Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBMNE:2025:7572

Op 14 May 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 16/030846-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2025:7572. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
16/030846-24
Datum uitspraak:
14 May 2025
Datum publicatie:
26 February 2026

Indicatie

De verdachte heeft een ruit van de toegangsdeur van het politiebureau in Amersfoort vernield. De rechtbank legt aan de verdachte een ISD-maatregel op, met tussentijdse beoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/030846-24 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 14 mei 2024

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende in de [verblijfplaats] ,

hierna: verdachte.

1
ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 april 2024.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. I. Graumans en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. C. Lammers, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2
TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 27 januari 2024 in Amersfoort opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de politie heeft vernield.

3
VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4
WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen. Volgens de officier van justitie is, gelet op de afgelegde verklaring van verdachte bij de politie, sprake van vol opzet.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit, nu het (voorwaardelijk) opzet van verdachte niet was gericht op het vernielen en/of beschadigen van de ruit van de politie zelf, maar op het verkrijgen van hulp en onderdak.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen  (Voetnoot 1)

Verdachte heeft tijdens het politieverhoor op 27 januari 2024 onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

Ik was afgelopen nacht in Amersfoort. Ik heb tegen de agenten gezegd dat ik dan maar een steen door de ruiten moest gooien om binnen te zitten. Ik heb toen een steen gepakt en die heb ik tegen de voordeur van het politiebureau gegooid. De ruit is toen kapot gegaan. (Voetnoot 2)

Aangever [aangever] heeft namens de Politie Amersfoort onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

Op 27 januari 2024 arriveerde ik bij het politiebureau te Amersfoort. Ik zag dat de ruit in de schuifdeur beschadigd was. Ik zag dat er een grote barst in de ruit zat. Ik hoorde dat [verdachte] zojuist een steen tegen de schuifdeur van het politiebureau had gegooid. (Voetnoot 3)

Bewijsoverweging

Uit de verklaring van verdachte leidt de rechtbank af dat hij opzet had op het vernielen van de ruit van de politie. Dat verdachte met zijn handelen (ook) het doel had onderdak en/of hulp te verkrijgen, maakt dit niet anders. Die doelen kunnen namelijk tegelijkertijd bestaan. Dat heet opzet als noodzakelijkheidsbewustzijn.

5
BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 27 januari 2024 te Amersfoort opzettelijk en wederrechtelijk een ruit die aan de Politie toebehoorde heeft vernield.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6
STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

7
STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
7.1

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hij het feit heeft gepleegd in een situatie van psychische overmacht. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte door (meerdere) personen achtervolgd werd, zo ook op 27 januari 2024. Door het oplopen van letsel aan zijn voet, was hij die dag niet in staat om goed te lopen en/of (weg) te rennen. Verdachte vreesde voor zijn leven en was in de veronderstelling dat hij zonder hulp de volgende ochtend niet zou halen. Hij zag geen andere uitweg dan het vernielen van de ruit van de politie, om zo zijn veiligheid te kunnen waarborgen. Er was, gelet op het bovenstaande, dan ook sprake van een van buiten komende drang waaraan verdachte, mede gelet op zijn persoonlijkheidsproblematiek, redelijkerwijs geen weerstand kon bieden.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. Dat verdachte achtervolgd werd blijkt enkel uit zijn eigen verklaring en daarbij komt dat het vermoeden bestaat dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit onder invloed was van verdovende middelen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is vereist dat sprake is van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand heeft kunnen of behoren te bieden. Als gevolg van die druk verricht de dader handelingen die hij zonder de uitgeoefende druk achterwege zou hebben gelaten.

Verdachte heeft tijdens zijn politieverhoor en ter terechtzitting verklaard dat hij ten tijde van het ten laste gelegde achterna gezeten werd en zich niet veilig voelde. De door hem genoemde uitgeoefende druk van derden is echter op geen enkele verifieerbare manier onderbouwd en het procesdossier geeft hier evenmin blijk van. Bovendien was verdachte, zoals hij zelf ter terechtzitting heeft verklaard, ten tijde van delict onder invloed van cocaïne. Door het gebruik van cocaïne kunnen angstige en paranoïde gevoelens ontstaan.

Het verweer van de raadsvrouw dat sprake is van psychische overmacht wordt verworpen, nu de aanwezigheid van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden, niet aannemelijk is geworden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte strafbaar is, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8
OPLEGGING VAN MAATREGEL
8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het bewezen geachte te veroordelen tot oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van 2 jaren. De officier van justitie volgt hierin het advies van Tactus Verslavingszorg van 23 april 2024. Volgens de officier van justitie is aan alle vereisten voor het opleggen van een ISD-maatregel voldaan. Ook acht zij deze maatregel passend en geboden om het recidiverisico in te perken en de maatschappij te beschermen.

In het geval de rechtbank van oordeel is dat een tussentijdse toets benodigd is, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat dit pas vanaf 6 maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel zal moeten plaatsvinden.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, aan verdachte geen ISD-maatregel opgelegd kan worden, nu niet is voldaan aan de zachte ISD-criteria. Uit zowel het ISD-rapport en -advies als het strafblad van verdachte blijkt dat ambulante begeleiding en behandeling en klinische opname binnen een voorwaardelijk strafkader niet eerder van de grond zijn gekomen, terwijl dit niet aan het initiatief, de inzet en de motivatie van verdachte te wijten is, maar aan de reclassering. Het opleggen van een ISD-maatregel is op dit moment prematuur, aangezien minder ingrijpende alternatieven voorhanden zijn.

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Aan de reclassering zal daarnaast de opdracht gegeven moeten worden de eerder door deze rechtbank bij vonnis van 26 april 2021 opgelegde bijzondere voorwaarden alsnog uit te voeren, nu hier sinds de beslissing van de politierechter van deze rechtbank van 7 september 2023 (ondanks de detenties van verdachte) geen uitvoering aan is gegeven en de proeftijd nog enige tijd loopt.

De raadsvrouw heeft subsidiair bepleit verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest overstijgt, zodat de reclassering in de tussentijd alles in het werk kan stellen om de uitvoering van de zojuist genoemde (eerder opgelegde) bijzondere voorwaarden te bewerkstelligen.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht aan verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.

Indien de rechtbank van oordeel is dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel passend en geboden is, heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht bij vonnis te bepalen dat het Openbaar Ministerie binnen vier maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel de rechtbank zal berichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vernielen van een ruit van de toegangsdeur van het politiebureau te Amersfoort. Hij heeft een steen gepakt en deze tegen de ruit aangegooid, als gevolg hiervan is er grote barst in die ruit ontstaan. Verdachte heeft dan ook schade veroorzaakt en geen respect getoond voor andermans eigendom. Dat verdachte een hulpvraag had, rechtvaardigt zijn handelen niet.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

26 maart 2024 op naam van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte in het verleden veelvuldig met politie en justitie in aanraking is gekomen. In de afgelopen vijf jaar is verdachte al eerder (op 7 september 2022) veroordeeld voor vernieling, waardoor er sprake is van recidive. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van Tactus Verslavingszorg van 23 april 2024, opgesteld door mevrouw M. Scheppers, reclasseringswerker. De reclassering benoemt dat verdachte een zeer uitgebreid justitieel dossier heeft en de verdenkingen zelf veelal bagatelliseert en minimaliseert.

Er is sprake van instabiliteit op alle leefgebieden. Zo leeft verdachte een zwervend bestaan, heeft hij schulden en is hij veelal onder invloed van zowel alcohol als harddrugs.

Ondanks ingezette zorg is het niet gelukt om enige vorm van stabiliteit in het leven van verdachte te creëren. Verdachte trekt (uiteindelijk) zijn eigen plan, is agressief en/of dreigend en confirmeert zich niet aan de afspraken, waardoor hulpverlening voortijdig wordt beëindigd. Verdachte heeft eerder in 2016 een ISD-maatregel opgelegd gekregen, maar de extramurale fase van deze maatregel werd voortijdig beëindigd, omdat verdachte de bijzondere voorwaarden had overtreden. Alhoewel verdachte zich momenteel gemotiveerd toont voor begeleid wonen, is deze motivatie volgens de reclassering pril en lijkt deze met name te zijn ingegeven door het feit dat de ISD-maatregel boven zijn hoofd hangt.

Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als hoog. Er is, zoals hierboven benoemd, sprake van onstabiele huisvesting, problematisch middelengebruik, hetgeen verdachte zelf bagatelliseert. Na een langere periode van detentie is verdachte sinds september 2023 (weer) meermaals veroordeeld voor nieuwe delicten. Verdachte legt de verantwoordelijkheid van het plegen van de delicten buiten zichzelf en toont weinig zelfinzicht en motivatie voor gedragsverandering. Tactus Reclassering heeft er daarnaast geen vertrouwen in dat verdachte zich ‘buiten’ kan onthouden van het gebruik van drugs en/of alcohol. Op het moment dat hij onder invloed van middelen is, neemt de agressie toe en ontregelt hij op psychisch vlak. Het risico op recidive is dan - zo blijkt ook uit de vele politieregistraties - zeer hoog.

Het risico op letsel wordt eveneens ingeschat als hoog. Verdachte is in 2022 voor het laatst veroordeeld voor huiselijk geweld en onderhavig delict betreft wederom een geweldsincident. Hoewel dit geen geweld richting personen is geweest, schat de reclassering het risico op letsel toch in als hoog, wegens het middelengebruik van verdachte.

Ook het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt als hoog ingeschat, omdat verdachte meermaals is gerecidiveerd in lopende proeftijden en zich niet houdt aan afspraken met de hulpverleners en/of bijzondere voorwaarden.

Tactus Reclassering en ketenpartners zijn, gelet op het voorgaande, van mening dat de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel de enige mogelijkheid is om de maatschappelijke onrust door en teloorgang van verdachte tegen te gaan en adviseren deze maatregel dan ook aan verdachte op te leggen. Er is sprake van fors overlastgevend gedrag en de hulpverleningsmogelijkheden zijn, zoals eerder beschreven, inmiddels uitgeput. Verdachte is in ieder ander strafrechtelijk kader niet te begeleiden en andere trajecten zullen ook, vanuit de visie van de reclassering, niet tot gedragsverandering of recidivemindering leiden, omdat hij middelen blijft gebruiken. De maatregel zal in geval van verdachte vooral dienen ter bescherming van de maatschappij, waarbij gedurende de ISD-maatregel de kans op recidive aanzienlijk kleiner is.

Oplegging ISD-maatregel

De rechtbank stelt vast dat verdachte een stelselmatige dader is in de zin van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) en voldoet aan de in dat artikel genoemde criteria voor oplegging van de ISD-maatregel. Het bewezenverklaarde feit is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit de voornoemde uittreksel justitiële documentatie blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan deze feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, te weten:

een onherroepelijke veroordeling door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland op 4 oktober 2023, tot een gevangenisstraf van zes weken voor het overtreden van artikel 310 Sr. Deze straf is ten uitvoer gelegd;

een onherroepelijke veroordeling door de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland op 7 september 2022, tot een gevangenisstraf van 12 maanden, voor het overtreden van de artikelen 311 lid 1 ahf/sub 5 Sr en 350 Sr. Deze straf is ten uitvoer gelegd;

een onherroepelijke veroordeling door de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland op 9 juli 2019, tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan een gedeelte van 4 maanden voorwaardelijk voor het overtreden van de artikelen 310 Sr, 311 lid 1 ahf/sub 5 Sr, 310 Sr, 138 lid 1 Sr en 311 lid 1 ahf/sub 5 Sr. Deze straf is ten uitvoer gelegd.

Het in dit vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen.

Zoals blijkt uit de hiervoor genoemde reclasseringsrapportage, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen en goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte (eerder) begane feiten en de ingeschatte recidiverisico’s.

Ook is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel uit de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers. Verdachte valt namelijk onder de definitie van een stelselmatige dader. Hij is immers een persoon van 18 jaar of ouder die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde (huidige) misdrijffeit.

De afgelopen jaren is verdachte telkens voor zeer korte duur vrij geweest. Als verdachte vrijgelaten wordt pleegt hij, blijkens zijn documentatie en detentiekaart (verstrekt op 29 april 2024), in een kort tijdsbestek nieuwe strafbare feiten. De verdediging heeft in dit kader aangevoerd dat de reclassering ook tijdens de detentieperiodes van verdachte met hem aan de slag had moeten gaan en met hem in contact had moeten komen. Aan verdachte is namelijk bij vonnis van 26 april 2021 een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden opgelegd. Tijdens de detentieperiodes is er volgens de raadsvrouw vanuit de reclassering niks in gang gezet, waardoor verdachte telkens (weer) zonder geld en onderdak op straat belandde zonder hulpkader.

De rechtbank overweegt dat het wenselijk is dat de reclassering, ook wanneer verdachten (nog) in de penitentiaire inrichting zitten, met hulpverlening aan de slag gaan. Dit is echter niet hoe de wet en de praktijk op dit moment is ingericht. Ondanks dat verdachte op 26 april 2021 bijzondere voorwaarden opgelegd heeft gekregen, loopt dit kader niet gedurende de tijd dat sprake is van strafrechtelijke vrijheidsbeneming. Aan het verweer dat de reclassering in de detentieperiodes van verdachte nalatig is geweest in het opstarten van toezicht, behandeling en woonbegeleiding in het kader van bijzondere voorwaarden, gaat de rechtbank dan ook voorbij. De rechtbank neemt daarnaast in aanmerking dat verdachte telkens voor een zeer korte periode op vrije voeten is geweest, wat de reclassering onvoldoende tijd geeft om, ook wanneer hij vrij is, toezicht en begeleiding op te starten. Zo heeft de reclassering verdachte bijvoorbeeld rond november 2023 op de wachtlijst bij Kwintus geplaatst, waarna hij kort daarna weer vastzit en het recidiverisico te hoog is om hem voor een woontraject te accepteren.

De vele tot nu toe aan verdachte opgelegde straffen hebben er niet toe geleid dat hij zijn gedrag heeft veranderd. In het verleden is hulpverlening voortijdig beëindigd omdat verdachte zijn eigen plan trok, agressief en/of dreigend werd, zich niet confirmeerde aan de afspraken en recidiveerde. Er is sprake van problematisch drugsgebruik, wat verdachte bagatelliseert en de reclassering heeft er geen vertrouwen in dat verdachte zich ‘buiten’ van gebruik kan onthouden, terwijl hierdoor zijn agressie toeneemt en hij op psychisch vlak ontregelt. De rechtbank acht de oplegging van de ISD-maatregel daarom onontkoombaar en zal daartoe overgaan. Gelet op het feit dat verdachte eerder niet in staat is gebleken zich aan hulpverlening te (blijven) onderwerpen en in zijn middelengebruik persisteert, ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid, ook niet in de vorm van een voorwaardelijk strafdeel en/of voorwaardelijke ISD-maatregel. Bij de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel kan er diagnose plaatsvinden, een plan van aanpak worden opgemaakt en kan verdachte de behandeling en de hulp verkrijgen die voor hem noodzakelijk is. De rechtbank hoopt dat verdachte zal meewerken aan de hulpverlening in het kader van de ISD-maatregel. Ook als verdachte daaraan niet zal meewerken, is de ISD-maatregel passend en geboden, namelijk met het oog op de bescherming van de maatschappij tegen de delicten die verdachte pleegt.

Ter beëindiging van de recidive van verdachte en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

Tussentijdse beoordeling

De rechtbank ziet tot slot aanleiding om uiterlijk acht maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel te toetsen, gelet op het feit dat verdachte zegt gemotiveerd te zijn medewerking te zullen verlenen aan de behandeling. Dit geeft hem de mogelijkheid te laten zien dat hij gemotiveerd is.

De rechtbank is van oordeel dat daarom het verloop van de behandeling van de problematiek van verdachte dient te worden getoetst en ook dient aan de orde te komen wat de vooruitzichten zijn met betrekking tot een begeleid wonen traject dat ingezet kan worden tijdens het verloop van de ISD-maatregel.

9
TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

10
BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging maatregel

- legt aan verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee (2) jaren;

- bepaalt dat de tijd door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht niet op de tenuitvoerlegging van de maatregel in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen 8 (acht) maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel de rechtbank zal berichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van de Lustgraaf, voorzitter, mrs. L.E. Verschoor-Bergsma en S.D. Groen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 mei 2024.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 januari 2024 te Amersfoort opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Politie, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

(art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Voetnoot

Voetnoot 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 27 januari 2024, genummerd PL0900-2024027572, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 42. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Voetnoot 2

Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 30.

Voetnoot 3

Een proces-verbaal van aangifte van 27 januari 2024, pagina 5.