Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:3228

Op 12 June 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 16.124185.25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:3228. De plaats van zitting was Lelystad.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
16.124185.25
Datum uitspraak:
12 June 2026
Datum publicatie:
12 June 2026

Indicatie

Steken met mes in bovenbeen. Vrijspraak poging tot doodslag. Veroordeling voor poging tot zware mishandeling (voorwaardelijk opzet: aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust aanvaard). Verminderd toerekeningsvatbaar. Strafoplegging: Gevangenisstraf 200 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 7 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met oplegging van diverse bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16.124185.25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 12 juni 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2001] in [geboorteplaats] (Federale Republiek Joegoslavië),

verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,

hierna: de verdachte.

1
Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 22 mei 2026. Het onderzoek is gesloten op 12 juni 2026, waarna direct uitspraak is gedaan.

Op de zitting van 22 mei 2026 waren aanwezig:

de verdachte met zijn advocaat, mr. M.D. Jansen, advocaat te Arnhem;

de officier van justitie, mr. S. Groot.

2
Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

primair: op 21 april 2025 te Emmeloord heeft geprobeerd om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven door hem meermalen te steken met een mes,

subsidiair staat in de beschuldiging dat hij heeft geprobeerd om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

meer subsidiair staat in de beschuldiging dat hij hem heeft mishandeld.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3
Vrijspraak primair
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primaire feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primaire feit.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt dat het primaire feit niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

4
Bewijs
4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het subsidiaire feit heeft gepleegd.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het subsidiaire feit.

De door de advocaat gevoerde bewijsverweren worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 4.3.

De advocaat voert geen (bewijs)verweer over het meer subsidiaire feit en is van mening dat dat feit bewezen kan worden.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.

4.3.1.

Bewijsoverwegingen subsidiair

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer in zijn bovenbeen heeft gestoken. De verdediging heeft bepleit dat de gedragingen van verdachte geen voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met zich brengen, nu niet kan worden bewezen dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel: er lijkt eerder sprake te zijn van een snijwond en niet van een steekwond en het is niet duidelijk wat de diepte van de wond is geweest, zo stelt de verdediging.

De verdachte heeft verklaard dat hij een panieksituatie wilde creëren, dat hij een mes heeft gepakt en in het been van de aangever heeft gestoken en dat het scherpe gedeelte van het mes afbrak toen deze het been van de aangever raakte en dat hij de aangever niet zwaar wilde verwonden.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er sprake is van voorwaardelijk opzet van de verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen onder meer de volgende relevante feiten en omstandigheden af.

De aangever heeft verklaard dat de verdachte hem besprong, een stekende beweging maakte en de achterkant van zijn rechter bovenbeen raakte. Toen de aangever wilde opstaan en een stap met zijn rechtervoet maakte, viel hij op de grond en had hij in de gaten dat hij gestoken was met een mes. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] . Deze getuige heeft onder meer verklaard dat de verdachte de aangever van achteren besprong, dat de verdachte op de verdachte insloeg en inhamerde met zijn vuisten en dat de verdachte toen iets in zijn hand vasthield. Deze getuige hoorde de aangever schreeuwen dat hij was gestoken en dat hij dacht dat het mes nog in zijn been zat. Ook verklaarde deze getuige dat de aangever amper kon lopen en dat hij veel pijn had.

Het mes waarmee is gestoken is in de woning aangetroffen en had een totale lengte van 24 centimeter, waarbij het lemmet een lengte had van 13 centimeter. Het lemmet was puntig en had één snijkant. Uit de geneeskundige verklaring volgt dat er sprake was van een steekwond met een lengte van 2,6 centimeter die gehecht is en dat de gemelde toedracht – die inhoudt dat de aangever is gestoken met een keukenmes – daar goed bij past. Dat er eerder sprake is van een snijwond dan een steekwond, zoals de verdediging stelt, volgt de rechtbank dan ook niet. Dat niet duidelijk is wat de diepte van de steekwond is geweest, sluit bovendien niet uit dat de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk is geweest. Er kan overigens wel iets over de diepte van de wond gezegd worden, nu het een steekwond betreft en in de geneeskundige verklaring daarover onder meer het volgende staat: ‘de diepte van het letsel is groter dan de lengte. De diepte van de wond en de weefselschade zijn van buitenaf niet exact te bepalen. De diepte van de wond kan groter zijn dan de lengte van het gebruikte voorwerp, door soepelheid van de weefsels in combinatie met de gebruikte steekkracht.’

Uit de hiervoor genoemde omstandigheden kan worden afgeleid dat verdachte met een puntig mes in het bovenbeen heeft gestoken. Ook kan uit de verklaring van de getuige worden afgeleid dat dit met (meer dan geringe) kracht is gebeurd: hij had namelijk iets vast – naar later bleek een mes – en hamerde in op de aangever. Uit de verklaring van aangever volgt ook dat sprake was van een flinke verwonding: hij dacht dat het mes nog in zijn been zat en toen hij op het been wilde staan waarin hij was gestoken, viel hij op de grond. Voornoemde getuige heeft bovendien verklaard dat de aangever amper kon lopen. Die constatering past niet bij een snijwond.

Door onder de hiervoor genoemde omstandigheden en op de hiervoor omschreven wijze met het betreffende mes in het bovenbeen van de aangever te steken, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is een gegeven dat zich in het bovenbeen een slagader, pezen en spieren bevinden, ook net onder de huid. Door in het bovenbeen te steken kunnen deze worden doorgesneden of beschadigd en dus zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben. De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte meerdere keren heeft gestoken. Uit het dossier volgt dat het lemmet is afgebroken en de rechtbank acht het aannemelijk dat dit is gebeurd toen de aangever in zijn been is gestoken. Eventuele bewegingen die de verdachte erna maakte met slechts het handvat in de hand kunnen niet als steken worden gekwalificeerd.

Het handelen van verdachte levert een poging tot zware mishandeling op. Het subsidiair in de beschuldiging opgenomen feit is wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

subsidiair op 21 april 2025 te Emmeloord, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes in het bovenbeen van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5
Kwalificatie en strafbaarheid
5.1.

Kwalificatie

subsidiair:

poging tot zware mishandeling

5.2.

Strafbaarheid feit en verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

6
Straf
6.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf van 300 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 107 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met daarbij de in het reclasseringsadvies van 7 april 2026 geadviseerde bijzondere voorwaarden die -kort gezegd- inhouden:

* een meldplicht bij de reclassering;

* een ambulante behandeling;

* een verbod op het gebruik van verdovende middelen.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht in geval van strafoplegging geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de verdachte al in voorarrest heeft gezeten voordat de voorlopige hechtenis werd geschorst. De verdediging heeft opgemerkt dat de door de officier van justitie gevorderde straf in die zin passend is. Er is verzocht rekening te houden met het gegeven dat de verdachte al lange tijd in voorlopige hechtenis heeft gezeten en dat hij zijn leven sinds zijn schorsing goed heeft opgepakt.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft de aangever in zijn bovenbeen gestoken met een mes waardoor de aangever een steekwond heeft opgelopen die gehecht moest worden. Dit gebeurde voor de aangever en de aanwezige getuigen uit het niets. De precieze aard en ernst van het letsel is mogelijk ernstiger dan kan worden vastgesteld op basis van het beschikbare dossier, maar de gedraging is op zichzelf al zeer ernstig. Het was voor het slachtoffer en de andere aanwezigen een beangstigende situatie. Eén van de getuigen beschrijft dat de verdachte tijdens dit incident ‘de blik van een maniak’ had en een andere getuige heeft verklaard dat de verdachte een psychopaat leek toen hij de aangever had aangevallen en dat zijn ogen helemaal wild leken. De aangever heeft in een aanvullende verklaring onder meer verklaard dat hij op zoek is naar psychologische hulp, omdat hij sinds het steekincident angstig is en zich oncomfortabel voelt als er iemand achter hem staat of loopt.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende de verdachte van 30 april 2026. Hieruit volgt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor een misdrijf. De verdachte heeft zelf overigens tijdens het persoonlijkheidsonderzoek te kennen gegeven dat hem in zijn thuisland een keer een geldboete is opgelegd toen hij slaande ruzie had gekregen.

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 7 april 2026. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met oplegging van bijzondere voorwaarden, te weten – in het kort – een meldplicht, een ambulante behandeling en een verbod op middelengebruik.

- een dubbel persoonlijkheidsonderzoek Pro Justitia (psychiatrisch en psychologisch). De psychiater heeft op 5 februari 2026 onder meer het volgende gerapporteerd:

Tijdens het tenlastegelegde was er sprake van een paranoïde psychotisch toestandsbeeld,

veroorzaakt door het gebruik van amfetamine en/of 2MMC. Daarnaast is er sprake van een stoornis in het gebruik van amfetamine, inmiddels in remissie. Deze stoornissen waren tijdens het ten laste gelegde aanwezig, waarbij de stoornis in het gebruik van amfetamine of een ander stimulerend middel nog niet in remissie was.

De verdachte meende dat zijn huisgenoten hem wilden vergiftigen. Het ontbrak hem aan realiteitsbesef. Het denken en handelen van de verdachte werd volledig bepaald door de paranoïde wanen en de hieruit voortkomende angst, waarbij het hem aan ieder realiteitsbesef ontbrak. Daarbij wordt – samenvattend – ook opgemerkt dat hij wel enig inzicht had in de werking van de middelen die hij toen had gebruikt.

Daarom wordt geadviseerd om het ten laste gelegde in tenminste verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Het recidiverisico wordt, op zowel de korte als de lange termijn, laag tot matig geschat. Belangrijke onderwerpen lijken hierbij terugval in psychose dat door middelengebruik veroorzaakt kan worden. Hierbij is een punt van zorg dat de verdachte (onverwachte) gebeurtenissen (kortdurend) psychotisch kan interpreteren.

Beschermend is dat de verdachte een intelligente man is met een goede coping en zelfcontrole en zeker ook empathische vermogens. Hij werkt, er is goede vrijetijdsbesteding, een goed financieel beheer en hij heeft als doel een opleiding in de ICT af te ronden. Hij heeft een positieve houding tegenover autoriteit en is gemotiveerd voor behandeling. Er ontbreken externe beschermende factoren.

Een behandeling gericht op het langdurig vervolgen van het beloop van de (doorgemaakte) psychotische klachten en het voorkomen van een terugkerende psychose is belangrijk. Er kan dan tijdig ingegrepen worden om recidive te voorkomen. Voorlichting over psychose en een behandeling met een anti-psychoticum om te kijken of de paranoïde belevingen hiermee verdwijnen, zijn gewenst. Een andere kernfactor is middelengebruik. Ambulante begeleiding met psycho-educatie over middelen en een balans tussen werk en ontspanning zijn hierbij belangrijke onderdelen. Deze behandeling kan in het kader van een voorwaardelijk strafdeel plaatsvinden.

De psycholoog heeft op 6 februari 2026 vergelijkbare conclusies, bevindingen en adviezen gerapporteerd als de psychiater.

De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog en de psychiater over de verminderde toerekenbaarheid over en maakt die tot haar conclusie. Hoewel gezegd kan worden dat verdachte zichzelf in een psychotisch toestandsbeeld heeft gebracht door middelengebruik en hij een en ander lijkt af te weten van de werking en bijwerkingen van de toen gebruikte middelen (culpa in causa), volgt uit de bevindingen van de deskundigen ook iets anders. De psychiater schrijft dat er geregeld paranoïde belevingen opflakkeren en dat daarom een kwetsbaarheid voor psychose bij deze verdachte niet uit te sluiten is. Daarom kan niet gezegd worden dat het volledig aan verdachte zelf te wijten is dat hij zich tijdens het feit in die toestand bevond, omdat juist de persoon van verdachte hiervoor kwetsbaar was, althans, die kwetsbaarheid valt niet uit te sluiten en daarbij zou het middelengebruik dan als katalysator van die onderliggende problematiek hebben gewerkt. De rechtbank zal het feit daarom in verminderde mate aan hem toerekenen.

Strafkader

Gelet op de aard en ernst van het feit, zoals hiervoor omschreven, kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank heeft geconstateerd dat de verdachte al 193 dagen in voorlopige hechtenis heeft gezeten voordat de rechtbank de voorlopige hechtenis heeft geschorst. De rechtbank vindt dat verdachte niet terug moet naar de gevangenis. De rechtbank houdt enerzijds rekening met de ernst van het feit, maar ook met de persoon van de verdachte. Het feit kan hem in verminderde mate worden toegerekend, wat in strafverminderende zin meeweegt. Verder heeft verdachte zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis goed ingezet en heeft hij zijn leven weer op de rit, met de kanttekening dat hij wel verkeersboetes heeft gekregen tijdens die schorsing. De rechtbank vindt dat de nadruk nu moet liggen op het voorkomen van herhaling en hem daarbij hulp te bieden door het opleggen van de door de deskundigen en de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De verdachte staat hiervoor open en zou die hulp graag aanvaarden.

Rekening houdend met de hiervoor genoemde omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat er geen groot voorwaardelijk op te leggen strafdeel meer resteert. In zoverre zal de rechtbank het anders doen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank komt tot de volgende strafoplegging:

- een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 7 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaar, met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

De voorlopige hechtenis

Het voorgaande brengt ook met zich dat de rechtbank het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis zal opheffen.

7
In beslag genomen voorwerpen
7.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het inbeslaggenomen mes verbeurd te verklaren.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het inbeslaggenomen mes.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten een mes, verbeurd verklaren.

Met behulp van dit voorwerp is het bewezen verklaarde feit begaan.

8
Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en beslissing op het beslag is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- artikelen 33, 33a, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

9
De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart het primaire feit dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiaire feit dat in de beschuldiging staat, heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4.4 is omschreven;

verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 200 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 7 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- als voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 3 werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Heerderweg 25 te Maastricht of op telefoonnummer 088-8041501.

* zich gedurende de proeftijd laat behandelen door FPP De Rooyse Wissel of een soortgelijke zorgverlener zoals Mondriaan Forensische polikliniek, te bepalen door de reclassering, zo lang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start bij de aanvang van de proeftijd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en cognitieve vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

* gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en/of lijst II (softdrugs) en/of geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst Ia in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kan een urineonderzoek, een ademonderzoek en/of een speekseltest zijn. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd, zo lang de reclassering dit nodig vindt;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

beslag

- verklaart het volgende voorwerp verbeurd:

? een mes (omschrijving: PL0900-2025129408-G3516428);

voorlopige hechtenis

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Reitsma, voorzitter, mrs. J.T. Pouw en A.E. van der Wal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Laanstra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.

De voorzitter en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair: hij op of omstreeks 21 april 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal met een mes in het bovenbeen en/of met een deel van een mes op en/of in de richting van de rug en/of de borst, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair: hij op of omstreeks 21 april 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal met een mes in het bovenbeen en/of met een deel van een mes op en/of in de richting van de rug en/of de borst, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair: hij op of omstreeks 21 april 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder [slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal met een mes in het bovenbeen, althans het lichaam van die [slachtoffer] te steken.