Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:1425

Op 9 April 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 16.030715.25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:1425. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
16.030715.25
Datum uitspraak:
9 April 2026
Datum publicatie:
9 April 2026

Indicatie

Taxichauffeur die werd verdacht van verkrachting en aanranding van jonge vrouwen die ’s nachts in Utrecht bij hem zijn ingestapt wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijfeneenhalf jaar voor i) opzetverkrachting vergezeld van dwang; ii) seks met een wilsonbekwaam persoon; en iii) opzetaanranding van twee personen. Vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 28.690,08. Daarnaast krijgt veroordeelde een het verbod om te werken in het personenvervoer voor een periode van 8 jaar en een contactverbod met de slachtoffers voor vijf jaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16.030715.25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 9 april 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1978] in [geboorteplaats] (Marokko),

ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] ,

nu gedetineerd in de [verblijfplaats] ,

hierna: de verdachte.

1
Zittingen

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zittingen van 23 en 26 maart 2026. Het onderzoek is gesloten op 26 maart 2026. Op de zittingen waren aanwezig:

de verdachte;

de officier van justitie, mr. M.M. Rademaker;

de advocaten van de verdachte, mr. M. Rafik en mr. D.N. Ebinum;

de benadeelde partijen: [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ;

de advocaat van de benadeelde partijen, mr. P. van der Geest.

2
Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De volledige tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Hieronder worden beknopt de beschuldigingen aan het adres van de verdachte weergegeven.

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij:

Feit 1

Primair: op 29 januari 2025 te Oud Zuilen, [slachtoffer 4] opzettelijk heeft verkracht en daarbij gebruik heeft gemaakt van dwang, geweld en/of bedreiging;

Subsidiair: op 29 januari 2025 te Oud Zuilen, [slachtoffer 4] opzettelijk heeft aangerand en daarbij gebruik heeft gemaakt van dwang, geweld en/of bedreiging;

Feit 2

op 25 oktober 2025, seksuele handelingen bij [slachtoffer 3] heeft verricht terwijl hij wist, althans ernstige reden had om te vermoeden, dat zij dit niet wilde;

Feit 3

Primair: op 8 april 2024 te Utrecht, [slachtoffer 1] heeft verkracht;

Subsidiair: op 8 april 2024 te Utrecht, seksuele handelingen bij [slachtoffer 1] heeft verricht terwijl hij wist dat zij in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde;

Feit 4

op 28 november 2025, seksuele handelingen bij [slachtoffer 2] heeft verricht, terwijl hij wist, althans ernstige reden had om te vermoeden, dat zij dit niet wilde.

3
Bewijs
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair en feit 4 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten bepleit en ten aanzien van ieder feit verschillende verweren over het bewijs gevoerd. Voor zover van belang worden de verweren van de verdediging hieronder besproken bij het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank  (Voetnoot 1)

3.3.1

Inleidende overweging

De verdachte wordt beschuldigd van twee verkrachtingen en twee aanrandingen. De rechtbank zal eerst de ten laste gelegde verkrachtingen (feit 1 en feit 3) en vervolgens de ten laste gelegde aanrandingen (feit 2 en 4) bespreken. Bij de beoordeling van alle ten laste gelegde feiten stelt de rechtbank het volgende voorop.

Bewijs in zedenzaken

Op grond van artikel 342, lid 2, Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend worden gebaseerd op grond van de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ertoe de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat zij de rechtbank verbiedt tot een bewezenverklaring te komen indien de feiten en omstandigheden waarover een aangever verklaart op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Volgens de Hoge Raad betekent deze bewijsminimumregel in zedenzaken, waarin het in de kern vaak gaat om het woord van de aangever tegen dat van de verdachte, niet dat vereist is dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal. Er is sprake van voldoende wettig bewijs als de aangifte, voor zover die betrouwbaar wordt bevonden, op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Deze bewijsmiddelen moeten voldoende steun geven aan de verklaring van aangever. Dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband moet staan met de inhoud van de verklaring van die getuige, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.

Dit betekent dat de rechtbank in de onderhavige zaak moet beoordelen of de verklaringen van de aangeefsters betrouwbaar zijn en of die verklaringen voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Het benodigde steunbewijs moet zien op feiten en omstandigheden die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan verdachte verweten gedragingen.

Betrouwbaarheid van de verklaringen

Om de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters te beoordelen toetst de rechtbank de verklaringen op onder andere consistentie, volledigheid, accuraatheid en authenticiteit. Hierbij besteedt de rechtbank ook aandacht aan eventuele inconsequenties. De rechtbank merkt hierbij op dat het enkele feit dat verklaringen op punten van elkaar verschillen, of dat daarin zelfs tegenstrijdigheden voorkomen, niet per definitie maakt dat die verklaringen onbetrouwbaar zijn. Het gaat erom of de verklaringen op voor de tenlastelegging relevante onderdelen, zoals de seksuele handelingen, de wil van het slachtoffer en het gebruik van geweld, bedreiging of dwang, consistent en gedetailleerd zijn. Als de verklaring van een aangeefster betrouwbaar is, kan deze gebruikt worden voor het bewijs.

Steunbewijs

Als de rechtbank tot de conclusie komt dat een verklaring van een aangeefster voor het bewijs kan worden gebruikt, dan dient de rechtbank te beoordelen of de verklaring voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Dit zogenoemde ‘steunbewijs’ kan bijvoorbeeld worden gevonden in de uitkomsten van DNA-onderzoek of verklaringen van getuigen over waargenomen emoties bij de aangeefster na het vermeende feit. Ook kan schakelbewijs steunbewijs vormen. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaringen van de aangeefster voldoende wettig bewijs opleveren. Het antwoord op de vraag of sprake is van voldoende steunbewijs, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat niet is vereist dat de seksuele handelingen waarover een aangeefster verklaart, zelf bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Afdoende is dat een betrouwbaar geachte verklaring van een aangeefster op specifieke punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Tussen de verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband.

Contra-indicaties

Wanneer de verklaring betrouwbaar is en ook voldoende steun vindt in ander bewijs, moet tot slot worden bekeken of er tegenaanwijzingen (contra-indicaties) zijn op grond waarvan de rechtbank er desondanks toch niet van overtuigd is dat het feit is begaan door de verdachte.

3.3.2

Feit 1 (aangeefster [slachtoffer 4] )

3.3.2.1 De verklaringen van de aangeefster en de betrouwbaarheid daarvan

Aangeefster [slachtoffer 4] verklaart dat zij op 29 januari 2025 tegen 04:00 uur ’s nachts in de binnenstad van Utrecht in een taxi is gestapt. Zij vertelde aan de taxichauffeur naar welke straat zij gebracht wilde worden en heeft verder weinig met de taxichauffeur gesproken. De aangeefster verklaart verder dat de taxichauffeur voorbij de door haar opgegeven straat reed en de taxi parkeerde in de berm op een donkere, afgelegen plek. De aangeefster vertrouwde de situatie niet en heeft snel een screenshot van haar locatie gemaakt. De taxichauffeur deed vervolgens zijn gordel af, boog zich naar de aangeefster toe en begon haar aan te raken. Hij probeerde haar ook te zoenen maar zij draaide haar hoofd weg richting het raam, waardoor de zoenen op haar wang terechtkwamen. De taxichauffeur ging met zijn handen onder de bovenkleding en BH van de aangeefster en hij betastte haar borsten. Hierna deed hij de broek van aangeefster open, ging hij met zijn hand in haar onderbroek en deed hij een vinger in haar vagina. De aangeefster heeft meermaals tegen de taxichauffeur gezegd dat ze niet van zijn handelingen gediend was, heeft zich van hem afgekeerd en heeft hem ook van zich afgeduwd. Toen zij voor de derde keer zei dat ze niet wilde, leek de taxichauffeur te schrikken en stopte hij met zijn handelingen. De taxichauffeur deed zijn gordel weer om en reed naar de straat die zij genoemd had, waarna aangeefster uit de taxi is gestapt.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn. De aangeefster heeft enkele uren na het incident een informatief gesprek met de politie gevoerd en daarin verklaard dat zij verkracht is door een taxichauffeur. In haar aangifte (10 februari 2025) heeft zij gedetailleerd en geheel in lijn met het informatieve gesprek verklaard op de dragende onderdelen van de beschuldiging, zoals de seksuele handelingen die de verdachte heeft verricht en de manieren waarop de aangeefster duidelijk heeft gemaakt dat die handelingen tegen haar wil waren.. Ook in haar latere getuigenverklaring bij de rechter-commissaris (4 december 2025) heeft de aangeefster in de kern hetzelfde verhaal verteld en is zij in het geheel niet teruggekomen op de verklaringen die zij eerder heeft afgelegd. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de aangeefster bepaalde aspecten in haar verklaringen heeft verzonnen of heeft aangedikt en stelt verder vast dat haar verklaringen ook elementen bevatten die voor de verdachte ontlastend zijn, zoals dat hij geen geweld heeft gebruikt. Gelet op het vorengaande heeft de rechtbank geen reden om aan de verklaringen van aangeefster te twijfelen en merkt zij deze als betrouwbaar aan.

3.3.2.2 Steunbewijs

De verklaringen van aangeefster [slachtoffer 4] worden voldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen. Haar verklaringen worden allereerst ondersteund door de waarnemingen van politieagenten die kort na het incident, nadat de aangeefster zelf de politie had gebeld, met haar in gesprek zijn gegaan. De agenten zagen dat de aangeefster huilde, kort en oppervlakkig ademde, slecht uit haar woorden kwam en troost zocht bij een vriendin. Ook hoorden zij haar zeggen dat ze graag water wilde drinken, dat ze zich vies voelde en dat ze zich schoon wilde maken. Deze waarnemingen van de agenten bieden steun aan de verklaringen van de aangeefster. Steun voor haar verklaringen ziet de rechtbank tevens in de verklaring van getuige [getuige 1] . Daaruit blijkt dat de aangeefster haar vrijwel direct na het voorval heeft gebeld en heeft verteld dat er iets ergs gebeurd was, namelijk dat ze verkracht was. [getuige 1] is naar aanleiding van dit telefoontje naar de aangeefster toegegaan en zag dat zij huilde en geschrokken, verward en in paniek was. Zowel de politieagenten als [getuige 1] hebben kort na het incident hevige emoties bij de aangeefster waargenomen en de aangeefster heeft aan deze personen hetzelfde verhaal verteld als zij in haar latere verklaringen steeds heeft gedaan. Om deze reden is de rechtbank van oordeel dat het dossier voldoende steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster bevat.

3.3.2.3 De verklaring van de verdachte en contra-indicaties

Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat het seksuele contact met de aangeefster met wederzijdse instemming heeft plaatsgevonden. De aangeefster vertoonde volgens de verdachte seksueel opgewonden gedrag en heeft zelf het initiatief tot seksuele handelingen genomen door de hand van de verdachte eerst op haar benen en daarna op haar vagina te plaatsen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de verdachte op geen enkele wijze ondersteund wordt door het dossier en ook zeer onaannemelijk is, gelet op de hiervoor beschreven bevindingen van de politie en de verklaring van getuige [getuige 1] . Als het initiatief tot de seksuele handelingen daadwerkelijk van de aangeefster uit kwam, wat op zichzelf al onaannemelijk is omdat de verdachte veel ouder en geen bekende van haar is en aangeefster amper met hem had gesproken, dan valt niet in te zien waarom zij direct na het incident hevig geëmotioneerd aan de politie en de getuige vertelt dat zij door de verdachte verkracht is.

De rechtbank ziet in het dossier en in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen contra-indicaties. De rechtbank heeft dan ook de overtuiging dat het de bewuste nacht is gegaan zoals door de aangeefster is verklaard.

3.3.2.4 Opzetverkrachting

Aan de verdachte is primair opzetverkrachting ten laste gelegd. Hiervan is sprake als de verdachte bij een ander seksuele handelingen verricht, die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl hij wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet op prijs te stellen en de verdachte het seksuele contact toch heeft voortgezet.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte seksuele handelingen bij de aangeefster heeft verricht en dat er hierbij ook sprake is geweest van het seksueel binnendringen van haar lichaam, namelijk door zijn vinger in haar vagina te brengen. De verdediging heeft aangevoerd dat de uitkomsten van het DNA-onderzoek geen steun bieden aan de conclusie dat er sprake is geweest van seksueel binnendringen. Volgens de verdediging biedt het DNA-onderzoek juist steun aan de verklaring van de verdachte dat zijn vinger wel op, maar niet in de vagina van de aangeefster is geweest. Daarom kan het seksueel binnendringen niet worden bewezen, aldus de verdediging. De rechtbank volgt deze redenering niet. Dat slechts aan één kant van de vinger van de verdachte DNA van de aangeefster is aangetroffen en dat zijn DNA (wel aan de binnenzijde van haar onderbroek, maar) niet in de vagina is aangetroffen, zegt niet dat de vinger van de verdachte niet in de vagina van de aangeefster is geweest. De rechtbank gebruikt de uitkomsten van het DNA-onderzoek overigens niet voor het bewijs.

De aangeefster verklaart dat zij in totaal drie keer heeft gezegd dat zij de seksuele handelingen van verdachte niet wilde en dat zij de verdachte ook van zich af heeft geduwd. Zij heeft dus meerdere duidelijke signalen aan de verdachte gegeven dat zij zijn seksuele handelingen niet op prijs stelde. Het verweer van de verdediging dat de aangeefster wél wilde, dan wel dat verdachte geen wetenschap van haar ontbrekende wil had, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. De omstandigheid dat de verdachte met de seksuele handelingen is gestopt toen de aangeefster voor de derde keer aangaf dat zij niet wilde, maakt niet dat hij vóór dat moment niet wist dat zij niet wilde. De verdachte wist van meet af aan dat de aangeefster geen seksueel contact met hem wilde, maar heeft het seksueel contact toch voortgezet en daarmee de ontbrekende wil van de aangeefster bewust genegeerd. Gelet op het vorengaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde opzetverkrachting.

3.3.2.5 Gekwalificeerde opzetverkrachting

Aan de verdachte is tevens ten laste gelegd dat de opzetverkrachting werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door geweld, bedreiging of dwang. Nu uit de verklaring van de aangeefster volgt dat de verdachte geen geweld heeft gebruikt of bedreigingen heeft geuit, staat de rechtbank voor de vraag of de opzetverkrachting gepaard is gegaan met dwang.

Van de hier bedoelde ‘dwang’ is sprake wanneer de verdachte door een feitelijkheid opzettelijk veroorzaakt dat het slachtoffer tegen diens wil seksuele handelingen ondergaat en dat deze handelingen voor het slachtoffer niet of nauwelijks te vermijden zijn geweest. Dwang in de vorm van een feitelijkheid kan onder meer bestaan uit (onverhoedse) fysieke handelingen, het aanwenden van gezag of overwicht en het brengen in een afhankelijkheidssituatie. Van ‘door een feitelijkheid dwingen’ kan bijvoorbeeld sprake zijn als de verdachte een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht, dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten. Ook mogelijk is dat de verdachte het slachtoffer in een zodanige, door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan de seksuele handelingen heeft kunnen onttrekken.

Uit de verklaringen van de aangeefster blijkt dat de verdachte, die fysiek groter en sterker, ruim twintig jaar ouder en geen bekende van de aangeefster was, diep in de nacht met haar naar een donkere en afgelegen plek is gereden. Hier is hij onverhoeds begonnen met het verrichten van seksuele handelingen, terwijl de gordel van de aangeefster op dat moment nog vastzat. De aangeefster was niet bekend met de locatie waar zij zich bevond en was voor haar vervoer naar huis van de verdachte afhankelijk. Zo heeft de verdachte haar bewust in een zodanig bedreigende en afhankelijke situatie gebracht, dat zij zich in redelijkheid niet tegen zijn seksuele handelingen kon verzetten of zich daaraan kon onttrekken. De rechtbank concludeert daarom dat de opzetverkrachting gepaard is gegaan met dwang en dat de verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting.

3.3.3

Feit 3 (aangeefster [slachtoffer 1] )

3.3.3.1 Toepasselijke wetgeving

Bij de bespreking van dit feit stelt de rechtbank het volgende voorop. De ten laste gelegde pleegdatum (8 april 2024) is gelegen vóór de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven (1 juli 2024). Om deze reden moet het ten laste gelegde op grond van de oude zedenwetgeving, conform de artikelen 242 en 243 van het Wetboek van Strafrecht (oud), worden beoordeeld. Dit betekent dat het gebruik van geweld, bedreiging of dwang bij dit feit een voorwaarde is om tot een bewezenverklaring van verkrachting te kunnen komen en wordt het niet, zoals in de nieuwe zedenwetgeving, enkel als een strafverzwarende omstandigheid aangemerkt.

3.3.3.2 De verklaringen van de aangeefster en de betrouwbaarheid daarvan

Aangeefster [slachtoffer 1] verklaart dat zij op 8 april 2024 rond 04:00 uur, na een feest op het Janskerkhof in Utrecht, in een taxi is gestapt. Ze was ‘behoorlijk dronken’ en had eigenlijk helemaal geen taxi nodig. De aangeefster vertelde aan de taxichauffeur dat ze haar telefoon kwijt was. Hierop heeft de taxichauffeur tegen haar gezegd dat hij haar zou helpen met zoeken naar haar telefoon en hebben zij een paar rondjes gereden op zoek naar de telefoon. Op enig moment heeft de taxichauffeur de taxi geparkeerd en is hij naar de achterbank gegaan. De aangeefster herinnert zich dat haar kleren toen gedeeltelijk uit waren maar zij weet niet meer hoe haar kleren (deels) uit zijn gegaan. Zij herinnert zich slechts dat de taxichauffeur moeite had om haar laars uit te trekken. Ook herinnert zij zich dat haar broek en onderbroek uit waren, dat de taxichauffeur een erectie had en dat hij zijn penis in haar vagina heeft gebracht. Afgezien van deze momenten kan de aangeefster zich niets herinneren, tot het moment waarop ze zelf haar onderbroek weer aantrok.

Uit de verklaringen van de aangeefster blijkt dat zij op de dag van het incident dusdanig veel alcohol had gedronken dat zij weinig (concrete) herinneringen meer heeft aan wat er in de taxi is gebeurd. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster desondanks als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Aangeefster [slachtoffer 1] is meerdere keren gehoord, namelijk op 8 april 2024, op 27 februari 2025, op 23 april 2025 en op 4 december 2025. Tijdens al deze verhoren heeft de aangeefster consistent verklaard over de voor de tenlastelegging relevante onderdelen die zij zich wel herinnert, zoals dat de verdachte plaatsnam op de achterbank, dat haar kleding gedeeltelijk uitging en dat de verdachte zijn penis in haar vagina bracht. Bij alle verhoren heeft de aangeefster het steeds aangegeven als ze zich een bepaald aspect niet (goed) herinnerde. De rechtbank heeft daarnaast geen reden om aan te nemen dat de aangeefster elementen in haar verklaring heeft verzonnen of heeft aangedikt. Haar verklaringen bevatten ook elementen die voor de verdachte ontlastend zijn, zoals dat hij geen geweld of bedreiging heeft toegepast en dat zij zich niet tegen zijn handelingen heeft verzet. Gelet op het vorengaande gaat de rechtbank niet mee in het standpunt van de verdediging dat de verklaringen van de aangeefster onbetrouwbaar zijn.

De verdediging heeft verder aangevoerd dat de herinnering van aangeefster dermate gebrekkig is dat dit haar verklaringen als zodanig onbetrouwbaar maakt. Ook daar is de rechtbank het niet mee eens. De herinneringen van de aangeefster zijn weliswaar fragmentarisch, maar dat doet niet af aan de betrouwbaarheid daarvan. Dronkenschap kan gepaard gaan met een fragmentarisch herinneringsvermogen ten aanzien van de gebeurtenissen die hebben plaats gevonden ten tijde van de dronkenschap. Dat wil echter niet zeggen dat die fragmentarische herinneringen en/of de verklaringen van de aangeefster als geheel onbetrouwbaar zijn.

3.3.3.3 Steunbewijs en alternatief scenario

Uit DNA-onderzoek blijkt dat er op diverse plekken op en in de onderbroek van de aangeefster sperma van de verdachte is aangetroffen. De rechtbank ziet hierin voldoende steun voor de verklaring van de aangeefster dat de verdachte met zijn penis de vagina van de aangeefster is binnengedrongen. De verdachte heeft een alternatief scenario geschetst, inhoudende dat de aangeefster het initiatief tot seksueel contact zou hebben genomen door hem vanaf de bijrijdersstoel eerst te zoenen en vervolgens te pijpen. De verdachte zou in haar mond en op haar hand zijn klaargekomen. De aangeefster zou vervolgens zichzelf hebben bevredigd en zelf haar onderbroek hebben aangetrokken, waardoor het sperma van de verdachte via haar eigen hand in haar onderbroek terecht zou zijn gekomen. De rechtbank vindt dit door de verdediging geschetste scenario volstrekt onaannemelijk en ongeloofwaardig. De aangeefster verklaart dat zij achterin de taxi is gestapt en dit wordt ook bevestigd door de camerabeelden die op de zitting zijn getoond. Op die beelden is ook te zien dat de verdachte zijn auto tot stilstand bracht midden op de weg, dwars op de looprichting van de aangeefster. Zijn raam was al open. Hij ving haar zo als het ware op. Dat de aangeefster vervolgens een aantal maal zou zijn uitgestapt om mensen aan te spreken over de verloren telefoon, en daarna weer bij de verdachte zou zijn ingestapt op de bijrijdersstoel acht de rechtbank onder meer gezien de toestand van de aangeefster (waarover hieronder meer) volstrekt onaannemelijk. Van seksuele handelingen voorin de auto is de rechtbank dan ook niet gebleken. Hier komt bij dat de suggestie van de verdachte dat de aangeefster het initiatief nam, op gespannen voet staat met de diverse verklaringen van de aangeefster waaruit blijkt dat zij in het geheel geen seks met de verdachte wilde. De rechtbank vindt het ook een onwaarschijnlijke gang van zaken dat de aangeefster, na een mislukte zoektocht naar haar telefoon, een wildvreemde taxichauffeur gaat pijpen en daarna zijn sperma op haar eigen geslachtsdeel en in haar onderbroek uitsmeert. Gelet op het vorengaande komt de rechtbank tot de slotsom dat het DNA-onderzoek voldoende steun biedt aan de verklaring van aangeefster dat de verdachte met zijn penis haar vagina is binnengedrongen.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat een psycholoog bij aangeefster PTSS heeft vastgesteld en dat deze diagnose ook als steunbewijs voor haar verklaringen kan dienen. De verdediging heeft onder verwijzing naar jurisprudentie aangevoerd dat een PTSS-diagnose niet als steunbewijs kan gelden wanneer onvoldoende zeker is dat deze diagnose uitsluitend het gevolg is van het ten laste gelegde feit. De rechtbank gebruikt de verklaring van de psycholoog niet voor het bewijs en zal de standpunten van de officier van justitie en de verdediging op dit punt dan ook onbesproken laten.

De rechtbank ziet in het dossier en in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen contra-indicaties. De rechtbank heeft dan ook de overtuiging dat het de bewuste nacht is gegaan zoals door de aangeefster is verklaard.

3.3.3.4 Vrijspraak van het primaire feit (verkrachting)

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte geen verkrachting in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (oud) oplevert. Voor een bewezenverklaring van verkrachting in de zin van dit artikel moet vastgesteld kunnen worden dat het handelen van de verdachte gepaard is gegaan met geweld, bedreiging met geweld of dwang. Uit de verklaringen van de aangeefster blijkt niet dat de verdachte op enig moment geweld heeft gebruikt of daarmee heeft gedreigd. In haar verklaring van 25 april 2025 heeft de aangeefster tevens verklaard dat zij niet denkt dat de verdachte iets aan haar heeft kunnen zien waaruit hij kon opmaken dat zij niet met de seks instemde. De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat uit deze verklaring van de aangeefster niet volgt dat de seks met instemming van de aangeefster heeft plaatsgevonden. Uit deze verklaring kan echter niet de dwang worden afgeleid die voor verkrachting in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (oud) vereist is. Om deze reden zal de verdachte worden vrijgesproken van de primair aan hem ten laste gelegde verkrachting.

3.3.3.5 Veroordeling voor het subsidiaire feit (seksueel binnendringen van een wilsonbekwame)

Anders dan de verdediging acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte seksueel bij de aangeefster is binnendrongen terwijl hij wist dat zij in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. De rechtbank overweegt als volgt.

Verminderd bewustzijn

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met het opnemen van het bestanddeel ‘verminderd bewustzijn’ in artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht (oud) heeft beoogd strafbaar te stellen het plegen van seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, met iemand die verkeert tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn. Van iemand die ‘verminderd bewust’ is, kan in redelijkheid niet worden verwacht dat hij of zij weerstand biedt aan de seksuele verlangens van een ander. Deze bepaling ziet op situaties waarbij de dader bewust misbruik maakt van de omstandigheid dat het slachtoffer in onvoldoende mate in staat is om zijn of haar wil te bepalen omtrent het hebben van seks met een ander. Dit onvermogen vloeit voort uit een toestand van verminderd bewustzijn en deze toestand kan zijn oorzaak vinden in het gebruik van alcohol, drugs of bepaalde medicijnen. Het hangt vervolgens van de concrete feiten en omstandigheden af of er sprake is van seksueel misbruik van een persoon in een toestand van verminderd bewustzijn.

Vast staat dat alcoholhoudende drank, eenmaal genuttigd, de bewustheidstoestand van een mens beïnvloedt. Niet ieder gebruik van alcoholhoudende drank is van dusdanige invloed op de bewustheidstoestand dat sprake is van verminderd bewustzijn. Daartoe zal moeten worden vastgesteld dat de betreffende persoon door het alcoholgebruik niet of onvolkomen in staat was om zijn of haar wil te bepalen dan wel kenbaar te maken. Deze vaststelling kan geschieden aan de hand van verklaringen van personen, al dan niet gesteund door objectieve feiten en omstandigheden.

Aangeefster [slachtoffer 1] verklaart dat zij op de dag van het incident ‘behoorlijk dronken’ was omdat zij op een feest was geweest waar gratis bier werd geschonken. Zij verklaart tevens dat ze zich weinig meer kan herinneren van wat zich in de taxi heeft afgespeeld. Getuige [getuige 2] , een vriendin van de aangeefster die met haar op hetzelfde feest was, verklaart dat ze die dag mogelijk ‘tientallen bier per persoon’ hadden gedronken en dat ze door had dat de aangeefster ‘het meest dronken was van iedereen.’ Getuige [getuige 2] heeft ook verklaard dat iedereen heeft gezien dat de aangeefster dronken was.

Uit de verklaringen van de aangeefster en de verklaring van [getuige 2] leidt de rechtbank af dat aangeefster dermate dronken was dat zij niet of onvoldoende in staat was om haar wil omtrent het hebben van seks met verdachte te bepalen of te uiten. De rechtbank acht daarmee bewezen dat de aangeefster in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde.

Wetenschap van het verminderd bewustzijn

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wetenschap van het verminderd bewustzijn van de aangeefster had. Getuige [getuige 2] verklaart dat de aangeefster met dubbele tong sprak, raar uit haar ogen keek en niet recht kon lopen. Volgens de getuige zou zelfs een leek hebben gezien dat de aangeefster dronken was. [getuige 2] had, zo begrijpt de rechtbank, daarom aan een vriend gevraagd om een beetje op de aangeefster te letten. [getuige 2] is rond 03:00 uur van het feest vertrokken en de aangeefster is één tot anderhalf uur daarna bij verdachte in gestapt. De rechtbank kan niet vaststellen of de aangeefster in de tussengelegen tijd nog meer alcohol heeft gedronken of dat zij daar op enig moment mee is gestopt. Ook in dit laatste geval vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat de aangeefster ten tijde van haar ontmoeting met de verdachte inmiddels dermate ontnuchterd was, dat het voor verdachte niet kenbaar was dat zij heel dronken was en daardoor in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. De aangeefster is bij de verdachte in de taxi gestapt omdat ze haar telefoon kwijt was. Hij stelde haar voor haar vanuit de taxi te helpen met het zoeken van de telefoon, waarna zij bij hem instapte. Kennelijk dacht ze dat ze haar telefoon met de hulp van een taxi zou kunnen vinden, terwijl zij geen taxi nodig had voor haar vervoer naar (bijvoorbeeld) haar huis. Dit is een dermate vreemde gang van zaken en gedachtegang van de aangeefster dat verdachte ook daaruit moest afleiden dat de aangeefster dermate dronken was dat zij in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Op de camerabeelden die op zitting zijn getoond, is weliswaar niet te zien dat de aangeefster van de wereld was, maar wel dat zij licht schommelt kort voordat en terwijl ze met de verdachte sprak, en na een tussenstapje zich achterwaarts in de auto laat zakken. Dat de aangeefster blijkens de camerabeeldenhaar haar motoriek niet kwijt was, staat niet in de weg aan de conclusie dat de verdachte wist van haar verminderd bewustzijn. De aangeefster had zoveel alcohol gedronken dat zij onvoldoende in staat was om haar wil te bepalen en verdachte heeft bewust misbruik gemaakt van die omstandigheid.

Conclusie

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte het subsidiair aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan door zijn penis in de vagina van aangeefster te brengen, terwijl hij wist dat zij in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde.

3.3.4

Feit 4 (aangeefster [slachtoffer 2] )

3.3.4.1 Daderschap verdachte

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van aanranding in een taxi door een taxichauffeur. De verdachte ontkent dat hij de taxichauffeur is geweest die de aangeefster die nacht heeft vervoerd. De verdachte verklaart dat de aangeefster wel bij hem in de taxi is gestapt en door middel van een QR-code € 25,- heeft betaald, maar dat hij dit bedrag contant aan haar heeft teruggegeven en zij vervolgens in een andere taxi is gestapt. De verdachte wijst erop dat het signalement van de taxichauffeur in de aangifte niet overeenkomt met zijn (verdachtes) uiterlijke kenmerken.

De rechtbank is van oordeel dat de aangeefster in haar aanvullende verklaring een concrete en aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de aanvankelijke opgave van een onjuist signalement en de verwarring die bij haar was ontstaan met betrekking tot het uiterlijk van de taxichauffeur. Zij is in een taxi gestapt zonder te controleren of dit ook daadwerkelijk de auto was die zij via de Uber-app had besteld. Pas de volgende ochtend is de aangeefster erachter gekomen dat de rit die zij bij Uber geboekt had, geannuleerd was. De aangeefster zag alleen nog de profielfoto van de Uber chauffeur van de geannuleerde rit en zij heeft daar toen een screenshot van gemaakt. Dit was het enige dat zij had en daarom ging zij ervan uit dat de man op de foto de dader moest zijn, ook al was hij donkergetint terwijl de man die haar vervoerd had lichtgetint was. Uit de bankgegevens van de aangeefster blijkt dat zij op 28 november 2024 om 03:28 uur een bedrag van € 25,- heeft overgemaakt naar een rekeningnummer dat op naam staat van de verdachte. Gezien het tijdstip waarop de aangeefster de Uber zegt te hebben besteld, en de duur van de rit vanuit Utrecht naar Zeist, gaat de rechtbank ervan uit dat de betaling is gedaan aan het eind van de rit. Het is ook niet ongebruikelijk om aan het eind van een taxirit te betalen. Gelet hierop volgt de rechtbank het alternatieve scenario van de verdachte niet, en is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de persoon is geweest die de aangeefster op de bewuste avond heeft vervoerd.

3.3.4.2 De verklaringen van de aangeefster en de betrouwbaarheid daarvan

Aangeefster [slachtoffer 2] verklaart dat zij op 28 november 2024 rond 03:00 uur in de binnenstad van Utrecht een Uber-taxi bestelde. Er kwam een taxi aan en zij nam plaats op de bijrijdersstoel. Halverwege de rit naar Zeist legde de taxichauffeur zijn rechterhand op haar bovenbeen en bewoog hij zijn hand op en neer, richting haar geslachtsdeel. De aangeefster zei dat ze dit niet wilde en haalde zijn hand van haar been af. Hierop trok de taxichauffeur haar jurk omhoog en voelde de aangeefster zijn hand op haar bovenbeen. De aangeefster haalde opnieuw de hand van de taxichauffeur weg en zei meermaals tegen hem dat zij dit niet wilde. De taxichauffeur reageerde hier niet op en bleef aan haar benen zitten tot ze bij haar woning aankwamen.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn. Zij verklaart dat ze zich alles van de betreffende avond goed kan herinneren. In haar aangifte (5 december 2024), haar aanvullende verhoor (19 maart 2025) en haar getuigenverklaring bij de rechter-commissaris (4 december 2025) heeft de aangeefster consistent en gedetailleerd verklaard over de handelingen die de taxichauffeur heeft verricht en de manieren waarop zij kenbaar heeft gemaakt dat zij daar niet van gediend was. De enige discrepantie tussen haar eerste en haar tweede verklaring heeft betrekking op het uiterlijk van de taxichauffeur. Hiervoor heeft de rechtbank overwogen dat de aangeefster duidelijk heeft uitgelegd hoe de verwarring over het uiterlijk van de chauffeur is ontstaan (zie hierboven). Dit doet geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster. De rechtbank heeft voorts geen reden om aan te nemen dat de aangeefster bepaalde aspecten uit haar verklaring heeft verzonnen of heeft overdreven en stelt vast dat zij ook deels ontlastend heeft verklaard, nu zij aangeeft dat de verdachte haar geslachtsdeel niet heeft aangeraakt. Gelet op het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de aangeefster als betrouwbaar kan worden aangemerkt.

3.3.4.3 Steunbewijs

De verklaring van de aangeefster wordt voldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen. Uit de verklaring van haar vader, [getuige 3] , blijkt dat de aangeefster onmiddellijk na thuiskomst naar hem toekwam, hem wakker maakte en vertelde dat er iets ergs was gebeurd, namelijk dat een taxichauffeur haar meermaals tussen haar benen had gegrepen. Haar vader had geen kans gehad om te vragen hoe haar gala was geweest en dit duidt erop dat de aangeefster urgentie voelde om direct te vertellen wat haar overkomen was. Uit de verklaring van de moeder van de aangeefster, [getuige 4] , blijkt dat de aangeefster de volgende morgen ontdaan en overstuur was door de - zoals de moeder dat omschrijft - akelige gebeurtenis die ze had meegemaakt. Deze waarnemingen van de getuigen bieden voldoende ondersteuning aan de verklaringen van de aangeefster. Het enkele feit dat de aangeefster volgens haar vader niet overstuur leek toen ze net was thuisgekomen, doet hier niet aan af. Haar vader verklaart dat zijn dochter hem wakker maakte om te vertellen dat er iets ergs gebeurd was, en uit de verklaring van haar moeder blijkt duidelijk dat de aangeefster de volgende morgen van streek was.

De rechtbank ziet in het dossier en in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen contra-indicaties. De rechtbank heeft dan ook de overtuiging dat het de bewuste nacht is gegaan zoals door de aangeefster is verklaard.

3.3.4.4 Opzetaanranding

Aan de verdachte is opzetaanranding als bedoeld in artikel 241 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht ten laste gelegd. Van opzetaanranding is sprake als iemand bij een persoon seksuele handelingen verricht, terwijl hij weet dat bij die persoon daartoe de wil ontbreekt. Het gaat dus over situaties waarin de dader opzettelijk de ontbrekende wil bij de ander negeert of voor lief neemt. Volgens de Memorie van Toelichting is sprake van opzettelijk handelen als iemand een ander onverhoeds ontuchtig aanraakt: “de opzetvariant van aanranding en verkrachting omvat ook de gevallen waarin sprake is van onverhoeds handelen. Het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2022-2023, 36 222, nr. 3, p. 18). Het ontbreken van de wil kan worden bewezen als wordt vastgesteld dat het slachtoffer ten tijde van het seksueel contact die seksuele handelingen niet op prijs heeft gesteld en dit op enigerlei wijze (non-)verbaal tot uiting heeft gebracht.

Uit de verklaring van de aangeefster blijkt dat zij tijdens de rit amper met de verdachte heeft gesproken en dat hij uit het niets is begonnen met het betasten van haar (boven)benen. Gelet op wat hiervoor is overwogen, oordeelt de rechtbank dat deze totaal onverwachte seksuele aanrakingen kwalificeren als opzettelijk handelen. De aangeefster heeft niet alleen tegen de verdachte gezegd dat zij zijn aanrakingen niet op prijs stelde, maar ook zijn hand van haar been afgehaald. Verdachte is aan deze duidelijke (non-)verbale signalen voorbijgegaan door de jurk van aangeefster omhoog te trekken en zijn hand op haar binnenbeen te leggen. De rechtbank concludeert dat de verdachte de seksuele handelingen bij de aangeefster heeft verricht terwijl hij wist dat bij haar daartoe de wil ontbrak. Hiermee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding.

3.3.5

Feit 2 (aangeefster [slachtoffer 3] )

3.3.5.1 De verklaringen van de aangeefster en de betrouwbaarheid daarvan

Aangeefster [slachtoffer 3] verklaart dat zij op 25 oktober 2024 tegen 04:00 uur in de binnenstad van Utrecht een taxi heeft besteld. De taxichauffeur zei dat ze voorin mocht komen zitten en vroeg of de jongen die zij zojuist had uitgezwaaid haar vriend was. Aangeefster zei dat dit niet zo was, waarop de taxichauffeur heeft gezegd: ‘domme jongen, als ik hem was zou ik je zoenen tot de ochtend.’ De taxichauffeur benoemde dat het buiten koud was en leunde over de aangeefster heen om haar stoelverwarming aan te zetten, terwijl deze volgens de aangeefster al aanstond. Hij wreef hierbij zo’n vijf keer met zijn rechterhand over haar linkerbeen, eerst op haar bovenbeen en toen aan de binnenkant van haar been, richting haar kruis. De aangeefster zei dat ze het niet koud had en nam een andere houding aan, waarbij haar benen iets opgetrokken waren en er een ruimte tussen de stoel en haar been ontstond. De taxichauffeur heeft haar toen op de onderzijde van haar been en op haar bil aangeraakt. Zij benoemde opnieuw dat zij het niet koud had en hierop is de taxichauffeur met de aanrakingen gestopt. Na de betaling van de rit vroeg de taxichauffeur haar om een knuffel. De aangeefster zei dat ze dit niet nodig vond maar de chauffeur vond van wel. De aangeefster gaf hem een knuffel en voelde aan het einde daarvan een kus op haar rechterwang terechtkomen.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 3] betrouwbaar zijn Haar verklaringen tijdens het informatieve gesprek (13 november 2024), de aangifte (5 december 2024) en het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris (11 september 2025) zijn gedetailleerd en bevatten geen wezenlijke discrepanties als het gaat om de handelingen die zijn verricht of de volgorde daarvan. De aangeefster benoemt ook ontlastende elementen, zoals dat de verdachte haar kruis niet heeft aangeraakt. Mede gelet hierop heeft de rechtbank geen enkele reden om aan te nemen dat zij bepaalde aspecten in haar verklaringen verzonnen of overdreven heeft.

3.3.5.2 Steun- en schakelbewijs

Dat de verdachte de taxichauffeur is geweest die de aangeefster op 25 oktober 2024 nacht naar huis heeft vervoerd, staat niet ter discussie. Dit volgt uit de gegevens van de Bolt app van aangeefster en de in zoverre bekennende verklaring van de verdachte. De vraag die voorligt is of de verdachte de aangeefster tijdens die taxirit heeft aangerand.

De aangeefster heeft direct na het incident een voicememo naar haar vrienden gestuurd. Hierin vertelt zij precies hetzelfde verhaal als zij in haar verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris heeft verteld. Aan het begin van de voicememo zegt de aangeefster dat ze ‘bijna aan het janken’ is. Aan het einde van de voicememo is te horen dat de aangeefster ‘ik ben niet oké, ik ben echt niet oké’ zegt en dat zij begint te huilen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de voicememo en de reacties daarop van de vrienden van de aangeefster niet gelijk kunnen worden gesteld aan een disclosure getuige. Toch is de rechtbank van oordeel dat er voldoende steunbewijs voor de verklaring van de aangeefster aanwezig is, namelijk door de combinatie van de voicememo met zogenoemd ‘schakelbewijs.’

Bij schakelbewijs gaat het om bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. De in verband met artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering vereiste steun voor de verklaring van een slachtoffer wordt in dat geval ontleend aan een bewijsmiddel (uit een andere bron) waaruit blijkt dat de verdachte een ander, soortgelijk feit heeft begaan. Van schakelbewijs kan sprake zijn als de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen. Uit de rechtspraak volgt dat onder deze ‘omstandigheden’ niet alleen wordt begrepen de wijze waarop de delictshandelingen in engere zin zijn verricht, maar ook de context waarbinnen de feiten zich hebben toegedragen en de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven. De overeenkomst van omstandigheden hoeft niet zover te gaan dat de feitencomplexen identiek zijn. (Voetnoot 2)

In de onderhavige zaak verklaren vier aangeefsters dat zij zijn aangerand, misbruikt of verkracht door hun taxichauffeur. Dat het de verdachte was die de aangeefsters heeft vervoerd, staat gelet op wat de rechtbank hiervoor ook in verband met de andere feiten heeft overwogen, vast. De rechtbank heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de aangeefsters hun verklaringen met elkaar hebben afgestemd. Zoals uit het voorgaande volgt, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich tijdens de taxirit aan de aangeefsters van de feiten 1, 3 en 4 heeft vergrepen.

Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de aangeefsters van de feiten 1, 3 en 4, in het bijzonder de verklaring van de aangeefster van feit 4 ( [slachtoffer 2] ), voor het bewijs van feit 2 kunnen worden gebruikt. In dat kader acht de rechtbank van belang (i) dat de aangeefsters jonge vrouwen waren van ongeveer dezelfde leeftijd, (ii) dat de aangeefsters in de nachtelijke uren in centrum Utrecht in de taxi van de verdachte stapten, waardoor ze zich alleen met de verdachte in een (afgesloten) ruimte bevonden, (iii) dat de aangeefsters (in meerdere of mindere mate) onder invloed van alcohol verkeerden, (iv) dat aangeefsters [slachtoffer 2] , net als aangeefster [slachtoffer 3] verklaart dat de verdachte over haar bovenbeen begon te wrijven in de richting van haar vagina, (v) dat de verdachte de duidelijke (non-) verbale signalen van aangeefsters [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] (en overigens ook van aangeefster [slachtoffer 4] ) dat zij niet van deze handelingen gediend waren, negeerde en (vi) dat de verdachte deze handelingen in het geval van aangeefsters [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] verrichtte tijdens het rijden, waardoor zij zich moeilijk aan zijn handelingen konden onttrekken.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de andere aangeefsters, en dan met name de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] , op essentiële punten overeenkomsten bevatten met de verklaring van aangeefster [slachtoffer 3] . Het gaat om dermate specifieke overeenkomsten ten aanzien van de context en het handelen van de verdachte, dat de verklaringen van de andere aangeefsters, in het bijzonder die van aangeefster [slachtoffer 2] , voor het bewijs van feit 2 kunnen worden gebruikt.

3.3.5.3 Verklaring verdachte en contra-indicaties

De verdachte verklaart dat aangeefster samen met een vriendin in zijn taxi is gestapt en dat hij deze vriendin, na het afzetten van de aangeefster bij haar woning, terug naar de binnenstad van Utrecht heeft gereden. Volgens de verdachte is hij dus nooit alleen met de aangeefster in de taxi geweest. Deze verklaring wordt op geen enkele wijze ondersteund door het dossier. In haar aangifte benoemt aangeefster dat haar vrienden terug moesten naar Amsterdam. In de voicememo die ze naar haar vrienden heeft gestuurd, benoemt aangeefster dat [A] haar heeft afgedropt bij de taxi. Nergens in het dossier kan een aanwijzing worden gevonden voor de verklaring van verdachte dat er tijdens de rit naar de woning van aangeefster nog een andere persoon in de taxi aanwezig was. Om deze reden schuift de rechtbank de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde.

De rechtbank ziet in het dossier en in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen contra-indicaties. De rechtbank heeft dan ook de overtuiging dat het de bewuste nacht is gegaan zoals door de aangeefster is verklaard.

3.3.5.4 Opzetaanranding

In paragraaf 3.3.4 is uiteengezet dat onverhoedse seksuele aanrakingen tegen de duidelijk kenbare wil van het slachtoffer opzetaanranding in de zin van artikel 241 van het Wetboek van Strafrecht opleveren. Uit de verklaring van de aangeefster blijkt dat de verdachte uit het niets is begonnen met het betasten van haar benen. Uit haar verklaring blijkt ook dat zij meermaals tegen verdachte heeft gezegd dat zij het niet koud had en dat zij bovendien een andere houding heeft aangenomen om zijn aanrakingen te ontwijken. Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat verdachte aangeefster onverhoeds heeft aangeraakt terwijl zij dit niet wilde en verdachte dit wist.

De verdediging heeft aangevoerd dat het betasten van de benen van de aangeefster niet als een seksuele handeling kan worden aangemerkt, omdat deze handeling naar de uiterlijke verschijningsvorm niet op een seksuele beleving gericht was. Verdachte zou aangeefster hebben aangeraakt omdat zij het koud had en hij haar comfortabel wilde maken. De rechtbank vindt dit zeer ongeloofwaardig omdat verdachte blijkens de verklaring van aangeefster vóór de aanrakingen al had gezegd dat ‘als hij haar vriend zou zijn, hij haar zou zoenen tot ochtend’ en daarnaast heeft benoemd dat zijn auto romantisch en sexy zou zijn. Gelet hierop kunnen zijn aanrakingen niet anders worden aangemerkt dan als handelingen die gericht waren op seksueel contact, althans contact van seksuele aard in strijd met de sociaal-ethische norm.

Het vorengaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat de verdachte zich ook ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 3] schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding.

4
Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

1. primair

op 29 januari 2025 te Oud Zuilen, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer 4] , seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer 4] te brengen en te houden en te bewegen en

- op de wangen van die [slachtoffer 4] te zoenen en

- zijn, verdachtes, handen onder de (boven)kleding van die [slachtoffer 4] te brengen en (vervolgens) de borsten, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer 4] te betasten

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 4] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door en vergezeld van dwang, door

- met die [slachtoffer 4] naar een afgelegen plek te rijden en

- met zijn, verdachtes, handen het gezicht van die [slachtoffer 4] vast te pakken en

- het lichaam van die [slachtoffer 4] vast te pakken en

- de broek van die [slachtoffer 4] los te maken en

- de handelingen onverhoeds uit te voeren en

- de handelingen uit te voeren terwijl de gordel van die [slachtoffer 4] vastzat waardoor die [slachtoffer 4] niet weg kon en

- voorbij te gaan aan de verbale en non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 4] en

- terwijl die [slachtoffer 4] voor haar vervoer van hem, verdachte, afhankelijk was en niet wist waar zij zich op dat moment bevond, die [slachtoffer 4] aan zijn, verdachtes, wil te onderwerpen en zodoende misbruik te maken van zijn rol als taxichauffeur;

2

op 25 oktober 2024 te Utrecht, met een persoon, te weten [slachtoffer 3] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, door

- meermalen gedurende de (gehele) taxirit, over de (blote) benen van die [slachtoffer 3] te wrijven en de (blote) benen te betasten en de binnenkant van de benen van die [slachtoffer 3] te betasten en haar benen tot net onder haar schaamstreek te betasten en de (met kleding bedekte) billen van die [slachtoffer 3] te betasten en

- een knuffel te geven aan die [slachtoffer 3] , en

- een kus te geven op de wang van die [slachtoffer 3] ,

terwijl hij, verdachte, wist, dat bij die [slachtoffer 3] daartoe de wil ontbrak;

3 subsidiair

op 8 april 2024 te Utrecht, met [slachtoffer 1] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, waardoor deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,

handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers heeft hij, verdachte, zijn, penis in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en heen en weer bewogen;

4

op 28 november 2024 te Utrecht, met een persoon, te weten [slachtoffer 2] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, door meermalen, over de (blote) benen van die [slachtoffer 2] te wrijven en de (blote) benen te betasten, terwijl hij, verdachte, wist, dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

5
Kwalificatie en strafbaarheid
5.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair: opzetverkrachting vergezeld van dwang;

feit 3 subsidiair: met iemand van wie hij weet dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

feit 2 en feit 4: opzetaanranding.

5.2.

Strafbaarheid feit en verdachte

Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte opheffen. De feiten zijn strafbaar en de verdachte is dat ook.

6
Strafoplegging
6.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

een gevangenisstraf van negen jaren, met aftrek van het voorarrest;

een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht);

een contactverbod met de slachtoffers voor de duur van vijf jaren, waarbij op elke overtreding van dit verbod een week hechtenis volgt (en daarna steeds oplopend één extra week hechtenis per overtreding), met een maximale hechtenis van in totaal zes maanden (artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht);

een beroepsverbod voor de duur van acht jaren, inhoudende dat de verdachte geen beroepen mag uitoefenen waarbij hij zorg en/of verantwoordelijkheid draagt voor het vervoer van personen (artikel 28 lid 1 onder 5 van het Wetboek van Strafrecht).

De officier van justitie eist dat de contactverboden en het beroepsverbod direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).

6.2.

Standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring van één of meerdere feiten komt, heeft de verdediging het volgende aangevoerd. Bij een bewezenverklaring van feit 2 en/of 4 (de aanrandingen) dient te worden volstaan met een taakstraf, eventueel in combinatie met een (korte) voorwaardelijke gevangenisstraf. Een hogere straf zou in strijd zijn met de strafoplegging in vergelijkbare zaken. Bij een bewezenverklaring van feit 1 en/of 3 (verkrachting en/of seks met een wilsonbekwaam persoon) is er geen ruimte meer voor een fors onvoorwaardelijk strafdeel bovenop het voorarrest. Het restant van de straf dient in dit geval voornamelijk voorwaardelijk te zijn. De verdediging heeft hiertoe (samengevat) aangevoerd dat de mate van dwang die de verdachte heeft uitgeoefend beperkt was, dat er bij bewezenverklaring van meerdere feiten sprake is van meerdaadse samenloop, dat er geen sprake is van recidive en dat de verdachte voldoende gestraft is door 13 maanden voorlopige hechtenis, temeer nu hij in detentie ook te maken heeft gekregen met bedreigingen en mishandelingen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting met dwang, het hebben van seks met iemand van wie hij wist dat ze in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde en twee opzetaanrandingen. De verdachte is ‘s nachts met slachtoffer [slachtoffer 4] naar een afgelegen plek gereden en heeft daar onverhoeds haar bovenlichaam betast, haar wang gezoend, haar broek geopend en zijn vinger in haar vagina gestoken. De situatie was zo overweldigend en ging met dwang gepaard dat het slachtoffer zich niet kon onttrekken aan de seksuele handelingen die de verdachte met haar verrichtte. De verdachte is met slachtoffer [slachtoffer 1] naar een steegje gereden en heeft hier in zijn taxi seks met haar gehad, terwijl zij op dat moment dermate onder invloed van alcohol was dat zij niet in staat was om haar wil te bepalen of zich tegen de verdachte te verzetten. De verdachte wist dit en heeft hier bewust misbruik van gemaakt. Ze heeft lange tijd in onzekerheid verkeerd of ze een soa had opgelopen als gevolg van wat haar door de taxichauffeur was aangedaan, en heeft medicatie gebruikt om te voorkomen dat ze HIV zou oplopen. De verdachte heeft tot slot slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] aangerand door tijdens een taxirit hun benen te betasten en daarbij voorbij te gaan aan hun duidelijke signalen dat zij dit niet wilden.

In de bewezenverklaarde feiten ziet de rechtbank een patroon waarbij de verdachte zijn eigen seksuele verlangens opdringt aan jonge vrouwelijke passagiers, zonder oog te hebben voor de vergaande gevolgen die zijn gedragingen voor hen zouden kunnen hebben. Met zijn handelen heeft de verdachte niet alleen de lichamelijke, maar ook de geestelijke integriteit van de slachtoffers ernstig geschonden. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van seksuele misdrijven nog langdurig nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden van wat hen is aangedaan. Zij ervaren vaak nog geruime tijd problemen op het gebied van hun zelfbeeld, hun vermogen tot intimiteit en het vertrouwen in anderen. Uit de slachtofferverklaringen die op de zitting zijn voorgelezen, blijkt dat de feiten een grote weerslag op het welzijn van de slachtoffers hebben gehad en dat zij de gevolgen tot op de dag van vandaag met zich dragen. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij hier in het geheel niet bij stil heeft gestaan en zich kennelijk alleen door zijn eigen lustgevoelens heeft laten leiden.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft acht geslagen op het persoonlijkheidsonderzoek van 27 oktober 2025, uitgebracht door A.M. de Jong (psychiater) en R. Bout (psycholoog). Hieruit blijkt dat de deskundigen geen gronden hebben gevonden voor het vaststellen van een psychische stoornis bij de verdachte. Zij hebben daarom ook geen uitspraken gedaan over de mate van toerekenbaarheid, het recidiverisico en mogelijke interventies.

De rechtbank heeft ook rekening gehouden met het advies van de reclassering van 8 februari 2026, uitgebracht door S. Alexandre, reclasseringswerker. Hierin komt naar voren dat de verdachte stabiliteit op diverse leefgebieden kent. De verdachte heeft een woning, een vrouw en twee kinderen en er zijn geen zorgen over bijvoorbeeld middelengebruik of zijn sociale netwerk. De reclassering schat het risico op recidive als gemiddeld in en vindt het zorgelijk dat er in korte tijd meerdere verdenkingen tegen de verdachte zijn gerezen, hij in de strafzaak maar ook richting zijn partner geen openheid van zaken heeft gegeven en hij zichzelf slachtoffer voelt van in zijn beleving valse aangiftes. De reclassering ziet geen mogelijkheden om het recidiverisico door middel van interventies of toezicht te verminderen. Het advies aan de rechtbank luidt dan ook om, in het geval van een veroordeling, een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering adviseert tevens om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, zodat er ook na een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf toezicht op de verdachte kan worden gehouden. Hiernaast adviseert de reclassering om een vrijheidsbeperkende maatregel, bestaande uit contactverboden met de vier slachtoffers, op te leggen en om deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De reclassering adviseert tot slot om de verdachte een beroepsverbod op te leggen, inhoudende dat hij gedurende vijf jaar niet mag werken als taxichauffeur of als vervoerder van kwetsbare doelgroepen.

Volledige toerekenbaarheid

De rechtbank neemt de hiervoor beschreven conclusie van de deskundigen over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte is geen psychische stoornis vastgesteld en daarom is er geen reden om de bewezenverklaarde feiten niet of verminderd aan hem toe te rekenen. De verdachte is volledig toerekeningsvatbaar.

Gevangenisstraf

Gelet op het aantal en de ernst van de bewezenverklaarde feiten is de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de orde. Ten aanzien van de duur van de op te leggen gevangenisstraf overweegt de rechtbank als volgt.

In de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het LOVS wordt voor een verkrachting met een geringe mate van dwang een gevangenisstraf van 24 maanden als uitgangspunt gegeven. De rechtbank is van oordeel dat de dwang die de verdachte bij slachtoffer [slachtoffer 4] heeft toegepast meer dan gering was. Zij werd door een oudere, sterkere en voor haar compleet onbekende taxichauffeur naar een verlaten plek gebracht en had geen reële mogelijkheid om zich te onttrekken aan de seksuele handelingen die de verdachte bij haar heeft verricht. Gelet op de meer dan geringe mate van dwang, is de rechtbank van oordeel dat er in het nadeel van de verdachte kan en moet worden afgeweken van de straf die in de oriëntatiepunten wordt genoemd. De verdachte wordt ook veroordeeld voor het hebben van seks met een wilsonbekwaam persoon. Omdat er bij dit feit sprake is geweest van penetratie vindt de rechtbank, mede gelet op de strafoplegging in vergelijkbare zaken, dat er ook voor dit feit in beginsel een gevangenisstraf van 24 maanden kan worden opgelegd. De verdachte wordt tot slot schuldig bevonden aan twee opzetaanrandingen. Hoewel de door hem verrichte handelingen bij deze feiten minder ernstig zijn, is de rechtbank van oordeel dat deze feiten een stuwend effect hebben op de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf.

De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat de verdachte alle bewezenverklaarde feiten tijdens zijn rol als taxichauffeur heeft gepleegd. De slachtoffers zijn ‘s nachts bij hem in de taxi gestapt met de bedoeling om op die manier veilig thuis te komen. Zij vertrouwden erop dat de verdachte hen veilig naar huis zou brengen, maar de verdachte heeft dit vertrouwen ernstig geschaad en misbruik gemaakt van de situatie. Daarmee heeft hij ook een deuk geslagen in het vertrouwen van andere (jonge) vrouwen die ’s nachts een taxi bestellen teneinde veilig thuis te komen. De rechtbank vindt dit bijzonder kwalijk en weegt tevens mee dat de verdachte blijkens het dossier berekenend te werk is gegaan. Hij lijkt er bewust op uit te zijn geweest om ’s nachts jonge vrouwen in zijn taxi plaats te laten nemen en gaandeweg te kijken hoe ver hij bij hen kon gaan. In twee gevallen is hij naar een afgelegen plek gereden (een donker steegje in de stad en een plek bij een verlaten weiland buiten de stad) om zich daar aan de slachtoffers te vergrijpen. De rechtbank heeft tot slot meegewogen dat er formeel geen sprake is van recidive, aangezien de verdachte niet eerder voor seksuele misdrijven is veroordeeld, maar dat de bewezenverklaarde feiten wel duiden op een delictpatroon.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden (vijf en een half jaar) passend en geboden is. Deze straf is lager dan de negen jaren die de officier van justitie heeft geëist. Dat is (i) omdat de strafeis (ver) boven de strafoplegging in vergelijkbare zaken ligt en (ii) omdat er in deze zaak weliswaar strafverzwarende omstandigheden zijn, maar dat deze geen gevangenisstraf van negen jaar kunnen rechtvaardigen, mede gelet op het feit dat de verdachte niet eerder voor seksuele delicten is veroordeeld.

Tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen een penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering wordt verleend.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel

Anders dan de verdediging ziet de rechtbank een juridische grondslag en een noodzaak om aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. De verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld (artikel 38z lid 2 van het Wetboek van Strafrecht). Gelet op het aantal en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheid dat de reclassering het recidiverisico niet als laag inschat, acht de rechtbank het nodig dat er ook na de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf toezicht op het gedrag van de verdachte kan worden uitgeoefend. Daarom zal de rechtbank aan hem ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opleggen.

Contactverbod met de slachtoffers

Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten zal de rechtbank tevens, op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. De rechtbank zal bevelen dat de verdachte zich voor de duur van vijf jaar onthoudt van ieder contact met de slachtoffers. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat deze maatregel geen ernstige beperking van de bewegingsvrijheid van de verdachte oplevert, omdat de maatregel enkel bestaat in een contactverbod en niet tevens in een locatieverbod. Voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, zal vervangende hechtenis voor de duur van twee weken worden toegepast, met een gezamenlijk maximum van zes maanden. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat er bij elke overtreding van de maatregel één week extra hechtenis bijkomt.

Beroepsverbod

Tot slot zal de rechtbank de verdachte voor de duur van acht jaren ontzetten van het recht tot het uitoefenen van beroepen waarbij hij zorg en/of verantwoordelijkheid draagt voor het vervoeren van personen. Dit beroepsverbod geldt dus nog voor 30 maanden na afloop van de 66 maanden gevangenisstraf die aan de verdachte wordt opgelegd. De rechtbank acht dit beroepsverbod noodzakelijk om recidive te voorkomen, nu de verdachte alle feiten in de uitoefening van zijn beroep als taxichauffeur heeft gepleegd en er blijkens het dossier ook al eerder meldingen over seksueel grensoverschrijdend gedrag van de verdachte zijn gedaan. De rechtbank weegt ook mee dat de verdachte op de zitting weinig inzicht in de strafwaardigheid van zijn handelen heeft getoond. Bij deze stand van zaken kan de verdachte er niet mee worden vertrouwd om opnieuw een beroep uit te oefenen waarbij hij personen vervoert.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Gelet op het aantal en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheid dat verdachte weinig inzicht in de strafwaardigheid van zijn handelen heeft getoond, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat hij opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen. Daarom zal de rechtbank, op grond van artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht, bepalen dat de contactverboden onmiddellijk na de uitspraak ingaan. Het beroepsverbod gaat op grond van de wet in op de dag waarop de uitspraak kan worden tenuitvoergelegd.

7
In beslag genomen voorwerpen
7.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om de USB-stick die onder de verdachte in beslag is genomen te onttrekken aan het verkeer en om de onder hem in beslag genomen kleding van aangeefster [slachtoffer 4] verbeurd te verklaren. Ten aanzien van de overige voorwerpen op de beslaglijst heeft de officier van justitie verzocht om deze te retourneren aan de verdachte.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om te bepalen dat alle goederen op de beslaglijst worden geretourneerd aan de rechthebbenden, zijnde de verdachte of aangeefster [slachtoffer 4] .

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen geretourneerd kunnen worden aan de rechthebbenden, omdat deze geen verband houden met de ten laste gelegde feiten en er geen strafvorderlijk belang meer is om deze voorwerpen in beslag genomen te houden. Ten aanzien van de geheugenkaart uit de camera van de taxi

(G3476595) zal de rechtbank echter bepalen dat deze wordt onttrokken aan het verkeer. De rechtbank stelt vast dat op de geheugenkaart beelden hebben gestaan van de verkrachting van aangeefster [slachtoffer 4] in de taxi van de verdachte maar dat die beelden zijn verwijderd. Er staan echter wel nog ‘thumb nails’ (Voetnoot 3) op de geheugenkaart waarop aangeefster [slachtoffer 4] staat. De rechtbank acht het hoogst onwenselijk dat de geheugenkaart met daarop de thumb nails van aangeefster [slachtoffer 4] weer in het bezit komt van de verdachte. De rechtbank acht het ongecontroleerde bezit van die geheugenkaart daarom in strijd met het algemeen belang. De rechtbank zal de geheugenkaart dan ook onttrekken aan het verkeer.

8
Vorderingen benadeelde partij
8.1

Inleidende overweging

Alle vier de aangeefsters hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. De verdediging verzoekt primair om de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de door de verdediging bepleite integrale vrijspraak. Nu de rechtbank ten aanzien van ieder feit tot een bewezenverklaring komt, treft het primaire verzoek van de verdediging geen doel.

Subsidiair verzoekt de verdediging om de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de behandeling van deze vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De vorderingen zijn namelijk omvangrijk, complex van aard en in een laat stadium ingediend, waardoor de verdediging onvoldoende tijd heeft gehad om de vorderingen adequaat te bestuderen en daarop te kunnen reageren. De rechtbank constateert dat de vorderingen van de benadeelde partijen op 16 maart 2026, één week voor de inhoudelijke behandeling, zijn ingediend. Dit is gangbaar en in ieder geval niet dusdanig laat dat de verdediging onvoldoende tijd heeft gehad om een verweer op de vorderingen voor te bereiden. De verdediging heeft op de zitting ook uitgebreid verweer tegen alle vorderingen gevoerd en dus kennelijk voldoende tijd gehad om zich op de vorderingen te beraden. Het enkele feit dat in de vorderingen om vergoeding van aanzienlijke geldbedragen wordt verzocht, maakt niet dat de vorderingen als zodanig complex zijn en een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Ook het subsidiaire verzoek van de verdediging treft dus geen doel. De rechtbank zal een inhoudelijk oordeel over de vorderingen geven en houdt daarbij dezelfde volgorde aan als bij de bespreking van de feiten.

8.2

De vordering van [slachtoffer 4] (feit 1)

8.2.1

Materiële en immateriële schade

[slachtoffer 4] vordert een bedrag van € 29.744,20. Dit bedrag bestaat uit € 19.744,20 materiële schade en € 10.000,- immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde. De materiële schade is opgebouwd uit een bedrag van € 18.350,- ter zake van studievertraging, een bedrag van € 1.194,52 ter zake van kosten voor het eigen risico en een bedrag van € 199,68 euro ter zake van in beslag genomen kleding. De benadeelde partij vordert ook de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot volledige toewijzing van de vordering, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.3

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de kosten voor studievertraging verzoekt de verdediging primair om deze niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het niet mogelijk is om vast te stellen welk bedrag aan schade de benadeelde partij daadwerkelijk heeft geleden. Subsidiair verzoekt de verdediging om het gevorderde bedrag schattenderwijs te matigen en meer subsidiair om het bedrag toe te wijzen tot een maximum van € 8.023,13. Ten aanzien van de kosten voor het eigen risico verzoekt de verdediging om deze schade toe te wijzen tot een bedrag van € 1.006,11 en om het resterende bedrag niet-ontvankelijk te verklaren, nu dit geen verband houdt met het ten laste gelegde feit. Ten aanzien van de kosten voor inbeslaggenomen kleding verzoekt de verdediging om dit bedrag af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het niet aan verdachte te wijten is dat de kleding onder hem in beslag is genomen en de politie de kleding niet aan de benadeelde partij geretourneerd heeft. Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt de verdediging om het gevorderde bedrag te matigen tot maximaal € 2.000, gelet op de in vergelijkbare zaken toegekende bedragen.

8.2.4

Het oordeel van de rechtbank

Studievertraging

De benadeelde partij stelt dat zij als gevolg van het ten laste gelegde feit studievertraging heeft opgelopen. Deze stelling is onderbouwd met kopieën van mails tussen de benadeelde partij, de examencommissie en de studiecoördinator, waaruit blijkt dat zij als gevolg van het ten laste gelegde feit tentamens niet heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de overlegde stukken voldoende onderbouwen dat de benadeelde partij als gevolg van het ten laste gelegde studievertraging heeft opgelopen. In de toelichting op de vordering wordt gesteld dat de benadeelde partij acht maanden studievertraging heeft opgelopen, maar uit de overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat de studievertraging zes maanden bedraagt. Voor de bepaling van de omvang van de schade zoekt de rechtbank aansluiting bij de Letselschade Richtlijn Studievertraging. Hieruit volgt dat, in het geval van één jaar studievertraging op de universiteit, een bedrag van € 27.525,- geïndiceerd is. Omdat in het onderhavige geval sprake is van zes maanden studievertraging, zal de rechtbank de gevorderde kosten toewijzen tot een bedrag van € 13.762,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026 (datum vonnis), tot aan de dag waarop het volledige bedrag is betaald, en het resterende bedrag niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank neemt als ingangsdatum voor de wettelijke rente de datum van het vonnis nu op basis van de stukken niet valt vast te stellen wanneer de schade precies is ontstaan, er na indiening van de vordering duidelijk was dat er nog debat zou volgen, en op datum vonnis duidelijk is wat de schade is en dat de verdachte deze moet betalen.

Kosten eigen risico

Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde partij onder behandeling is gegaan bij een psycholoog en dat zij in dat kader eigen risico heeft moeten betalen, te weten een bedrag van € 885,- over 2025 en een bedrag van € 309,52 over 2026.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van haar behandeling bij de psycholoog heeft gemaakt, een rechtstreeks gevolg zijn van het ten laste gelede feit. Uit het nota-overzicht over 2025 blijkt dat een deel van het eigen risico van de benadeelde partij is opgegaan aan andere doeleinden, namelijk een bedrag van € 150,59 voor ‘ziekenhuizen’ en een bedrag van € 37,82 voor ‘apothekers’. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Gelet op het vorengaande zal de rechtbank de kosten voor het eigen risico toewijzen tot een bedrag van € 1.006,11, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026 (datum vonnis), nu de rechtbank op basis van de overgelegde stukken niet kan vaststellen wanneer deze schade precies is ontstaan, tot aan de dag waarop het volledige bedrag is betaald, en het resterende bedrag niet-ontvankelijk verklaren.

In beslag genomen kleding

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 199,68 euro voor kleding die haar eigendom is maar onder de verdachte in beslag is genomen. De verdediging heeft de hoogte van dit bedrag niet betwist, maar wel aangevoerd dat het op de weg van de politie ligt om de kleding aan de benadeelde partij te retourneren en het niet de schuld van de verdachte is dat dit niet is gebeurd.

Zoals de rechtbank hiervoor in paragraaf 7 heeft overwogen, zal de rechtbank gelasten dat de onder de benadeelde partij inbeslaggenomen kleding wordt teruggegeven aan de rechthebbende, te weten de benadeelde partij. Voor zover de rechtbank dat op dit moment kan beoordelen, heeft de benadeelde partij na teruggave van de kleding in zoverre geen schade (meer). Mocht er onverhoopt toch schade aan de kleding zijn, dan kan de benadeelde partij deze schade vorderen bij de burgerlijke rechter. Om deze reden zal de rechtbank de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. Namens benadeelde is op zitting aanvullend gesteld dat zij de kleding niet terug wil, en de verdachte daarom moet betalen voor het verlies. Dat is niet zo. In dat geval is het wilsbesluit van de benadeelde partij er de oorzaak van dat zij de kleding niet terugkrijgt.

Immateriële schade

Op grond van de wet komt immateriële schade onder meer voor vergoeding in aanmerking als de benadeelde partij “op andere wijze in zijn persoon is aangetast” (artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek). Daarvan is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen.

Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat de psycholoog van de benadeelde partij bij haar een angststoornis heeft vastgesteld. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de angststoornis van de benadeelde partij (mede) samenhangt met andere gebeurtenissen dan het ten laste gelegde. De verdediging heeft hier ook geen verweer op gevoerd. De rechtbank acht geestelijk letsel aanwezig maar ziet aanleiding om het gevorderde bedrag aan immateriële schade te matigen. Zonder af te willen doen aan de ernst van het feit en de psychische gevolgen hiervan voor de benadeelde partij, gaat de rechtbank tot matiging over omdat het bewezenverklaarde seksueel binnendringen beperkt is tot het steken van een vinger in de vagina. Dit is wezenlijk anders dan de zaak die de advocaat van de benadeelde partij heeft aangehaald, waarin sprake was van gedwongen pijpen en vaginale penetratie zonder condoom. Naar het oordeel van de rechtbank is een vergoeding van € 4.000,- in deze zaak passend en in lijn met de bedragen die in vergelijkbare zaken zijn toegekend. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 4.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling. De benadeelde partij zal voor het resterende bedrag niet ontvankelijk worden verklaard.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank aan de verdachte, ten behoeve van [slachtoffer 4] , de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 18.768,61, waarvan een bedrag van € 14.768,61 wordt toegewezen voor materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026 (datum vonnis), nu de rechtbank op basis van de overgelegde stukken niet kan vaststellen wanneer deze schade precies is ontstaan, tot aan de dag van volledige betaling, en een bedrag van € 4.000,- wordt toegewezen voor immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling. Betalingen die zijn gedaan aan de Staat worden op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Bij gebreke van betaling en verhaal zal gijzeling worden toegepast voor de duur van 118 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de betalingsverplichting van de verdachte niet op.

Proceskosten

Verdachte zal tot slot worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

8.3

De vordering van [slachtoffer 1] (feit 3)

8.3.1

Materiële en immateriële schade

[slachtoffer 1] vordert een bedrag van € 16.770,-. Dit bedrag bestaat uit € 770,- materiële schade (kosten eigen risico) en € 16.000,- immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 ten laste gelegde feit. Zij vordert daarbij ook de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

8.3.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot volledige toewijzing van de vordering, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3.3

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de kosten voor het eigen risico over 2024 (€ 385,-) verzoekt de verdediging primair om het gevorderde bedrag af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het causaal verband tussen de schade en het aan de verdachte ten laste gelegde feit ontbreekt dan wel onvoldoende onderbouwd is. Subsidiair verzoekt de verdediging om het gevorderde bedrag toe te wijzen tot maximaal € 155,38. Ten aanzien van de kosten voor het eigen risico over 2025 (€ 385,-) verzoekt de verdediging primair om dit bedrag af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, wegens het ontbreken van causaal verband tussen de schade en het aan de verdachte ten laste gelegde feit. Subsidiair verzoekt de verdediging om het bedrag toe te wijzen tot maximaal € 366,09. Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt de verdediging om het gevorderde bedrag te matigen tot maximaal € 5.000,-, gelet op de toegekende bedragen in vergelijkbare zaken.

8.3.4

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de door de benadeelde gemaakte kosten die verband houden met de aanschaf van PREP-pillen, een rechtstreeks gevolg zijn van het ten laste gelegde feit. De verdediging heeft tevens aangevoerd dat er, blijkens het overzicht van zorgkosten over 2024, slechts € 155,38 van het eigen risico is afgeschreven in verband met PREP-pillen. Ten aanzien van de zorgkosten over 2025 heeft de verdediging aangevoerd dat een bedrag van € 18,91 betrekking heeft op iets anders, dat geen causaal verband heeft met het ten laste gelegde. De verdediging heeft de omvang van het gevorderde bedrag hiermee gemotiveerd betwist. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 521,47, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026 (datum vonnis), nu de rechtbank op basis van de overgelegde stukken niet kan vaststellen wanneer deze schade precies is ontstaan, tot aan de dag waarop het volledige bedrag is betaald. De benadeelde partij zal voor het resterende bedrag niet-ontvankelijk worden verklaard.

Immateriële schade

Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat de benadeelde partij in 2025 in behandeling is geweest bij een psycholoog en dat deze psycholoog de diagnose PTSS heeft gesteld. De verdediging heeft gesteld dat niet is gebleken dat deze diagnose uitsluitend verband houdt met het ten laste gelegde feit. Voor zover niet kan worden uitgesloten dat ook andere ingrijpende levensgebeurtenissen tot PTSS bij de benadeelde partij zouden kunnen hebben geleid, is duidelijk dat het bewezenverklaarde feit, gelet op de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor de benadeelde, minst genomen een aandeel in het ontstaan van haar geestelijk letsel heeft gehad. Het is ingewikkeld om vast te stellen hoe groot dit aandeel is geweest. Een nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar bevoegdheid om de schade te schatten, en naar billijkheid vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 7.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2024 tot aan de dag waarop het volledige bedrag is betaald in het onderhavige geval passend is en ook in lijn is met de bedragen die in vergelijkbare zaken zijn toegekend. Daarom zal de rechtbank de immateriële schade tot dit bedrag toewijzen en de benadeelde partij voor het resterende bedrag niet-ontvankelijk verklaren.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank aan de verdachte, ten behoeve van [slachtoffer 1] , de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 7.521,47, waarvan een bedrag van € 521,47 wordt toegewezen voor materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026 tot aan de dag van volledige betaling, en een bedrag van € 7.000,- wordt toegewezen voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2024 tot aan de dag van volledige betaling. Betalingen die zijn gedaan aan de Staat worden op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Bij gebreke van betaling en verhaal zal gijzeling worden toegepast voor de duur van 62 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de betalingsverplichting van de verdachte niet op.

Proceskosten

Verdachte zal tot slot worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

8.4

De vordering van [slachtoffer 2] (feit 4)

8.4.1

Materiële en immateriële schade

[slachtoffer 2] vordert een bedrag van € 16.262,50. Dit bedrag bestaat uit € 13.762,50 materiële schade (studievertraging) en € 2.500,- immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 ten laste gelegde feit. Zij vordert daarbij ook de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.4.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot volledige toewijzing van de vordering, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.4.3

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de materiële schade verzoekt de verdediging primair om het gevorderde bedrag niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het toekomstige schade betreft en het causaal verband tussen de schade en het ten laste gelegde feit niet kan worden vastgesteld. Subsidiair verzoekt de verdediging om het gevorderde bedrag schattenderwijs te matigen en meer subsidiair om het bedrag toe te wijzen tot een maximum van € 6.881,50. Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt de verdediging om het gevorderde bedrag te matigen tot maximaal € 1.000,- gelet op de toegekende bedragen in vergelijkbare zaken.

8.4.4

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De verdediging heeft het causale verband tussen de studievertraging van de benadeelde partij en het aan de verdachte ten laste gelegde feit gemotiveerd betwist. De rechtbank acht de vordering in zoverre onvoldoende onderbouwd. Op basis van wat de toelichting op en de onderbouwing van de vordering, kan de rechtbank - zoals de verdediging terecht aanvoert - niet vaststellen dat sprake is van een causaal verband tussen het bewezen feit en de studievertraging. Een goede beoordeling van dit deel van de vordering zou nader onderzoek vergen. Dit nadere onderzoek zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Om deze reden zal de rechtbank de benadeelde partij voor de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk verklaren.

Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen hiervan door de benadeelde partij, sprake kan zijn van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ en de verdediging heeft dit niet betwist. De rechtbank ziet net als de verdediging aanleiding om het bedrag te matigen, gelet op de toegekende bedragen in vergelijkbare zaken. De rechtbank zal de immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 1.200,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 november 2024 tot aan de dag van volledige betaling en de benadeelde partij voor het resterende bedrag niet-ontvankelijk verklaren.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank aan de verdachte, ten behoeve van [slachtoffer 2] , de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.200,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 november 2024 tot aan de dag van volledige betaling. Betalingen die zijn gedaan aan de Staat worden op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Bij gebreke van betaling en verhaal zal gijzeling worden toegepast voor de duur van 12 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de betalingsverplichting van de verdachte niet op.

Proceskosten

Verdachte zal tot slot worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

8.5

De vordering van [slachtoffer 3] (feit 2)

8.5.1

Voeging benadeelde partij

[slachtoffer 3] vordert een bedrag van € 4.000,-, bestaande uit immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde feit. Zij vordert daarbij ook de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.5.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot volledige toewijzing van de vordering, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.5.3

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om het gevorderde bedrag te matigen tot een bedrag van maximaal € 1.200, gelet op de toegekende bedragen in vergelijkbare zaken.

8.5.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen hiervan door de benadeelde, sprake kan zijn van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ en de verdediging heeft dit niet betwist. De rechtbank ziet net als de verdediging aanleiding om het bedrag te matigen, gelet op de toegekende bedragen in vergelijkbare zaken. De rechtbank zal de immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 1.200,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2024 tot aan de dag van volledige betaling en de benadeelde partij voor het resterende bedrag niet-ontvankelijk verklaren.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank aan de verdachte, ten behoeve van [slachtoffer 3] , de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.000,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2024 tot aan de dag van volledige betaling. Betalingen die zijn gedaan aan de Staat worden op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Bij gebreke van betaling en verhaal zal gijzeling worden toegepast voor de duur van 12 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de betalingsverplichting van de verdachte niet op.

Proceskosten

Verdachte zal tot slot worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

9
Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregelen en de beslissingen op het beslag zijn gebaseerd op de artikelen 28, 31, 36b, 36c, 36f, 38v, 38w, 38z, 57, 240, 241, 243 (nieuw) en 243 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

10
De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 3 primair ten laste gelegde feit niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4 is omschreven;

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4 is omschreven;

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4 is omschreven;

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4 is omschreven;

verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid van de feiten

- verklaart de bewezenverklaarde feiten strafbaar en kwalificeert deze zoals hierboven in paragraaf 5 is vermeld;

Strafbaarheid van verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor de bewezenverklaarde feiten;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 66 maanden (vijf jaar en zes maanden);

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht);

legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid (artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht), inhoudende dat de verdachte zich voor de duur van vijf jaren onthoudt van ieder – direct of indirect – contact met:

1. [slachtoffer 4] (geboren op [2001] te [geboorteplaats] );

2. [slachtoffer 3] (geboren op [2003] te [geboorteplaats] );

3. [slachtoffer 1] (geboren op [2005] te [geboorteplaats] );

4. [slachtoffer 2] (geboren op [2002] te [geboorteplaats] );

- beveelt dat twee weken vervangende hechtenis zal worden toegepast voor elke keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

veroordeelt de verdachte tot een ontzetting van het recht tot het uitoefenen van beroepen waarbij hij zorg en/of verantwoordelijkheid draagt voor het vervoer van personen, voor de duur van acht jaren;

In beslag genomen voorwerpen

- verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:

1. STK USB-stick, memorykaart (G3476595);

- gelast de teruggave aan de verdachte van de volgende voorwerpen:

1 STK USB-stick, memorykaart (G3474457);

1 STK telefoontoestel (G3478656);

1 STK pas (G3478705);

- gelast de teruggave aan de rechthebbende (zijnde [slachtoffer 4] , geboren op [2001] te [geboorteplaats] ) van de volgende voorwerpen:

1 STK schoenen (G3474135);

1 STK broek (G3474134);

1 STK ondergoed (G3474139);

1 STK trui (G3474140);

1 STK ondergoed (G3474137);

Benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 1)

wijst de vordering van [slachtoffer 4] toe tot een bedrag van € 18.768,61, waarvan een bedrag van € 14.768,61 wordt toegewezen voor materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling, en een bedrag van € 4.000,- wordt toegewezen voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;

veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 4] ;

verklaart [slachtoffer 4] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de vordering voor dit deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat een bedrag van € 18.768,61 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026 over de materiële schade van € 14.768,61 en de wettelijke rente vanaf 29 januari 2025 over de immateriële schade van € 4.000,- tot aan de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 118 dagen gijzeling;

bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

veroordeelt de verdachte in de kosten door [slachtoffer 4] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 3)

wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 7.521,47, waarvan een bedrag van € 521,47 wordt toegewezen voor materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026 tot aan de dag van volledige betaling, en een bedrag van € 7.000,- wordt toegewezen voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2024 tot aan de dag van volledige betaling;

veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] ;

verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de vordering voor dit deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat

€ 7.521,47 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026 over de materiële schade van € 521,47 en de wettelijke rente vanaf 8 april 2024 over de immateriële schade van € 7.000,- tot aan de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 62 dagen gijzeling;

bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

veroordeelt de verdachte in de kosten door [slachtoffer 1] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 4)

wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 1.200,-, voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 november 2024 tot aan de dag van volledige betaling;

veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] ;

verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de vordering voor dit deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat

€ 1.200,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 november 2024 tot aan de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 12 dagen gijzeling;

bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

veroordeelt de verdachte in de kosten door [slachtoffer 2] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 2)

wijst de vordering van [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 1.200,-, voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2024 tot aan de dag van volledige betaling;

veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] ;

verklaart [slachtoffer 3] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de vordering voor dit deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat

€ 1.200,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2024 tot aan de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 12 dagen gijzeling;

bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

veroordeelt de verdachte in de kosten door [slachtoffer 3] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter, mr. I.G.C. Bij de Vaate en mr. J.E.S. Dolmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Mol als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: de tenlastelegging

Aan de verdachte is na nadere omschrijving van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Oud Zuilen, gemeente Stichtse Vecht, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer 4] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 4] te brengen/duwen en/of te houden en/of te bewegen en/of

- op de mond en/of de wangen van die [slachtoffer 4] te zoenen en/of

- zijn, verdachtes, handen onder de (boven)kleding van die [slachtoffer 4] te brengen en/of (vervolgens) de borsten en/of de buik, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer 4] te betasten en/of over de borsten wrijven

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 4] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

- met die [slachtoffer 4] naar een afgelegen plek te rijden en/of

- met zijn, verdachtes, handen het gezicht van die [slachtoffer 4] vast te pakken en/of

- op het lichaam van die [slachtoffer 4] te gaan liggen en/of het lichaam van die [slachtoffer 4] vast te pakken en/of

- de broek van die [slachtoffer 4] los te maken en/of

- de handelingen onverhoeds uit te voeren en/of

- de handelingen uit te voeren terwijl de gordel van die [slachtoffer 4] vastzat waardoor die [slachtoffer 4] niet weg kon en/of

- voorbij te gaan aan de verbale en non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 4] en/of

- terwijl die [slachtoffer 4] voor haar vervoer van hem, verdachte, afhankelijk was en/of niet wist waar zij zich op dat moment bevond, die [slachtoffer 4] aan zijn, verdachtes, wil te onderwerpen en/of zodoende misbruik te maken van zijn rol als taxichauffeur;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Oud Zuilen, gemeente Stichtse Vecht, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer 4] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- met zijn, verdachtes, vinger(s) de vagina van die [slachtoffer 4] te betasten/aan te raken en/of

- op de mond en/of de wangen van die [slachtoffer 4] te zoenen en/of

- zijn, verdachtes, handen onder de (boven)kleding van die [slachtoffer 4] te brengen en/of (vervolgens) de borsten en/of de buik, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer 4] te betasten en/of over de borsten wrijven,

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

- met die [slachtoffer 4] naar een afgelegen plek te rijden en/of

- met zijn, verdachtes, handen het gezicht van die [slachtoffer 4] vast te pakken en/of

- op het lichaam van die [slachtoffer 4] te gaan liggen en/of het lichaam van die [slachtoffer 4] vast te pakken en/of

- de broek van die [slachtoffer 4] los te maken en/of

- de handelingen onverhoeds uit te voeren en/of

- de handelingen uit te voeren terwijl de gordel van die [slachtoffer 4] vastzat waardoor die [slachtoffer 4] niet weg kon en/of

- voorbij te gaan aan de verbale en non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 4] en/of

- terwijl die [slachtoffer 4] voor haar vervoer van hem, verdachte, afhankelijk was en/of niet wist waar zij zich op dat moment bevond, die [slachtoffer 4] aan zijn, verdachtes, wil te onderwerpen en/of zodoende misbruik te maken van zijn rol als taxichauffeur;

2

hij op of omstreeks 25 oktober 2024 te Utrecht, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer 3] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, door

- meermalen, althans eenmaal, gedurende de (gehele) taxirit, over de (blote) benen van die [slachtoffer 3] te wrijven en/of de (blote) benen te betasten en/of de binnenkant van de benen van die [slachtoffer 3] te betasten en/of haar benen tot net onder haar schaamstreek te betasten en/of de (met kleding bedekte) billen van die [slachtoffer 3] te betasten en/of

- een knuffel te geven aan die [slachtoffer 3] , en/of

- een kus te geven op de wang(en) van die [slachtoffer 3] ,

terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 3] daartoe de wil ontbrak;

3

hij op of omstreeks 8 april 2024 te Utrecht, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten:

- het meermalen, althans eenmaal, brengen en/of duwen en/of (heen en weer) bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1] ,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hierin dat verdachte:

- die [slachtoffer 1] hulp heeft aangeboden met het zoeken van haar telefoon en/of

- ( vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met die [slachtoffer 1] rondjes heeft gereden in zijn taxi en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] naar een steegje heeft gereden en/of

- zijn, verdachtes, auto aan de kant heeft gezet en/of tot stilstand heeft gebracht, en/of

- naast die [slachtoffer 1] op de achterbank heeft plaatsgenomen en/of

- de kleding van die [slachtoffer 1] heeft uitgetrokken en/of

- op het lichaam van die [slachtoffer 1] is gaan liggen en/of

- de voornoemde handelingen onverhoeds heeft uitgevoerd en/of

- de voornoemde handelingen heeft uitgevoerd terwijl die [slachtoffer 1] (deels) niet bij bewustzijn was en/of

- terwijl die [slachtoffer 1] voor haar vervoer van hem, verdachte, afhankelijk was en/of niet wist waar zij zich op dat moment bevond, die [slachtoffer 1] aan zijn, verdachtes, wil heeft onderworpen en/of zodoende misbruik heeft gemaakt van zijn rol als taxichauffeur;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 april 2024 te Utrecht, althans in Nederland, met [slachtoffer 1] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer

handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers heeft hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en/of geduwd en/of (heen en weer) bewogen;

4

hij op of omstreeks 28 november 2024 te Utrecht, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer 2] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, door meermalen, althans eenmaal, gedurende de gehele taxirit, over de (blote) benen van die [slachtoffer 2] te wrijven en/of de (blote) benen te betasten, terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak.

Bijlage II: de bewijsmiddelen  (Voetnoot 4)

Feit 1 (aangeefster [slachtoffer 4] )

Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Plaats delict: Utrecht

Pleegdatum: woensdag 29 januari 2025

Ik was wezen stappen die avond. Ik besloot een taxi te nemen en zag een taxi staan. Ik ben gewoon ingestapt en heb niet echt gepraat met de chauffeur. Ik zag dat hij voorbij mijn huis reed. Ik sprak de chauffeur hierop aan. Even later zette hij de auto aan de zijkant van de weg neer. Ik zag dat hij zijn gordel losdeed. Hij begon mij te zoenen. Ik draaide mijn hoofd weg tegen het raam. Ik heb niet teruggezoend. Hij zoende op mijn wangen. Daarna ging hij met zijn handen onder mijn trui, shirt en BH. Daarna ritste hij mijn broek los en ging hij met zijn handen in mijn broek en string. Daarna ging hij met zijn vinger in mijn vagina. In het begin verstijfde ik, ik was in shock. Ik zei eerst vrij zacht dat ik het niet wilde. Daarna ben ik steeds harder gaan zeggen dat ik dit niet wilde. Ik heb dit in totaal drie keer gezegd. (Voetnoot 5) Ik heb hem ook van mij afgeduwd. (Voetnoot 6)

Opmerking verbalisanten: je verklaarde eerder dat de taxi ineens tot stilstand kwam ter hoogte van een weiland.

V: Wat vond je daarvan?

A: Hij zette de auto half in het gras en half op de straat. Dit was in de berm. Het

was echt pikdonker, bijna geen licht. Alleen de koplampen. Ik zag geen lantaarnpalen.

Alleen huizen in de verte.

V: Wat gebeurde er toen?

A: Toen begon hij mij te zoenen. Volgens mij niet op mijn mond want ik draaide gelijk

weg. Dus op mijn wang. Ik deed mijn hoofd naar rechts dus kwam die zoen op mijn

linkerwang aan. (Voetnoot 7)

V: Wat deed hij toen?

A: Hij ging door terwijl ik mijn hoofd wegtrok. Tijdens het zoenen ging hij ook met

zijn handen onder mijn kleding.

V: Wat deed hij daarna?

A: Toen ging hij met zijn handen onder mijn trui en onder mijn shirt en in mijn bh.

V: Hoe ging dat precies?

A: Snel. Het overviel mij heel erg en ik voelde me kleiner dan hem. Maar wederom was

het niet met geweld. Maar dat hij machtiger was dan ik, hij was een oudere en grotere

man. Ook omdat ik kleiner ben. Ik voelde me eigenlijk een beetje een klein meisje. Ik

voelde me bang en in shock

V: Had je het gevoel dat je iets tegen de man kon beginnen?

A: Nou fysiek in ieder geval niet. We stonden bij een weiland en ik kon geen kant op.

V: Waarmee ging hij onder jouw kleding?

A: Met zijn handen. Hij draaide met zijn lijf over het midden alsof hij iets wilde

pakken wat vanaf de bijrijdersstoel was gevallen. Hij zat helemaal over mij heen. (Voetnoot 8)

V: Wat deed hij met zijn hand?

A: Mijn lichaam aanraken

V: Waar?

A: In mijn bh.

V: Wat deed hij dan?

A: Voelen, niet knijpen ofzo.

V: Wat raakte hij aan?

A: Mijn borsten

V: Hoe stopte het?

A: Toen hij met zijn handen mijn broek open ging maken met twee handen.

V: Hoe ging dat?

A: Hij deed eerst de knoop open en toen de rits en ging toen met zijn hand in mijn broek.

V: Wat deed hij toen hij met zijn hand in jouw broek ging?

A: Hij ging met zijn hand in mijn onderbroek en met zijn vingers bij mij naar binnen bij mijn vagina.

V: Wat deed hij met zijn vingers bij jouw vagina?

A: Gewoon voelen. (Voetnoot 9)

V: Op welke manier?

A: Vingeren.

V: Wat versta jij onder vingeren?

A: Met zijn vinger erin, voelen en bewegingen maken. (Voetnoot 10)

Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 29 januari 2025 omstreeks 04:40 uur zagen wij dat er een vrouw in de deuropening stond. Wij vroegen of zij de meldster was. Wij zagen dat zij haar hoofd knikte. Zij overhandigde een rijbewijs waarop stond: [slachtoffer 4] , geboren op [2001] .

Wij zagen dat [slachtoffer 4] hoog in haar emoties zat. Zij was zichtbaar aan het huilen. Wij hoorden haar kort en oppervlakkig ademen. Wij hoorden dat zij slecht uit haar woorden kwam en zichtbaar troost bij haar vriendin zocht. Wij hoorde haar zeggen dat zij heel graag water wilde drinken, zij zich heel vies voelde en zich schoon wilde maken. (Voetnoot 11)

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik kreeg berichtjes waarin stond: ‘is iemand wakker’ (04:38 uur) en ‘jongens het gaat echt niet goed’ (04.34 uur). [slachtoffer 4] belde mij en zei dat er iets ergs was gebeurd. Dat zij verkracht was. (Voetnoot 12)

Ze vertelde ons dat ze een taxi had genomen vanaf Vredenburg naar huis. De taxichauffeur reed door naar [woonplaats] , waarna hij bij een weiland stopte. Ze zat op de bijrijdersstoel. Hij begon haar aan te raken. Hij begon bij haar bovenlichaam en ging daarna naar onderen. Ook stak hij zijn vingers in haar. Ze zei dat ze het niet wilde tegen die man.

V: Wat zag je aan [slachtoffer 4] toe zij de deur opende?

A: Ik zag verdriet en ik zag haar huilen. Ze was geschrokken en wat verward en in paniek.

V: Waar begon de man met aanraken?

A: Ik begreep dat hij haar eerst begon te zoenen en aan haar borsten voelde. Daarna ging de man met zijn vinger in haar.  (Voetnoot 13)

Feit 3 (aangeefster [slachtoffer 1] )

Een proces-verbaal, inhoudende het informatief gesprek met [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Datum gesprek: 8 april 2024

[slachtoffer 1] vertelt dat ze naar een groot feest op het Janskerkhof in Utrecht was (de rechtbank begrijpt dat dit feest plaatsvond in de nacht van 7 op 8 april 2024). Er was een roeiwedstrijd geweest en omdat ze hadden gewonnen was het bier voor hun gratis. Daar hebben ze goed gebruik van gemaakt. [slachtoffer 1] was behoorlijk dronken. Ze wilde naar huis gaan, rond 04:00 denkt ze. Toen kwam ze erachter dat ze haar telefoon niet meer had. Ze rende terug om haar telefoon te halen en zag een grote, zwarte auto waar ze instapte. Ze dacht dat het een taxi was, maar ze had helemaal geen taxi nodig dus ze weet niet waarom ze ingestapt is. Ze is ingestapt via de linker achterdeur en zat achter de bestuurder. (Voetnoot 14)

Ze zei tegen de bestuurder dat ze haar telefoon kwijt was en de bestuurder zei dat hij zou helpen zoeken. Ze hebben een paar rondjes gereden waarbij ze uit het raam heeft gekeken of ze haar telefoon ergens zag, maar ze herinnert zich niet waar ze precies zijn geweest. Op een gegeven moment zet de bestuurder de auto aan de kant en komt hij naar de achterbank. [slachtoffer 1] herinnert zich niet hoe haar kleren zijn uit gegaan. Ze kan zich alleen vaag herinneren dat hij haar laars probeert uit te trekken, maar dat dit moeilijk gaat. Daarna herinnert ze zich dat haar broek en onderbroek uit zijn. Vervolgens herinnert zij zich dat hij zijn lul uit zijn broek heeft en dat hij een hele kleine lul heeft. De lul van de man was in erectie. Daarna voelt ze dat hij met zijn lul in haar vagina naar binnen gaat. Verder kan ze zich niets herinneren totdat ze haar onderbroek weer zelf aantrekt. (Voetnoot 15)

Een geschrift, te weten een rapportage van het NFI, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

AASU0269NL#01, linker binnenzijde tailleband

DNA kan afkomstig zijn van:

minimaal twee personen

Bewijskracht:

- slachtoffer [slachtoffer 1]

- niet van toepassing

- verdachte [verdachte]

- meer dan 1 miljard

Getest op type celmateriaal:

Testresultaat:

- spermavloeistof

- positief

- spermacellen

- waargenomen

Op basis van de resultaten van het DNA-onderzoek naar de aanwezigheid van sperma en het vergelijkend DNA-onderzoek is geconcludeerd dat deze bemonstering sperma bevat dat afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte] .

AASU0269NL#02, rechter binnenzijde tailleband

DNA kan afkomstig zijn van:

minimaal twee personen

Bewijskracht:

- slachtoffer [slachtoffer 1]

- niet van toepassing

- verdachte [verdachte]

- meer dan 1 miljard

Getest op type celmateriaal:

Testresultaat:

- spermavloeistof

- positief

- spermacellen

- waargenomen

Op basis van de resultaten van het DNA-onderzoek naar de aanwezigheid van sperma en het vergelijkend DNA-onderzoek is geconcludeerd dat deze bemonstering sperma bevat dat afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte] .

AASU0269NL#03, spoor boven kruis

DNA kan afkomstig zijn van:

minimaal twee personen

Bewijskracht:

- slachtoffer [slachtoffer 1]

- niet van toepassing

- verdachte [verdachte]

- meer dan 1 miljard

Getest op type celmateriaal:

Testresultaat:

- spermavloeistof

- positief

- spermacellen

- waargenomen

Op basis van de resultaten van het DNA-onderzoek naar de aanwezigheid van sperma en het vergelijkend DNA-onderzoek is geconcludeerd dat deze bemonstering sperma bevat dat afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte](Voetnoot 16)

AASU0269NL#04, spoor in kruis

DNA kan afkomstig zijn van:

minimaal twee personen

Bewijskracht:

- slachtoffer [slachtoffer 1]

- niet van toepassing

- verdachte [verdachte]

- meer dan 1 miljard

Getest op type celmateriaal:

Testresultaat:

- spermavloeistof

- positief

- spermacellen

- waargenomen

Op basis van de resultaten van het DNA-onderzoek naar de aanwezigheid van sperma en het vergelijkend DNA-onderzoek is geconcludeerd dat deze bemonstering sperma bevat dat afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte] .

AASU0269NL#05, rechter buitenzijde tailleband

DNA kan afkomstig zijn van:

minimaal twee personen

Bewijskracht:

- slachtoffer [slachtoffer 1]

- niet van toepassing

- verdachte [verdachte]

- meer dan 1 miljard

Getest op type celmateriaal:

Testresultaat:

- spermavloeistof

- positief

- spermacellen

- waargenomen

Op basis van de resultaten van het DNA-onderzoek naar de aanwezigheid van sperma en het vergelijkend DNA-onderzoek is geconcludeerd dat deze bemonstering sperma bevat dat afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte] .

AASU0269NL#06, linker buitenzijde tailleband

DNA kan afkomstig zijn van:

minimaal twee personen

Bewijskracht:

- slachtoffer [slachtoffer 1]

- niet van toepassing

- verdachte [verdachte]

- meer dan 1 miljard

Getest op type celmateriaal:

Testresultaat:

- spermavloeistof

- positief

- spermacellen

- waargenomen

Op basis van de resultaten van het DNA-onderzoek naar de aanwezigheid van sperma en het vergelijkend DNA-onderzoek is geconcludeerd dat deze bemonstering sperma bevat dat afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte](Voetnoot 17)

Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek

DNA-mengprofielen AASU0269NL#0l tot en met #06 zijn ieder meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer deze bemonsteringen DNA bevatten van slachtoffer [slachtoffer 1] en sperma van verdachte [verdachte] , dan wanneer deze bemonsteringen DNA bevatten van slachtoffer [slachtoffer 1] en sperma van een willekeurige onbekende man. (Voetnoot 18)

Een proces-verbaal, inhoudende het verhoor van getuige [getuige 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

V: Wat zie je aan [slachtoffer 1] als ze veel heeft gedronken?

A: Als ze heel dronken is gaat ze raar uit haar ogen kijken en raar lopen. Ik bedoel dan dat ze niet meer recht kan lopen. [slachtoffer 1] heeft heldere grote ogen en als ze dronken is worden ze steeds kleiner.

V: Vanaf hoe laat zijn jullie alcohol gaan drinken die dag.

A: ik denk vanaf ongeveer 13:00 uur in de middag.

V: Wat drinken jullie dan?

A: Vooral bier, ik denk op die dag zelfs alleen maar bier.

V: Hoeveel glazen denk je?

A: Ik houd de tel niet bij maar ik denk wel tientallen bier per persoon. Ontzettend veel.

V: Hoe goed had je door hoe het met vriendinnen was op dat moment?

A: Ik had wel door dat [slachtoffer 1] het meest dronken was van iedereen maar dat is wel vaker het geval.

V: Heb jij nog iets tegen [B] gezegd toen je wegging?

A: Ik heb gezegd tegen [B] dat ik naar huis ging en dat hij een beetje op [slachtoffer 1] moest letten.

V: Wat heb je precies gezien aan [slachtoffer 1] als het gaat om hoeveel ze gedronken had?

A: Dubbele tong praten. Dat hele eigenwijze wat ze normaal niet heeft. Niet recht kunnen lopen en anders uit haar ogen kijken. (Voetnoot 19)

V: In hoeverre denk je dat andere mensen op die avond hebben gezien dat [slachtoffer 1] dronken was?

A: Iedereen heeft dat gezien. Zelfs een leek zou gezien hebben dat ze dronken was. (Voetnoot 20)

Feit 4 (aangeefster [slachtoffer 2] )

Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 28 november 2024 omstreeks 03.00 uur in nacht bestelde ik een Uber vanaf de

Nobelstraat in Utrecht naar mijn huisadres in [woonplaats] . Ik was die avond licht aangeschoten maar ik kan me alles van die avond goed herinneren. Ik zag dat de Uber aan kwam rijden. Ik stapte voor in op de passagiers stoel. De gehele rit heb ik weinig met de bestuurder gepraat.

Halverwege de rit zag en voelde ik dat de bestuurder zijn rechterhand op mijn bovenbeen legde. Ik voelde dat hij zijn hand op en neer bewoog in de richting van mijn geslachtsdeel. Ik schrok hiervan en zei tegen de bestuurder dat ik dat niet wilde. Ik haalde zijn hand van mijn been af. Ik zag dat de bestuurder met zijn rechterhand mijn jurk omhoog trok. Ik voelde zijn hand op mijn binnenbeen. Ik haalde weer zijn hand weg. Ik zei meerdere malen dat ik dit niet wilde.

Ik zag en voelde dat de Uber driver meermaals zijn handen op mijn been legde. Ik voelde dat hij zijn hand dan richting mijn geslachtsdeel bewoog. De bestuurder heeft mijn geslachtsdeel niet aangeraakt. Ik heb meerdere keren tegen de bestuurder gezegd dat ik dat niet wilde en dat ik wilde dat hij ophield. De bestuurder reageerde daar niet op. Hij was de hele rit erg stil en zei niks. Ik denk dat de bestuurder tot op het moment dat we mijn straat inreden aan mij heeft gezeten.

Ik wilde opstaan maar hoorde de bestuurder zeggen dat ik nog moest betalen. Ik dacht dat ik had ingesteld dat ik vooraf kon betalen maar ik moest achteraf betalen. Ik heb uiteindelijk via een tikkie 25 euro overgemaakt naar zijn bankrekening: [rekeningnummer](Voetnoot 21)

Een proces-verbaal, inhoudende het aanvullend verhoor van [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik stond op mijn Uber taxi te wachten op de Nobelstraat in Utrecht. Ik zag een Uber taxi aankomen en stak mijn hand op. Ik was in de veronderstelling dat dit de Uber taxi was die ik besteld had. Voordat ik instapte heb ik niet gecontroleerd in de Uber app of dit ook daadwerkelijk zo was. (Voetnoot 22)

De volgende ochtend werd ik wakker en merkte ik dat ik er toch echt last van had. Ik keek in mijn Uber app en zag op dat moment pas dat de rit die ik geboekt had, geannuleerd was. Het enige wat ik nog zag was de profielfoto van de chauffeur en ik heb hier toen gelijk een screenshot van gemaakt. Omdat dit het enige was wat ik had, was ik er heilig van overtuigd dat dit de dader moest zijn, ook al was de man op de foto donker getint en de man in de taxi licht getint. (Voetnoot 23)

Een proces-verbaal, inhoudende het verhoor van getuige [getuige 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik lag te slapen en werd wakker omdat mijn dochter [de rechtbank begrijpt: aangeefster [slachtoffer 2]] thuis kwam. Ik hoorde dat mijn dochter tegen mij zei dat de chauffeur van de Uber haar meerdere malen tussen haar benen had gegrepen.

V: Hoe was [slachtoffer 2] toen ze thuis kam?

A: Ze kwam naar mij toe en ze zei "pap er is net iets ergs gebeurd". Ik vond haar vrij nuchter eigenlijk op dat moment nog.

V: Hoe merkte u dat aan haar?

A: Ze was wel wat onder invloed van alcohol maar totaal niet dronken ofzo. Ze kwam ook direct naar me toe en zei dat er wat was gebeurd. Ik kon niet vragen hoe het gala zelf was geweest. (Voetnoot 24)

Een proces-verbaal, inhoudende het verhoor van getuige [getuige 4] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik weet dat ze [de rechtbank begrijpt: aangeefster [slachtoffer 2]] ’s ochtends overstuur was van wat er gebeurd was.

V: Wat bedoelt u met overstuur?

A: Ze was er echt van ontdaan. Vreselijk wat er gebeurd is, vies, bah. Zo overstuur. Een akelige gebeurtenis die ze heeft meegemaakt. Gewoon, verschrikkelijk wat er gebeurd is. V: Wat heeft [slachtoffer 2] tegen u gezegd wat ze heeft meegemaakt waardoor ze overstuur was?A: Dat die man ongevraagd aan haar benen zat en in haar kruis wilde gaan. En dat ze steeds zijn hand wegduwde. (Voetnoot 25)

Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb [slachtoffer 2] gevraagd of zij de omschrijving wilde sturen die onder de overschrijving staat. Ik zag dat in de omschrijving het volgende stond:

Naam: hr. [verdachte]

IBAN: [rekeningnummer] .

Ik hoorde [slachtoffer 2] zeggen dat zij contact had gehad met de bank en dat het bedrag op 28 november 2024 om 03:28 uur overgemaakt was. (Voetnoot 26)

Feit 2 (aangeefster [slachtoffer 3] )

Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Plaats delict: Utrecht

Pleegdatum: 25 oktober 2024 (Voetnoot 27)

Ik heb een taxi besteld via Bolt. Op een gegeven moment kwam de taxi. Ik vroeg de taxichauffeur nog of ik voor of achterin zou zitten. Hij zei tegen mij dat ik wel voorin kon zitten. Hij vroeg gelijk of die jongen, [C] , mijn vriend was. Ik zei dat dat niet zo was. Hij zei toen: ‘Domme jongen, als ik hem was zou ik je zoenen tot de ochtend.’ Ik voelde dat hij zijn rechterhand op mijn linkerknie legde.

Ik hoorde hem zeggen: ‘Mooie auto hè?’ Daarna zei hij iets van dat de auto romantisch en sexy was.

Ik hoorde hem zeggen dat het heel koud was buiten. Hij leunde met zijn rechterarm schuin over mij heen om het knopje in de portier van de stoelverwarming aan te zetten. Ik zei dat de stoelverwarming al aanstond. Hij wreef toen met zijn rechterhand over mijn linkerbeen. Hij heeft ongeveer 5 keer over mijn been gewreven. Het ging eerst op mijn bovenbeen en toen aan de binnenkant van mijn been richting mijn kruis. Hij heeft mijn kruis niet aangeraakt. Het stopte toen ik ging verzitten. Ik zei toen dat ik het echt niet koud had weggeduwd. Dit ging eigenlijk in de beweging met het verzitten. Ik heb toen mijn benen opgetrokken en mijn armen om mijn onderbenen geslagen. Omdat ik met mijn handen om mijn knieën zat waren mijn benen iets opgetrokken. Hierdoor ontstond er een ruimte tussen de stoel en mijn been.

Ik zag dat hij zijn hand omdraaide en mij aan de onderzijde van mijn been aanraakte. Ik voelde dat hij zijn hand bewoog over mijn been en mijn bil. Ik heb toen heel duidelijk tegen hem gezegd: ‘Zo koud heb ik het niet!’ Daarna stopte hij.

Nadat ik betaald had vroeg hij mij om een knuffel. Ik zei hem dat ik dat niet nodig vond. Hij zei iets van dat het wel nodig was. Hij had zijn armen wijd. Ik gaf hem vervolgens een knuffel. Toen ik uit de knuffel ging voelde ik iets op mijn rechter wang. Ik denk dat dit een kus was. Toen ik uitstapte heb ik direct een voice-bericht gestuurd in de groepsapp naar de mensen met wie ik die avond was. (Voetnoot 28)

Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik hoorde een spraakmemo welke door aangeefster [slachtoffer 3] aan mij ter beschikking werd gesteld. Deze spraakmemo had zij op vrijdag 25 oktober 2024 om 04.13 uur verzonden in de whatsappgroep ' [whatsappgroep naam] '. In deze spraakmemo hoorde ik letterlijk het volgende:

"O mijn god mensen, luister .. wat ik nu heb meegemaakt is echt niet oké. Ik zat… [A] heeft me afgedropt bij de taxi.. wacht even, ik ben echt bijna aan het janken. En die dude... ik stapte in die auto en reden de straat uit en [C] stond ook bij de taxi en hij zegt zo: ‘is dat jouw vriend?’ Ik zeg: ‘nee dat is niet mijn vriend.’ Zegt hij: ‘domme jongen, domme jongen. Ik zeg: ‘naja, oke haha.’ Zegt hij: ‘als ik hem was zou ik jou heel de avond zoenen, heel de avond zoenen. Tot morgenochtend.’ Oke, toen legde hij echt zo zijn hand op mijn been, oh my .. wacht even, oh mijn god, het is helemaal niet grappig en toen legde hij zijn hand op mijn been en ik duwde die hand echt weg, ja, subtiel want ja, hij moest mij nog steeds naar huis brengenEn toen zei hij: ‘het is buiten heel erg koud he?’ Ik zeg ja: ‘het is

inderdaad wel fris.’ Zegt ie: ‘ja, je hebt stoelverwarming.’ Dus ik zeg ‘ja die staat al

aan.’ Zegt hij: ‘ja maar jij hebt het zo koud’ begint hij helemaal te wrijven over mijn

been. Ik zo: ‘ik ben oké.’. Zegt hij echt zo, begint hij weer te wrijven. Ik zeg: ‘nee,

ik ben echt oké dus je hoeft niet te wrijven over mijn been want ik ben oké.’ Toen zei

hij: ‘o o o, ja ja ja’ en toen heeft hij me afgezet en ik dacht echt o mijn god. En toen wou hij een knuffel toen ik wegging dus ik heb een knuffel gegeven en toen kreeg ik een vieze kus op mijn wang en toen ben ik die auto uitgestapt. Jongens ... uhm .. ik ben niet oké. Ik ben echt niet oké’.

Ik herken de stem van aangeefster en ik hoor dat zij bij de laatste zin: "Ik ben niet

oké, ik ben echt niet oké" snikt en begint te huilen. (Voetnoot 29)

Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:  (Voetnoot 30)

Op maandag 2 december 2024 omstreeks 13.30 uur nam ik, samen met collega [verbalisant] de aangifte op van aangeefster [slachtoffer 3] . Zij vertelde dat ze de taxirit geboekt had via de app Bolt. Ze liet ons de app zien. Daar op zag ik het volgende:Fri 25 oct 2024

Ride with [verdachte]

License plate nurnber [kenteken]

Company [verdachte]

[adres] [woonplaats] GO 03.56 uur

[adres] [woonplaats] TO 04.10 uur.

Ook zag ik dat [slachtoffer 3] mij een afschrift van de betaling liet zien. Hierop zag ik dat zij op 25 oktober 2024 om 04.10 uur een bedrag van 21.50 euro had betaald aan het rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van HR [verdachte] .

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting:

Ik heb op 25 oktober 2024 in mijn taxi aangeefster [slachtoffer 3] in Utrecht van [adres] naar [adres] vervoerd.

Voetnoot

Voetnoot 1

De bewijsmiddelen waarnaar de rechtbank in dit deel van het vonnis zal verwijzen, zijn als bijlage II aan dit vonnis gehecht (pagina 34 e.v.).

Voetnoot 2

Zie concl. A-G M.E. van Wees, ECLI:NL:PHR:2025:895, randnr. 5.7.

Voetnoot 3

Miniatuur die de inhoud van een video, artikel of afbeelding samenvat en de eerste indruk geeft aan de kijker.

Voetnoot 4

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer MDRBC25010, genummerd pagina 1 tot en met 365. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Voetnoot 5

p. 16.

Voetnoot 6

p. 17

Voetnoot 7

p. 21.

Voetnoot 8

p. 22.

Voetnoot 9

p. 23.

Voetnoot 10

p. 24.

Voetnoot 11

p. 1.

Voetnoot 12

p. 122.

Voetnoot 13

p. 123.

Voetnoot 14

p. 172.

Voetnoot 15

p. 173.

Voetnoot 16

p. 226.

Voetnoot 17

p. 227.

Voetnoot 18

p. 228.

Voetnoot 19

p. 196.

Voetnoot 20

p. 197.

Voetnoot 21

p. 242.

Voetnoot 22

p. 247.

Voetnoot 23

p. 270.

Voetnoot 24

p. 250.

Voetnoot 25

p. 254.

Voetnoot 26

p. 295.

Voetnoot 27

p. 156.

Voetnoot 28

p. 158.

Voetnoot 29

p. 170.

Voetnoot 30

p. 163.