Rechtbank Midden-Nederland, beschikking personen- en familierecht

ECLI:NL:RBMNE:2026:1737

Op 24 March 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een beschikking procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/16/605047 / JL RK 26-10, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:1737. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
C/16/605047 / JL RK 26-10
Datum uitspraak:
24 March 2026
Datum publicatie:
22 April 2026
Advocaat:
mr. M.H Aalmoes;mr. T.S.S Overes;mr. T.I. Visser

Indicatie

Geschillenregeling ex art. 1:262b BW ingediend door pleegouders over: toetsing Raad van beëindiging muhp, terugplaatsingsplan en terugvalplan.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/16/605047 / JL RK 26-10

Datum uitspraak: 24 maart 2026

Beschikking van de kinderrechter op basis van de geschillenregeling

in de zaak van

[pleegouders] ,

hierna te noemen: de pleegvader en de pleegmoeder (gezamenlijk: de pleegouders),

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. M.H. Aalmoes, voorheen: mr. M. Kramer,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 2] , feitelijk verblijvende bij [zorginstelling] in [plaats] ,

advocaat: mr. T.S.S. Overes,

WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),

advocaat: mr. T.I. Visser.

In zijn adviserende taak is gekend:

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

gevestigd in Lelystad,

hierna te noemen: de Raad.

1
Het verloop van de procedure
1.1.

De pleegouders hebben op 23 december 2025 het verzoekschrift met bijlagen ingediend bij de rechtbank Gelderland.

1.2.

Bij beschikking van 6 januari 2026 heeft de rechtbank Gelderland zich onbevoegd verklaard om van het verzoek kennis te nemen en de zaak doorverwezen naar de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad.

1.3.

Nadien heeft de kinderrechter de volgende stukken ontvangen:

het aanvullend en gewijzigd verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 februari 2026;

het verweerschrift met bijlagen van de moeder, ontvangen op 27 februari 2026;

het verweerschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 27 februari 2026;

het bericht van de GI van 27 februari 2026.

1.4.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:

de pleegouders met hun advocaat;

de moeder met haar advocaat;

[A] en [B] namens de GI met hun advocaat;

[C] namens de Raad;

en met bijzondere toegang van de kinderrechter:

- [oma moederszijde] , oma moederszijde.

1.5.

Tijdens de zitting hebben zowel mr. Aalmoes als mr. Visser gebruik gemaakt van zittingsaantekeningen. Mr. Visser heeft haar aantekeningen op de zitting overhandigd ter aanvulling van het dossier. Mr. Aalmoes heeft op 6 maart 2026 haar aantekeningen digitaal ingediend bij de griffie van de rechtbank.

2
De feiten
2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] is op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing op 23 november 2023 bij de pleegouders geplaatst.

2.3.

De kinderrechter van de rechtbank Gelderland heeft bij beschikking van 14 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 31 oktober 2026. Bij diezelfde beschikking is ook de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 28 februari 2026.

2.4.

Bij beschikking van 5 december 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland aan de GI toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar het moeder-kindhuis [zorginstelling] in [plaats] .

2.5.

[minderjarige] verblijft sinds 23 februari 2026 met de moeder in het moeder-kindhuis [zorginstelling] .

3
De verzoeken
3.1.

De pleegouders hebben in het kader van de geschillenregeling ex artikel 1:262b Burgerlijk Wetboek (BW) aan de kinderrechter verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat, in geval de GI besluit om de pleegzorgmachtiging niet te verlengen, de GI dit besluit ter toetsing voorlegt aan de Raad;

II. te bepalen dat de WSS een terugplaatsingsplan vaststelt met in achtneming van het kader zoals door de rechtbank Gelderland in de beschikking van 5 december jl. is bepaald, te weten

een gefaseerd plan dat relationeel geborgd is (gehechtheidsnetwerk blijft zoveel mogelijk intact en actief) en goed wordt gemonitord;

? waarbij nader wordt uitgewerkt hoe de pleegouders als belangrijke steunfiguren worden ingezet in het moeder-kind traject;

? alsmede dat wordt bepaald dat het terugkeerplan getoetst wordt door de Raad, dan wel dat de GI advies inwint bij de Raad;

III. te bepalen dat er een concreet terugvalplan wordt opgesteld.

3.2.

De GI verzoekt de pleegouders niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de verzoeken.

3.3.

De moeder verzoekt de verzoeken van de pleegouders af te wijzen.

4
De standpunten

De pleegouders

4.1.

Namens en door de pleegouders is ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] het volgende naar voren gebracht. Ten onrechte wordt de plaatsing in [zorginstelling] gelijkgesteld aan een einde van de uithuisplaatsing. De pleegouders stellen dat er voor het verblijf in [zorginstelling] een machtiging tot uithuisplaatsing nodig is, omdat de moeder formeel in [woonplaats 2] woont en [minderjarige] in het moeder-kindhuis. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is inmiddels verlopen. De GI heeft door haar handelswijze de Raad de mogelijkheid onthouden om de toezichthoudende taak bij een besluit tot beëindiging van de uithuisplaatsing uit te oefenen.

Daarnaast voeren de pleegouders aan dat de GI het terugplaatsingsplan, tegen de instructies van de rechtbank in, nog niet heeft opgesteld. Zij begrijpen dat er een weerstand is van de moeder naar de pleegouders, maar missen de inzet van de GI om deze weerstand te verminderen. Er moet gewerkt blijven worden aan de gehechtheidsrelatie tussen [minderjarige] en haar pleegouders. Tot op heden hebben de pleegouders geen informatie over [minderjarige] in [zorginstelling] of over hun betrokkenheid in het leven van [minderjarige] ontvangen. Volgens de pleegouders is het aan de GI om zich hiervoor in te zetten, maar dat is niet gebeurd. Daarom hebben de pleegouders een procedure gestart voor het vastleggen van een omgangsregeling. (Voetnoot 1) Tot slot stellen de pleegouders dat zij de beste partij zijn om voor [minderjarige] te zorgen, als zij niet volledig bij de moeder kan worden teruggeplaatst. Hoewel dit gezien de weerstand van de moeder richting de pleegouders een moeilijke beslissing is, is dit gezien de hechtingsrelatie van [minderjarige] met de pleegouders wel het meest in haar belang. Daarom verzoeken de pleegouders dit vast te leggen in een terugvalplan voor het geval dat in de toekomst blijkt dat [minderjarige] niet (volledig) bij haar moeder kan wonen, zodat er dan geen ad hoc-beslissingen genomen hoeven te worden.

De GI

4.2.

Namens en door de GI is op de zitting verzocht de pleegouders in hun verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de verzoeken af te wijzen. De GI voert aan dat [minderjarige] op dit moment al volledig bij haar moeder woont en dat deze plaatsing is gelukt. De pleegouders hebben daarom geen belang meer bij het terugplaatsingsplan en het terugvalplan. Daarnaast hebben de pleegouders verzocht om de GI te bevelen het besluit voor het niet verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing ter toetsing voor te leggen aan de Raad. De GI merkt hierbij op dat zij dit heeft voorgelegd aan de Raad en dat de Raad heeft aangegeven deze beslissing, gezien de recente uitspraak van de rechtbank, niet te zullen toetsen. De GI vat het verzoek over de rol van de pleegouders op als een verzoek om een omgangsregeling. Hiervoor zullen zij een verzoek tot een omgangsregeling moeten indienen. De geschillenregeling staat namelijk alleen open wanneer er geen andere rechtsingang openstaat. In deze zaak is die er wel, dus is de geschillenregeling niet de juiste weg. Op grond van het vorengaande verzoekt de GI de pleegouders niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van de inhoud van de verzoeken, brengt de GI het volgende naar voren. Bij een uithuisplaatsing moet een terugplaatsing altijd het uitgangspunt zijn, zo ook voor [minderjarige] . Zowel het Hof in februari 2025, als de rechtbank in oktober en december 2025 hebben dit overwogen. De terugplaatsing van [minderjarige] is dus niet spontaan gebeurd, maar met de inzet van hulpverlening en de toestemming van de rechtbank. Inmiddels woont [minderjarige] volledig bij haar moeder in het moeder-kindhuis, waardoor de opdracht van de rechtbank aan de GI om een terugplaatsingsplan te maken is komen te vervallen. Tot slot merkt de GI op dat het contactbehoud tussen [minderjarige] en de pleegouders nog steeds de intentie is. Echter, de verhouding tussen de pleegouders en de moeder is ingewikkeld, wat ook gevolgen heeft voor [minderjarige] . Dit, in combinatie met de recente verhuizing van de [minderjarige] , maakt dat er eerst rust moet zijn voor [minderjarige] . Wanneer zij die rust heeft, zal gekeken moeten worden naar de mogelijkheden voor omgang/contact.

De moeder

4.3.

Namens en door de moeder is de vraag opgeworpen of de rechtbank Midden-Nederland bevoegd is. [minderjarige] woont op dit moment in [plaats] in [zorginstelling] . Hierdoor zou de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle bevoegd zijn om de verzoeken te behandelen.

Wanneer de rechtbank Midden-Nederland wel bevoegd is, stelt de moeder dat de pleegouders niet-ontvankelijk in hun verzoeken zijn. De geschillenregeling van artikel 1:262b BW gaat over geschillen in de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het afdwingen van een uithuisplaatsing valt hier volgens de moeder niet onder. Inhoudelijk merkt de moeder op dat een machtiging tot uithuisplaatsing ook niet noodzakelijk is voor het verblijf in [zorginstelling] . [minderjarige] verblijft daar volledig bij de moeder en de moeder stemt vrijwillig in met dit verblijf, waardoor dit verblijf in het vrijwillig kader mogelijk is. De moeder krijgt goede feedback van de begeleiders in [zorginstelling] , waardoor zij niet uitgaat van de noodzakelijkheid van een terugvalplan. Wanneer het in de toekomst wel blijkt dat [minderjarige] niet volledig bij de moeder zal kunnen wonen, dan zal er op dat moment onderzocht moeten worden wat er in het belang van [minderjarige] is. Tot slot brengt de moeder naar voren dat alle partijen van mening zijn dat het in belang van [minderjarige] is dat zij omgang heeft met de pleegouders. Vanuit de moeder is er in samenwerking met de GI en Wijkwieg hiervoor een plan gemaakt. Hier zal de komende periode verder aan gewerkt worden.

De Raad

4.4.

De Raad vindt de rechtbank op dit moment niet de juist plek om beslissingen over [minderjarige] te nemen. Het gaat goed met [minderjarige] in het moeder-kindhuis en bij de moeder is er een mogelijkheid voor omgang met de pleegouders. De gesprekken van de GI hierover moeten nog plaatsvinden. De Raad vraagt zich af waarom de pleegouders hier niet op ingaan. Deze procedures brengen namelijk alleen maar meer spanning voor alle partijen én [minderjarige] met zich mee.

Overwegingen

5
De beoordeling

Bevoegdheid

5.1.

Aangezien de kinderrechter van de rechtbank Gelderland zich relatief onbevoegd heeft verklaard en de zaak heeft verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland, is de rechtbank Midden-Nederland op grond van artikel 270 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan die verwijzing gebonden.

Geschillenregeling

5.2.

Op grond van artikel 1:262b BW kunnen geschillen die gaan over de uitvoering van de ondertoezichtstelling voorgelegd worden aan de kinderrechter. Hierbij worden de geschillen die gaan over gedragingen zoals bedoeld in artikel 4.2.1. van de Jeugdwet uitgezonderd. Voordat de kinderrechter een beslissing neemt, probeert zij overeenstemming tussen partijen te bereiken. Wanneer dat niet mogelijk is, neemt de kinderrechter een zodanige beslissing als haar in het belang van [minderjarige] wenselijk is.

5.3.

De kinderrechter stelt vast dat overeenstemming tussen partijen niet mogelijk is en is van oordeel dat de volgende beslissingen in het belang van [minderjarige] wenselijk zijn.

Toetsing van het niet verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing

5.4.

De kinderrechter wijst het verzoek om te bepalen dat het besluit van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing niet te verlengen ter toetsing wordt voorgelegd aan de Raad af. Hierna legt zij uit waarom zij deze beslissing neemt.

5.5.

De GI heeft de Raad verzocht te laten weten of de GI deze zaak ter toetsing aan de Raad moet voorleggen. De Raad heeft bij mail van 31 december 2025 aldus geantwoord: ”Het uitgangspunt van de RvdK is dat de RvdK niet toetst wanneer de kinderrechter dat al gedaan heeft. In de beschikking van 5 december 2025 heeft de kinderrechter zich zeer expliciet uitgelaten over het perspectief van [minderjarige] bij moeder in het MKH. De Raad ziet daarom geen rol voor zichzelf weggelegd in het kader van de toetsende taak”. De kinderrechter kan zich vinden in het standpunt van de Raad dat de Raad in deze specifieke zaak geen toetsende rol heeft.

5.6.

Volgens de pleegouders is voor het verblijf van [minderjarige] in [zorginstelling] een machtiging tot uithuisplaatsing nodig, omdat de moeder in [woonplaats 2] staat ingeschreven en [minderjarige] niet in [woonplaats 2] , maar in [plaats] verblijft. Hoewel er in deze procedure geen verzoek aan de kinderrechter voorligt over het al dan niet verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing, volgt zij deze denkwijze niet. Zij acht een machtiging tot uithuisplaatsing dan ook niet noodzakelijk voor het verblijf in [zorginstelling] . Sinds [minderjarige] met haar moeder herenigd is en feitelijk volledig bij de moeder in [zorginstelling] woont en verblijft, is geen sprake meer van een uithuisplaatsing. Dat de moeder formeel op een adres in [woonplaats 2] staat ingeschreven, doet hier niets aan af.

Terugplaatsingsplan

5.7.

De kinderrechter verklaart de pleegouders niet-ontvankelijk in hun verzoek ten aanzien van het terugplaatsingsplan. Zij legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing komt.

5.8.

De rechtbank Gelderland heeft in onderdeel 7.9. van haar beschikking van 5 december 2025 het volgende overwogen:

“Nu de toestemming voor wijziging van de verblijfplaats van [minderjarige] wordt verleend gaat de rechtbank ervan uit dat de GI het terugplaatsingsplan nader zal uitwerken naar een gefaseerd plan dat relationeel geborgd is (gehechtheidsnetwerk blijft zoveel mogelijk intact en actief) en goed wordt gemonitord.”

5.9.

De kinderrechter vat dit, net als de pleegouders, op als een instructie aan de GI om een dergelijk gefaseerd, rationeel geborgd en gemonitord plan te maken. Desalniettemin oordeelt zij dat de pleegouders op dit moment geen belang meer hebben bij een dergelijk plan. Sinds 23 februari 2026 verblijft [minderjarige] volledig bij haar moeder in het moeder-kindhuis. Op de zitting is naar voren gekomen dat het hier goed gaat met [minderjarige] en dat de moeder vanuit de begeleiding van [zorginstelling] goede feedback krijgt over hoe zij de opvoeding van [minderjarige] op zich neemt. Hoewel er de komende periode in [zorginstelling] , en ook daarna, hulpverlening betrokken zal moeten blijven ter ondersteuning van de moeder, komt de kinderrechter tot het oordeel dat de terugplaatsing van [minderjarige] succesvol is verlopen. Het opstellen van een gefaseerd plan met de wijze waarop deze terugplaatsing gerealiseerd zal moeten worden, is daarom thans niet meer relevant.

5.10.

Ten overvloede merkt de kinderrechter op dat de GI zich na de beslissing over de wijziging van de verblijfplaats van [minderjarige] heeft ingezet om ervoor te zorgen dat de terugplaatsing van [minderjarige] gefaseerd en gemonitord zou plaatsvinden. Uit de stukken blijkt dat er is toegewerkt naar de terugplaatsing aan de hand van een opbouwschema. Dit schema is vastgesteld nadat de pleegzorgorganisatie, deze van commentaar heeft kunnen voorzien. Het verloop van deze opbouwregeling – en daarmee de terugplaatsing – is voortdurend geëvalueerd in het bijzijn van onder meer de moeder, de pleegouder(s), de GI en [zorginstelling] . Ook heeft de GI recent, op 22 februari 2026, het plan van aanpak geactualiseerd en vastgesteld. Op basis van dit plan, de notulen van de gesprekken van de GI en de rapportages over de omgang en de overdrachtsmomenten, komt de kinderrechter tot het oordeel dat de GI zich heeft ingezet om de terugplaatsing weloverwogen en in het belang van [minderjarige] te realiseren.

Terugvalplan

5.11.

De pleegouders hebben ook verzocht om te bepalen dat er een concreet terugvalplan wordt opgesteld en daarin op te nemen dat zij de meest gerede partij zijn om voor [minderjarige] te zorgen, indien blijkt dat zij niet volledig bij haar moeder kan worden teruggeplaatst. De kinderrechter wijst dit verzoek af. Hierna legt zij uit hoe zij tot deze afwijzing komt.

5.12.

De rechtbank Gelderland heeft in onderdeel 7.9. van de beschikking van 5 december 2025 als volgt overwogen:

Ook is niet duidelijk wat er moet gebeuren als tijdens de moeder-kindplaatsing blijkt dat de volledige terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder niet haalbaar is. Het is cruciaal voor de ontwikkeling van [minderjarige] en het continueren van de veilige gehechtheid dat zij, mocht de plaatsing mislukken, terug kan keren naar haar pleegouders.”

5.13.

Zoals onder 5.9. is overwogen, is de terugplaatsing van [minderjarige] succesvol verlopen. Hierdoor is het nu wel duidelijk dat de volledige terugplaatsing bij de moeder haalbaar is gebleken. Het is nu aan de moeder om (verder) aan haar opvoedingsvaardigheden en de hechting met [minderjarige] te werken. In het belang van [minderjarige] is het niet wenselijk om op dit moment te bepalen waar [minderjarige] zal moeten verblijven als uiteindelijk in de toekomst toch zou blijken dat zij niet volledig bij haar moeder kan wonen. In dat geval ontstaat een compleet nieuwe situatie, waarbij op dat moment moet worden onderzocht wat er in het belang van [minderjarige] is. Op basis van die actuele informatie zal dan een beslissing moeten worden genomen over wie er voor [minderjarige] zal moeten zorgen. Op dit moment is dit niet aan de orde. De kinderrechter zal daarom het verzoek tot het opstellen van een terugvalplan afwijzen.

5.14.

Ten overvloede overweegt de kinderrechter het volgende over de zorgen van de pleegouders over hun betrokkenheid in het leven van [minderjarige] . Gezien de hechtingsrelatie van [minderjarige] met de pleegouders, is het begrijpelijk dat zij hierover vragen hebben. Omdat [minderjarige] pas heel recent (sinds 23 februari 2026) volledig bij de moeder woont, is het belangrijk dat zij daar tot rust kan komen en aan deze nieuwe situatie kan wennen. Het is dan ook begrijpelijk dat er nog geen concreet plan is over de toekomstige rol van de pleegouders. Op de zitting is gebleken dat alle partijen het erover eens zijn dat de pleegouders belangrijke personen voor [minderjarige] zijn en dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij omgang heeft met pleegouders. De moeder, de GI en [zorginstelling] hebben na 23 februari 2026 al gewerkt aan een plan om de omgang van [minderjarige] met de pleegouders vorm te geven, en zullen dat op korte termijn met pleegouders overleggen. Hoewel de pleegouders inmiddels een verzoek tot omgang met [minderjarige] hebben ingediend bij de rechtbank, hoopt de kinderrechter dat alle betrokkenen in goed overleg buiten procedures om afspraken over de omgang kunnen maken en dat de relatie tussen moeder en de pleegouders normaliseert.

Beslissing

6
De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verklaart de pleegouders niet-ontvankelijk in hun verzoek ten aanzien van het terugplaatsingsplan;

6.2.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.A. Pot, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Mather als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. (Voetnoot 2)

Voetnoot

Voetnoot 1

Dit verzoek is ingeschreven bij de rechtbank onder het zaaknummer: C/16/607931 / FL RK 26-286.

Voetnoot 2

Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).