Rechtbank Midden-Nederland, beschikking personen- en familierecht

ECLI:NL:RBMNE:2026:6131

Op 6 August 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een beschikking procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/16/610395 / FO RK 26-510, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:6131. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
C/16/610395 / FO RK 26-510
Datum uitspraak:
6 August 2026
Datum publicatie:
4 September 2026

Indicatie

Zorgregeling, hoofdverblijfplaats, vervangende toestemming basisschool, BSO en vakantie

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/610395 / FO RK 26-510

Zorgregeling en vervangende toestemming

Beschikking van 6 augustus 2026

in de zaak van:

[de vader] ,

wonende in [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. E.A. Hoogendijk,

tegen

[de moeder] ,

wonende in [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C. van der Slikke.

1
De procedure
1.1

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

het verzoekschrift van de vader (met bijlagen), ontvangen op 17 april 2026;

de producties van de vader van 20 april 2026;

het verweerschrift van de moeder (met bijlagen), ontvangen op 3 juli 2026;

het bericht van de vader (met bijlagen) van 6 juli 2026;

1.2

De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 9 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

de vader met zijn advocaat;

de moeder met haar advocaat;

[A.] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

1.3

De rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige] , de zoon van de ouders, niet gevraagd wat hij van de verzoeken vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2
Waar de procedure over gaat
2.1

De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.

2.2

Zij hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] .

2.3

De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] nemen.

2.4

De ouders hebben in het ouderschapsplan van 4 januari 2024 afgesproken dat [minderjarige] zal worden ingeschreven bij de vader en daar zijn hoofdverblijfplaats zal hebben. Verder hebben zij de volgende zorgregeling afgesproken waarbij [minderjarige] iedere zaterdag tussen 16:00 en 18:00 uur door de moeder naar de vader worden gebracht. [minderjarige] verblijft dan tot dinsdag 10.00 uur bij de vader. De vader brengt [minderjarige] vervolgens naar de opvang. De rest van de week is [minderjarige] bij de moeder. Daarnaast zijn ouders een feestdagen en vakantieregeling overeengekomen.

2.5

Bij beschikking van 18 februari 2025 heeft de rechtbank beslist dat:

aan de vader vervangende toestemming wordt verleend om [minderjarige] in te schrijven en te plaatsen bij een kinderopvangorganisatie in de regio [plaats] , gedurende één dag per week;

de overeengekomen zorgregeling wordt gewijzigd in die zin dat:

o [minderjarige] verblijft in de ene week van vrijdagmiddag tot dinsdag 10.00 uur bij de vader:

o [minderjarige] verblijft in de andere week van zondagavond tot woensdagochtend 10.00 uur bij de vader;

- de overeengekomen vakantie- en feestdagenregeling wordt gewijzigd in die zin dat:

o [minderjarige] wordt jaarlijks op 10 augustus tussen 16:00 en 18:00 uur naar de (woonplaats van de) ouder gebracht waar hij zijn verjaardag viert. Dit wisselt jaarlijks beginnend in 2025 bij de moeder. Indien nodig wordt [minderjarige] op 12 augustus tussen 9:00 en 11:00 uur gebracht naar de (woonplaats van de) ouder waar [minderjarige] conform de vakantieregeling verblijft;

o [minderjarige] wordt op oudejaarsdag tussen 16:00 en 18:00 uur gebracht naar de (woonplaats van de) ouder waar hij verblijft met oud en nieuw. Dit wisselt jaarlijks beginnend in 2025 bij de vader. Indien nodig wordt [minderjarige] op 2 januari tussen 9:00 en 11:00 uur naar de (woonplaats van de) ouder gebracht waar [minderjarige] conform de vakantieregeling verblijft.

2.6

De vader verzoekt de rechtbank samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven en te plaatsen op de basisschool [naam 1] in [plaats] , inclusief de bijbehorende aanmelding voor de buitenschoolse opvang (BSO);

II. wijziging van vastgestelde zorgregeling zodat: [minderjarige] van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur afwisselend bij de vader en de moeder verblijft volgens het navolgende vaste weekendpatroon:

o weekend 1: [minderjarige] verblijft bij de vader;

o weekend 2: [minderjarige] verblijft bij de moeder;

o weekend 3: [minderjarige] verblijft bij de vader;

o weekend 4: [minderjarige] verblijft bij de moeder;

o weekend 5: [minderjarige] verblijft bij de moeder.

De moeder haalt [minderjarige] op vrijdag uit school op. De vader haalt [minderjarige] op zondag om 17.00 uur bij de moeder op. Na afloop van iedere cyclus wordt het weekendpatroon opnieuw gevolgd;

III. wijziging van de vakantie-en feestdagenregeling;

IV. vervangende toestemming om [minderjarige] mee te nemen op vakantie van 8 augustus 2026 tot en met 24 augustus 2026.

2.7

De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader en verzoekt de rechtbank om de vader niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoeken af te wijzen. Bij wijze van zelfstandig verzoek vraagt de moeder samengevat:

I. vervangende toestemming voor de inschrijving en plaatsing van [minderjarige] op basisschool [naam 2] in [woonplaats 2] en op BSO [naam 3] ;

II. wijziging van de vastgestelde zorgregeling zodat [minderjarige] van vrijdag (en vanaf donderdag zolang [minderjarige] nog niet leerplichtig is) uit school tot zondag 17.00 uur afwisselend bij de vader en de moeder is volgens het navolgende vaste weekendpatroon:

o weekend 1: [minderjarige] verblijft bij de moeder;

o weekend 2: [minderjarige] verblijft bij de vader;

o weekend 3: [minderjarige] verblijft bij de moeder;

o weekend 4: [minderjarige] verblijft bij de vader;

o weekend 5: [minderjarige] verblijft bij de vader;

De vader haalt [minderjarige] op vrijdag uit school op. Zolang [minderjarige] nog niet leerplichtig is (dus tot hij 5 jaar wordt) haalt de vader [minderjarige] op donderdag uit school op. De moeder haalt [minderjarige] op zondag om 17.00 uur bij de vaderop. Na afloop van iedere cyclus wordt het weekendpatroon opnieuw gevolgd. Als het weekendpatroon wordt onderbroken door de vakantie- en feestdagenregeling dan wordt na afloop van de vakantie/feestdag een lopende cyclus hervat;

III. een wijziging van de vakantie- en feestdagenregeling;

IV. vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige] , op haar adres in de registers van de burgerlijke stand van [woonplaats 2] ;

V. dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder zal zijn.

Voorwaardelijk zelfstandig verzoek

VI. in het geval aan de vader vervangende toestemming wordt verleend voor de inschrijving en plaatsing van [minderjarige] op basisschool [naam 1] in [plaats] , verzoekt de moeder de vastgestelde zorgregeling te wijzigen waarbij [minderjarige] van vrijdag (en vanaf donderdag zolang [minderjarige] nog niet leerplichtig is) uit school tot zondag 17.00 uur afwisselend bij de vader en de moeder is volgens het navolgende vaste weekendpatroon:

o weekend 1: [minderjarige] verblijft bij de vader;

o weekend 2: [minderjarige] verblijft bij de moeder;

o weekend 3: [minderjarige] verblijft bij de vader;

o weekend 4: [minderjarige] verblijft bij de moeder;

o weekend 5: [minderjarige] verblijft bij de moeder.

De moeder haalt [minderjarige] op vrijdag uit school op. Zolang [minderjarige] nog niet leerplichtig is (dus tot hij vijf jaar wordt) haalt de moeder [minderjarige] op donderdag uit school op. De vader haalt [minderjarige] op zondag om 17.00 uur bij de moeder op. Na afloop van iedere cyclus wordt het weekendpatroon opnieuw gevolgd. Als het weekendpatroon wordt onderbroken door de vakantie- en feestdagenregeling dan wordt na afloop van de vakantie/feestdag een lopende cyclus hervat.

Overwegingen

3
De beoordeling
3.1

De rechtbank zal:

vervangende toestemming verlenen aan de moeder om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [naam 2] in [woonplaats 2] en bij BSO [naam 3] ;

bepalen dat [minderjarige] voortaan zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft;

de zorgregeling en de verdeling van de vakanties en feestdagen wijzigen, zoals in het dictum onder 4.3. is vermeld;

de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek voor vervangende toestemming om het adres van [minderjarige] te veranderen naar haar adres in de Basisregistratie Personen (BRP);

de vader vervangende toestemming verlenen om met [minderjarige] van 8 augustus 2026 tot en met 24 augustus 2026 op vakantie te gaan naar [bestemming] .

Deze beslissing zal hierna per onderwerp worden uitgelegd.

Vervangende toestemming inschrijving basisschool en BSO

3.2

Op grond van artikel 1:253a BW moet de rechtbank een beslissing nemen die zij in het belang van [minderjarige] acht.

3.3

Beide ouders bieden een veilige, stabiele en liefdevolle opvoedsituatie en zijn goed in staat om voor [minderjarige] te zorgen. Er zijn geen zorgen over hun opvoedvaardigheden of over de veiligheid van [minderjarige] bij één van hen. Ook de Raad heeft tijdens de zitting bevestigd dat beide ouders geschikt zijn om de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen.

3.4

Beide ouders willen dat [minderjarige] zo snel mogelijk naar de basisschool gaat. Zij zijn het erover eens dat hij daaraan toe is. Hun verschil van mening ziet daarom niet op de vraag óf [minderjarige] naar school moet, maar op de locatie van de school en de gevolgen die de keuze heeft voor de verdeling van de zorg. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat [minderjarige] zich op één van de voorgestelde scholen niet goed zal ontwikkelen. Ook is de rechtbank ervan overtuigd dat [minderjarige] ongeacht op welke school hij wordt ingeschreven, bij beide ouders een fijne en stabiele thuissituatie zal hebben. De zorgen die de ouders over en weer hebben als [minderjarige] wordt ingeschreven op een school bij de andere ouder zijn heel invoelbaar. Zij vrezen allebei dat zij minder betrokken zullen raken bij het dagelijkse leven van [minderjarige] als hij bij de andere ouder naar school gaat. Daarnaast hebben zij over en weer voorbeelden genoemd waaruit volgens hen blijkt dat de communicatie niet goed verloopt en zij niet steeds goed worden geïnformeerd door de andere ouder over belangrijke gebeurtenissen in [minderjarige] leven. Hun zorgen zijn wederzijds en bieden geen aanknoping voor het nemen van een beslissing. Die zorgen bevestigen vooral dat de ouders nog stappen moeten zetten in hun onderlinge communicatie en verstandhouding.

3.5

Onder deze omstandigheden is uiteindelijk de motivering van de moeder voor de schoolkeuze van [minderjarige] , in samenhang met haar bereidheid om te verhuizen doorslaggevend. De moeder heeft een voorkeur voor basisschool [naam 2] , omdat zij vindt dat deze school het best aansluit bij [minderjarige] karakter en zijn behoefte aan structuur. [minderjarige] is een energiek en ondernemend kind. De vader heeft dat tijdens de zitting ook bevestigd. Daarnaast heeft de moeder gezegd dat zij overweegt om te verhuizen als [minderjarige] in [woonplaats 1] naar school zou gaan, ook al bevinden haar werk, woning en vangnet zich in [woonplaats 2] . Die bereidheid om persoonlijke belangen opzij te zetten in het belang van [minderjarige] , weegt zwaar mee. Alles afwegende is de rechtbank daarom van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [naam 2] en bij BSO [naam 3] in [woonplaats 2] .

Hoofdverblijfplaats

3.6

De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] vaststellen bij de moeder. Dit betekent dat [minderjarige] voortaan bij de moeder woont. Gelet op de beslissing dat [minderjarige] op basisschool [naam 2] in [woonplaats 2] zal worden ingeschreven, vindt de rechtbank het in zijn belang dat zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder wordt bepaald. De ouders vinden ook dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] gelijk moet zijn aan de plaats van zijn school. Het verzoek van de moeder wordt daarom toegewezen.

Zorgregeling en vakantie- en feestdagenregeling

3.7

De rechtbank zal de zorgregeling en verdeling van de vakanties en feestdagen wijzigen zoals opgenomen in het dictum onder 4.3.

3.8

De rechtbank acht de vast te stellen zorgregeling en verdeling van de vakanties en feestdagen het meest in het belang van [minderjarige] . De ouders zijn het erover eens dat de eerder vastgestelde zorgregeling niet werkt zodra [minderjarige] naar de basisschool gaat. De afstand tussen de woonplaatsen van de ouders is daarvoor te groot. Met de vast te stellen regeling verblijft [minderjarige] drie van de vijf weekenden bij de vader en worden de vakanties en feestdagen gelijk tussen de ouders verdeeld. Beide ouders zijn voor de zorgregeling uitgegaan van dezelfde systematiek, alleen spiegelbeeldig van elkaar. De rechtbank sluit aan bij die systematiek. Daarnaast hebben de ouders op de meeste punten overeenstemming bereikt over de vakanties en feestdagen. Zo heeft de vader geen bezwaar tegen het voorstel van de moeder voor Vaderdag, Moederdag en de verjaardag van [minderjarige] . Daarnaast heeft de vader zijn verzoek over Hemelvaart ingetrokken. Voor de zomervakantie maakt het de vader niet uit of [minderjarige] de eerste of laatste drie weken bij hem verblijft, mits de regeling goed aansluit op de overige vakanties. De rechtbank heeft daarmee rekening gehouden bij het vaststellen van de vakantieregeling.

Geen vervangende toestemming inschrijving Basisregistratie Personen

3.9

Op basis van de wet is iedere inwoner die zijn adres wijzigt verplicht hiervan schriftelijk aangifte te doen bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft. (Voetnoot 1) Bij een minderjarige jonger dan 16 jaar rust deze verplichting op onder andere de ouders. (Voetnoot 2) De wet stelt niet de eis dat het moet gaan om een ouder met gezag. Uit de wet vloeit ook niet voort dat de verplichting rust op de ouders samen. Iedere ouder is dus verplicht tot het doen van de aangifte. Het is aan het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente om te beoordelen of de aangifte rechtmatig is en die al dan niet uit te voeren. (Voetnoot 3) Die beslissing wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en kan (indien wenselijk) via die route worden aangevochten.

3.10

De moeder heeft verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] op haar adres in de Basisregistratie Personen in te schrijven. Van een geschil over gezamenlijke uitoefening van het gezag is op dit punt geen sprake, omdat voor het doen van aangifte van een adreswijziging geen gezag vereist is. De rechtbank zal de moeder daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.

3.11

Overigens heeft de vader ook gezegd dat het BRP-adres van [minderjarige] moet aansluiten bij zijn hoofverblijfplaats en de plek waar hij naar school gaat. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de ouders de adreswijziging in onderling overleg zullen regelen.

Vervangende toestemming vakantie [bestemming]

3.12

De vader heeft verzocht hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] van 8 augustus tot en met 24 augustus 2026 mee te nemen op vakantie naar [bestemming] . De moeder kan instemmen met die vakantie als deze pas op [geboortedatum] 2026 begint. Dat de moeder de verjaardag van [minderjarige] graag met hem wil vieren, is heel begrijpelijk. Dit is alleen geen reden dat [minderjarige] pas later met zijn vader op vakantie kan gaan. Het blijkt namelijk nergens uit dat de verjaardag van [minderjarige] uitsluitend op 10 augustus 2026 kan worden gevierd. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij met zijn vader op vakantie naar [bestemming] kan gaan. Het verzoek van de vader voor vervangende toestemming zal daarom worden toegewezen.

Hoe verder?

3.13

Tijdens de zitting is gebleken dat de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt. Bij de overdracht van [minderjarige] praten ouders nauwelijks met elkaar en is er soms slechts een begroeting. Dat vindt de rechtbank zorgelijk. [minderjarige] is nog jong en de ouders zullen de komende jaren nog veel gezamenlijke beslissingen over hem moeten nemen. De rechtbank begrijpt dat de onduidelijkheid over de schoolkeuze, de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling de onderlinge verhoudingen onder druk heeft gezet. Hopelijk neemt de beslissing over deze onderwerpen die onduidelijkheid weg en kan er weer ruimte ontstaan om met elkaar in gesprek te gaan. Het is namelijk heel belangrijk dat de ouders weer gaan werken aan een betere onderlinge communicatie en samenwerking. Van beide ouders mag worden verwacht dat zij zich ervoor inspannen dat de vader, ook nu [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft, een betekenisvolle rol in zijn leven blijft vervullen. Juist nu [minderjarige] straks vijf dagen per week in [woonplaats 2] naar school zal gaan, is dat in het belang van [minderjarige] .

De uitvoerbaarheid bij voorraad

3.14

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.

Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.

Beslissing

4
De beslissing

De rechtbank:

4.1

verleent toestemming aan de moeder – die de toestemming van de vader vervangt – om [minderjarige] in te schrijven op de basisschool [naam 2] in [woonplaats 2] en bij BSO [naam 3] ;

4.2

bepaalt dat [minderjarige] voortaan zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder;

4.3

wijzigt de zorgregeling en de verdeling van de vakanties en feestdagen als volgt:

Reguliere zorgregeling

- [minderjarige] verblijft van vrijdag (en vanaf donderdag zolang [minderjarige] nog niet leerplichtig is) uit school tot zondag 17.00 uur afwisselend bij de ouders volgens het navolgende vaste weekendpatroon:

o Weekend 1: [minderjarige] verblijft bij de moeder;

o Weekend 2: [minderjarige] verblijft bij de vader;

o Weekend 3: [minderjarige] verblijft bij de moeder;

o Weekend 4: [minderjarige] verblijft bij de vader;

o Weekend 5: [minderjarige] verblijft bij de vader;

de vader haalt [minderjarige] in zijn weekenden uit school op. Zolang [minderjarige] nog niet leerplichtig is, haalt de vader [minderjarige] in zijn weekenden op donderdag uit school op. De moeder haalt [minderjarige] op zondag om 17.00 uur bij de vader op;

als het weekendpatroon wordt onderbroken door de vakantie- en feestdagenregeling dan wordt na afloop van de vakantie/feestdag een lopende cyclus hervat;

Vakanties

in de voorjaarsvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren bij de moeder en in de even jaren bij de vader;

indien [minderjarige] twee weken meivakantie heeft, verblijft [minderjarige] in de oneven jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder en in de even jaren is dit andersom;

indien [minderjarige] één week meivakantie heeft, verblijft [minderjarige] in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder;

in de zomervakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder, in de even jaren is dit andersom;

in de herfstvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren bij de moeder en in de even jaren bij de vader;

in de kerstvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren de week van kerst bij de vader, en de week van oud en nieuw bij de moeder, in de even jaren is dit andersom;

op eerste kerstdag verblijft [minderjarige] in de oneven jaren van 12.00 uur tot 12.00 uur de volgende dag bij de moeder, waarbij de moeder [minderjarige] om 12.00 uur ophaalt bij de vader en de vader [minderjarige] de volgende dag om 12.00 uur weer ophaalt bij de moeder, in de even jaren is dit bij de vader;

op tweede kerstdag verblijft [minderjarige] in de oneven jaren van 12:00 uur tot 12:00 uur de volgende dag bij de vader, in de even jaren is dit bij de moeder;

Feestdagen

Pasen: in de oneven jaren verblijft [minderjarige] vanaf donderdag of vrijdag na school (als Goede Vrijdag een vrije dag is) tot en met tweede paasdag 17.00 uur bij de vader, in de even jaren is dit bij de moeder;

Pinksteren: in de oneven jaren verblijft [minderjarige] de vrijdag voor Pinksteren tot en met tweede pinksterdag 17.00 uur bij de vader, in de even jaren is dit bij de moeder;

Koningsdag: als deze dag in de meivakantie valt is de verdeling van de meivakantie leidend. Als Koningsdag niet in de meivakantie valt, verblijft [minderjarige] in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder;

Moederdag: als Moederdag in een omgangsweekend met de vader valt, haalt de moeder [minderjarige] op zaterdag om 17.00 uur op bij de vader;

Vaderdag: als Vaderdag in een omgangsweekend met de moeder valt, haalt de vader [minderjarige] op zaterdag om 17.00 uur op bij de moeder en haalt de moeder [minderjarige] op zondag 17.00 uur weer op bij de vader;

verjaardag [minderjarige] : met ingang van 2027 zal [minderjarige] zijn verjaardag vieren bij de ouder bij wie hij op grond van de vakantieregeling, of indien zijn verjaardag niet in de zomervakantie valt, de reguliere regeling verblijft;

Halen en brengen

voor het halen en brengen van [minderjarige] geldt dus altijd dat de ouder naar wie [minderjarige] toe gaat, [minderjarige] ophaalt van school of bij de andere ouder.

4.4

verleent toestemming aan de vader – die de toestemming van de moeder vervangt – om met [minderjarige] van 8 augustus 2026 tot en met 24 augustus 2026 op vakantie te gaan naar [bestemming] ;

4.5

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.6

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek voor vervangende toestemming om [minderjarige] op haar adres in de Basisregistratie Personen in te schrijven;

4.7

wijst de verzoeken van de ouders voor het overige af.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.M.E. Manning, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. E.A.G. Mosch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoot

Voetnoot 1

Artikel 2.39 lid 1 Wet basisregistratie personen.

Voetnoot 2

Artikel 2.48, aanhef en onder a. Wet basisregistratie personen.

Voetnoot 3

Artikel 2.60 Wet basisregistratie personen.