3.3.
3.3.2.
Wat is er gebeurd?
[aangever] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 19 augustus 2025 door de verdachte in haar auto werd afgesneden, dat de verdachte is uitgestapt, naar hem toe kwam lopen, zei dat zij hem dood ging maken, een vloeistof in zijn gezicht heeft gespoten en in zijn nek heeft gestoken. De verdachte had daarbij twee messen in de hand. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring van [aangever] over (de volgorde van) de gebeurtenissen niet kan kloppen. De getuige [getuige] heeft namelijk gezien dat de man (de rechtbank begrijpt: [aangever] ) bij de auto stond en rustig in gesprek was. Iets later zag hij dat de vrouw op de bestuurdersstoel van de auto zat en wilde uitstappen. De getuige zag een snelle armbeweging vanuit de man in de richting van de vrouw. De rechtbank ziet geen reden om aan de verklaring van getuige [getuige] te twijfelen. Dit betekent dat niet vast staat dat de verdachte eerst is uitgestapt, naar [aangever] toe is komen lopen en daarna heeft gestoken. Dit betekent ook dat de rechtbank de aangifte van [aangever] niet goed kan gebruiken voor de vaststelling hoe de verdachte heeft gestoken en in welke situatie dat gebeurde.
Hieronder is het bewijs weergegeven dat de rechtbank wel gebruikt. De rechtbank stelt op grond van dat bewijs het volgende vast. Op 19 augustus 2025 heeft de verdachte aangever getroffen vlakbij zijn woning. Tussen hen is een worsteling ontstaan. Op enig moment tijdens deze worsteling heeft de verdachte een of meer stanleymessen in haar handen gehad. Aangever heeft hierdoor ernstig letsel aan zijn hals en aan zijn rechterhand en letsel aan zijn buik en arm opgelopen. Ook heeft de verdachte aangever met pepperspray in zijn gezicht gespoten.
3.3.3.
Bewijsmiddelen
De rechtbank vindt bewezen dat de verdachte aangever opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: (Voetnoot 1)
De verdachte heeft – zakelijk weergegeven – op de zitting van 15 juni 2026 verklaard:
Op 19 augustus 2025 zat ik in Utrecht in mijn auto. Ik heb toen met een of meer stanleymessen gezwaaid waardoor [aangever] letsel heeft opgelopen.
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] , voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
Op 19 augustus 2025 was ik op mijn kamer op de [straat] te Utrecht. (Voetnoot 2) Toen ik buiten kwam, zag ik het voertuig van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte [verdachte] ) rijden. Ik zag dat de bestuurdersportier werd geopend. Ik zag dat [verdachte] in het voertuig zat. Ik zag dat zij een vloeistof in mijn gezicht spoot. Ik voelde dat de vloeistof prikte in mijn gezicht. Ik zag dat [verdachte] twee messen in haar hand hield. Ik zag direct veel bloed en voelde direct veel pijn. (Voetnoot 3)
Een geschrift, te weten een brief van chirurg dr. K.J.P. van Wessem van 20 augustus 2025, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven:
[aangever] bezocht op 19-8-2025 de afdeling Spoedeisende hulp voor het specialisme Traumachirurgie. (Voetnoot 4)
Conclusie
Trauma steekverwonding met als gevolg:
Multiple laceraties: linker hals, volaire zijde linker onderarm, tussen dig I en II waarbij deel aan volaire zijde van de spierbuik van de m. interosseus dorsalis 1 deels door (functie oogt intact), laceratie mediale zijde dig Il en excoriatie over bovenzijde abdomen.
Hals: Laceratie linkerzijde hals tot in subcutis,
Extremiteiten: Diepe laceratie tussen dig I en dig 11, waarbij deel van de spierbuik m. interosseus aan de volaire zijde door, kan duim opponeren, buigen en strekken antalgisch beperkt. (Voetnoot 5)
Een geschrift, te weten een brief van internist n.p. en arts bedrijfsgeneeskunde, medisch adviseur H.M. Melief, overgelegd bij de vordering van de benadeelde partij [aangever] van 27 maart 2026 voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:
rechterhand
Hier lopen spieren, pezen en zenuwen die essentieel zijn voor de beweging en het gevoel van de vingers en hand. Een gedeelte van de spier van die de beweging van de wijsvinger aanstuurt en ondersteunt bij buigen en strekken van de vingers, is hierbij doorgesneden.
Concluderend zijn er dus ernstige en blijvende klachten aan de hand met zowel verminderd gevoel aan een deel van de duim, als juist invaliderende neuropathische pijnklachten, die optreden bij gebruik van de hand bij dagelijkse handelingen.
Met betrekking tot de hand kan nog geen eindsituatie worden geduid.
hals
Cliënt heeft een wond opgelopen in de hals van ongeveer 20 cm. Bij cliënt was er gelukkig sprake van een relatief oppervlakkige wond waarbij geen belangrijke structuren geraakt zijn. Echter, er is een groot en ontsierend litteken in de hals. Het litteken oogt als dik en verheven op de foto’s waarbij er geen sprake is van cosmetisch fraaie wondgenezing. De ontwikkeling van een de?nitief litteken kan tot 2 jaar duren. Complicaties omvatten verharding van het litteken, een bewegingsbeperking door samentrekken van het litteken, beïnvloeding van de spierfunctie van de nek en gevoelsstoornissen. Een eindsituatie is nog niet te duiden.
De eigen waarneming van de rechtbank op de zitting van 15 juni 2026:
De rechtbank neemt waar dat aangever [aangever] een ontsierend litteken aan de linkerkant van zijn nek/hals heeft.
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
Op 19 augustus 2025 was ik op de [straat] te Utrecht. Ik zag dat een man aan de bestuurderszijde van de eerder genoemde auto stond. (Voetnoot 6)
Ik zag dat er een vrouw op de bestuurdersstoel zat en zij wilde uit de auto stappen. Ik zag een snelle armbeweging vanuit de eerdergenoemde man in de richting van de vrouw. Ik zag vervolgens dat de man en vrouw snelle armbewegingen naar elkaar maakte.
Ik zag dat de vrouw in haar linkerhand een mes vasthield. (Voetnoot 7)
3.3.4.
Welk strafbaar feit?
Doodslag
De beschuldiging houdt allereerst in dat de verdachte heeft geprobeerd [aangever] van het leven te beroven, een poging tot doodslag. De rechtbank oordeelt dat de beschuldiging van poging tot doodslag niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Voor het bewijs van doodslag is nodig dat de verdachte opzet had op de dood van aangever. Dat sprake is geweest van ‘vol’ opzet op de dood van aangever kan op basis van het dossier niet wettig en overtuigend worden bewezen. Bewijs daarvoor ontbreekt.
Opzet kan ook worden bewezen als de verdachte ‘voorwaardelijk’ opzet had. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van aangever – is aanwezig indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood zal intreden. De beantwoording van de vraag of het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Uit het dossier volgt niet dat de verdachte aangever gericht met de stanleymesjes heeft gestoken. De rechtbank gaat uit van de situatie dat de verdachte met de stanleymesjes (ongecontroleerd) heeft gezwaaid en daardoor aangever heeft gesneden in onder meer zijn hals, hand, buik en arm. De rechtbank kan uit de dossierstukken niet afleiden met welke kracht de verdachte met de stanleymesjes zwaaide en met welke kracht zij aangever heeft geraakt. Wel verklaren de artsen dat de wond in de hals van aangever oppervlakkig was. Tot slot is de aard van het voorwerp – tamelijk kleine voorwerpen waarvan het snijdende deel zogenaamde afbreekmesjes vormen – niet zodanig dat alleen het zwaaien daarmee naar een persoon al gevaar voor het leven met zich brengt. Daarbij speelt dat de rechtbank op basis van het dossier ook niet heeft kunnen vaststellen hoe ver de mesjes waren uitgeschoven. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat aangever zou komen te overlijden. Er is dus geen sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever.
De rechtbank vindt daarom dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte heeft geprobeerd opzettelijk [aangever] van het leven te beroven spreekt de verdachte daarom vrij van de (primair ten laste gelegde) poging tot doodslag.
Zwaar lichamelijk letsel
In de tweede plaats – als poging tot doodslag niet bewezen zou kunnen worden – houdt de beschuldiging in dat de verdachte [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Het Wetboek van Strafrecht (Sr) bevat geen definitie of omschrijving van zwaar lichamelijk letsel. Artikel 82 Sr beschrijft echter wel wat in ieder geval onder zwaar lichamelijk letsel wordt begrepen. Artikel 82 Sr laat de rechter de vrijheid om ook buiten die gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen als dat letsel voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. De Hoge Raad heeft algemene gezichtspunten geformuleerd die relevant zijn voor de beoordeling of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Als algemene gezichtspunten kunnen in ieder geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Daarbij geldt dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, maar ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Daarnaast kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen. In voorkomende gevallen kan in de beoordeling verder worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meer littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.
Uit het letselonderzoek en uit het medisch advies volgt dat een spier die de beweging van de wijsvinger aanstuurt en ondersteunt bij buigen en strekken van de vingers is doorgesneden. Deze verwonding brengt een hoog risico op bewegingsproblemen van de vingers mee. Ook heeft aangever een snijwond aan de binnenzijde van de wijsvinger. Dit heeft als gevolg dat hij een gevoelsstoornis aan de binnenzijde van zijn duim heeft. Of dit (volledig) zal herstellen is volgens de medisch adviseur niet te voorspellen. De handtherapeut heeft geconstateerd dat aangever veel klachten ondervindt bij een groot deel van de dagelijkse handelingen waardoor hij beperkt is in het gebruik van zijn dominante hand. Samenvattend concludeert de adviseur dat de eindsituatie van de hand onduidelijk blijft.
Daarnaast heeft aangever aan het snijletsel in zijn hals een groot en ontsierend litteken overgehouden, zo blijkt uit het rapport van de medisch adviseur. Dit heeft de rechtbank tijdens de zitting, zo’n 10 maanden na het ontstaan van het litteken, ook geconstateerd. Van cosmetisch fraaie wondgenezing is geen sprake. Aangever heeft in het litteken ook pijnsteken en het litteken is verhard. De adviseur verwacht dat op termijn een littekencorrectie noodzakelijk zal zijn. Ook ten aanzien van het ontsierende litteken is een eindsituatie moeilijk te duiden. Verder heeft aangever nog oppervlakkige wonden aan zijn buik en arm.
Gezien de combinatie van de letsels bij aangever en het lange, onzekere en wellicht uitblijvende (volledige) herstel van het litteken in de hals en de functie van de hand, vindt de rechtbank dat het handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.
(Voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel
Voor het bewijs van zware mishandeling moet ook komen vast te staan dat de verdachte opzet heeft gehad om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte de bedoeling had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (vol opzet). De vraag is vervolgens of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.
De verdachte heeft (ongecontroleerd) zwaaiende bewegingen gemaakt met scherpe stanleymesjes. Op dat moment was sprake van een dynamische situatie, een worsteling, waarbij aangever in de directe nabijheid van de verdachte was. De verdachte heeft aangever met een stanleymesje in zijn nek/hals geraakt. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. In de hals lopen belangrijke structuren zoals de bloedvaten naar de hersenen, de luchtpijp en het strottenhoofd. Ook bevinden zich in de hals belangrijke zenuwen voor de ademhaling en de stem en de schildklier. Het is daarom een feit van algemene bekendheid dat schade aan de hals ernstig lichamelijk letsel met zich kan brengen. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat littekens lang zichtbaar blijven. De kans dat deze wonden niet herstellen is groot.
Door zo te handelen kan het niet anders zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. De verdachte heeft dan ook voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
De rechtbank vindt wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.