Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:3787

Op 30 June 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 16/123012-22, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:3787. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
16/123012-22
Datum uitspraak:
30 June 2026
Datum publicatie:
30 June 2026

Indicatie

Veroordeling voor verkrachting, gepleegd als gevangenisbewaarder (PIW'er). Ondanks de wisselende verklaringen van aangeefster wordt haar verklaring toch betrouwbaar geacht. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Voorts oplegging van een beroepsverbod voor de duur van 5 jaren. Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 10.666,58 (€ 10.000,00 immateriële schade en € 666,58 materiële schade). Voor de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/123012-22

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1974] in [geboorteplaats] (Somalië),

wonend op het adres [adres] in [woonplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1
Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 16 juni 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

de verdachte;

de officier van justitie: mr. A. Dam;

de advocaat van de verdachte: mr. N. Wijkman (hierna: de advocaat);

de benadeelde partij: [slachtoffer] ;

de advocaat van de benadeelde partij: mr. H.J. Oosterhagen.

2
Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

op 12 juni 2010 in [plaats] [slachtoffer] heeft verkracht terwijl hij werkzaam was als gevangenisbewaarder in PI [locatie] en die [slachtoffer] daar gedetineerd zat.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3
Ontvankelijkheid van de officier van justitie
3.1.

Standpunt van de verdediging

De advocaat stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat de beginselen van een goede procesorde in ernstige mate zijn geschonden. Allereerst voert zij, zo begrijpt de rechtbank, daartoe aan dat het Openbaar Ministerie deze zaak niet had mogen heropenen. De verdediging meent dat een vergelijkbare zaak van aangeefster [aangeefster] tegen verdachte geseponeerd is omdat de start van de vervolging in die zaak onrechtmatig was. Gezien die onrechtmatigheid kan er ook niet worden gesproken van nieuwe feiten of omstandigheden en om die reden had in de visie van de verdediging onderhavige zaak ook niet heropend mogen worden. Subsidiair voert zij daartoe aan dat de redelijke termijn is overschreden waardoor het recht op een eerlijk proces is geschonden en het bewijs vanwege het lange tijdsverloop onbetrouwbaar is geworden.

3.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat hij wel ontvankelijk is in de vervolging. Het feit dat de vervolging van de andere zaak onterecht bleek, leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in onderhavige zaak. Daarnaast is de redelijke termijn niet geschonden, en als de rechtbank daarover anders oordeelt dan moet dat leiden tot strafvermindering en niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat de heropening van onderhavige zaak als gevolg van het beklag op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: de artikel 12 procedure) los staat van de onterechte vervolging in de andere zaak.

Verder oordeelt de rechtbank dat de beginselen van een goede procesorde niet zijn geschonden. De redelijke termijn is niet overschreden, omdat de termijn is gaan lopen op het moment dat de zaak door het hof werd heropend. Daarover heeft het Openbaar Ministerie de advocaat van aangeefster in een brief van 15 januari 2025 op de hoogte gesteld. Ook het verweer dat het tijdsverloop het bewijs dermate onbetrouwbaar maakt dat dat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid, gaat niet op. Het bewijs zoals het nu voorligt zal door de rechtbank worden gewogen, waarbij zij ook beoordeelt of het bewijs betrouwbaar is. Daarnaast gaat de rechtbank ervan uit dat het hof bij de beoordeling van de artikel 12-procedure dit tijdsverloop reeds impliciet heeft meegewogen bij haar beslissing om het Openbaar Ministerie de opdracht te geven de verdachte wel te vervolgen. De rechtbank verwerpt de verweren en stelt vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

4
Bewijs
4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het feit.

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 4.3.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Bewijsmiddelen

De rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

4.3.2.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

De rechtbank stelt vast dat aangeefster meerdere voor de verdachte belastende verklaringen heeft afgelegd, namelijk tijdens haar informatieve gesprek op 16 augustus 2010, haar aangiftes op 22 september 2010 en 26 januari 2022, haar studioverhoren op 22 en 23 december 2010 en tijdens haar getuigenverhoor bij de rechter-commissaris op 25 juni 2025. Aangeefster verklaart – kort samengevat – dat de verdachte haar op 12 juni 2010 heeft verkracht in haar cel waar zij gedetineerd zat toen haar medegedetineerden buiten waren voor een luchtpauze. Verdachte was in die gevangenis gevangenisbewaarder. De verdachte ontkent stellig dat hij seksuele handelingen bij aangeefster heeft verricht, zo blijkt uit zijn verklaring op de zitting. Tijdens de verhoren in 2022 heeft de verdachte zich voornamelijk op zijn zwijgrecht beroepen.

Bewijs in zedenzaken

In zaken waarbij een verdachte wordt beschuldigd van een seksueel misdrijf zijn vaak alleen een aangeefster en een verdachte aanwezig geweest bij die vermeende seksuele handelingen.

De verklaring van een aangeefster staat in dat geval tegenover de verklaring van een verdachte, net als in deze zaak. Om in zo’n geval te kunnen beoordelen of al dan niet sprake is geweest van een strafbaar feit, moet de rechtbank in de eerste plaats nagaan of de verklaring van een aangeefster op zichzelf voldoende betrouwbaar is. De rechtbank bekijkt verder of de verklaring van een aangeefster wordt ondersteund door ander bewijs in het dossier. Daarbij betrekt zij ook of er tegenaanwijzingen (contra-indicaties) zijn.

De rechtbank kan alleen een betrouwbare verklaring gebruiken voor het bewijs. Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid kijkt de rechtbank onder andere naar de consistentie, de gedetailleerdheid en de wijze waarop de verklaring tot stand is gekomen. De verklaring van een aangeefster alleen is – zelfs als die betrouwbaar is – onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen (zo volgt uit artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)). Voor een bewezenverklaring is ook bewijs uit een andere bron nodig (steunbewijs). Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat niet is vereist dat de gedragingen (de verweten seksuele handelingen) als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Het is voldoende wanneer de betrouwbare verklaring van een aangeefster op onderdelen steun vindt in bewijsmiddelen die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Als een verklaring van een getuige (mede) een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van de aangeefster op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of vlak daarna, kan die waarneming voldoende steunbewijs opleveren voor het bewezen verklaarde. Daar komt bij dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de betrouwbare verklaring van een aangeefster voldoende wettig bewijs kan opleveren.

Geen bewijsuitsluiting

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het tijdsverloop in de zaak een complicatie vormt bij de bewijswaardering en dat de aangiftes en getuigenverklaringen van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Daarover oordeelt de rechtbank anders. Het enkele feit dat het een oude zaak is kan complicaties opleveren bij de bewijswaardering, maar heeft niet per definitie gevolgen voor de betrouwbaarheid van het bewijs. Daarnaast wijst de rechtbank op het feit dat de verdediging in 2025 door middel van de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris gebruik heeft kunnen maken van haar ondervragingsrecht, waarbij de verdediging ook de mogelijkheid heeft gekregen om hen zelf te ondervragen. Dat de getuigen zich na vijftien jaar niet alle details konden herinneren doet daaraan niet af. De rechtbank zal met het lange tijdsverloop van de zaak rekening houden bij de bewijswaardering, maar gaat niet over tot bewijsuitsluiting.

Betrouwbaarheid aangifte

De rechtbank beoordeelt hierna of de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en, als dit het geval is, of deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.

De aangeefster heeft meerdere malen een verklaring afgelegd bij de politie, namelijk in september en december 2010, in 2022 en in 2025. In alle verklaringen vertelt zij dat zij op de betreffende dag, 12 juni 2010, in haar cel bleef tijdens de luchtpauze, omdat zij zich niet goed voelde. De verdachte kwam toen haar cel binnen en is na drie keer stoten in haar klaargekomen. Daarna heeft zij geëmotioneerd haar medegedetineerde opgezocht en heeft zij haar penvriend gebeld. Zij verklaart hierover op deze onderdelen consistent en gedetailleerd. De rechtbank oordeelt daarom dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is.

De verdediging meent dat de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar is, omdat zij op enig moment verklaart dat zij heeft gelogen over het gebeurde. Daar gaat de rechtbank niet in mee en overweegt daarover als volgt. Wanneer aangeefster direct op 12 juni 2010 haar hart lucht over het gebeurde bij haar medegedetineerde vriendin en haar penvriend adviseren zij haar direct om melding te maken van de verkrachting bij de leiding van de gevangenis. Aangeefster reageert daarop dat zij dat niet durft, omdat zij bang is om niet geloofd te worden, om te worden overgeplaatst en voor andere consequenties. Het is uiteindelijk een ex-medegedetineerde die telefonisch melding maakt bij de meldkamer van de gevangenis. Als de aangeefster kort daarna door ander gevangenispersoneel gevraagd wordt wat er met die melding bedoeld wordt, zegt zij dat zij gelogen heeft en dat het niet gebeurd is. Tussen de verdachte en aangeefster was er sprake van een afhankelijkheidsrelatie nu de verdachte werkzaam was als gevangenisbewaarder. In die context is het naar het oordeel van de rechtbank voorstelbaar dat aangeefster eerst tegenover het gevangenispersoneel verklaard heeft dat zij gelogen had. Het doet in deze specifieke situatie niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster. Dat aangeefster na deze meldingen ook daadwerkelijk werd overgeplaatst naar een andere gevangenis, bevestigt voor de rechtbank juist de begrijpelijkheid van de keuze van aangeefster om de verkrachting te ontkennen.

De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen redenen om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster te twijfelen en gebruikt deze dan ook voor het bewijs.

Steunbewijs

De rechtbank is, anders dan de advocaat, van oordeel dat de verklaring van aangeefster in voldoende mate steun vindt in ander bewijs in het dossier. Haar verklaring wordt ondersteund door verschillende getuigen die vlak na het incident emoties bij aangeefster hebben waargenomen. Zo verklaart [getuige 1] (medegedetineerde van aangeefster) dat aangeefster vlak na het incident huilend naar haar toe rende. Getuige [getuige 2] (ex-medegedetineerde van aangeefster) bevestigt dat aangeefster heel huilerig was en niet uit haar woorden kon komen vlak na het incident. Tot slot heeft getuige [getuige 3] (penvriend van aangeefster) verklaard dat hij aangeefster op 12 juni 2010 ’s ochtends vóór de luchtpauze gesproken heeft en dat er toen niks aan de hand was. Enkele uren later belde aangeefster hem weer en toen was zij “helemaal overstuur en vertelde zij dat ze was verkracht”.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 12 juni 2010 schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van aangeefster.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

op 12 juni 2010 te [locatie] door geweld [slachtoffer]

heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit

of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer] , immers heeft verdachte,

meermalen, in elk geval eenmaal:

- in de nek van [slachtoffer] gezoend,

- de vagina, althans de schaamstreek van [slachtoffer] aangeraakt,

- met zijn penis over het lichaam van [slachtoffer] gewreven,

- getracht om zijn penis in de anus van [slachtoffer] te brengen en

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en gehouden

en bestaande dat geweld hieruit dat verdachte:

- terwijl verdachte in de hoedanigheid van gevangenisbewaarder werkzaam was in

de PI [locatie] en [slachtoffer] gedetineerd zat in voornoemde PI,

- terwijl [slachtoffer] zich bevond in een (afgesloten) cel,

- [slachtoffer] heeft geduwd en het lichaam van die [slachtoffer] heeft (vast)geklemd,

- misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke en feitelijke overwicht op

[slachtoffer] ,

- [slachtoffer] in een door hem gecontroleerde situatie en een

afhankelijke positie heeft gebracht en gehouden,

- is doorgegaan, in elk geval niet is gestopt, met

het verrichten van seksuele handelingen, die mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] , ondanks (meerdere en op

verschillende momenten) verbale uitingen, zoals “Niet doen” en non-verbale uitingen, waaruit (ondubbelzinnig) bleek dat [slachtoffer] die seksuele handelingen niet wilde ondergaan en verrichten, in elk geval dat het de wil van [slachtoffer] was dat die seksuele

handelingen zouden stoppen

- de kleding van [slachtoffer] heeft uitgetrokken en

- tegen [slachtoffer] had gezegd dat als zij iets zou vertellen, zij overgeplaatst zou worden.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5
Kwalificatie en strafbaarheid
5.1.

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

verkrachting.

5.2.

Strafbaarheid feit en verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

6
Straf
6.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

een gevangenisstraf van 4 jaar, met aftrek van het voorarrest;

een beroepsverbod voor de duur van 6 jaren.

De officier van justitie eist dat aan de verdachte wordt opgelegd:

- de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

6.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft, vanwege de bepleite vrijspraak, geen verweer gevoerd over de strafmaat.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft het slachtoffer verkracht en heeft dit begaan tijdens en in de uitoefening van zijn werkzaamheden als gevangenisbewaarder binnen de PI (penitentiaire inrichting) [locatie] , een justitiële inrichting waar alleen vrouwelijke gedetineerden verblijven. Het slachtoffer was aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwd en van hem afhankelijk. De verdachte heeft van deze kwetsbaarheid en afhankelijkheid op grove wijze misbruik gemaakt. In plaats van ervoor te zorgen dat zij zich veilig voelde, heeft hij haar gebruikt voor de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften. De verdachte heeft met zijn handelen op onaanvaardbare wijze misbruik gemaakt van de aan hem door de overheid toegekende taken. Ook heeft de verdachte met zijn handelen de beroepsgroep in een kwaad daglicht gesteld. Het is te danken aan het slachtoffer, ondanks het gevoel te hebben niet te worden geloofd en haar angst voor overplaatsing, dat zij toch aangifte tegen de verdachte heeft gedaan, waardoor het handelen van de verdachte de buitenwereld heeft bereikt. De verdachte heeft op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor het bewezenverklaarde feit. Uit de aangifte en de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring wordt duidelijk hoeveel impact het handelen van de verdachte heeft gehad en nog steeds heeft, mede door de omgeving waarin het heeft plaatsgevonden.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank verder rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie van de verdachte van 11 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Over de verdachte is op 3 juni 2026 een reclasseringsrapport opgesteld. Het reclasseringsrapport heeft geen risicofactoren aan het licht gebracht, mede vanwege de ontkennende houding en de stabiele leefsituatie van de verdachte. De reclassering heeft zich onthouden van advies met betrekking tot de voorwaarden en/of interventies.

Strafkader

Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Voor verkrachting wordt doorgaans een langdurige gevangenisstraf opgelegd.

De rechtbank rekent in strafverzwarende zin mee dat de verdachte het feit heeft gepleegd in zijn hoedanigheid als gevangenisbewaarder tegenover een slachtoffer waar hij de zorg voor en waakzaamheid over had. Er was sprake van een afhankelijkheidsrelatie. Het slachtoffer was bang voor de gevolgen en voor overplaatsing als zij eerlijk zou vertellen wat er gebeurd was, een angst die zich, zo blijkt uit het dossier, ook verwezenlijkt heeft. Bovendien heeft de verdachte, toen andere gedetineerden aan het luchten waren, haar verkracht op haar cel, een plek waar zij zich op dat moment veilig hoorde te voelen.

De rechtbank realiseert zich dat een gevangenisstraf grote gevolgen voor de verdachte zal hebben, maar zij is van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van het feit, geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van forse duur op zijn plaats is.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Deze straf wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank andere uitgangspunten voor straftoemeting hanteert.

Tenuitvoerlegging van de straf

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

Beroepsverbod

In artikel 251 Sr (oud) is bepaald dat de in artikel 28 Sr vermelde bijkomende straf van ontzetting van het recht een bepaald beroep uit te oefenen bij een veroordeling voor dit feit kan worden uitgesproken, indien de verdachte het feit in de uitoefening van dat beroep heeft begaan. De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is. De verdachte heeft door zijn bewezenverklaarde handelen het in hem als gevangenisbewaarder gestelde vertrouwen op ernstige wijze geschonden, waarbij hij misbruik heeft gemaakt van een gedetineerde over wie hij de zorg en waakzaamheid had. Gelet op de aard van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, acht de rechtbank het van groot belang dat wordt verzekerd dat de verdachte voor een langere periode niet meer deze met zorg voor en waakzaamheid over vrouwen in aanraking zal komen in de uitoefening van zijn beroep. De rechtbank zal de verdachte dan ook ontzetten van het recht tot uitoefening van het beroep als medewerker van een penitentiaire inrichting of als medewerker van een andere gesloten instelling voor de duur van vijf jaren.

Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z Sr

Door de officier van justitie is oplegging van een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z Sr geëist. Op grond van artikel 38z lid 2 Sr dient de officier van justitie bij het doen van een dergelijke vordering een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies van reclasseringsinstelling te overleggen. Nu de reclassering zich, vanwege de ontkennende houding en de stabiele leefsituatie van de verdachte, in het over hem opgemaakte rapport heeft onthouden van adviezen, zal de vordering worden afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de maatregel ambtshalve op te leggen. Daartoe overweegt de rechtbank dat zij, gelet op de opgelegde gevangenisstraf en het beroepsverbod, geen aanknopingspunten ziet dat de verdachte na het uitzitten van deze straffen niet voldoende verantwoord kan terugkeren in de maatschappij.

7
Vordering benadeelde partij
7.1.

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 15.666,58, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit voor vergoeding van € 666,58 van materiële schade en € 15.000,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

De materiële schade bestaat uit vergoeding voor de kosten van het eigen risico dat de benadeelde heeft moeten maken voor de behandeling van haar PTSS.

Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering voldoende onderbouwd is en vordert volledige toewijzing van de vordering, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken en dat de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Verder voert de verdediging aan dat de vordering te laat is ingediend en om die reden een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Met betrekking tot het verzoek tot immateriële schadevergoeding voert de advocaat aan dat het verzoek van de benadeelde partij een optelsom betreft van een vergoeding volgens de Rotterdamse Schaal voor het geestelijk letsel en de verkrachting, maar dat dat niet de manier is om de hoogte van de schadevergoeding te berekenen: een benadeelde partij kan een vergoeding krijgen voor ofwel geestelijk letsel ofwel verkrachting, als het gaat om één feit. Voor zover het verzoek materiële schadevergoeding betreft stelt de advocaat zich op het standpunt dat het causale verband tussen het feit en de vordering niet kan worden vastgesteld.

7.4.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet in beginsel naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. De benadeelde partij heeft stukken van de psycholoog verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert als uitgangspunt dat de Rotterdamse schaal uitsluitend wordt gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.

De Rotterdamse schaal geeft een bandbreedte voor verkrachting onder de oude wetgeving (artikel 242 Sr oud), die gold op het moment van het plegen van onderhavig delict. De rechtbank heeft gelet op de relevante factoren voor de omvang van het smartengeld, zoals de ernst van de seksuele handelingen, de handelwijze van de verdachte, de kwetsbaarheid van de benadeelde en de aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelde. De verdachte heeft vanuit zijn functie als gevangenisbewaarder misbruik gemaakt van de afhankelijke positie van de benadeelde als gevangene in de gevangenis waar hij werkzaam was. Hij heeft haar verkracht in haar cel en tegen haar gezegd dat zij haar mond moest houden, omdat ze anders overgeplaatst kon worden, wat de benadeelde beangstigd heeft.

Gelet hierop valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de subcategorie ‘ernstig’ van de Rotterdamse schaal. De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 7.500,00 tot € 15.000,00 tot uitgangspunt.

Gelet op omstandigheden waaronder de verkrachting is begaan en gelet op wat schadevergoedingen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, komt de rechtbank tot een toewijzing van € 10.000,00. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

Wettelijke rente

De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf elke afzonderlijke factuurdatum van de betreffende behandeling, zoals blijkt uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2010, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 10.666,58 aan de Staat moet betalen.

De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf elke afzonderlijke factuurdatum van de betreffende behandeling, zoals blijkt uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

De vergoeding van de immateriële schade (€ 10.000,00) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2010, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald,

Gijzeling

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 78 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

Kwijting

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

8
Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- artikelen 28, 31, 36f, 36z, 242 (oud), 251 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

9
De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4.4 is omschreven;

verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit en verdachte

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5.1 is vermeld;

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep als gevangenismedewerker of medewerker in een andere gesloten instelling voor de duur van 5 jaren;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]

- wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van

€ 10.666,58, bestaande uit € 10.000,00 immateriële schade en € 666,58 materiële schade;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:

- over een bedrag van € 10.000,00 met ingang van 12 juni 2010 tot de dag van volledige betaling;

- over een bedrag van € 666,58 met ingang van elke afzonderlijke factuurdatum van de betreffende behandeling, zoals blijkt uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding tot de dag van volledige betaling;

verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 10.666,58 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente

- over een bedrag van € 10.000,00 met ingang van 12 juni 2010 tot de dag van volledige betaling;

- over een bedrag van € 666,58 met ingang van elke afzonderlijke factuurdatum van de betreffende behandeling, zoals blijkt uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding tot de dag van volledige betaling;

indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 78 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.S.K. Fung Fen Chung, voorzitter, mr. E.H.M. Druijf en mr. M.J. Westerink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M.L. den Hoedt als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 juni 2010 te [plaats] , in elk geval in Nederland, doorgeweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of(een) andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal,heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uitof mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die[slachtoffer] , immers heeft verdachte,meermalen, in elk geval eenmaal:- in de nek van die [slachtoffer] gezoend,- de vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer] aangeraakt/betast,- met zijn, verdachtes, penis over het lichaam van die [slachtoffer] gewreven,- getracht om zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer] teduwen/brengen en/of- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/ofgehoudenen bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreigingmet geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hieruit dat verdachte:- terwijl verdachte in de hoedanigheid van gevangenisbewaarder werkzaam was inde PI [locatie] en die [slachtoffer] gedetineerd zat in voornoemde PI,- terwijl die [slachtoffer] zich bevond in een (afgesloten) cel,- meermalen, in elk geval eenmaal, die [slachtoffer] heeft geduwd en/of(vervolgens) boven op het lichaam van die [slachtoffer] is gaan zitten, in elk gevalhet lichaam van die [slachtoffer] heeft (vast)geklemd,- misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke en/of feitelijke overwicht op die[slachtoffer] ,- die [slachtoffer] in een door hem, verdachte, gecontroleerde situatie en/of eenafhankelijke positie heeft gebracht en/of gehouden,- meermalen, in elk geval eenmaal, is doorgegaan, in elk geval niet is gestopt, methet verrichten van seksuele handelingen, die mede bestonden uit het seksueelbinnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , ondanks (meerdere en opverschillende momenten) verbale uitingen, zoals “Niet doen” , in elk geval woordenvan die strekking en/of non-verbale uitingen, waaruit (ondubbelzinnig) bleek datdie [slachtoffer] die seksuele handelingen niet (meer/verder) wilde ondergaan en/ofverrichten, in elk geval dat het de wil van die [slachtoffer] was dat die seksuelehandelingen zouden stoppen, in ieder geval niet (langer) door zouden gaan,- de kleding van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken en/of- tegen die [slachtoffer] had gezegd dat als zij iets zou vertellen, zij overgeplaatst zouworden, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

Bijlage II: Bewijsmiddelen  (Voetnoot 1)

Een proces-verbaal van bevindingen van 21 augustus 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer] verklaarde dat zij in de inrichting te [plaats] was verkracht door een bewaarder en verklaarde dat:

Zij aangifte wil doen tegen de bewaker [verdachte] .

Hij heeft de Nederlandse nationaliteit en is donker van kleur, Afrikaans.

Zij zit een straf uit van zes jaar in verband met medeplichtigheid aan moord. (Voetnoot 2)

[getuige 3] zei dat zij aangifte moest doen.

Dit durfde zij niet omdat [verdachte] haar onder druk zette dat zij zou worden overgeplaatst. (Voetnoot 3)

- Hij zei ook altijd dat ik zou worden overgeplaatst en dat ik het niet verder mocht vertellen. (Voetnoot 4)

Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 22 september 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Dit was op 12 juni 2010 omstreeks twaalf (12) uur. Aangeefster lag op bed in haar cel en verdachte kwam binnen en zei: "liggen, liggen" hierbij drukte hij haar op het bed en zoende haar in de nek en wreef haar over de vagina. Verdachte (Voetnoot 5) lag daarbij bovenop haar en zij voelde zijn erectie. Voorts draaide hij haar snel op de buik en zij hoorde dat hij zijn rits opendeed. Tevens trok de verdachte haar broek tot halverwege haar bovenbenen. Hierop voelde zij zijn penis tegen haar anus aanduwen, maar het lukte niet om binnen te dringen. Vervolgens is de verdachte vaginaal binnengedrongen en stootte drie maal alvorens hij een orgasme had. De aangeefster verklaarde te weten dat hij was klaargekomen omdat zij voelde dat het nat was in haar boxer en op haar benen. Tijdens de penetratie was aangeefster zelf droog geweest. Aangeefster voelde zich door de hele situatie niet lekker. Vervolgens is aangeefster zich gaan wassen op haar cel en is naar de openbare telefoon gelopen om haar penvriend de heer [getuige 3] te bellen. Zij verklaarde direct aan de heer [getuige 3] te hebben verteld dat zij was verkracht en door wie. (Voetnoot 6)

Een proces-verbaal van 24 januari 2011 van het studioverhoor van aangeefster [slachtoffer] van 23 december 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

I: Dan komt ie op je kamer en dan ga je opstaan.[slachtoffer] : Ja, ik probeerde opstaan. En hij zegt, nee, lig, lig, maar ik wist niet wat is aan de hand.I: En dat hij dan naar je toe komt en zegt, zit, zit.[slachtoffer] : Ja, en liggen, liggen, liggen.I: Oh, liggen.[slachtoffer] : Toen pusht ie me gewoon op de buik.I: Hoe doet ie dat?[slachtoffer] : Met zijn handen.

[slachtoffer] : Hij begon te liggen op mij, laat ik maar zeggen.

[slachtoffer] : En hij wrijft, laat ik maar zeggen met, eh hoe moet ik dat zeggen, op mijn vaginaI: Hij wrijft waarmee op je vagina?[slachtoffer] : Met zijn pik.

I: Oké, en dan?

[slachtoffer] : Ja, ik wou gaan pushen, maar dat kan niet, want hij was, hoe moet ik dat zeggen, sterk. Hij was sterk. (Voetnoot 7)

I: Jij wilde gaan duwen?

[slachtoffer] : Ja, dat hij gewoon weggaat. Dat hij me niets doet.I: En waar duw jij dan mee?

[slachtoffer] : Met mijn, met mijn handen.

I: En waar kom je met je handen tegen zijn lichaam dan aan?

[slachtoffer] : Nou, naar die schouders.

I: En raak je die schouders dan ook aan?[slachtoffer] : Ja.I: Ja? En dan?[slachtoffer] : Ja, lukt niet.I: Zeg je daar iets bij? [slachtoffer] : Ik zeg, niet doen. Hij luistert niet.I: Hmhm. Maar wat doet ie dan?[slachtoffer] : Hij gewoon gaat door.I: Waar gaat ie mee door?[slachtoffer] : Met eh wrijven en het hoe moet ik dat zeggen, met aaien, laat ik maar zeggen. En met zoenen in mijn nek.I: Ja, dus hij zoent je en hij wrijft. Waar wrijft ie mee?[slachtoffer] : Met zijn pik.I: Ja. En waar aait ie mee?[slachtoffer] : Met zijn pik.

I: En dan, wat gebeurt er dan?[slachtoffer] : Hij heeft mijn broek naar beneden gedaan. (Voetnoot 8)I: En dan?[slachtoffer] : Hij stoot in mij. Hij wou eerst een stoot in mijn anus, maar dat, dat lukte hem niet. (Voetnoot 9)

I: Want dan, dan ligt ie op je, waar zijn zijn benen dan als jij op hem ligt?

[slachtoffer] : Mijn benen zijn tussen zijn benen. (Voetnoot 10)

I: Wat gebeurt er dan?

[slachtoffer] : Hij trekt mijn onderbroek samen met mijn legging.???????I: Ja, dus jouw legging en je onderbroek trekt ie in een keer?[slachtoffer] : Uit. Tot mijn benen.???????I: Dus tot iets boven je knieën.

I: En dan?

[slachtoffer] : Hij wil stoten in m’n anus. Maar dat was niet gelukt. Dus hij stoot in mijn vagina.

I: Hij stootte in jou. Wordt daar nog iets bij gezegd?

[slachtoffer] : Nee.

[slachtoffer] : Ik duw hem weg.

I: Hoe vaak heb je hem weggeduwd?

[slachtoffer] : Een paar keer.

???????I: Waar zijn op het moment dat jij op je buik ligt, waar zijn dan jouw handen?  (Voetnoot 11)[slachtoffer] : Mijn handen zijn boven.???????I: ??????Boven je hoofd.[slachtoffer] : Ja.???????I: Hmhm. En weet je waar zijn handen zijn?[slachtoffer] : Ja hij heeft mijn handen, hoe moet ik dat zeggen, met een hand van hem houdt hij mijn handen, maar hij probeert met de andere hand mijn billen te openen. (Voetnoot 12)

Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 12 november 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Over hetgeen aangeefster haar verteld had kon getuige vertellen dat aangeefster huilde en dat zij zei dat zij verkracht was. Getuige had gevraagd door wie zij verkracht was. Aangeefster vertelde dat het [verdachte] was. Aangeefster vertelde dat [verdachte] bij haar gekomen was. Dat [verdachte] aangeefster op het bed gestoten had. (Voetnoot 13)

Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 3 december 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik hoorde van haar dat zij rond een uur of 12.00 uur is verkracht door haar bewaker. Dit was in juni of juli dit jaar. In een weekend op een zondag belde zij mij eerst heel vrolijk. Dit was in de ochtend rond een uur of 10.00 uur. Op dezelfde middag belde zij weer en helemaal overstuur. Zij vertelde dat zij was verkracht. Ik kan mij nog herinneren dat zij echt helemaal overstuur was. Zij vertelde drie keer heel zacht dat zij was verkracht.

Ik werd door haar gebeld tussen 13.00 uur en 13.30 uur met het bericht dat zij was verkracht. Het was na de middag maaltijd. Ik weet niet hoe laat zij is verkracht. Ik merkte wel aan haar emotie dat het net was gebeurd. Zij huilde. (Voetnoot 14)

Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 29 november 2010, , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

V: [slachtoffer] heeft aangifte gedaan van een zedenmisdrijf. Wat weet jij daarvan?

A: [slachtoffer] belde mij op, ik hoorde dat [slachtoffer] huilde. [slachtoffer] kon niet uit haar woorden komen, daarom heeft [getuige 1] de telefoon overgenomen. [getuige 1] vertelde mij dat [slachtoffer] toch verkracht was. (Voetnoot 15)

A: Ik heb volgens mij daarna [slachtoffer] nog wel gesproken, maar [slachtoffer] kon niet uit haar woorden komen. (Voetnoot 16)

A: Tijdens het telefoongesprek was [slachtoffer] heel huilerig. Wat ik weet is dat ik [getuige 1] gesproken heb. Ik weet ook dat [slachtoffer] aan het huilen was. (Voetnoot 17)

Voetnoot

Voetnoot 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met onderzoeksnummer MDRBC21061 / ZNO3orkaan,, doorgenummerd pagina 1 tot en met 1542. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Voetnoot 2

Pagina 114.

Voetnoot 3

Pagina 115.

Voetnoot 4

Pagina 118.

Voetnoot 5

Pagina 121.

Voetnoot 6

Pagina 122.

Voetnoot 7

Pagina 294.

Voetnoot 8

Pagina 295.

Voetnoot 9

Pagina 296.

Voetnoot 10

Pagina 298.

Voetnoot 11

Pagina 301.

Voetnoot 12

Pagina 302.

Voetnoot 13

Pagina 388.

Voetnoot 14

Pagina 491.

Voetnoot 15

Pagina 336.

Voetnoot 16

Pagina 337.

Voetnoot 17

Pagina 339.