Rechtbank Midden-Nederland, beschikking personen- en familierecht
ECLI:NL:RBMNE:2026:6324
Op 17 August 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een beschikking procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/16/616355 / JL RK 26-530, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:6324. De plaats van zitting was Lelystad.
Indicatie
(Spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie. Deels met terugwerkende kracht. Geen verdere mondelinge behandeling, maar beschikking zal haar kracht niet verliezen (uitzondering op art. 800 lid 3 en 809 lid 3 Rv)
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zaaknummer: C/16/616355 / JL RK 26-530
Datum uitspraak: 17 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. E. Lucas.
1
Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 14 augustus 2026, mee in de beoordeling.
1.2.
De kinderrechter heeft op 17 augustus 2026 telefonisch mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking van die beslissing.
1.3.
De kinderrechter heeft op 17 augustus 2026 het bericht van de advocaat van de moeder ontvangen.
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft sinds 8 augustus 2026 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 29 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 18 augustus 2026.
2.4.
De kinderrechter heeft bij diezelfde beschikking van 29 juli 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinshuis tot 18 augustus 2026.
2.5.
De kinderrechter heeft op 11 augustus 2026 het verzoek behandeld om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (en haar zusje [naam] ) te verlengen (zaaknummer: C/16/612916 / JL RK 26-369). De kinderrechter heeft op die datum mondeling uitspraak gedaan en – voor zover voor deze zaak van belang – de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 18 augustus 2027. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd, te weten van 18 augustus 2026 tot 18 september 2026 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en van 18 september 2026 tot 18 augustus 2027 in een gezinsgerichte voorziening.
3.1.
De GI verzoekt:
een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen van 8 augustus 2026 tot 18 augustus 2026;
hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen;
aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling;
de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Overwegingen
4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Het lukt de moeder door haar psychische gezondheid niet om zelf voor [minderjarige] te zorgen. De vader van [minderjarige] , die het grootste deel van de opvoeding op zich nam, is op 6 juni 2022 overleden. [minderjarige] woonde daarom sinds september 2024 samen met haar zusje in het gezinshuis [locatie] . Dit gezinshuis heeft in mei 2026 aangegeven dat de kinderen niet meer bij hen kunnen wonen, waarna dit op vrijdag 10 juli 2026 aan de kinderen is verteld. [minderjarige] woonde sindsdien bij de ouders van een vriendin. De netwerkpleegouders hebben op 8 augustus 2026 aan de GI gemeld dat ze niet meer voor [minderjarige] kunnen zorgen. [minderjarige] woont sindsdien op een crisisaccommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
4.2.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] dat een machtiging wordt verleend om haar uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. (Voetnoot 1)
4.3.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] , omdat [minderjarige] op dit moment niet haar moeder, niet bij het gezinshuis en niet bij de netwerkpleegouders kan wonen. De machtiging voor een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is nodig om te realiseren dat [minderjarige] wel een dak boven haar hoofd heeft. Omdat [minderjarige] daar sinds 8 augustus 2026 verblijft, zal de machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (deels) met terugwerkende kracht worden verleend, te weten van 8 augustus 2026 tot 18 augustus 2026.
4.4.
De GI heeft ook verzocht om aansluitend voor de duur van de ondertoezichtstelling een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsing in een gezinsgerichte voorziening. Zoals is vermeld onder 2.5. heeft de kinderrechter op 11 augustus 2026 al de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd van 18 augustus 2026 tot 18 september 2026 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en van 18 september 2026 tot 18 augustus 2027 in een gezinsgerichte voorziening. De kinderrechter ziet dan ook geen reden om in deze zaak een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen en wijst dit verzoek af.
4.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.6.
De (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder die in deze zaak zal worden verleend, zal op de dag na de uitspraak aflopen. Bovendien is de indiening van dit verzoek besproken tijdens de mondelinge behandeling van 11 augustus 2026. De kinderrechter zal daarom [minderjarige] , de GI, de moeder en haar advocaat niet verder in de gelegenheid stellen om te worden gehoord en de zaak schriftelijk definitief afdoen. Zij zijn het allemaal hiermee eens. Dit betekent dat deze beschikking, in afwijking van artikel 800 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 809 lid 3 RV, haar kracht niet zal verliezen.
Beslissing
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 8 augustus 2026 tot 18 augustus 2026;
5.2.
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2026 door mr. M.M. Janssen-Witteveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Mather als griffier, en op schrift gesteld op 18 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Voetnoot
Voetnoot 1
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).