RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zaaknummer: C/16/605047 / JL RK 26-10
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter op basis van de geschillenregeling
[pleegouders] ,
hierna te noemen: de pleegvader en de pleegmoeder (gezamenlijk: de pleegouders),
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M.H. Aalmoes, voorheen: mr. M. Kramer,
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 2] , feitelijk verblijvende bij [zorginstelling] in [plaats] ,
advocaat: mr. T.S.S. Overes,
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
advocaat: mr. T.I. Visser.
In zijn adviserende taak is gekend:
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
gevestigd in Lelystad,
hierna te noemen: de Raad.
1
Het verloop van de procedure
1.1.
De pleegouders hebben op 23 december 2025 het verzoekschrift met bijlagen ingediend bij de rechtbank Gelderland.
1.2.
Bij beschikking van 6 januari 2026 heeft de rechtbank Gelderland zich onbevoegd verklaard om van het verzoek kennis te nemen en de zaak doorverwezen naar de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad.
1.3.
Nadien heeft de kinderrechter de volgende stukken ontvangen:
het aanvullend en gewijzigd verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 februari 2026;
het verweerschrift met bijlagen van de moeder, ontvangen op 27 februari 2026;
het verweerschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 27 februari 2026;
het bericht van de GI van 27 februari 2026.
1.4.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
de pleegouders met hun advocaat;
de moeder met haar advocaat;
[A] en [B] namens de GI met hun advocaat;
[C] namens de Raad;
en met bijzondere toegang van de kinderrechter:
- [oma moederszijde] , oma moederszijde.
1.5.
Tijdens de zitting hebben zowel mr. Aalmoes als mr. Visser gebruik gemaakt van zittingsaantekeningen. Mr. Visser heeft haar aantekeningen op de zitting overhandigd ter aanvulling van het dossier. Mr. Aalmoes heeft op 6 maart 2026 haar aantekeningen digitaal ingediend bij de griffie van de rechtbank.
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] is op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing op 23 november 2023 bij de pleegouders geplaatst.
2.3.
De kinderrechter van de rechtbank Gelderland heeft bij beschikking van 14 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 31 oktober 2026. Bij diezelfde beschikking is ook de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 28 februari 2026.
2.4.
Bij beschikking van 5 december 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland aan de GI toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar het moeder-kindhuis [zorginstelling] in [plaats] .
2.5.
[minderjarige] verblijft sinds 23 februari 2026 met de moeder in het moeder-kindhuis [zorginstelling] .
3.1.
De pleegouders hebben in het kader van de geschillenregeling ex artikel 1:262b Burgerlijk Wetboek (BW) aan de kinderrechter verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat, in geval de GI besluit om de pleegzorgmachtiging niet te verlengen, de GI dit besluit ter toetsing voorlegt aan de Raad;
II. te bepalen dat de WSS een terugplaatsingsplan vaststelt met in achtneming van het kader zoals door de rechtbank Gelderland in de beschikking van 5 december jl. is bepaald, te weten
een gefaseerd plan dat relationeel geborgd is (gehechtheidsnetwerk blijft
zoveel mogelijk intact en actief) en goed wordt gemonitord;
? waarbij nader wordt uitgewerkt hoe de pleegouders als belangrijke steunfiguren worden ingezet in het moeder-kind traject;
? alsmede dat wordt bepaald dat het terugkeerplan getoetst wordt door de Raad, dan wel dat de GI advies inwint bij de Raad;
III. te bepalen dat er een concreet terugvalplan wordt opgesteld.
3.2.
De GI verzoekt de pleegouders niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de verzoeken.
3.3.
De moeder verzoekt de verzoeken van de pleegouders af te wijzen.
Overwegingen
5.1.
Aangezien de kinderrechter van de rechtbank Gelderland zich relatief onbevoegd heeft verklaard en de zaak heeft verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland, is de rechtbank Midden-Nederland op grond van artikel 270 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan die verwijzing gebonden.
5.2.
Op grond van artikel 1:262b BW kunnen geschillen die gaan over de uitvoering van de ondertoezichtstelling voorgelegd worden aan de kinderrechter. Hierbij worden de geschillen die gaan over gedragingen zoals bedoeld in artikel 4.2.1. van de Jeugdwet uitgezonderd. Voordat de kinderrechter een beslissing neemt, probeert zij overeenstemming tussen partijen te bereiken. Wanneer dat niet mogelijk is, neemt de kinderrechter een zodanige beslissing als haar in het belang van [minderjarige] wenselijk is.
5.3.
De kinderrechter stelt vast dat overeenstemming tussen partijen niet mogelijk is en is van oordeel dat de volgende beslissingen in het belang van [minderjarige] wenselijk zijn.
Toetsing van het niet verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing
5.4.
De kinderrechter wijst het verzoek om te bepalen dat het besluit van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing niet te verlengen ter toetsing wordt voorgelegd aan de Raad af. Hierna legt zij uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.5.
De GI heeft de Raad verzocht te laten weten of de GI deze zaak ter toetsing aan de Raad moet voorleggen. De Raad heeft bij mail van 31 december 2025 aldus geantwoord: ”Het uitgangspunt van de RvdK is dat de RvdK niet toetst wanneer de kinderrechter dat al gedaan heeft. In de beschikking van 5 december 2025 heeft de kinderrechter zich zeer expliciet uitgelaten over het perspectief van [minderjarige] bij moeder in het MKH. De Raad ziet daarom geen rol voor zichzelf weggelegd in het kader van de toetsende taak”. De kinderrechter kan zich vinden in het standpunt van de Raad dat de Raad in deze specifieke zaak geen toetsende rol heeft.
5.6.
Volgens de pleegouders is voor het verblijf van [minderjarige] in [zorginstelling] een machtiging tot uithuisplaatsing nodig, omdat de moeder in [woonplaats 2] staat ingeschreven en [minderjarige] niet in [woonplaats 2] , maar in [plaats] verblijft. Hoewel er in deze procedure geen verzoek aan de kinderrechter voorligt over het al dan niet verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing, volgt zij deze denkwijze niet. Zij acht een machtiging tot uithuisplaatsing dan ook niet noodzakelijk voor het verblijf in [zorginstelling] . Sinds [minderjarige] met haar moeder herenigd is en feitelijk volledig bij de moeder in [zorginstelling] woont en verblijft, is geen sprake meer van een uithuisplaatsing. Dat de moeder formeel op een adres in [woonplaats 2] staat ingeschreven, doet hier niets aan af.
5.7.
De kinderrechter verklaart de pleegouders niet-ontvankelijk in hun verzoek ten aanzien van het terugplaatsingsplan. Zij legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing komt.
5.8.
De rechtbank Gelderland heeft in onderdeel 7.9. van haar beschikking van 5 december 2025 het volgende overwogen:
“Nu de toestemming voor wijziging van de verblijfplaats van [minderjarige] wordt verleend gaat de rechtbank ervan uit dat de GI het terugplaatsingsplan nader zal uitwerken naar een gefaseerd plan dat relationeel geborgd is (gehechtheidsnetwerk blijft zoveel mogelijk intact en actief) en goed wordt gemonitord.”
5.9.
De kinderrechter vat dit, net als de pleegouders, op als een instructie aan de GI om een dergelijk gefaseerd, rationeel geborgd en gemonitord plan te maken. Desalniettemin oordeelt zij dat de pleegouders op dit moment geen belang meer hebben bij een dergelijk plan. Sinds 23 februari 2026 verblijft [minderjarige] volledig bij haar moeder in het moeder-kindhuis. Op de zitting is naar voren gekomen dat het hier goed gaat met [minderjarige] en dat de moeder vanuit de begeleiding van [zorginstelling] goede feedback krijgt over hoe zij de opvoeding van [minderjarige] op zich neemt. Hoewel er de komende periode in [zorginstelling] , en ook daarna, hulpverlening betrokken zal moeten blijven ter ondersteuning van de moeder, komt de kinderrechter tot het oordeel dat de terugplaatsing van [minderjarige] succesvol is verlopen. Het opstellen van een gefaseerd plan met de wijze waarop deze terugplaatsing gerealiseerd zal moeten worden, is daarom thans niet meer relevant.
5.10.
Ten overvloede merkt de kinderrechter op dat de GI zich na de beslissing over de wijziging van de verblijfplaats van [minderjarige] heeft ingezet om ervoor te zorgen dat de terugplaatsing van [minderjarige] gefaseerd en gemonitord zou plaatsvinden. Uit de stukken blijkt dat er is toegewerkt naar de terugplaatsing aan de hand van een opbouwschema. Dit schema is vastgesteld nadat de pleegzorgorganisatie, deze van commentaar heeft kunnen voorzien. Het verloop van deze opbouwregeling – en daarmee de terugplaatsing – is voortdurend geëvalueerd in het bijzijn van onder meer de moeder, de pleegouder(s), de GI en [zorginstelling] . Ook heeft de GI recent, op 22 februari 2026, het plan van aanpak geactualiseerd en vastgesteld. Op basis van dit plan, de notulen van de gesprekken van de GI en de rapportages over de omgang en de overdrachtsmomenten, komt de kinderrechter tot het oordeel dat de GI zich heeft ingezet om de terugplaatsing weloverwogen en in het belang van [minderjarige] te realiseren.
5.11.
De pleegouders hebben ook verzocht om te bepalen dat er een concreet terugvalplan wordt opgesteld en daarin op te nemen dat zij de meest gerede partij zijn om voor [minderjarige] te zorgen, indien blijkt dat zij niet volledig bij haar moeder kan worden teruggeplaatst. De kinderrechter wijst dit verzoek af. Hierna legt zij uit hoe zij tot deze afwijzing komt.
5.12.
De rechtbank Gelderland heeft in onderdeel 7.9. van de beschikking van 5 december 2025 als volgt overwogen:
“Ook is niet duidelijk wat er moet gebeuren als tijdens de moeder-kindplaatsing blijkt dat de volledige terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder niet haalbaar is. Het is cruciaal voor de ontwikkeling van [minderjarige] en het continueren van de veilige gehechtheid dat zij, mocht de plaatsing mislukken, terug kan keren naar haar pleegouders.”
5.13.
Zoals onder 5.9. is overwogen, is de terugplaatsing van [minderjarige] succesvol verlopen. Hierdoor is het nu wel duidelijk dat de volledige terugplaatsing bij de moeder haalbaar is gebleken. Het is nu aan de moeder om (verder) aan haar opvoedingsvaardigheden en de hechting met [minderjarige] te werken. In het belang van [minderjarige] is het niet wenselijk om op dit moment te bepalen waar [minderjarige] zal moeten verblijven als uiteindelijk in de toekomst toch zou blijken dat zij niet volledig bij haar moeder kan wonen. In dat geval ontstaat een compleet nieuwe situatie, waarbij op dat moment moet worden onderzocht wat er in het belang van [minderjarige] is. Op basis van die actuele informatie zal dan een beslissing moeten worden genomen over wie er voor [minderjarige] zal moeten zorgen. Op dit moment is dit niet aan de orde. De kinderrechter zal daarom het verzoek tot het opstellen van een terugvalplan afwijzen.
5.14.
Ten overvloede overweegt de kinderrechter het volgende over de zorgen van de pleegouders over hun betrokkenheid in het leven van [minderjarige] . Gezien de hechtingsrelatie van [minderjarige] met de pleegouders, is het begrijpelijk dat zij hierover vragen hebben. Omdat [minderjarige] pas heel recent (sinds 23 februari 2026) volledig bij de moeder woont, is het belangrijk dat zij daar tot rust kan komen en aan deze nieuwe situatie kan wennen. Het is dan ook begrijpelijk dat er nog geen concreet plan is over de toekomstige rol van de pleegouders. Op de zitting is gebleken dat alle partijen het erover eens zijn dat de pleegouders belangrijke personen voor [minderjarige] zijn en dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij omgang heeft met pleegouders. De moeder, de GI en [zorginstelling] hebben na 23 februari 2026 al gewerkt aan een plan om de omgang van [minderjarige] met de pleegouders vorm te geven, en zullen dat op korte termijn met pleegouders overleggen. Hoewel de pleegouders inmiddels een verzoek tot omgang met [minderjarige] hebben ingediend bij de rechtbank, hoopt de kinderrechter dat alle betrokkenen in goed overleg buiten procedures om afspraken over de omgang kunnen maken en dat de relatie tussen moeder en de pleegouders normaliseert.