3.3.
3.3.2.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
In de ochtend van [2024] werd het levenloze lichaam van [slachtoffer] door een boswachter gevonden in natuurgebied de Oostvaardersplassen. [slachtoffer] lag in een ondiep water aan de Knardijk, op haar buik, met de armen op de rug. Haar polsen, enkels en mond waren strak omwikkeld met ducttape. Haar telefoons en andere persoonlijke spullen lagen ook in het water.
Snel werd duidelijk dat haar gewelddadige dood het slotstuk was van een langdurig familiedrama. [slachtoffer] is het vijfde van de negen kinderen van medeverdachte [verdachte] . [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] zijn respectievelijk het tweede en derde kind.De keuzes en het gedrag van [slachtoffer] werden binnen de familie [achternaam van verdachte en medeverdachtendachten] breed afgekeurd, met name haar wens om geen hoofddoek te dragen en haar omgang met jongens. Bij het gezin was al jaren hulpverlening betrokken en de conflicten hebben er toe geleid dat [slachtoffer] meermalen uit huis is geplaatst. In mei 2024 is [slachtoffer] teruggekeerd naar haar familie maar op 22 mei 2024 heeft ze de ouderlijke woning toch weer verlaten om bij een vriend te verblijven. Meerdere gezinsleden waren boos op [slachtoffer] , vooral nadat zij in de nacht van 25 op 26 mei 2024 live op TikTok was verschenen zonder hoofddoek, en over haar familie had gesproken.
Op 27 mei 2024 hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de verblijfplaats van [slachtoffer] in Rotterdam achterhaald en haar opgehaald. Met zijn drieën zijn ze naar de Oostvaardersplassen gereden. [verdachte] is vanuit zijn woonplaats [plaats 1] hun kant op gereden en kwam daar na middernacht aan. Na een verblijf van ongeveer een uur aan de Knardijk zijn [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zonder [slachtoffer] naar hun huis in [plaats 1] gereden. In de dagen erna heeft [verdachte] in chatberichten aan zijn vrouw en in e-mails aan de Telegraaf aangegeven dat hij, en hij alleen, [slachtoffer] heeft gedood, in een vlaag van woede.[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ontkennen dat zij een aandeel hebben gehad in de dood van hun zus. Zij zouden haar juist hebben willen beschermen tegen de woede van vader. Op de Knardijk zou [verdachte] met [slachtoffer] zijn weggelopen om te praten, om na enige tijd zonder haar weer terug te komen: ze was boos weggerend, zou [verdachte] hebben gezegd.
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of bewezen is dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hun dochter/zus hebben gedood. Hiertoe zal de rechtbank uiteenzetten wat vast staat over de gebeurtenissen van 27 en [2024] . Vervolgens zal hier juridische duiding aan worden gegeven.
Doodsoorzaak
De patholoog concludeert dat de bevindingen van de sectie iets waarschijnlijker zijn onder het scenario van verdrinking dan onder het scenario van samendrukkende krachtsinwerking aan de hals. De patholoog beschrijft dat er aanwijzingen zijn voor samendrukkende krachtsinwerking aan de hals (met hierdoor mogelijk het verlies van het bewustzijn), voorafgaand aan deze verdrinking.
Tussenconclusie
De rechtbank concludeert dat het overlijden van [slachtoffer] het best verklaard kan worden door verdrinking, waarvoor er eerst verwurging heeft plaatsgevonden.
De gebeurtenissen op 27 en [2024]
1. [slachtoffer] in Rotterdam opgehaald
Uit de in telefoons aangetroffen chatgesprekken blijkt dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 27 mei 2024 druk waren om [slachtoffer] op te sporen en verdere maatregelen te treffen. Zo meldde [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] dat zij zo snel mogelijk van haar verlost moesten raken en bespraken de drie verdachten in een gezamenlijke chatgroep manieren om haar te vinden. Bijvoorbeeld door de verloofde van [medeverdachte 2] , genaamd [naam 14] , de enige van de familie met wie [slachtoffer] nog contact had, kleding aan [slachtoffer] te laten geven, waartussen een GPS-tracker kon worden verstopt.
In de loop van de dag lukte het [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] via tussenpersonen te achterhalen dat [slachtoffer] in Rotterdam bij een vriend genaamd [naam 19] verbleef, waarna zij haar zijn gaan ophalen. Onderwijl plaatste [verdachte] in de chatgroep berichten waarin hij instructies gaf. Zo spoorde [verdachte] zijn zoons aan om geen vingerafdrukken achter te laten en geen banken te gebruiken (kennelijk om ook geen digitale sporen na te laten).
2. De autorit naar de Knardijk in Lelystad
Tijdens de rit vanuit Rotterdam ontvingen de broers steeds aanwijzingen van [verdachte] , o.a. over de te volgen route en het vermijden van hoofd- en snelwegen. Over wat er met [slachtoffer] moest gebeuren schreef [verdachte] om 22:09 uur:
"En onderzoek de weg, waar een ingang naar een meer die ver van hier is, dump haar daarin. Het moet diep zijn. Verzwaar haar bij haar benen. Laat de vissen haar opeten. Dat er geen sporen van haar te vinden zijn." (Voetnoot 2)
Ook gaf hij instructies over het wissen van gegevens op de telefoon van [slachtoffer] . Veel berichten van met name [medeverdachte 1] zijn gewist, maar uit de gevolgde route en de teruggevonden reacties van de broers blijkt dat zij met hun vader meewerkten en meedachten. Zo werd er vanaf de telefoon van [medeverdachte 2] een bericht gestuurd dat ‘ze’ ( [slachtoffer] ) het gaat vermoeden. Ook werd vanaf de telefoon van [medeverdachte 2] bericht: “Ik zweer op God dat het bos beter was” (Voetnoot 3) , wat gezien het verband een verwijzing moet zijn naar een geschikte locatie om [slachtoffer] te doden.
Om 23:36 uur berichtte [verdachte] dat hij naar hen onderweg was. Om 23:55 uur schreef [verdachte] :
“Ik heb plakband mee voor de mond, en om de handen en de benen vast te binden.
Daarna haar in zee gooien met verzwaring aan haar benen.”
(Voetnoot 4)
Om 00:16 uur reageerde [verdachte] in de chatgroep met de afbeelding van een duimpje op het bericht “Komen we samen aan.”, wat door [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] moet zijn gestuurd. (Voetnoot 5) Ook nu werd actief meegedacht met [verdachte] . Dit volgt bijvoorbeeld uit een bericht dat om 00:19 uur vanaf de telefoon van [medeverdachte 2] is gestuurd: “Is er een meer? Daarnaast.” (Voetnoot 6)
Om 00:22 uur schreef [verdachte] dat hij ongeveer was aangekomen. Na dit bericht was er pas om 01:24 uur weer contact in de chatgroep. In de tussentijd is er geen communicatie geweest tussen de telefoons van de verdachten. Daaruit concludeert de rechtbank dat [verdachte] na 00:22 uur bij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [slachtoffer] was.
3. Op de Knardijk: belangrijke locaties en de plaats delict
Van 00:28 tot 00:42 uur heeft de telefoon van [medeverdachte 1] een locatie op de Knardijk, 1,4 kilometer ten zuiden van de plaats delict, als ‘belangrijke locatie’ geregistreerd. (Voetnoot 7) Zowel de telefoon van [medeverdachte 2] (om 00:23 uur) als de iPhone 8 van [slachtoffer] (om 00:32:14 en 00:32:19 uur) registreerden GPS-locaties bij deze ‘belangrijke locatie 1’. De rechtbank constateert dat [slachtoffer] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] toen samen waren. Ook [verdachte] was inmiddels ter plaatse, zo is hierboven aangegeven.
Tussen 00:28 uur en 01:03 uur was de iPhone 8 van [slachtoffer] bijna voortdurend verbonden met de persoonlijke WiFi-hotspot van de telefoon van [medeverdachte 1] . Aangezien telefoons in elkaars nabijheid (maximaal ongeveer 10 meter) moeten zijn voor verbinding via WiFi-hotspot en [medeverdachte 1] zijn telefoon steeds bij zich had, constateert de rechtbank dat [medeverdachte 1] deze hele tijd bij [slachtoffer] in de buurt is geweest.
Tussen 00:31 uur en 00:39 uur zijn uit de iPhone 8 van [slachtoffer] chats van Instagram en WhatsApp verwijderd. Om 00:48 uur is er een grote hoeveelheid foto’s en video’s van haar telefoon verwijderd. Kort daarna, om 00:49 uur, werd er nog één video verwijderd.
Belangrijke locatie 2 en verplaatsingen [medeverdachte 1] en [slachtoffer]
Vanaf 00:50 tot 01:25 uur registreerde de telefoon van [medeverdachte 1] een volgende belangrijke locatie op de Knardijk, ter hoogte van de plaats delict. [medeverdachte 1] heeft zich dus tussen 00:42 en 00:50 uur verplaatst van ‘belangrijke locatie 1’ naar deze ‘belangrijke locatie 2’.
De ‘enge plaats delict’ waar [slachtoffer] is gevonden, ligt naast een smal pad dat vanaf de Knardijk met een trap naar beneden kan worden bereikt, de enige trap in de nabije omgeving. De afstand tussen ‘belangrijke locatie 2’ op de Knardijk en de enge plaats delict is ongeveer 130,5 meter. Het hoogteverschil tussen deze twee plekken bedraagt 5,74 meter. Gezien de actieradius van 230,92 meter past de registratie van ‘belangrijke locatie 2’ bij een verblijf van [medeverdachte 1] bij de enge plaats delict.
De telefoon van [slachtoffer] registreerde om 01:01 uur een afdaling van ‘één verdieping’ en de telefoon van [medeverdachte 1] registreerde om 01:03 uur ‘twee verdiepingen’ omlaag. (Voetnoot 8) De zaklamp van de telefoon van [medeverdachte 1] stond tussen 00:57 uur en 01:21 uur bijna voortdurend aan.
Tussen 0:59:55 uur en 1:04:12 uur heeft de telefoon van [slachtoffer] een verplaatsing van 138,6 meter geregistreerd, ongeveer de afstand van ‘belangrijke locatie 2’ naar de enge plaats delict. Vanaf 1:04:12 uur heeft haar telefoon geen enkele activiteit meer geregistreerd. Deze telefoon is ruim 8 uur later door de politie vlakbij haar stoffelijk overschot aangetroffen. Hieruit volgt dat zij zich om 1:04:12 uur op de enge plaats delict bevond, om bij leven niet meer te vertrekken.
De telefoon van [medeverdachte 1] registreerde tussen 01:23 uur en 1:26 uur (Voetnoot 9) een stijging van ‘twee verdiepingen’.
Gelet op deze bevindingen gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 1] naar de enge plaats delict is gelopen rond het tijdstip dat [slachtoffer] ook naar de enge plaats delict is verplaatst. Hij was bij de enge plaats delict toen [slachtoffer] werd getapet en in het water gegooid, waarna hij vanaf 01:23 uur weer terug is gelopen naar de Knardijk.
Locatie [medeverdachte 2]
In de Samsung telefoon van [medeverdachte 2] heeft het NFI geen registratiefunctie van hoogteverschil aantroffen, zodat langs die weg niet kan worden vastgesteld of [medeverdachte 2] wel of niet van de Knardijk naar de enge plaats delict is afgedaald.Na de registratie van de GPS-locatie bij ‘belangrijke locatie 1’ om 00:23:55 uur is de volgende GPS-locatie van deze telefoon pas om 01:26:55 uur geregistreerd, op de route van de terugweg. Aan deze registraties kan dan ook niet worden ontleend dat [medeverdachte 2] zich eveneens naar de directe omgeving van de enge plaats delict heeft verplaatst. Een dergelijke verplaatsing is echter ook niet uitgesloten.
De Google Fit app van de telefoon van [medeverdachte 2] heeft tussen 00:57 uur en 01:23 uur stappen en afstanden geregistreerd. (Voetnoot 10) Tussen 00:57 uur en 01:04 uur registreerde de app 220 stappen met een afstand van 138,08 meter. Dit is een opvallende overeenkomst met tijdstip en afstand van de verplaatsing van [slachtoffer] naar de enge plaats delict.
4. Gezamenlijk vertrek en wissen van sporen
[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn rond 01:25 uur vanaf de Knardijk vertrokken. [medeverdachte 1] reed met zijn vader mee en [medeverdachte 2] reed in zijn eigen auto. Uit cameraregistraties en GPS-locaties volgt dat de verdachten gezamenlijk richting [plaats 1] zijn gereden.
Toen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [slachtoffer] nog op de heenweg waren naar de Knardijk, was er in de verschillende chatgroeps van de familie al door [verdachte] en [medeverdachte 2] aangegeven dat er chats/gesprekken gewist moesten worden, blijkbaar omdat er veel boze berichten waren waarin [slachtoffer] dood werd gewenst.
Op [2024] heeft [medeverdachte 2] in de chatgroep van de jongere familieleden gezegd dat zij berichten moesten wissen. Op 29 mei 2024 liet [medeverdachte 2] weten dat de hele chatgroep moest worden verwijderd. Van de telefoon van [medeverdachte 2] zijn audiobestanden van 28 mei verwijderd. Op de telefoon van [medeverdachte 2] is een Snapchat opname achterhaald, waarin te horen is dat (vermoedelijk) [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2] zegt dat communicatie via Snapchat veiliger is en er chats moeten worden gewist. Op 31 mei 2024 stuurt [verdachte] een Telegram bericht naar [medeverdachte 1] over het wissen van berichten.
Naast het wissen van gegevens op telefoons zijn ook op andere manieren sporen verwijderd. Zo heeft [medeverdachte 2] op 29 mei 2024 aan [medeverdachte 1] geschreven:
“Als de zilveren plakband hier is, gooi hem weg. Snel”.
(Voetnoot 11)
Dit bericht is gestuurd vlak voordat de politie de woning kwam doorzoeken. Hieruit volgt dat [medeverdachte 2] wist dat bij het ombrengen van [slachtoffer] een rol ducttape was gebruikt, en dat hij wilde voorkomen dat de politie deze zou vinden. Verder valt op dat [medeverdachte 2] tegen de politie heeft gezegd dat hij niet wist waar zijn vader was, terwijl hij [verdachte] toen al had geholpen bij zijn vlucht naar Syrië. Tot slot zit er een gesprek van 30 mei 2024 in het dossier, waaruit volgt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] afstemmen wat zij tegen anderen gaan verklaren over de oorzaak van de dood van [slachtoffer] . Vervolgens heeft [medeverdachte 2] aan zijn familie duidelijk gemaakt dat zij allemaal hetzelfde moesten verklaren. Al deze gedragingen duiden op pogingen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] om sporen te wissen en een gezamenlijk verhaal te creëren.
DNA-onderzoek
Er is DNA-onderzoek uitgevoerd op bemonsteringen van onder de nagels van [slachtoffer] en op de ongeveer 18,5 meter tape waarmee [slachtoffer] was vastgebonden.
In de bemonsteringen van onder de nagels van de linker ringvinger, de rechter middelvinger en de rechter pink van [slachtoffer] is een DNA-profiel met een hoge bewijskracht aangetroffen van een onbekende [persoon] . DNA van dezelfde onbekende [persoon] is aangetroffen op delen van de tape, namelijk op het mondstukje links, de enkels en op een los aangetroffen tapefragment.
Op basis van het verwantschapsonderzoek kan de rechtbank met een hoge mate van waarschijnlijkheid vaststellen dat ‘onbekende [persoon] ’ de biologische vader van [slachtoffer] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is, oftewel [verdachte] .
Tussenconclusie
Gelet op deze bevindingen, met inachtneming van de rest van het dossier, leidt de rechtbank af dat [verdachte] de tape om [slachtoffer] polsen, enkels en hoofd heeft gewikkeld. De rechtbank gaat ervan uit dat het celmateriaal van [verdachte] onder de nagels van [slachtoffer] terecht is gekomen in de momenten voor haar dood, bij verzet door [slachtoffer] of tijdens het tapen.
Diatomeeënonderzoek
Op de veters van de zwarte Adidas-schoenen die [medeverdachte 1] op 27 en [2024] droeg, zijn diatomeeën aangetroffen. Diatomeeën zijn eencellige algen die in alle oppervlaktewateren en op vochtige plaatsen in de bodem voorkomen. Deze sporen zijn vergeleken met de referentiemonsters van de enge plaats delict. De deskundige concludeert dat de resultaten van het diatomeeënonderzoek aan de schoenen veel waarschijnlijker zijn wanneer de sporen afkomstig zijn van de vindplaats van [slachtoffer] dan wanneer de sporen afkomstig zijn van een willekeurige andere locatie.
De verdediging stelt dat deze sporen van secundaire overdracht afkomstig moeten zijn, omdat [verdachte] op de enge plaats delict is geweest en de schoenen van [medeverdachte 1] en [verdachte] op dezelfde deurmat hebben gestaan. De rechtbank verwerpt dit verweer gezien de hierboven weergegeven conclusie van de deskundige. Bovendien staat er in het rapport dat veters die niet recent in contact zijn geweest met oppervlaktewater of tijdelijk droogvallende bodem, meestal geen diatomeeën bevatten. De rechtbank stelt vast dat er wel heel intensief contact zou moeten zijn geweest tussen de schoenen van [medeverdachte 1] en [verdachte] om de relatief grote hoeveelheid diatomeeën secundair op veters over te dragen. Van zulk intensief contact lijkt geen sprake als schoenen alleen maar bij elkaar hebben gestaan.
Tussenconclusie
De rechtbank oordeelt dat uit de bevindingen van de deskundige over de diatomeeën, met inachtneming van de rest van het dossier, volgt dat [medeverdachte 1] op de enge plaats delict is geweest. Dit ondersteunt de andere bevindingen over de aanwezigheid van [medeverdachte 1] op de plaats delict, met name afkomstig uit zijn telefoon.
Conclusie ten aanzien van de gebeurtenissen
Uit de onderzoeksbevindingen en de eigen mededelingen van [verdachte] volgt dat hij op Knardijk is geweest en [slachtoffer] op de plaats delict heeft gedood.
De verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over de insteek van hun zoektocht naar het slachtoffer en de gebeurtenissen bij de Knardijk worden weerlegd door de bevindingen in het dossier. Hun verklaringen over hun eigen beperkte betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer zijn in het licht van de onderzoeksbevindingen ongeloofwaardig. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben hun zus geenszins willen beschermen tegen de woede van vader, zoals zij hebben verklaard, maar haar integendeel naar een afgelegen plek gebracht waar zij volgens plan is gedood.
Aan de overtuiging van de rechtbank ten aanzien van de nauwe betrokkenheid van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij de dood van hun zusje draagt het volgende bij. Beiden verklaren dat zij genoegen namen met de mededeling van vader dat [slachtoffer] boos was weggelopen, waarna zij naar huis zijn gegaan. Onder de gegeven omstandigheden is het al onvoorstelbaar dat je je zusje van net achttien, voor wie je zojuist naar de andere kant van het land bent gereden om haar op te halen, in het holst van de nacht op een afgelegen plek als de Oostvaardersplassen zou achterlaten.Daar komt bij dat uit de achterhaalde berichten niet blijkt dat de verdachten zich zorgen om haar maakten of zich afvroegen waar zij was. Sporen wissen was hun enige zorg. Helemaal onvoorstelbaar is dat ze ook geen enkele poging hebben gedaan om haar te bellen. Verdachten geven aan dat ze dat niet konden, omdat [slachtoffer] de familie had geblokkeerd. Maar ook uit hun eigen verklaringen blijkt dat [naam 14] , de verloofde van [medeverdachte 2] niet was geblokkeerd en in de periode kort voor haar dood nog steeds contact met [slachtoffer] onderhield. Dat de verdachten (ook) niet hebben geprobeerd om via de verloofde [slachtoffer] te (laten) bellen, ’s nachts niet en de volgende ochtend ook niet, kan naar het oordeel van de rechtbank maar op één manier worden verklaard: zij wisten heel goed dat zij haar telefoons nooit meer zou opnemen omdat ze niet meer in leven was.
Juridische conclusies met betrekking tot de bewezenverklaring
Opzet op de dood
[verdachte]
Met de vaststelling dat [verdachte] zijn dochter heeft gekneveld en gewurgd, en haar met haar hoofd in het water heeft achtergelaten, is bewezen dat hij (vol) opzet heeft gehad op haar dood.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]
Hiervoor is al aangegeven dat de rechtbank geen geloof hecht aan de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat zij niet wisten dat [slachtoffer] zou worden gedood. Evenmin gelooft de rechtbank dat zij van [verdachte] hadden aangenomen dat zij was weggerend. In dit verband is van belang dat het plan dat leidde tot de dood van [slachtoffer] vooraf in de chatgesprekken is besproken, tot en met een geschikte locatie en het gebruik van tape aan toe. Ook is gebleken dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de instructies van [verdachte] opvolgden en met hem meedachten, waarbij [medeverdachte 2] zelfs een ‘betere’ alternatieve moordplek (het bos) voorstelde. De rechtbank is er dan ook van overtuigd dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op instructie van [verdachte] [slachtoffer] naar een afgelegen plek hebben gebracht waar zij moest worden gedood.
Ten aanzien van [medeverdachte 1] is de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen ervan overtuigd dat hij op de enge plaats delict is geweest waar [slachtoffer] vastgetapet in het water is beland.
Ten aanzien van [medeverdachte 2] is niet vast te stellen wat zijn precieze feitelijke aandeel is geweest tijdens de laatste minuten van [slachtoffer] , en met name niet of hij op de enge plaats delict is geweest. Voor de schuldvraag maakt dit uiteindelijk niet uit. De rechtbank is er op basis van de bewijsmiddelen van overtuigd dat hij een essentieel aandeel heeft gehad bij de dood van zijn zusje. Samen met zijn broer en vader was hij onderdeel van het plan om haar te doden. Samen met zijn broer heeft hij haar opgehaald uit Rotterdam en naar de plaats delict gereden in de wetenschap wat haar stond te gebeuren.
Direct na de moord op zijn zusje is [medeverdachte 2] met zijn vader en broer naar het ouderlijk huis gegaan, waarna zij zich alle drie hebben ingespannen om sporen te wissen en de rol van met name [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te verhullen. De rechtbank heeft sterk de indruk dat het steeds de bedoeling was dat [verdachte] , in een ver buitenland, alle schuld op zich zou nemen, om de broers zo uit de wind te houden.
Het motief van verdachten volgt duidelijk uit het dossier, en ondersteunt het opzet. De verdachten waren boos op [slachtoffer] omdat zij vreesden voor de eer van de familie. In de chatgesprekken is meermaals besproken dat zij door haar ‘vrije’ gedrag de familie-eer had besmeurd en te schande gemaakt. Als oplossingen voor het gedrag van het slachtoffer zijn de opties verstoting, (aanzetten tot) zelfmoord en moord besproken. Uiteindelijk volgt uit de gesprekken dat de verdachten ervoor hebben gekozen om [slachtoffer] te doden, en zij hebben dit ook uitgevoerd.
De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (vol) opzet op de dood van [slachtoffer] hebben gehad.
Voorbedachte raad
Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachten zich gedurende enige tijd hebben kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit iemand van het leven te beroven en dat zij niet hebben gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Vast staat dat het plan om [slachtoffer] te doden eerst in de berichten tussen verdachten is besproken en enkele uren later ook daadwerkelijk en op de besproken wijze (afgelegen plek, water, tape) is uitgevoerd. Dit valt niet te rijmen met de stelling van de verdediging dat in de onderlinge berichten enkel sprake is geweest van grote woorden die slechts in een opwelling of uit boosheid zijn gebruikt en niet waren gemeend.
De verdachten hebben daarbij ruim de gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het is een lange rit van Rotterdam naar de Oostvaardersplassen. Ook [verdachte] heeft vanuit [plaats 1] een flink stuk gereden. Daaruit vloeit uitdrukkelijk voort dat de verdachten met voorbedachte raad hebben gehandeld.
De verdediging stelt nog dat de aanvankelijke woede van [verdachte] was geluwd toen hij aan de Knardijk oog in oog met [slachtoffer] stond. Daarna zou haar houding hem weer boos hebben gemaakt, en zou hij haar in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling hebben gedood, waardoor geen sprake zou zijn van voorbedachte raad. De rechtbank overweegt dat, wat hier ook van zij, het tijdelijk zakken en weer oplaaien van woede op geen manier afdoet aan het gegeven dat verdachten haar op planmatige wijze hebben omgebracht.
De verdachten hebben dus niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling en ook overigens is niet gebleken van contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.
Medeplegen
Voor het bewijs van medeplegen moet sprake zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten. Gezien het hierboven geschetste feitencomplex is de rechtbank ervan overtuigd dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de voorfase, tijdens en na het delict intensief hebben samengewerkt om hun zus en dochter te doden. Zij stonden continu met elkaar in contact en stuurden blijkens de berichten gezamenlijk aan op haar dood. In ieder geval [verdachte] en [medeverdachte 1] waren op de enge plaats delict toen [slachtoffer] werd gedood. De verdachten zijn samen naar huis vertrokken en hebben samengewerkt bij het wissen van sporen. Wie daadwerkelijk de hand aan [slachtoffer] heeft geslagen ( [verdachte] in elk geval), is voor de vaststelling van medeplegen minder van belang, nu elk van de verdachten essentiële bijdragen heeft geleverd aan het overleg en de uitvoering.
Eindconclusie
De rechtbank oordeelt gelet op het vorenstaande dat wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan het ten laste gelegde medeplegen van moord, zoals hieronder onder 3.4 omschreven.