Rechtbank Midden-Nederland, beschikking personen- en familierecht

ECLI:NL:RBMNE:2026:6561

Op 5 June 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een beschikking procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/16/599192 / FA RK 25-1699, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:6561. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
C/16/599192 / FA RK 25-1699
Datum uitspraak:
5 June 2026
Datum publicatie:
25 September 2026

Indicatie

Afwijzing verzoek partneralimentatie. Gouden sieraden en munten. Bruidsgave.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Utrecht

Zaaknummers: C/16/599192 / FA RK 25-1699 (echtscheiding met nevenvoorzieningen)

C/16/603393 / FA RK 25-2347 (vermogensrechtelijke afwikkeling)

Beschikking van 5 juni 2026

in de zaak van:

[de man] , de man,

wonend in [woonplaats 1] ,

advocaat mr. L.C. van Holland,

tegen

[de vrouw] , de vrouw,

wonend in [woonplaats 2] ,

advocaat mr. T. de Jong.

1
De procedure
1.1

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

het verzoekschrift van de man (met bijlagen), ontvangen op [datum echtscheiding] 2025;

het verweerschrift van de vrouw (met bijlagen) met daarin een aantal zelfstandige verzoeken, ontvangen op 3 november 2025;

het verweerschrift van de man (met bijlagen) op de zelfstandige verzoeken van de vrouw, ontvangen op 28 november 2025;

het bericht van de man (met bijlagen) van 28 november 2025;

het aanvullend verzoek van de vrouw (met bijlagen), ontvangen op 11 maart 2026.

1.2

De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van

25 maart 2026. Daarbij waren partijen en hun advocaten aanwezig.

2
Waar de procedure over gaat
2.1

Partijen zijn op [datum huwelijk] 2024 in [plaats] met elkaar getrouwd.

2.2

De man verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.

2.3

De vrouw is het eens met het verzoek van de man over de echtscheiding. Zelf verzoekt zij de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

ten aanzien van de aan de vrouw toebehorende goederen:

primair: de man te bevelen binnen vijf dagen na afgifte van de beschikking tot afgifte van de navolgende aan de vrouw toebehorende goederen over te gaan:

? acht gouden armbanden;

? twee gouden kettingen;

? vier gouden munten;

? Dyson Airwrap;

? Parajumperjas;

? Michael Kor jas;

? Michael Kors ballerina's;

? Karaca mokken;

? Karaca theeglazen;

? Ted Baker jurk (drie keer);

? Ralph Lauren trui (drie keer)

subsidiair: als de man niet bereid is mee te werken aan afgifte van de genoemde goederen, hem te bevelen over te gaan tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 20.000,- ter zake deze goederen;

de man te bevelen over te gaan tot betaling van de bruidsschat aan de vrouw van € 15.000,-;

de man te bevelen over te gaan tot betaling van de helft van de tijdens het huwelijksdiner ontvangen contante gelden, zijnde € 5.000,-;

de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud te bepalen op € 2.557,- bruto per maand, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen onderhoudsbijdrage;

te bepalen dat de man aan de vrouw met betrekking tot het bed en de kast een vergoeding is verschuldigd van € 1.050,-.

2.4

De man wil dat de rechtbank de zelfstandige verzoeken van de vrouw afwijst.

Overwegingen

3
De beoordeling
3.1

De rechtbank zal hierna per onderwerp de beslissing noemen en uitleggen waarom zij die beslissing neemt.

De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is

3.2

De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken van partijen en het Nederlands recht is op die verzoeken van toepassing.

De echtscheiding

3.3

De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. Partijen zijn het er namelijk over eens dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.

Vermogensrechtelijke afwikkeling

3.4

Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn na 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat door hun huwelijk een beperkte gemeenschap is ontstaan.

3.5

Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op

[datum echtscheiding] 2025 ontbonden. Dat betekent dat in beginsel alle goederen die op die datum (de zogenoemde ‘peildatum omvang’) tot de beperkte huwelijksgemeenschap behoren, moeten worden verdeeld. Van de schulden die op de peildatum tot de beperkte huwelijksgemeenschap behoren moet worden vastgesteld wie onderling welke schuld of welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).

3.6

Tot de beperkte huwelijksgemeenschap behoren alle goederen die al vóór het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor genoemde datum van ontbinding hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) uitgezonderd erfenissen en giften, maar ook pensioenrechten die al op basis van de wet moeten worden verevend. Wat de schulden betreft, behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren vóór het huwelijk en alle schulden die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor voornoemde datum van ontbinding zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren.

Persoonlijke spullen van de vrouw

3.7

Een aantal persoonlijke spullen van de vrouw behoort niet tot de beperkte huwelijksgemeenschap. Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat de vader van de vrouw op 6 april 2026 tussen 12.00 uur en 14.00 uur de volgende spullen van de vrouw bij de man ophaalt:

de Michael Kor jas;

de Parajumperjas;

de Karaca mokken;

de Karaca theeglazen.

De vrouw wil dat ook haar Michael Kors ballerina’s worden afgegeven. De man stelt dat de vrouw de ballerina’s al heeft meegenomen. Tijdens de zitting heeft de vrouw daarop verteld dat dit andere ballerina’s waren. Partijen hebben toen afgesproken dat nog een keer gezocht gaat worden naar de door de vrouw genoemde ballerina’s en dat de vrouw die, als ze zijn gevonden, op 6 april 2026 tegelijk met de hiervoor genoemde spullen door haar vader kan laten ophalen. Deze afspraken lenen zich niet voor opname in het dictum van deze beschikking, maar partijen zijn er wel aan gebonden.

3.8

De vrouw verzoekt ook om afgifte van drie Ted Baker jurken en drie Ralph Lauren truien. Volgens de man heeft de vrouw al haar kleding meegenomen, op een paar dingen na. De jurken en truien die de vrouw noemt, zijn niet in de woning achtergebleven. De man ging ervan uit dat ook deze kledingstukken in de vuilniszakken met kleding zaten die de vrouw heeft opgehaald. In deze situatie kan de rechtbank niet vaststellen dat de vrouw al de beschikking heeft of heeft gehad over deze truien en jurken. Het verzoek om afgifte is niet voor toewijzing vatbaar en de rechtbank zal dat afwijzen.

De andere vermogensbestanddelen

3.9

Partijen zijn het (op een aantal punten) niet eens over de (wijze van) verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap. De rechtbank gaat hierna puntsgewijs in op de verschillende onderwerpen.

Inboedel en de Dyson Airwrap

3.10

Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat de man de kast en de Dyson Airwrap behoudt, en dat hij € 425,- voor de kast aan de vrouw betaalt en € 250,- voor de Dyson Airwrap. De rechtbank zal dat opnemen in het dictum van deze beschikking.

3.11

Partijen zijn het niet eens geworden over het bed, het bureau en de bureaustoel. De vrouw heeft gezegd dat zij geen behoefte heeft aan deze spullen. De man wil deze ook niet. Tijdens de zitting is de mogelijkheid van verkoop aan de orde gekomen, maar dat wilde de vrouw niet op zich nemen. Omdat deze spullen nu in het bezit van de man zijn, zal de rechtbank deze gemakshalve toe aan hem toedelen, zonder verrekening, waarna hij erover kan beschikken naar eigen goeddunken.

Gouden sieraden en munten

3.12

De rechtbank zal bepalen dat de man € 17.500,- aan de vrouw moet vergoeden ter zake acht gouden armbanden, één gouden ketting en vier gouden munten.

3.13

Partijen zijn het niet eens geworden over de verdeling van de acht gouden armbanden, één gouden ketting en vier gouden munten. Het verzoek van de vrouw gaat over twee gouden kettingen, maar tijdens de zitting bleek dat één ketting aan de vrouw is gegeven op het verlovingsfeest, dus voorafgaand aan het huwelijk. Die ketting behoort daarom toe aan haar en de rechtbank zal over die ketting geen beslissing nemen.

3.14

De vrouw stelt dat de andere sieraden en munten ook aan haar toebehoren, omdat deze op de huwelijksdag aan haar zijn gegeven. Volgens haar is dat gebruikelijk bij Turkse bruiloften. Zij verwijst daarbij naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 30 juli 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:2121). Op door de vrouw overgelegde beelden van de bruiloft is te zien dat sieraden aan haar worden gegeven. Dat is op zich ook niet betwist door de man. Volgens de man behoren de sieraden en munten tot de huwelijksgemeenschap. Hij stelt dat dit traditie is; de sieraden en munten worden geschonken door familie en blijven binnen de familie. De rechtbank is van oordeel dat de man zijn standpunt onvoldoende heeft onderbouwd en volgt daarom de vrouw.

3.15

Beide partijen stellen dat de gouden sieraden en munten niet in hun bezit zijn, maar dat de ander deze heeft dan wel weet waar deze zich bevinden. De rechtbank moet beoordelen of zij met enige mate van zekerheid kan vaststellen dat één van partijen de sieraden en munten heeft en zo ja, wat de waarde ervan is.

3.16

Op 23 december 2024 en 8 januari 2025 hebben partijen gezamenlijk spullen in een kluis gelegd. Volgens de vrouw waren dat een aantal van de gouden sieraden en munten. Op 1 augustus 2025 is de vrouw bij de man weggegaan en bij haar ouders gaan verblijven. Op 2 augustus 2025 om 8.59 uur is alleen de man naar de kluis gegaan. Op 27 augustus 2025 is alleen de vrouw naar de kluis gegaan. Toen bleek deze leeg te zijn.

3.17

Volgens de man zijn na het huwelijk niet alle sieraden en munten in de kluis gelegd, want op foto’s van tijdens en van na de huwelijksreis zijn de ketting met gouden munt en de armbanden zichtbaar. De man stelt dat de sieraden bij partijen in de woning lagen en dat de vrouw deze heeft meegenomen toen zij de woning verliet. Hij erkent dat hij op 2 augustus 2025 naar de kluis is gegaan. Dat deed hij om te kijken wat erin lag. Dat wist hij namelijk niet. Volgens de Turkse cultuur mocht hij niet kijken wat de vrouw in de kluis legde, aldus de man. Dat betwist de vrouw.

3.18

De rechtbank gaat ervan uit dat een aantal van de sieraden en munten in de kluis zijn gelegd, en dat het andere deel zich in de woning van partijen bevond. De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat de man niet wist wat er in de kluis lag. Tot 2 augustus 2025 zijn partijen steeds samen naar de kluis gegaan. Op 2 augustus 2025 is de man alleen naar de kluis gegaan. Dat was op de ochtend na het incident waarna de vrouw de woning had verlaten. De man stelt dat er toen niets in de kluis lag, maar dat strookt niet met de verklaring van de vader van de vrouw dat de vader van de man in de eerste week van augustus heeft gezegd dat het goud in de kluis al was gepakt en dat hij alleen het goud dat de vrouw (om haar armen) had nog wilde. Het plotselinge vertrek van de vrouw uit de woning, het bezoek van de man aan de kluis op 2 augustus 2025 om 8.59 uur en de verklaring van de vader van de vrouw maken dat de rechtbank aanneemt dat de gouden sieraden en munten bij de man zijn.

3.19

De vrouw heeft in productie 5 een berekening van de waarde van de sieraden en munten overgelegd. De man heeft de daarin opgenomen gewichten en geldwaardes niet (gemotiveerd) betwist. De rechtbank schat de waarde van de sieraden en munten op basis van de berekening van de vrouw op € 17.500,-. Dat bedrag moet de man aan de vrouw betalen.

Bruidsgave

3.20

Allereerst merkt de rechtbank op dat zij ervan uitgaat dat het feitelijk gaat om een bruidsgave in plaats van een bruidsschat zoals de vrouw het noemt. Een bruidsschat wordt doorgaans gedefinieerd als door de ouders aan hun dochter te geven geld en/of goederen, terwijl een bruidsgave door de man aan de vrouw wordt voldaan. Van dat laatste is sprake in deze zaak.

3.21

Tijdens de zitting hebben partijen afgesproken dat de man het bedrag van € 15.000,- ter zake de bruidsgave in drie termijnen van € 5.000,- aan de vrouw voldoet. De eerste termijn is vóór 22 april 2025, de tweede termijn vóór 20 mei 2026 en de derde termijn vóór 17 juni 2026. De rechtbank zal conform deze afspraak beslissen.

Opbrengst huwelijksdiner

3.22

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen, omdat het te onbepaald is.

3.23

De vrouw stelt dat tijdens het huwelijksdiner door familie en vrienden geld is gegeven aan partijen. Ze schat de opbrengst op € 10.000,- en wil dat de man de helft van dat bedrag aan haar betaalt. Het geld was opgeborgen in een kistje, maar daar zit het niet meer in. De vrouw gaat ervan uit dat de man het geld heeft.

De man betwist dat partijen een bedrag van € 10.000,- hebben gekregen, omdat het huwelijk klein was gevierd en de gasten ook (bijvoorbeeld) goud hadden geschonken. Hij weet niet wat de opbrengst was, hij schat dit op maximaal € 3.000,- tot € 5.000,-. Verder is een deel van de opbrengst gebruikt om de locatie waar het huwelijk werd gevierd te betalen. Het geld is bewaard in enveloppen, en niet in een kistje. De enveloppen zijn nu leeg en de man vermoedt dat de vrouw zich de rest van het geld heeft toegeëigend.

3.24

Het bedrag dat de vrouw noemt is een heel globale schatting en niet onderbouwd. Het is voor de rechtbank onduidelijk om hoeveel geld het gaat, en of er daarmee al dan niet gezamenlijke uitgaven zijn gedaan, bijvoorbeeld voor de locatie van het huwelijk zoals de man stelt. Dat kan de rechtbank niet vaststellen en zij zal het verzoek daarom afwijzen.

De partneralimentatie

3.25

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om partneralimentatie afwijzen. Een verzoek om partneralimentatie kan namelijk alleen worden toegewezen als iemand ‘behoeftig’ is. Dat is hier niet het geval. De rechtbank licht dat hierna toe.

Duur huwelijk

3.26

De man wil dat de rechtbank het verzoek van de vrouw om partneralimentatie afwijst, onder meer vanwege de korte duur van het huwelijk. Dat is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf geen reden om het verzoek af te wijzen. De duur van het huwelijk heeft invloed op de duur van de partneralimentatie. Dat volgt uit de wet.

3.27

In dit geval geldt het volgende: partneralimentatie kan volgens de wet niet eerder ingaan dan het moment dat de echtscheiding definitief is. Dat is het geval als de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben op de zitting afgesproken binnen een week na de echtscheidingsbeschikking de akte van berusting te ondertekenen, zodat de echtscheiding snel kan worden ingeschreven. Vaststelling van partneralimentatie zal er toe leiden dat de vrouw ongeveer negen maanden een bedrag van de man ontvangt.

De huwelijksgerelateerde behoefte

3.28

Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.

3.29

Voor de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de ‘hofnorm’. De hofnorm neemt het netto besteedbaar gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar samen van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen hun kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen is.

3.30

In dit geval kan de hofnorm niet worden gebruikt om de huwelijksgerelateerde behoefte vast te stellen. Partijen zijn op [datum huwelijk] 2024 getrouwd. Op 1 augustus 2025 heeft de vrouw de woning verlaten. Zij hebben ongeveer een half jaar samengeleefd. In die korte tijd is de vrouw niet al gewend geraakt aan een bepaalde mate van welstand. Partijen verschillen bovendien van mening over de hoogte van het inkomen van de man. Als de rechtbank het inkomen zoals de man stelt als uitgangspunt neemt, heeft de vrouw een heel lage huwelijksgerelateerde behoefte. Als de rechtbank het inkomen zoals de vrouw stelt als uitgangspunt neemt, is haar huwelijksgerelateerde behoefte heel hoog. Het voorgaande geeft de rechtbank aanleiding de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw te schatten op het minimumloon, dat is € 2.134,- bruto per maand.

De aanvullende behoefte

3.31

Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de zij redelijkerwijs in staat is in haar behoefte te voorzien. Als de vrouw daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’.

3.32

De verplichting tot partneralimentatie vloeit voort uit de wet. Het is ongebruikelijk dat mensen interen op vermogen om in de primaire levensbehoefte te voorzien. In dit specifieke geval overweegt de rechtbank dat dit wel van de vrouw mag worden verwacht, omdat het gaat om bijzonder vermogen dat samenhangt met het huwelijk. De vrouw ontvangt namelijk (naast het bedrag van € 17.500,- vanwege de gouden sieraden en munten) bij het einde van het huwelijk een bruidsgave en daarmee kan zij de korte periode dat zij recht heeft op partneralimentatie overbruggen. Bovendien woont de vrouw bij haar ouders en heeft zij geen hoge (woon)lasten. Verder is niet gebleken waarom de vrouw niet (parttime) zou kunnen werken, om zelf ook wat geld te verdienen. Ze volgt een studie, maar niet gebleken is waarom een bijbaan niet mogelijk is. De vrouw heeft verklaard dat zij last heeft van PTSS-klachten, maar niet gebleken is dat de vrouw daardoor in het geheel niet kan werken. Gelet op al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de vrouw de korte periode dat zij recht heeft op partneralimentatie zelf moet kunnen voorzien in haar huwelijksgerelateerde behoefte.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.33

De rechtbank zal de beslissing gedeeltelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. De uitvoerbaarheid bij voorraad geldt niet voor de echtscheiding. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De proceskosten

3.34

De rechtbank zal beslissen dat ieder de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van partijen in de proceskosten te veroordelen.

Hierna volgt de beslissing.

Beslissing

4
De beslissing

De rechtbank:

4.1

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, getrouwd op [datum huwelijk] 2024 in [plaats] ;

4.2

gelast de wijze van verdeling van de ontbonden beperkte huwelijksgemeenschap als volgt:

4.2.1

de kast op de slaapkamer wordt toegedeeld aan de man, onder de verplichting een bedrag van € 425,- aan de vrouw te betalen;

4.2.2

de Dyson Airwrap wordt toegedeeld aan de man, onder de verplichting een bedrag van € 250,- aan de vrouw te betalen;

4.2.3

het bed, het bureau en de bureaustoel worden aan de man toegedeeld, zonder verrekening;

4.3

beveelt de man over te gaan tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 17.500,- als vergoeding voor de acht gouden armbanden, een gouden ketting en vier gouden munten;

4.4

stelt vast dat partijen hebben afgesproken dat de man het bedrag van € 15.000,- ter zake de bruidsgave in drie termijnen van € 5.000,- aan de vrouw voldoet; de eerste termijn is vóór 22 april 2025, de tweede termijn vóór 20 mei 2026 en de derde termijn vóór 17 juni 2026;

4.5

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de echtscheiding betreft;

4.6

bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten betalen;

4.7

wijst het anders of meer verzochte af.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.W.J. van Elsdingen, rechter, in samenwerking met mr. M.J.W. Rietveld als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.