Overwegingen
3.1
[gedaagden c.s] is niet verschenen. Tegen [gedaagden c.s] is daarom verstek verleend. Door de verstekverlening moeten de vorderingen van [eiser] worden toegewezen, tenzij deze de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
3.2
Een voorziening in kort geding kan alleen worden toegewezen als de partij die de voorziening vordert, daarbij een spoedeisend belang heeft. [eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van haar vorderingen, omdat de huur al meerdere maanden niet wordt betaald en het er niet naar uitziet dat de huurbetaling op (korte) termijn zal worden hervat, waardoor de huurachterstand verder zal oplopen. Van [eiser] kan daarom niet worden verlangd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
3.3
De vorderingen tot ontruiming, tot het zelf mogen laten ontruimen door een deurwaarder als [gedaagden c.s] niet tot ontruiming overgaat, tot betaling van de huurachterstand met de wettelijke handelsrente en tot betaling van € 1.048,50 exclusief btw per maand tot aan het tijdstip dat het gehuurde is ontruimd, komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. De kantonrechter is van oordeel dat die vorderingen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Op die te verwachten beslissing kan in dit kort geding worden vooruitgelopen. Dit betekent dat de vorderingen zullen worden toegewezen, met dien verstande dat de vordering tot betaling van de huurachterstand wordt toegewezen tot een bedrag van € 10.149,52. [eiser] heeft op de zitting aangegeven dat dat op de dag van de zitting de actuele huurachterstand was. [gedaagden c.s] zal worden veroordeeld om het gehuurde binnen veertien dag na betekening van dit vonnis te ontruimen.
3.4
De vordering tot betaling van de ontruimingskosten als [gedaagden c.s] niet aan de veroordeling tot ontruiming voldoet en [eiser] de ontruiming zelf doet uitvoeren door een gerechtsdeurwaarder, is niet toewijsbaar. Dit zijn kosten die pas na de uitspraak ontstaan en waarvan de omvang en de verschuldigdheid op dit moment nog niet vast staan.
3.5
[eiser] vordert vergoeding van € 819,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] vordert een bedrag van € 819,00. Dat bedrag komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het gevorderde bedrag dan ook toewijzen.
3.6
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dit betekent dat zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] als [gedaagde sub 3] kunnen worden gedwongen tot ontruiming, betaling van de huur voor elke maand dat het gehuurde niet is ontruimd, betaling van het hele bedrag aan huurachterstand met wettelijke handelsrente en betaling van de buitengerechtelijke incassokosten. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
3.7
[gedaagden c.s] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen volgens het liquidatietarief. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
382,81
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.662,81
3.8
Ook de proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dit betekent dat [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] kunnen worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
3.9
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat verzoekt en daar geen bezwaar tegen is gemaakt. Dit betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Beslissing
De kantonrechter, recht doende in kort geding:
4.1
veroordeelt [gedaagden c.s] hoofdelijk om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres] in [plaats] te ontruimen en ontruimd te houden en om het gehuurde leeg en bezemschoon met afgifte van de sleutels aan [eiser] ter beschikking te stellen,
4.2
bepaalt dat als [gedaagden c.s] niet aan de ontruimingsvordering voldoet, [eiser] de ontruiming zelf mag doen uitvoeren door een gerechtsdeurwaarder, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie;
4.3
veroordeelt [gedaagden c.s] hoofdelijk om te betalen aan [eiser] :
- € 10.149,52 aan achterstallige huur tot en met augustus 2026, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
- € 1.048,50 exclusief btw per maand vanaf 1 september 2026 tot aan de dag waarop de ontruiming daadwerkelijk heeft plaatsgevonden,
4.4
veroordeelt [gedaagden c.s] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.662,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden c.s] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op
14 september 2026.