Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:1037

Op 18 March 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 16/264227-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:1037. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
16/264227-24
Datum uitspraak:
18 March 2026
Datum publicatie:
18 March 2026

Indicatie

De verdachte wordt veroordeeld voor twee pogingen tot zware mishandeling door met een auto op een persoon in te rijden, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, mishandeling en het verlaten van de plaats van een ongeval. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar onder bijzondere voorwaarden. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf van 200 uur op met aftrek van het voorarrest. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/264227-24

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 18 maart 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2002] in [geboorteplaats] ,

adres: [adres] , [woonplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1
Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 4 maart 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

de verdachte;

de officier van justitie, mr. J.J. Bloembergen;

de advocaat van de verdachte, mr. T. Novakovic (hierna: de advocaat);

de benadeelde partij [slachtoffer 1] , bijgestaan door [A] van Slachtofferhulp Nederland.

2
Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1: op 17 augustus 2024 in Wilnis [slachtoffer 2] heeft bedreigd;

feit 2: op 17 augustus 2024 in Wilnis [slachtoffer 2] heeft mishandeld door pepperspray in zijn gezicht te spuiten;

feit 3, primair: op 17 augustus 2024 in Wilnis een poging heeft gedaan om [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een auto op hem in te rijden of af te rijden;

feit 3, subsidiair: op 17 augustus 2024 in Wilnis [slachtoffer 2] heeft bedreigd door met een auto op hem in te rijden of af te rijden;

feit 4, primair: op 17 augustus 2024 in Wilnis een poging heeft gedaan om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een auto op hem in te rijden of af te rijden;

feit 4, subsidiair: op 17 augustus 2024 in Wilnis [slachtoffer 1] heeft bedreigd door met een auto op hem in te rijden of af te rijden;

feit 5: op 17 augustus 2024 in Wilnis de plaats van een ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of had moeten vermoeden dat aan een ander, namelijk [slachtoffer 1] , letsel of schade was toegebracht.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.

3
Bewijs en bewezenverklaring
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3 primair, 4 primair en 5 heeft gepleegd.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten waarvan hij onder 1, 3 primair en subsidiair en 4 primair en subsidiair wordt beschuldigd. Voor zover van belang voor de beoordeling, zal hieronder nader op de standpunten van de advocaat worden ingegaan. De advocaat heeft geen verweer gevoerd over het bewijs ten aanzien van de feiten waarvan de verdachte onder 2 en 5 wordt beschuldigd.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Feiten 1, 2 en 3 primair (aangever [slachtoffer 2] )

3.3.1.1. Bewijsmiddelen

De rechtbank oordeelt dat de feiten 1, 2 en 3 primair zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen. (Voetnoot 1) De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 17 augustus 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 17 augustus 2024 was ik in Wilnis. (Voetnoot 2) Er kwam een personenauto naar ons toe

rijden. Ik herkende de personenauto als de auto waarin [verdachte] altijd rijdt. Ik hoorde [verdachte] uit zijn personenauto schreeuwen dat hij ons dood ging rijden en ons allemaal dood ging maken.

Ik ben hierop nog wat dichter richting de auto van [verdachte] gelopen. Ik zag [verdachte] vervolgens met zijn hand uit het geopende raam komen. Ik zag dat [verdachte] een busje in zijn hand had. Ik zag dat er uit dit busje een vloeistof richting mijn gezicht gespoten werd. Ik voelde toen vloeistof op mijn gezicht komen. Ik voelde meteen dat dit een brandend gevoel gaf in mijn gezicht en ogen.

Ik zag dat [verdachte] ter hoogte van het zebrapad zijn auto keerde en mijn kant op kwam rijden. Ik stond op dat moment nog midden op de rijbaan. Ik zag dat [verdachte] in zijn auto steeds dichterbij kwam en hierbij niet afremde. Ik ben toen opzij gesprongen om niet geraakt te worden. (Voetnoot 3)

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] door de rechter-commissaris op 6 oktober 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik stond nog midden op de weg en op een gegeven moment kwam hij mij te dichtbij en dacht ik: dit ga ik niet redden. Toen ben ik naar de andere kant van de weg gelopen. Toen stuurde hij op mij in. Hij reed toen dus op de verkeerde weghelft. Ik ben op de stoeprand bij de bushalte gesprongen. Ik kon net op tijd aan de kant, het was rakelings.

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 18 augustus 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 17 augustus 2024 was ik in Wilnis. Op enig moment zag ik een zwarte BMW 1 serie op ons af rijden. Ik zag dat [verdachte] achter het stuur zat. Ik zag dat het voertuig toen stopte en ik zag dat [slachtoffer 2] toen richting de auto liep. Ik hoorde dat [verdachte] in de richting van [slachtoffer 2] meerdere doodsbedreigingen uitte. Ik hoorde [verdachte] in woorden van gelijke strekking zeggen: “Ik maak je kankerdood!” (Voetnoot 4)

Ik zag dat [slachtoffer 2] naast het bestuurdersportier stond met zijn gezicht richting [verdachte] . Ik zag dat [slachtoffer 2] bleef staan en ik hoorde [slachtoffer 2] zeggen: “Ben je nou serieus pepperspray in mijn ogen aan het spuiten?” Ik zag dat enige momenten later dat het shirt van [slachtoffer 2] geel was door een bepaalde vloeistof.

Ik zag [slachtoffer 2] in de richting van de bushalte liep en ik zag dat hij hier op de rijstrook stil bleef staan. Ik zag dat [verdachte] toen zijn auto keerde. Ik zag dat [verdachte] toen weer richting [slachtoffer 2] kwam rijden. Ik zag dat de auto van [verdachte] versnelde. Ik hoorde dat de auto van [verdachte] heel veel toeren maakte. Ik zag dat [verdachte] recht op [slachtoffer 2] af reed. Ik zag dat [slachtoffer 2] toen de rijstrook aan de zijde van de bushalte overstak en op de stoep in het bushokje ging staan. Ik zag dat het voertuig van [verdachte] , tegen de richting in, in de richting van [slachtoffer 2] reed. Ik zag dat [slachtoffer 2] toen niet geraakt is. (Voetnoot 5)

Een proces-verbaal van bevindingen van 17 augustus 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op zaterdag 17 augustus 2024 kregen wij het verzoek om te gaan richting Wilnis. Wij spraken de eerste melder en tevens aangever, welke later bleek te zijn [slachtoffer 2] . Wij hoorden [slachtoffer 2] zeggen dat [verdachte] pepperspray in zijn ogen had gesprayd vanuit de auto. (Voetnoot 6) Omdat [slachtoffer 2] zichtbaar last had van zijn ogen en ook aangaf dat hij last had van een branderig gevoel, hebben wij hem een oogdouche gegeven. (Voetnoot 7)

De verklaring van de verdachte afgelegd op de zitting van 4 maart 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer 2] kwam naar mijn auto toegelopen. Ik heb mijn raam geopend en met een busje pepperspray uit het raam gespoten.

3.3.1.2. Bewijsoverwegingen

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er een confrontatie heeft plaats gevonden op 17 augustus 2024 tussen de verdachte en de aangever [slachtoffer 2] . Hierbij heeft de verdachte “Ik maak je/jullie dood” naar de aangever geroepen. Deze woorden zijn in de kern en naar hun aard bedreigende woorden, waardoor bij de aangever de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte de aangever iets aan zou doen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Mishandeling

Verder heeft de verdachte met pepperspray in het gezicht van de aangever gespoten. De verdachte heeft verklaard dat het ging om een klein straaltje en zegt dat hij de aangever niet heeft geraakt. Dit wordt echter weersproken door de inhoud van de bewijsmiddelen waaruit blijkt dat er een gekleurde vloeistof op het shirt van de aangever zat en dat de aangever zichtbaar last had van zijn ogen. De politie heeft de aangever niet voor niets daarom een oogdouche gegeven. Als gevolg van het spuiten van pepperspray in het gezicht van de aangever heeft hij pijn ondervonden, door hem omschreven als een branderig gevoel. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling.

Poging tot zware mishandeling

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank ook vast dat de verdachte met zijn auto op de aangever is ingereden. De verdachte is op de aangever afgereden, waarbij hij versnelde en niet afremde. Toen de aangever naar de andere kant van de weg liep, heeft de verdachte op hem ingestuurd waardoor hij op de verkeerde weghelft terechtkwam en tegen de richting in reed. De aangever is op de stoeprand gesprongen, waardoor de aangever net niet is geraakt.

De vraag is vervolgens of de verdachte met zijn handelen opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat het handelen van de verdachte doelbewust was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, waardoor het de vraag is of uit het handelen van de verdachte kan worden afgeleid dat hij daar opzet op had in voorwaardelijke zin. Daarvan is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat de aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

De te verwachten gevolgen van een aanrijding van een voetganger door een auto worden – naar algemene ervaringsregels – in belangrijke mate bepaald door de snelheid van de auto. Indien met meer dan geringe snelheid wordt gereden, bestaat de aanmerkelijke kans dat een voetganger daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Hoewel de snelheid in dit geval niet exact kan worden bepaald, acht de rechtbank wel bewezen dat de verdachte met een meer dan geringe snelheid heeft gereden. Dat leidt tot de conclusie dat de kans dat de aangever zwaar lichamelijk letsel op zou lopen, aanmerkelijk was.

De verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank die aanmerkelijk kans ook aanvaard, door versneld op aangever af te rijden en in te sturen en niet te remmen of uit te wijken om een aanrijding de voorkomen. Bovendien bevond verdachte zich daarbij, zonder legitieme reden, op de voor hem als automobilist verkeerde weghelft. Dat de aanrijding uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden, is niet aan de verdachte te danken, maar aan de aangever die net op tijd op de stoep kon springen.

Aldus acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het voorwaardelijk opzet had om aan de aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en dat hij de onder 3 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft begaan.

3.3.2.

Feiten 4 primair en 5 (aangever [slachtoffer 1] )

3.3.2.1. Bewijsmiddelen

De rechtbank oordeelt dat de feiten 4 primair en 5 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen. (Voetnoot 8) De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 17 augustus 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 17 augustus 2024 was ik in Wilnis. Ik zag een auto aan komen rijden. Ik zag dat het een

BMW was. Ik zag dat [verdachte] in de auto zat. (Voetnoot 9)

Ik zag dat de BMW keerde. Ik zag dat [verdachte] nog steeds de bestuurder was. Ik zag dat de BMW nu weer op mij af kwam. Ik zag dat de BMW versnelde. Ik hoorde de motor hoge toeren maken. Ik zag dat de BMW vanaf de weg het fietspad voor mij op reedt. Dit deed de BMW op ongeveer tien meter afstand van mij. Ik zag de BMW nog steeds op mij af komen. Ik probeerde opzij te stappen en achter het bushokje te gaan staan. Ik zag dat de BMW ook van richting veranderde en nog steeds op mij af kwam. Ik probeerde toen de andere kant op te stappen, in de richting van de weg. Dit lukte niet. Ik voelde dat de auto mijn knie raakte. Ik ging schuin over de auto heen en viel op de grond. Ik heb ook schaafwonden op mijn rug. Ik dacht echt dat hij mij dood zou rijden. Nadat ik op de grond lag, zag ik dat de BMW weg reed. (Voetnoot 10)

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 18 augustus 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 17 augustus 2024 was ik in Wilnis. (Voetnoot 11) Ik zag dat [verdachte] terug kwam rijden over de Pieter Joostenlaan. Op dat moment keek ik naar [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] stond op dat moment aan de andere kant van de weg op het fietspad. Ik zag dat [slachtoffer 1] de weg overstak en mijn kant op liep. Ik zag dat [slachtoffer 1] de twee weghelften overstak en op het stukje stoep stapte. Ik zag dat [verdachte] dichterbij was gekomen. Ik zag, op het moment dat [slachtoffer 1] de weg was overgestoken en bij de stoep was aangekomen, dat [verdachte] naar links stuurde. Ik zag dat [verdachte] op de andere weghelft reed. Ik zag dat [slachtoffer 1] doorliep en van de stoep naar de overgang met het fietspad liep. Op dat moment zag ik dat [verdachte] met vier banden de stoep en het fietspad opreed. Ik zag dat [slachtoffer 1] naar de auto van [verdachte] keek. Ik zag [slachtoffer 1] de auto probeerde te ontwijken. Ik zag dat [slachtoffer 1] naar de rand van de stoep liep en hierna terug in de richting van het bushokje. Ik zag dat [slachtoffer 1] werd geraakt door de auto van [verdachte] . Ik zag dat de voorzijde van de auto [slachtoffer 1] raakte. Ik zag dat [slachtoffer 1] op de motorkap van de auto viel. Ik zag dat [slachtoffer 1] van de motorkap afviel, op de grond. Ik zag dat [slachtoffer 1] op de grond bleef liggen. Ik zag iets later dat [verdachte] was weggereden. (Voetnoot 12)

3.3.2.2. Bewijsoverwegingen

Poging tot zware mishandeling

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er, op diezelfde dag, 17 augustus 2024, ook een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangever [slachtoffer 1] . De rechtbank stelt vast dat de verdachte met zijn auto op de aangever is ingereden en dat hij de aangever daarbij ook daadwerkelijk heeft geraakt. De verdachte is op de aangever afgereden, waarbij hij versnelde en niet afremde. Toen de aangever de straat overstak heeft de verdachte naar links, richting de aangever, gestuurd, waarbij hij op de verkeerde weghelft terechtkwam. Vervolgens is de verdachte met zijn hele auto over de stoep en het fietspad gereden. De aangever probeerde de auto van de verdachte te ontwijken, maar hij is toch geraakt door de voorzijde van de auto. De aangever viel op de motorkap en vervolgens op de grond.

Ook in dit geval rijst de vraag of de verdachte met zijn handelen opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat het handelen van de verdachte doelbewust was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, waardoor het de vraag is of uit het handelen van de verdachte kan worden afgeleid dat hij daar opzet op had in voorwaardelijke zin. Daarvan is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat de aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Niet geheel duidelijk is met welke snelheid de verdachte op de aangever is afgereden. De verdachte heeft verklaard dat hij wilde stoppen bij het bushokje waar [getuige 2] zich bevond en daar is de aangever aangereden. Een hoge snelheid zal de auto bij het bushokje niet meer hebben gehad. Wel is de verdachte op het slachtoffer afgereden en heeft daarbij geen moeite gedaan een aanrijding te voorkomen, hij is niet uitgeweken en heeft voor hem niet geremd. De verdachte is zelfs nog, zonder legitieme reden, de stoep en het fietspad opgereden om bij de bushalte (waar meerdere mensen, waaronder aangever, stonden) te komen. Uiteindelijk is de aangever daar aangereden, op een plaats waar hij daarop niet berekend hoefde te zijn. Door de impact rolde de aangever over de motorkap. Was hij blijven staan of had de auto hem net anders geraakt, dan was ernstig (been)letsel redelijkerwijs te verwachten geweest. De kans op zwaar lichamelijk letsel was aanmerkelijk en de verdachte heeft die kans door de manier waarop hij heeft gereden ook bewust aanvaard.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het voorwaardelijk opzet had om aan de aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en dat hij de onder 4 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft begaan.

Verlaten plaats ongeval

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte na het aanrijden van de aangever is weggereden, terwijl de aangever letsel had. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte dit wist of redelijkerwijs moest vermoeden. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het verlaten van de plaats van een ongeval.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

1op 17 augustus 2024 te Wilnis [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen “Ik maak je dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2op 17 augustus 2024 te Wilnis [slachtoffer 2] heeft mishandeld door pepperspray in het gezicht van die [slachtoffer 2] te spuiten;

3op 17 augustus 2024 te Wilnis ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een auto op die [slachtoffer 2] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4op 17 augustus 2024 te Wilnis ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 1] met een auto heeft aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Wilnis op de Pieter Joostenlaan, op 17 augustus 2024 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , letsel was toegebracht.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4
Kwalificatie en strafbaarheid
4.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Feit 2: mishandeling

Feit 3 primair: poging tot zware mishandeling

Feit 4 primair: poging tot zware mishandeling

Feit 5: overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de

Wegenverkeerswet 1994

4.2.

Strafbaarheid feiten en de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5
Straffen
5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering;

een taakstraf van tachtig uur, te vervangen door veertig dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van twaalf maanden.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen, nu dit de groei die hij heeft doorgemaakt zou doorkruisen. Ook verzoekt de advocaat om geen rijontzegging op te leggen, omdat de verdachte moet kunnen rijden voor zijn werk. De advocaat heeft aangevoerd dat aan de verdachte een voorwaardelijke straf kan worden opgelegd met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die de rechtbank passend acht. De advocaat heeft verzocht om de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten doorlopen. De advocaat heeft over het contactverbod opgemerkt dat er sinds de

oplegging hiervan geen incidenten zijn geweest. Het is van belang dat de verdachte en aangever [slachtoffer 2] de mogelijkheid hebben om een keer, misschien onder

begeleiding, om tafel te kunnen om het een en ander naar elkaar uit te spreken, aangezien [getuige 2] en de verdachte tot op heden een relatie hebben.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

In de avond en nacht van 16 en 17 augustus 2024 heeft meerdere malen een confrontatie plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Rond 4.00 uur in de nacht is het conflict tussen de partijen verder geëscaleerd en heeft de verdachte een aantal strafbare feiten gepleegd. De verdachte heeft de aangever [slachtoffer 2] eerst verbaal bedreigd en hem mishandeld door pepperspray in zijn ogen te spuiten. Daarna is hij met zijn auto op [slachtoffer 2] ingereden, waarbij hij [slachtoffer 2] net niet heeft geraakt. Vervolgens is hij met zijn auto op de aangever [slachtoffer 1] ingereden, waarbij hij [slachtoffer 1] wel heeft geraakt. De Verdachte heeft daarna de plaats van het ongeval verlaten. Al deze strafbare feiten zijn ernstig, maar de rechtbank rekent het de verdachte vooral aan dat hij met zijn auto op de twee aangevers is ingereden. Daarmee heeft de verdachte een zware inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. [slachtoffer 1] heeft een forse klap op zijn kniebanden gehad, waardoor hij in ieder geval twee weken pijn heeft gehad aan zijn knie. Ook heeft hij meerdere schaafwonden opgelopen. Dat deze feiten veel indruk op [slachtoffer 1] hebben gemaakt, blijkt uit zijn toelichting op het verzoek tot schadevergoeding.

Persoonlijke omstandigheden en het strafblad van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 27 oktober 2025. De reclassering concludeert dat de leefgebieden relatie (schoon)familie, middelengebruik en psychosociaal functioneren delictgerelateerde factoren waren. Ten tijde van het plegen van deze delicten was de verdachte onder invloed van alcohol. Hij had een (lopend) conflict met de broer van zijn vriendin, wat uiteindelijk tot deze delicten heeft geleid. Vanwege de schorsingsvoorwaarden volgt de verdachte behandeling bij Fivoor die gericht is op agressiebeheersing. De behandeling bevindt zich in een beginnende fase, waardoor nog niet concreet is gewerkt aan gedragsverandering. Sinds de bewuste nacht zou de verdachte geen alcohol meer drinken. Er loopt sinds augustus 2024 een contactverbod met de aangevers, waar de verdachte zich goed aan houdt. Indien het contactverbod wordt opgeheven, ziet de reclassering geen aanwijzingen voor / risico’s op represailles. Op praktisch gebied kent de verdachte een stabiele situatie.De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. De behandeling bij Fivoor is nog in een opstartende fase en de reclassering vindt het belangrijk dat deze wordt voortgezet.

Strafkader

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, het opleggen van een gevangenisstraf is gerechtvaardigd. De rechtbank zal de gevangenisstraf echter geheel voorwaardelijk opleggen. De rechtbank weegt mee dat de verdachte niet eerder is veroordeeld en dat er geen nieuwe incidenten zijn geweest tussen de verdachte en de aangevers. Daarnaast is de verdachte een positieve weg ingeslagen in zijn leven en is het niet in het belang van de verdachte of de maatschappij om dit te doorkruisen met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Ook vindt de rechtbank het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf van belang om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan (soortgelijke) strafbare feiten schuldig te maken en geeft dit de rechtbank de mogelijkheid om daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden. De rechtbank ziet geen reden om een contactverbod met de aangevers op te leggen, aangezien de reclassering heeft geadviseerd dat dit niet noodzakelijk is. Omdat het opleggen van alleen een voorwaardelijke straf geen recht zou doen aan de ernst van de feiten, legt de rechtbank daarnaast een taakstraf op aan de verdachte. Voor het opleggen van een rijontzegging ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding.

Alles afwegende legt de rechtbank aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op, met een proeftijd van twee jaar, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd, en een taakstraf van 200 uur, met aftrek van het voorarrest.

De voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6
Vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
6.1.

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.223,95 voor de feiten 4 primair en 5, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 523,95 voor vergoeding van materiële schade en € 700,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). De materiële schade bestaat uit een kapotte telefoon en screenprotector. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan volgens de officier van justitie gedeeltelijk worden toegewezen. De benadeelde partij dient ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat het causale verband tussen de schade en het feit onvoldoende vaststaat. De verzochte immateriële schade dient geheel te worden toegewezen. De officier van justitie heeft verzocht om het toegekende gedeelte te vermeerderen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

6.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 4. Subsidiair heeft de advocaat verzocht om het materiële deel van de vordering af te wijzen, omdat het causale verband tussen de materiële schade en het handelen van de verdachte niet kan worden aangetoond. Niet blijkt dat de schade aan de telefoon van de benadeelde partij het gevolg is van de aanrijding. Het immateriële deel van de vordering dient volgens de advocaat te worden gematigd.

6.4.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot vergoeding van materiële schade voldoende is onderbouwd. Uit het dossier en het onderzoek op de zitting volgt dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 4 primair bewezen verklaarde feit. Dat de verdachte ten tijde van de aanrijding zijn telefoon op zak had en dat die telefoon door de aanrijding is beschadigd, behoeft geen nadere onderbouwing. De hoogte van de schade is in de vordering voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom in zijn geheel toe.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW (onder meer) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feiten. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 500,00 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

Totale schade en wettelijke rente

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.023,95, bestaande uit € 523,95 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade.

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 17 augustus 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskostenveroordeling verdachte

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 1.023,95 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 24 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

7
Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 63, 285, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

8
De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3 primair, 4 primair en 5 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straffen

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als algemene voorwaarden geldt dat verdachte:

zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in het zesde lid van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit nodig acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:

4) zich meldt op afspraken met de reclassering op het adres Zwarte Woud 2 in Utrecht, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

5) zich laat behandelen door Fivoor, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

- geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 200 (tweehonderd) uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekeringen voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;

voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.023,95;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;

verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

de schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 1.023,95 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 24 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Ourahma, voorzitter, mr. J.G. van Ommeren en mr. J.S. Spijkerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Scholten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Mr. Spijkerman is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Wilnis, gemeente De Ronde Venen, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga jullie dood rijden" en/of "Ik ga jullie allemaal dood maken" en/of "Ik maak je kankerdood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Wilnis, gemeente De Ronde Venen, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door pepperspray, althans een brandende vloeistof in het gezicht van die [slachtoffer 2] te spuiten;

3hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Wilnis, gemeente De Ronde Venen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een auto op die [slachtoffer 2] is ingereden en/of afgereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Wilnis, gemeente De Ronde Venen, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een auto op die [slachtoffer 2] in te rijden en/of af te rijden;

4hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Wilnis, gemeente De Ronde Venen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 1] met een auto heeft aangereden en/of met een auto op die [slachtoffer 1] is ingereden en/of afgereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Wilnis, gemeente De Ronde Venen, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een auto op die [slachtoffer 1] in te rijden en/of af te rijden;

5hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Wilnis, gemeente De Ronde Venen, althans in Nederland, op/aan de Pieter Joostenlaan, op of omstreeks 17 augustus 2024 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer 1] ) letsel en/of schade was toegebracht.

Voetnoot

Voetnoot 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024259590, doorgenummerd pagina 1 tot en met 77. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Voetnoot 2

Pagina 20.

Voetnoot 3

Pagina 21.

Voetnoot 4

Pagina 69.

Voetnoot 5

Pagina 70.

Voetnoot 6

Pagina 29.

Voetnoot 7

Pagina 30.

Voetnoot 8

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024259590, doorgenummerd pagina 1 tot en met 77. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Voetnoot 9

Pagina 36.

Voetnoot 10

Pagina 37.

Voetnoot 11

Pagina 63.

Voetnoot 12

Pagina 66.