Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBMNE:2024:7960

Op 29 October 2024 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 16.284200.23; 16.023671.24 (gev. ttz), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2024:7960. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
16.284200.23; 16.023671.24 (gev. ttz)
Datum uitspraak:
29 October 2024
Datum publicatie:
25 August 2026

Indicatie

Veroordeling voor bedreiging en belediging van een ambtenaar in functie.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16.284200.23 en 16.023671.24 (gev. ttz) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 29 oktober 2024

in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] (Verenigd Koninkrijk),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

hierna: verdachte.

1
ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 oktober 2024.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N. Schapendonk en van hetgeen de gemachtigd raadsvrouw mr. Y. Finani, advocaat te Utrecht, namens verdachte, naar voren heeft gebracht.

2
TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

16.284200.23

feit 1, primair:

op 24 september 2023 opzettelijk brand heeft gesticht op het balkon van de woning aan de [adres] in [plaats] , waardoor gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar dan wel zwaar lichamelijk letsel voor [aangever 1] en/of (een) ander(en) te duchten was;

feit 1, subsidiair: dan wel dat deze brand aan zijn schuld te wijten is geweest;

feit 2:

op 24 september 2023 in Utrecht [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

16.023671.24

op 22 januari 2024 in Utrecht opzettelijk een ambtenaar, te weten hoofdagent van politie [aangever 2] , heeft beledigd.

3
VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4
WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevraagd verdachte van het onder parketnummer 16.284200.23 feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde vrij te spreken. Nu op basis van het dossier niet gereconstrueerd kan worden wat er zich die ochtend op het balkon heeft afgespeeld en het onduidelijk blijft of verdachte aldaar heeft gerookt, kan (voorwaardelijk) opzet op de brandstichting niet worden vastgesteld (primair). Ook heeft verdachte, in het geval wordt uitgegaan van het geschetste (vermoedelijke) scenario dat zijn brandende sigaret of joint op de balkonstoel terecht is gekomen, volgens de officier van justitie niet aanmerkelijk onvoorzichtig of onachtzaam gehandeld (subsidiair).

De officier van justitie acht het onder parketnummer 16.284200.23 feit 2 en parketnummer 16.023671.24 ten laste gelegde wel wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 16.284200.23 feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Verdachte heeft ontkend enig vuur opzettelijk te hebben aangestoken en uit het dossier blijkt evenmin dat sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op brandstichting (primair). Ook in het geval uitgegaan wordt van het geschetste (vermoedelijke) scenario dat een brandende sigaret of joint van verdachte op de balkonstoel terecht is gekomen, is volgens de raadsvrouw onvoldoende bekend over de precieze gedraging van verdachte om te kunnen beoordelen of hij aanmerkelijk onvoorzichtig of onachtzaam heeft gehandeld (subsidiair). Indien de rechtbank wel aan een dergelijke beoordeling toekomt, heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte met het laten vallen van zijn sigaret of joint, welke normaliter uit zichzelf uitgaat, omdat hij moest overgeven, niet aanmerkelijk onvoorzichtig of onachtzaam is geweest.

De raadsvrouw heeft ook bepleit verdachte vrij te spreken van het onder parketnummer 16/284200-23 feit 2 ten laste gelegde. Verdachte erkent vreselijke dingen tegen [aangever 1] te hebben gezegd, maar hij zegt ook dat hij deze niet gemeend heeft, wat [aangever 1] zelf ook bevestigt. Volgens de raadsvrouw is dan ook geen sprake geweest van een redelijke vrees dat verdachte [aangever 1] iets zou aandoen.

Ten aanzien van het onder parketnummer 16.023671.24 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak: 16.284200.23 feit 1 primair en subsidiair

De rechtbank is, met de verdediging en de officier van justitie, van oordeel dat de onder parketnummer 16.284200.23 feit 1 primair ten laste gelegde opzettelijke brandstichting en de subsidiair ten laste gelegde culpoze brandstichting niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Op 24 september 2023 is brand ontstaan op het balkon van de woning van [aangever 1] . Verdachte heeft ontkend de brand opzettelijk te hebben aangemaakt, maar zegt verder niet meer te weten wat er die ochtend is gebeurd. De rechtbank gaat op grond van het dossier en de verklaringen van verdachte ervan uit dat verdachte die ochtend aldaar op het balkon bij de woning van [aangever 1] is geweest en dat enig handelen of nalaten van de verdachte moet hebben bijgedragen aan het ontstaan van de brand. Op basis van het onderzoek en de verklaringen van verdachte, is echter niet duidelijk welk handelen of nalaten dit is geweest.

De vraag die de rechtbank allereerst moet beantwoorden is of verdachte opzet (eventueel in voorwaardelijke zin) heeft gehad op de brandstichting. Voor opzet is vereist dat verdachte wist dat hij brand stichtte en dat ook wilde. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat verdachte door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans op brand heeft aanvaard. Zoals hierboven al is uiteengezet, is het onduidelijk is gebleven wat de feitelijke toedracht van de brand is geweest en wat de precieze bijdrage van verdachte was, zodat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de brandstichting.

De rechtbank is van oordeel dat evenmin wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de brand aan de schuld van verdachte te wijten is. Of sprake is van schuld in strafrechtelijke zin is afhankelijk van het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In het dossier komt het scenario naar voren dat de joint of sigaret van verdachte mogelijk op het kussen van de balkonstoel terecht is gekomen en dat hierdoor de brand is ontstaan. Het een en ander blijft echter speculatief. Zo is het, ook uitgaande van dat scenario, niet helder wat de precieze gedraging van verdachte is geweest. De rechtbank beschikt aldus over onvoldoende informatie om de overtuiging te verkrijgen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig of onachtzaam heeft gehandeld.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van 16.284200.23, feit 2  (Voetnoot 1) :

In de schriftelijke verklaring van 7 oktober 2024 (door de raadsvrouw overgelegd ter terechtzitting van 15 oktober 2024) heeft verdachte - samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

With regard to the charge of the threat (de rechtbank begrijpt de ten laste gelegde bedreiging van 24 september 2024 in Utrecht), out of frustration i will say the most horrible thing. (Voetnoot 2)

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] (met bijlagen) staat onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende:

lk deed onderzoek in de telefoon van [aangever 1](Voetnoot 3)

De berichten (Voetnoot 4):

[accountnaam]

06:27 - [aangever 1] kill u (Engels) - I ga je vermoorden (Nederlands). (Voetnoot 5)

Ten aanzien van 16/023671-24  (Voetnoot 6)

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder parketnummer 16/023671-24 ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende (schriftelijke) verklaring van verdachte door de raadsvrouw overgelegd ter terechtzitting van 15 oktober 2024 (Voetnoot 7);

- een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [aangever 2] op 22 januari 2024 (Voetnoot 8);

Bewijsoverweging

Ten aanzien van 16/284200-23, feit 2

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging als bedoeld in artikel 285 Sr is volgens vaste jurisprudentie onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat deze in het algemeen de vrees kan doen opwekken dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd ook ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. De beoordeling of sprake is van vrees is daarmee geobjectiveerd. Het is niet vereist dat bij de bedreigde daadwerkelijk die vrees is ontstaan.

De ten laste gelegde uitlating is door verdachte gedaan tijdens een online ruzie met zijn vriendin, [aangever 1] . Verdachte zou volgens [aangever 1] boos zijn geweest omdat zij die nacht uit was gegaan. Dat verdachte boos was blijkt ook uit de vele berichten die hij haar vroeg in de ochtend heeft gestuurd. Zo heeft hij [aangever 1] , voordat hij het bericht stuurt haar te vermoorden, al verschillende berichten verstuurd waarin hij aangeeft dat zij zijn hoer is, hij er klaar mee is en langs de woning van haar moeder zal gaan. Dit betreft de woning waar [aangever 1] zelf ook woonachtig is.

De rechtbank overweegt dat de uitlating ‘ [aangever 1] kill u’ op zichzelf naar zijn aard geschikt is om bedreiging op te leveren en gelet op de bovengenoemde context is de bedreiging ook naar objectieve maatstaven van dien aard dat daardoor de redelijke vrees kon ontstaan dat deze ten uitvoer zou kunnen worden gelegd en [aangever 1] het leven zou laten. Dat verdachte zegt niet te hebben gemeend haar te zullen vermoorden en dat [aangever 1] het zelf ook niet als een reële dreiging ervoer, maakt dit, gelet op bovengenoemde objectieve maatstaf, niet anders.

De rechtbank acht het dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 24 september 2024 schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van [aangever 1] .

5
BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

16.284200.23, feit 2:

op 24 september 2023 te Utrecht [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever 1] dreigend de woorden toe te voegen “ [aangever 1] kill u”, inhoudende “Ik ga je vermoorden”;

16.023671.24

op 22 januari 2024 te Utrecht opzettelijk een ambtenaar, te weten hoofdagent bij politie-eenheid Midden-Nederland [aangever 2] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, heeft beledigd, door die [aangever 2] in het gezicht te spugen;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6
STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feit op:

16.284200.23, feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

16.023671.24: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

7
STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8
OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL
8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 30 januari 2024 onder parketnummer 16.023671.24 te vernietigen. Zij heeft voorts gevorderd verdachte ter zake van het bewezen geachte te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 500,-, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de eis van de officier van justitie.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft op 24 september 2024 het slachtoffer mevrouw [aangever 1] , zijn vriendin, via Instagram met de dood bedreigd. Het slachtoffer vertelt dat zij de nacht voor de geuite bedreiging uit is gegaan, waar verdachte het niet mee eens was. Verdachte is boos geworden en was op dat moment onder invloed van alcohol en drugs. Hij heeft het slachtoffer meerdere dreigende berichten verstuurd, waarin hij onder andere heeft gezegd naar haar huis te komen en haar te vermoorden. Door op deze manier te handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Bovendien kunnen dergelijke woordelijke bedreigingen gevoelens van angst en onveiligheid opwekken bij de ontvanger. Het slachtoffer beschrijft ook dat zij het vervelend vindt dreigende berichten te ontvangen van verdachte en hier geëmotioneerd van raakt. Zij heeft de (online) ruzie die avond dan ook als zeer heftig ervaren. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Ook heeft verdachte op 22 januari 2024 een politieambtenaar in zijn gezicht gespuugd. Naar aanleiding van een melding dat verdachte in een woning met messen liep en zichzelf wat aan wilde doen, is de politie ter plaatse gegaan. Daar treffen zij verdachte met bebloede krassen op zijn arm aan. De politieambtenaar heeft verdachte benaderd, om hulp te bieden en te voorkomen dat verdachte zichzelf verder zou verwonden of een ander wat zou aandoen. Verdachte heeft zich toen hevig verzet, waarbij hij in het gezicht van de politieambtenaar heeft gespuugd. Het is uiterst respectloos en denigrerend gedrag om een politieambtenaar, die gewoon zijn werk verricht, in het gezicht te spugen. Ambtenaren met een publieke taak moeten - in het belang van de openbare orde - kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met zulk gedrag.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 september 2024 op naam van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen en de rechtbank heeft van de raadsvrouw vernomen dat verdachte niet (meer) in Nederland verblijft en ook niet voornemens is om spoedig naar Nederland terug te komen. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting een (met google translate/Chat GPT vertaalde) medische verklaring van 12 september 2024 over verdachte overgelegd, waaruit blijkt dat verdachte momenteel in Spanje onder behandeling is in verband met zijn middelenverslaving. Verdachte beschrijft dit zelf ook in zijn ter terechtzitting overgelegde schriftelijke verklaringen van 16 september 2024 en 7 oktober 2024. Naar eigen zeggen heeft verdachte sinds 2023 forse drugsproblematiek, waardoor hij te maken kreeg met psychoses en grip op de realiteit verloor. Verdachte zegt onder behandeling te zijn bij een psychiater en hulp te krijgen binnen een afkickkliniek. Volgens verdachte gaat het sinds de verkregen hulp een stuk beter en hij hoopt een gezond leven te gaan leiden, opnieuw te gaan studeren en een fulltime baan te vinden. Ter zitting is uit de verklaring van de moeder van [aangever 1] gebleken, dat de relatie van verdachte en haar dochter is hervat en dat zij regelmatig bij hem in Spanje verblijft.

Op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de straffen

die doorgaans bij vergelijkbare feiten worden opgelegd en die hun weerslag hebben

gevonden in de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg

Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Zowel voor bedreiging als voor belediging van een politieambtenaar geldt als uitgangspunt de oplegging van een geldboete. De rechtbank vindt dit in deze zaak ook passend. Een taakstraf acht de rechtbank niet opportuun, nu de verdachte zich in het buitenland bevindt en het belangrijk is dat hij (voorlopig) behandeling en hulp blijft verkrijgen voor zijn middelenproblematiek.

Gelet op de aard en ernst van in het bijzonder de belediging, te weten het spugen in het gezicht van een politieambtenaar, ziet de rechtbank wel aanleiding verdachte, anders dan de officier van justitie heeft geëist, een (deels) onvoorwaardelijke geldboete op te leggen. Zo kan verdachte de consequenties van zijn handelen ervaren. Het voorwaardelijke strafdeel dient verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een geldboete ter hoogte van € 500,-, waarvan € 300,- voorwaardelijk, passend en geboden is, onder vernietiging van de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 30 januari 2024 in de zaak met parketnummer 16.023671.24. Verdachte zal het voorwaardelijke gedeelte van de geldboete niet hoeven te betalen als hij gedurende de proeftijd van 2 jaar geen strafbaar feit pleegt.

9
TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 57, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

10
BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder parketnummer 16.284200.23 feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbeschikking

- vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 30 januari 2024 (CJIB-nummer 2132 5420 0533 2508) onder parketnummer 16.023671.24 en beslist als volgt;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder parketnummer 16.284200.23 feit 2 en 16.023671.24 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 500, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de geldboete in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van € 50,- per dag;

- bepaalt dat van de geldboete een gedeelte van € 300,- niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;

- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Als de verdachte hoger beroep instelt tegen dit vonnis, is het verlofstelsel als bedoeld in artikel 410a van het Wetboek van Strafvordering van toepassing.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, mr. S.M. Schothorst en mr. G.M.C. Klink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Matser, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 oktober 2024.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

16.284200.23

1

hij op of omstreeks 24 september 2023 opzettelijk brand heeft gesticht op het balkon van de woning op/aan de [adres] te [plaats] , althans in Nederland, door open vuur en/of een brandende sigaret/joint in aanraking te brengen met een stoel aldaar, ten gevolge waarvan (een) goed(eren) op dat balkon geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand (te weten een stoel op het balkon en/of het kussen op die stoel en/of het kleed op de naastgelegen stoel op het balkon), in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (alle) goederen in en om die woning en/of aangrenzende gebouwen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor in die woning en omliggende woningen/gebouwen aanwezige personen (te weten [aangever 1] en/of [andere] aanwezigen), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in die woning en omliggende woningen/gebouwen aanwezige personen (te weten [aangever 1] en/of [andere] aanwezigen), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

(art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 september 2023 te Utrecht, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam op het balkon van de woning op/aan de [adres] te [plaats] , althans in Nederland, open vuur en/of een brandende sigaret/joint in aanraking heeft gebracht met een stoel aldaar, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat (een) goed(eren) op dat balkon geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand (te weten een stoel op het balkon en/of het kussen op die stoel en/of het kleed op de naastgelegen stoel op het balkon), in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (alle) goederen in en om die woning en/of aangrenzende gebouwen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor in die woning en omliggende woningen/gebouwen aanwezige personen (te weten [aangever 1] en/of [andere] aanwezigen), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in die woning en omliggende woningen/gebouwen aanwezige personen (te weten [aangever 1] en/of [andere] aanwezigen), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen ontstond;

(art 158 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 158 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

2

hij op of omstreeks 24 september 2023 te Utrecht, althans in Nederland, [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever 1] dreigend de woorden toe te voegen " [aangever 1] kill u", inhoudende “Ik ga je vermoorden”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

16.023671.24

hij op of omstreeks 22 januari 2024 te Utrecht opzettelijk een ambtenaar, te weten hoofdagent bij politie-eenheid Midden-Nederland [aangever 2] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door die [aangever 2] , in het gezicht te spugen;

(art 267 lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht)

Voetnoot

Voetnoot 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van26 oktober 2024, genummerd 23200926.1024.37039, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 112. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Voetnoot 2

Een geschrift, te weten het e-mailbericht van verdachte van 7 oktober 2024 om 10:47.

Voetnoot 3

Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 62.

Voetnoot 4

Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 63.

Voetnoot 5

Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 62, en een geschrift, te weten de chatberichten verstuurd door het account ‘ [accountnaam] ’ welke als bijlage zijn gevoegd aan voornoemd proces-verbaal, pagina 73.

Voetnoot 6

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 29 januari 2024, genummerd PL0900-2024022686, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 32. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Voetnoot 7

Een geschrift, te weten het e-mailbericht van verdachte van 16 september 2024 om 21:28.

Voetnoot 8

Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 8 en 9.