Strafrecht overig
Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - meervoudig · Strafrecht overig
Rechtbank Midden-Nederland, 7 januari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:14 · Rechtbank Midden-Nederland · 7 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2026-14
Zaakgegevens
Op 7 januari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Lelystad
- Datum uitspraak
- 7 januari 2026
- Datum publicatie
- 7 januari 2026
- Zaaknummer
- 16/019628-20 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:14
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Volgt.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/019628-20 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[betrokkene] ,
geboren op [1972] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [woonplaats] ,
(hierna: de betrokkene).
1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 december 2025. Het onderzoek is met instemming van de advocaat van de betrokkene enkelvoudig gesloten op 7 januari 2026, waarna direct daarna uitspraak is gedaan.
Op de zitting op 12 december 2025 waren aanwezig:
-
de officier van justitie: mr. M. Mahmoudi;
-
de advocaat van de betrokkene: mr. M.J. Lamers, advocaat in Utrecht (hierna: de advocaat).
De rechtbank heeft kennisgenomen van het onderliggende strafdossier en het daarin opgenomen ontnemingsrapport waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel is geraamd op € 400.244,20.
2 VORDERING
De standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie en de advocaat van de betrokkene hebben zich in verband met de verzochte vrijspraak van de onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde feiten op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgewezen.
De beoordeling van de vordering
De rechtbank heeft betrokkene in de onderliggende strafzaak met parketnummer 16/019628-20 bij vonnis van 7 januari 2026 vrijgesproken van de (onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde) feiten op basis waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend. Gelet op deze vrijspraak kan niet worden vastgesteld dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, zodat de rechtbank de vordering van de officier van justitie zal afwijzen.
3 BESLISSING
De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke, voorzitter, mrs. H.J. van Woudenberg en J.A. Koorevaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.B. Postma als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.
De voorzitter en oudste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.