Rechtbank Midden-Nederland, beschikking personen- en familierecht

ECLI:NL:RBMNE:2026:3642

Op 26 May 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een beschikking procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/16/610881 / FZ RK 26-369, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:3642. De plaats van zitting was Lelystad.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
C/16/610881 / FZ RK 26-369
Datum uitspraak:
26 May 2026
Datum publicatie:
24 June 2026

Indicatie

Klachtzaak. Was er bij de inzet van het 'kamerprogramma' of 'rustprogramma' in een forensische verslavingskliniek sprake van verplichte zorg zoals bedoeld in de Wvggz.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Lelystad

Zaaknummer: C/16/610881 / FZ RK 26-369

Beschikking van

op het ingediende verzoekschrift van

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] , Marokko,

wonend in [woonplaats] ,

hierna te noemen betrokkene,

advocaat mr. M. de Reus,

ter verkrijging van een beslissing over een verzoek om schadevergoeding door

[instelling 1] , locatie [locatie],

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen [instelling 1] .

1
Het verloop van de procedure
1.1.

De rechtbank heeft op 29 april 2026 de doorverwijzingsbeschikking van

5 maart 2026 van de rechtbank Rotterdam ontvangen. Daarbij zat het verzoekschrift met bijlage van betrokkene.

1.2.

Daarna heeft de rechtbank op 9 mei 2026 het klaagschrift van betrokkene ontvangen en op 15 mei 2026 het verweerschrift van [instelling 1] .

1.3.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij zijn gehoord:

betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;

[A] namens [instelling 1] (online).

2
Wat vaststaat
2.1.

Betrokkene verbleef in 2025 bij de [locatie] van [instelling 1] als onderdeel van aan hem opgelegde bijzondere voorwaarden binnen strafrechtelijk kader.

2.2.

Betrokkene heeft op 24 november 2025 een klacht ingediend bij de klachtencommissie van [instelling 1] . De klachtencommissie heeft op 12 januari 2026 uitspraak gedaan en deze uitspraak op 26 januari 2026 aan partijen medegedeeld.

2.3.

De klachten van betrokkene zagen op het insluiten op de kamer, het intrekken van verlof en fouten bij testuitslagen en urinecontrole. De klachtencommissie heeft de klacht ten aanzien van fouten bij testuitslagen en urinecontrole gegrond verklaard. De klachten over het insluiten en het verlof heeft de klachtencommissie ongegrond verklaard.

2.4.

Deze procedure gaat over de klacht die betrokkene heeft ingediend ten aanzien van het insluiten op de kamer op 3 en 4 juni 2025.

3
Het verzoek

Betrokkene verzoekt de rechtbank het beroep ten aanzien van het insluiten op de kamer gegrond te verklaren en aan hem een schadevergoeding toe te kennen.

Overwegingen

4
De beoordeling
4.1.

De rechtbank wijst het verzoek van de betrokkene af en verklaart de klacht ten aanzien van het insluiten op de kamer ongegrond. Daarom kent de rechtbank ook geen schadevergoeding toe aan betrokkene. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.

4.2.

Vast staat dat er geen sprake was van een machtiging in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvgzz). Betrokkene verbleef bij [instelling 1] in verband met een bijzondere voorwaarde horend bij een voorwaardelijke veroordeling in het strafrechtelijke kader. Dat betekent dat er geen wettelijke grondslag was om verplichte zorg te verlenen. Partijen zijn het daar ook over eens. Betrokkene stelt zich echter op het standpunt dat [instelling 1] wel verplichte zorg heeft verleend door hem in te sluiten op zijn kamer. Volgens [instelling 1] was er geen sprake van verplichte zorg omdat betrokkene vrijwillig heeft meegewerkt aan het ingezette kamerprogramma.

4.3.

De rechtbank moet beoordelen of het kamerprogramma dat op 3 en 4 juni 2025 is ingezet, valt onder ‘insluiten’ in het kader van de Wvggz. Partijen zijn het in grote lijnen eens over het feitelijke verloop op 3 en 4 juni 2025. De rechtbank gaat daarom uit van de volgende situatie:

Op 3 juni 2025 moest betrokkene urine inleveren voor een drugscontrole. Aan betrokkene is verteld dat er op aanwijzing van een van de medebewoners een vermoeden was dat hij drugs had gebruikt. Betrokkene raakte gefrustreerd omdat iemand onterecht tegen de begeleiding had gezegd dat hij drugs had gebruikt en hij niet wist wie dit had gedaan. Betrokkene heeft daarom boos gereageerd in de woonkamer en zijn stem verheven. De begeleiding heeft, om de rust te bewaren, betrokkene gevraagd naar zijn kamer te gaan en daar ook te blijven. In de stukken wordt ook wel gesproken over een ‘kamerprogramma’ of een ‘rustprogramma’. Betrokkene heeft daaraan meegewerkt en is de rest van de avond rustig op zijn kamer geweest. Hij heeft zijn kamer alleen verlaten om onder begeleiding te gaan roken. De deur is niet op slot gegaan. De volgende ochtend is hij gewekt en is hem verteld dat het kamerprogramma nog van kracht was tot het ochtendoverleg had plaatsgevonden. Betrokkene was het daar niet langer mee eens en is zijn spullen in gaan pakken om met ontslag te gaan. Hij heeft zijn spullen buiten de kamer gezet. Na een gesprek met de psychiater is betrokkene op dat besluit teruggekomen en heeft hij aangegeven toch te willen blijven. Het kamerprogramma is daarna opgeheven.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake was van insluiten zoals bedoeld in de Wvggz. De rechtbank begrijpt dat betrokkene zijn medewerking niet als volledig vrijwillig heeft ervaren omdat hem een voorwaardelijke staf boven het hoofd hing. Dat is echter onvoldoende om tot de conclusie te komen dat [instelling 1] verplichte zorg heeft toegepast. Er is geen sprake geweest van dwangmatige zorg die ondanks actief verzet is verleend. Betrokkene heeft zelf meegewerkt aan het verzoek om naar zijn kamer te gaan en daar te blijven, zonder dat daar dwang bij nodig is geweest of de deur op slot is gedaan. De rechtbank wijst het verzoek van betrokkene daarom af en verklaart de klacht ongegrond. De rechtbank komt daardoor niet toe aan het verzoek tot schadevergoeding. Wel geeft de rechtbank [instelling 1] mee om in een dergelijke situatie duidelijk aan patiënten uit te leggen wat de ingezette instrumenten inhouden en wat de eventuele consequenties zijn als zij daaraan niet meewerken. Het is belangrijk dat patiënten juist in dit soms grijze gebied tussen drang en dwang weten waar zij aan toe zijn.

4.5.

Ten overvloede wil de rechtbank opmerken dat zij begrijpt dat de gehele situatie voor betrokkene frustrerend is geweest. Het gedoe over de urinecontroles heeft bijgedragen aan het feit dat (een deel van) zijn voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer is gelegd en hij drie maanden in detentie heeft moeten verblijven en daarna opnieuw aan zijn termijn in een forensische verslavingskliniek moest beginnen. Dat terwijl zijn klacht over de urinecontroles achteraf gegrond is verklaard door de klachtencommissie. Daarover ligt echter niets aan de rechtbank voor. De rechtbank vindt het fijn om te horen dat het goed gaat met betrokkene en dat de huidige forensische verslavingskliniek [instelling 2] in [plaats] wel een goede plek voor hem is. De rechtbank hoopt voor betrokkene dat hij deze positieve ontwikkelingen door kan zetten.

Beslissing

5
De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart de klacht ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Weistra, rechter, in samenwerking met

mr. L. de Kroon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.