Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:3992

Op 29 June 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 16/225832-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:3992. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
16/225832-25
Datum uitspraak:
29 June 2026
Datum publicatie:
6 July 2026

Indicatie

Bewezenverklaring zware mishandeling ex-partner. Geslaagd beroep op noodweer.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/225832-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 29 juni 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] (Marokko),

verblijvende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats]

(hierna: de verdachte).

1
Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 15 juni 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

de verdachte;

de officier van justitie: mr. A. Bakker;

de advocaat van de verdachte: mr. R.J. Jager (hierna: de advocaat);

de benadeelde partij: [aangever] ;

de advocaat van de benadeelde partij: mr. R.E.H. Jager.

Overwegingen

2
Beoordeling door de rechter

Het strafbare feit (of feiten) waarvan een verdachte door de officier van justitie wordt beschuldigd staan in de ‘tenlastelegging’. Bij het beoordelen van die beschuldiging moet de rechter op grond van de wet een aantal vragen beantwoorden. De rechter doet dat op basis van die tenlastelegging (hierna: de beschuldiging) en naar aanleiding van het onderzoek op de zitting.

De officier van justitie beschuldigt de verdachte er, na wijziging van de beschuldiging, van dat zij, samengevat:

op 19 augustus 2025 in Utrecht heeft geprobeerd opzettelijk [aangever] van het leven te beroven;

en voor het geval die beschuldiging niet tot een veroordeling zou leiden (subsidiair):

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

en voor het geval ook die beschuldiging niet tot een veroordeling zou leiden (meer subsidiair): heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

De vragen die de rechter moet beantwoorden zijn de volgende. De rechter moet eerst beoordelen of bewezen is dat de tenlastegelegde feiten door de verdachte zijn begaan (zie paragraaf 3 ‘Bewijs’) en, zo ja, welk strafbaar feit het bewezenverklaarde volgens de wet oplevert (zie paragraaf 4 ‘Strafbaarheid en kwalificatie van het feit’). Als wordt aangenomen dat de feiten bewezen en strafbaar zijn, dan moet de rechter oordelen over de strafbaarheid van de verdachte (zie paragraaf 5 ‘Strafbaarheid van de verdachte’) en over de oplegging van een straf of maatregel. Tenslotte moet de rechter oordelen over goederen die onder de verdachte in beslag zijn genomen (zie paragraaf 6, ‘In beslag genomen voorwerpen’).

3
Bewijs
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd [aangever] van het leven te beroven.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte van alle beschuldigingen vrij te spreken.

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Inleiding

De rechtbank moet dus eerst beoordelen of bewezen is dat de verdachte op 19 augustus 2025 in Utrecht heeft geprobeerd opzettelijk [aangever] (hierna: [aangever] ) van het leven te beroven, dat zij hem zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht of dat laatste heeft geprobeerd. De verdediging heeft ook nog aangevoerd dat er sprake was van noodweer; dat de verdachte zich moest verdedigen tegen een aanval van [aangever] . Dat standpunt van de verdediging zal later in dit vonnis worden besproken, namelijk bij de vraag of de verdachte strafbaar is (zie paragraaf 5 ‘Strafbaarheid van de verdachte’).

3.3.2.

Wat is er gebeurd?

[aangever] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 19 augustus 2025 door de verdachte in haar auto werd afgesneden, dat de verdachte is uitgestapt, naar hem toe kwam lopen, zei dat zij hem dood ging maken, een vloeistof in zijn gezicht heeft gespoten en in zijn nek heeft gestoken. De verdachte had daarbij twee messen in de hand. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring van [aangever] over (de volgorde van) de gebeurtenissen niet kan kloppen. De getuige [getuige] heeft namelijk gezien dat de man (de rechtbank begrijpt: [aangever] ) bij de auto stond en rustig in gesprek was. Iets later zag hij dat de vrouw op de bestuurdersstoel van de auto zat en wilde uitstappen. De getuige zag een snelle armbeweging vanuit de man in de richting van de vrouw. De rechtbank ziet geen reden om aan de verklaring van getuige [getuige] te twijfelen. Dit betekent dat niet vast staat dat de verdachte eerst is uitgestapt, naar [aangever] toe is komen lopen en daarna heeft gestoken. Dit betekent ook dat de rechtbank de aangifte van [aangever] niet goed kan gebruiken voor de vaststelling hoe de verdachte heeft gestoken en in welke situatie dat gebeurde.

Hieronder is het bewijs weergegeven dat de rechtbank wel gebruikt. De rechtbank stelt op grond van dat bewijs het volgende vast. Op 19 augustus 2025 heeft de verdachte aangever getroffen vlakbij zijn woning. Tussen hen is een worsteling ontstaan. Op enig moment tijdens deze worsteling heeft de verdachte een of meer stanleymessen in haar handen gehad. Aangever heeft hierdoor ernstig letsel aan zijn hals en aan zijn rechterhand en letsel aan zijn buik en arm opgelopen. Ook heeft de verdachte aangever met pepperspray in zijn gezicht gespoten.

3.3.3.

Bewijsmiddelen

De rechtbank vindt bewezen dat de verdachte aangever opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: (Voetnoot 1)

De verdachte heeft – zakelijk weergegeven – op de zitting van 15 juni 2026 verklaard:

Op 19 augustus 2025 zat ik in Utrecht in mijn auto. Ik heb toen met een of meer stanleymessen gezwaaid waardoor [aangever] letsel heeft opgelopen.

Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] , voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op 19 augustus 2025 was ik op mijn kamer op de [straat] te Utrecht. (Voetnoot 2) Toen ik buiten kwam, zag ik het voertuig van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte [verdachte] ) rijden. Ik zag dat de bestuurdersportier werd geopend. Ik zag dat [verdachte] in het voertuig zat. Ik zag dat zij een vloeistof in mijn gezicht spoot. Ik voelde dat de vloeistof prikte in mijn gezicht. Ik zag dat [verdachte] twee messen in haar hand hield. Ik zag direct veel bloed en voelde direct veel pijn. (Voetnoot 3)

Een geschrift, te weten een brief van chirurg dr. K.J.P. van Wessem van 20 augustus 2025, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven:

[aangever] bezocht op 19-8-2025 de afdeling Spoedeisende hulp voor het specialisme Traumachirurgie. (Voetnoot 4)

Conclusie

Trauma steekverwonding met als gevolg:

Multiple laceraties: linker hals, volaire zijde linker onderarm, tussen dig I en II waarbij deel aan volaire zijde van de spierbuik van de m. interosseus dorsalis 1 deels door (functie oogt intact), laceratie mediale zijde dig Il en excoriatie over bovenzijde abdomen.

Hals: Laceratie linkerzijde hals tot in subcutis,

Extremiteiten: Diepe laceratie tussen dig I en dig 11, waarbij deel van de spierbuik m. interosseus aan de volaire zijde door, kan duim opponeren, buigen en strekken antalgisch beperkt. (Voetnoot 5)

Een geschrift, te weten een brief van internist n.p. en arts bedrijfsgeneeskunde, medisch adviseur H.M. Melief, overgelegd bij de vordering van de benadeelde partij [aangever] van 27 maart 2026 voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

rechterhand

Hier lopen spieren, pezen en zenuwen die essentieel zijn voor de beweging en het gevoel van de vingers en hand. Een gedeelte van de spier van die de beweging van de wijsvinger aanstuurt en ondersteunt bij buigen en strekken van de vingers, is hierbij doorgesneden.

Concluderend zijn er dus ernstige en blijvende klachten aan de hand met zowel verminderd gevoel aan een deel van de duim, als juist invaliderende neuropathische pijnklachten, die optreden bij gebruik van de hand bij dagelijkse handelingen.

Met betrekking tot de hand kan nog geen eindsituatie worden geduid.

hals

Cliënt heeft een wond opgelopen in de hals van ongeveer 20 cm. Bij cliënt was er gelukkig sprake van een relatief oppervlakkige wond waarbij geen belangrijke structuren geraakt zijn. Echter, er is een groot en ontsierend litteken in de hals. Het litteken oogt als dik en verheven op de foto’s waarbij er geen sprake is van cosmetisch fraaie wondgenezing. De ontwikkeling van een de?nitief litteken kan tot 2 jaar duren. Complicaties omvatten verharding van het litteken, een bewegingsbeperking door samentrekken van het litteken, beïnvloeding van de spierfunctie van de nek en gevoelsstoornissen. Een eindsituatie is nog niet te duiden.

De eigen waarneming van de rechtbank op de zitting van 15 juni 2026:

De rechtbank neemt waar dat aangever [aangever] een ontsierend litteken aan de linkerkant van zijn nek/hals heeft.

Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op 19 augustus 2025 was ik op de [straat] te Utrecht. Ik zag dat een man aan de bestuurderszijde van de eerder genoemde auto stond. (Voetnoot 6)

Ik zag dat er een vrouw op de bestuurdersstoel zat en zij wilde uit de auto stappen. Ik zag een snelle armbeweging vanuit de eerdergenoemde man in de richting van de vrouw. Ik zag vervolgens dat de man en vrouw snelle armbewegingen naar elkaar maakte.

Ik zag dat de vrouw in haar linkerhand een mes vasthield. (Voetnoot 7)

3.3.4.

Welk strafbaar feit?

Doodslag

De beschuldiging houdt allereerst in dat de verdachte heeft geprobeerd [aangever] van het leven te beroven, een poging tot doodslag. De rechtbank oordeelt dat de beschuldiging van poging tot doodslag niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.

Voor het bewijs van doodslag is nodig dat de verdachte opzet had op de dood van aangever. Dat sprake is geweest van ‘vol’ opzet op de dood van aangever kan op basis van het dossier niet wettig en overtuigend worden bewezen. Bewijs daarvoor ontbreekt.

Opzet kan ook worden bewezen als de verdachte ‘voorwaardelijk’ opzet had. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van aangever – is aanwezig indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood zal intreden. De beantwoording van de vraag of het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.

Uit het dossier volgt niet dat de verdachte aangever gericht met de stanleymesjes heeft gestoken. De rechtbank gaat uit van de situatie dat de verdachte met de stanleymesjes (ongecontroleerd) heeft gezwaaid en daardoor aangever heeft gesneden in onder meer zijn hals, hand, buik en arm. De rechtbank kan uit de dossierstukken niet afleiden met welke kracht de verdachte met de stanleymesjes zwaaide en met welke kracht zij aangever heeft geraakt. Wel verklaren de artsen dat de wond in de hals van aangever oppervlakkig was. Tot slot is de aard van het voorwerp – tamelijk kleine voorwerpen waarvan het snijdende deel zogenaamde afbreekmesjes vormen – niet zodanig dat alleen het zwaaien daarmee naar een persoon al gevaar voor het leven met zich brengt. Daarbij speelt dat de rechtbank op basis van het dossier ook niet heeft kunnen vaststellen hoe ver de mesjes waren uitgeschoven. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat aangever zou komen te overlijden. Er is dus geen sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever.

De rechtbank vindt daarom dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte heeft geprobeerd opzettelijk [aangever] van het leven te beroven spreekt de verdachte daarom vrij van de (primair ten laste gelegde) poging tot doodslag.

Zwaar lichamelijk letsel

In de tweede plaats – als poging tot doodslag niet bewezen zou kunnen worden – houdt de beschuldiging in dat de verdachte [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Het Wetboek van Strafrecht (Sr) bevat geen definitie of omschrijving van zwaar lichamelijk letsel. Artikel 82 Sr beschrijft echter wel wat in ieder geval onder zwaar lichamelijk letsel wordt begrepen. Artikel 82 Sr laat de rechter de vrijheid om ook buiten die gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen als dat letsel voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. De Hoge Raad heeft algemene gezichtspunten geformuleerd die relevant zijn voor de beoordeling of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Als algemene gezichtspunten kunnen in ieder geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Daarbij geldt dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, maar ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Daarnaast kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen. In voorkomende gevallen kan in de beoordeling verder worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meer littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.

Uit het letselonderzoek en uit het medisch advies volgt dat een spier die de beweging van de wijsvinger aanstuurt en ondersteunt bij buigen en strekken van de vingers is doorgesneden. Deze verwonding brengt een hoog risico op bewegingsproblemen van de vingers mee. Ook heeft aangever een snijwond aan de binnenzijde van de wijsvinger. Dit heeft als gevolg dat hij een gevoelsstoornis aan de binnenzijde van zijn duim heeft. Of dit (volledig) zal herstellen is volgens de medisch adviseur niet te voorspellen. De handtherapeut heeft geconstateerd dat aangever veel klachten ondervindt bij een groot deel van de dagelijkse handelingen waardoor hij beperkt is in het gebruik van zijn dominante hand. Samenvattend concludeert de adviseur dat de eindsituatie van de hand onduidelijk blijft.

Daarnaast heeft aangever aan het snijletsel in zijn hals een groot en ontsierend litteken overgehouden, zo blijkt uit het rapport van de medisch adviseur. Dit heeft de rechtbank tijdens de zitting, zo’n 10 maanden na het ontstaan van het litteken, ook geconstateerd. Van cosmetisch fraaie wondgenezing is geen sprake. Aangever heeft in het litteken ook pijnsteken en het litteken is verhard. De adviseur verwacht dat op termijn een littekencorrectie noodzakelijk zal zijn. Ook ten aanzien van het ontsierende litteken is een eindsituatie moeilijk te duiden. Verder heeft aangever nog oppervlakkige wonden aan zijn buik en arm.

Gezien de combinatie van de letsels bij aangever en het lange, onzekere en wellicht uitblijvende (volledige) herstel van het litteken in de hals en de functie van de hand, vindt de rechtbank dat het handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.

(Voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel

Voor het bewijs van zware mishandeling moet ook komen vast te staan dat de verdachte opzet heeft gehad om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte de bedoeling had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (vol opzet). De vraag is vervolgens of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.

De verdachte heeft (ongecontroleerd) zwaaiende bewegingen gemaakt met scherpe stanleymesjes. Op dat moment was sprake van een dynamische situatie, een worsteling, waarbij aangever in de directe nabijheid van de verdachte was. De verdachte heeft aangever met een stanleymesje in zijn nek/hals geraakt. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. In de hals lopen belangrijke structuren zoals de bloedvaten naar de hersenen, de luchtpijp en het strottenhoofd. Ook bevinden zich in de hals belangrijke zenuwen voor de ademhaling en de stem en de schildklier. Het is daarom een feit van algemene bekendheid dat schade aan de hals ernstig lichamelijk letsel met zich kan brengen. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat littekens lang zichtbaar blijven. De kans dat deze wonden niet herstellen is groot.

Door zo te handelen kan het niet anders zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. De verdachte heeft dan ook voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Conclusie

De rechtbank vindt wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

subsidiair

op 19 augustus 2025 te Utrecht aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door pepperspray in het gezicht van die [aangever] te spuiten en meermalen met een of meer stanleymes(sen) in de nek/hals en de buikstreek en in de arm en de hand, van die [aangever] te snijden.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4
Strafbaarheid van het feit en kwalificatie

Kwalificatie

Het (subsidiair) bewezen feit is in het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld als:

zware mishandeling.

Het feit is strafbaar.

5
Strafbaarheid van de verdachte
5.1

Beroep op rechtvaardigingsgrond

De advocaat van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen, omdat de verdachte zich mocht verdedigen. Er was sprake van noodweer(exces). Daartoe is – samengevat – aangevoerd dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding doordat aangever de verdachte uit de auto trok en haar bij de nek pakte. De verdachte moest zich op dat ogenblik verweren. De verdachte mocht zich verweren op de wijze waarop zij heeft gedaan en er was geen veilig alternatief voorhanden.

5.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat geen sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het verhaal dat de verdachte door aangever is aangevallen, is ongeloofwaardig. Bovendien had zij de mogelijkheid om de situatie te beëindigen door weg te rijden met de auto en heeft zij met haar handelingen ook de eisen van proportionaliteit overschreden.

5.3

Oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer is – in dit geval – vereist dat het snijden met een of meer stanleymesjes door de verdachte, geboden was voor de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van haar lichaam. Daarin is ook de subsidiariteits- en proportionaliteitseis voor noodweer tot uitdrukking gebracht.

De rechtbank zal allereerst beoordelen of de feitelijke toedracht, zoals de verdediging bij haar verweer heeft aangevoerd, voldoende aannemelijk is geworden. Die feitelijke toedracht gaat dus niet over het snijden met een of meer stanleymesjes door de verdachte, waarover hiervoor al is geoordeeld, maar met name wat er kort daarvoor is gebeurd. De rechter kan tot het oordeel komen dat de feitelijke toedracht aannemelijk geworden, ondanks dat er enige onzekerheid bestaat over wat er precies is gebeurd.

Feitelijke toedracht

Uit de dossierstukken en het onderzoek op de zitting heeft de rechtbank afgeleid dat de verdachte in de avond van 19 augustus 2025 met haar auto op zoek was naar aangever om met hem te praten. Over wat er daarna is gebeurd, lopen de verklaringen van de verdachte en aangever uiteen. De verdachte heeft verklaard dat zij in de auto zat, aangever naar haar toe kwam, de autodeur opentrok en haar bij de nek pakte. Hierop heeft zij met haar rechterhand uit de middenconsole een of meer stanleymesjes gepakt en aangever in zijn lichaam gesneden. Vervolgens heeft zij pepperspray in zijn gezicht gespoten. Daartegenover staat de verklaring van aangever dat de verdachte naar hem toe kwam lopen, dat de verdachte met pepperspray spoot en hem vervolgens met twee mesjes meermaals in zijn lichaam stak.

Hiervoor is al uitgelegd dat de verklaring van de verdachte op grote lijnen bevestigd wordt door getuige [getuige] . Zo verklaart hij dat er een vrouw op de bestuurdersstoel zat en dat een man aan de bestuurderszijde van de auto stond. Vervolgens heeft de getuige een snelle armbeweging gezien vanuit aangever in de richting van de vrouw. Daarna volgden snelle armbewegingen naar elkaar.

In dit licht vindt de rechtbank de door de verdachte geschetste feitelijke toedracht aannemelijk, namelijk dat aangever de eerste geweldshandeling verrichtte. Hieraan staat niet in de weg dat er enige onzekerheid bestaat over de precieze feitelijke toedracht.

De aannemelijkheid van het door de verdachte geschetste scenario wordt bovendien versterkt door het feit dat zij, vanaf het moment dat ze voor het eerst met de politie sprak tot het moment dat ze bij de rechter-commissaris werd gehoord, consistent over de gebeurtenissen heeft verklaard.

Ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door aangever. Aangever heeft namelijk de deur van de auto van de verdachte opengetrokken, stond in de deuropening en heeft toen als eerste een geweldshandeling tegen de verdachte verricht.

Subsidiariteit en proportionaliteit

De verdediging moet ook ‘geboden’ zijn. De noodzaak tot verdediging ontbreekt indien de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Onttrekking aan de aanranding moet van de verdachte kunnen worden verlangd. Dit hoeft bijvoorbeeld niet als de situatie zo bedreigend is, dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.

Gelet op de omstandigheden waaronder het geweld door aangever plaatsvond, kon van de verdachte niet worden verlangd dat zij zich daaraan onttrok. De verdachte zat op de bestuurdersstoel van haar auto, terwijl aangever in de deuropening over haar heen gebogen stond. Zij bevond zich in een benarde situatie waarin zij geen kant op kon. Daarbij komt dat de verdachte fysiek in vergelijking tot aangever in het nadeel was; aangevers is een (forse) man van 1.87m. Onder deze omstandigheden bestond er geen reële mogelijkheid meer voor de verdachte om zich aan het geweld gepleegd door aangever te onttrekken.

De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de wijze van verdediging door de verdachte proportioneel was. De maatstaf daarvoor luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De rechter beoordeelt dat dus terughoudend. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.

De verdachte heeft (ongecontroleerd) gezwaaid met stanleymesjes richting het lichaam van aangever. Van de wijze waarop de verdachte zich heeft verdedigd kan niet worden gezegd dat het in onredelijke verhouding staat tot het mogelijk slaan of het pakken bij de nek van de verdachte. Daarbij is ook van belang dat de verdachte zich in een auto bevond en niet is gebleken dat er reële alternatieven waren. Ook heeft de rechtbank daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte eerder door [aangever] is mishandeld. Omdat de verdachte zich mocht verweren tegen het tegen haar gepleegde geweld is de rechtbank van oordeel dat de verdachte niet heeft gehandeld in strijd met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

Conclusie

De verdachte is niet strafbaar omdat haar een beroep op noodweer toekomt. De verdachte zal dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het belangrijkste gevolg daarvan is dat aan de verdachte geen straf zal worden opgelegd. Daar komt de rechtbank niet aan toe.

6
In beslag genomen voorwerpen
6.1

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de in beslag genomen messen en het busje pepperspray onttrekken dienen te worden aan het verkeer.

6.2

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft ten aanzien van het beslag geen verweer gevoerd.

6.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten het busje pepperspray en de messen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Met behulp van deze voorwerpen is het bewezen verklaarde feit begaan.

7
Vordering benadeelde partij
7.1

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 198.684.64, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 25.684,64 voor vergoeding van materiële schade en

€ 173.000,- voor vergoeding van immateriële schade. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert toewijzing van de materiële schade tot een bedrag van

€ 684,64. Met betrekking tot de immateriële schade vordert de officier van justitie toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 51.500,-. Voor het overige moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Beide toe te wijzen schadebedragen moeten vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2025 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Standpunt van de verdediging

Primair verzoekt de advocaat de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair verzoekt de advocaat de rechtbank gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.

7.4

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging en legt geen straf op aan de verdachte of maatregel die een beoordeling van de vordering van de benadeelde partij mogelijk maakt. Volgens de wet kan de strafrechter in dat geval geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

Beslissing

8
De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

verklaart het primair tenlastegelegde feit niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor onder 4 is vermeld;

Strafbaarheid van de verdachte

verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging;

beslag

verklaart het busje pepperspray (goednummer 3575894) en de messen (goednummers 3575892 en 3575893) onttrokken aan het verkeer;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever]

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen;

voorlopige hechtenis

heft op het (al eerder geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mrs. J.P. Verboom en G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A. van Loon als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

zij, op of omstreeks 19 augustus 2025, te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever] van het leven te beroven, door pepperspray in het gezicht van die [aangever] te spuiten en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een of meer (stanley)mes(sen), althans met (een) scherp en/of puntig voorwerp(en), in de nek/hals en/of de buik(streek) en/of in de arm en/of de hand, althans het lichaam van die [aangever] te steken en/of te snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 19 augustus 2025 te Utrecht aan een ander, te weten [aangever]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door pepperspray in het gezicht van die [aangever] te spuiten en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een of meer (stanley)mes(sen), althans met (een) scherp en/of puntig voorwerp(en), in de nek/hals en/of de buik(streek) en/of in de arm en/of de hand, althans het lichaam van die [aangever] te steken en/of te snijden;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij, op of omstreeks 19 augustus 2025, te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door pepperspray in het gezicht van die [aangever] te spuiten en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een of meer (stanley)mes(sen), althans met (een) scherp en/of puntig voorwerp(en), in de nek/hals en/of de buik(streek) en/of in de arm en/of de hand, althans het lichaam van die [aangever] te steken en/of te snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voetnoot

Voetnoot 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025282821. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Voetnoot 2

PV VGL pagina 9.

Voetnoot 3

PV VGL, pagina 10.

Voetnoot 4

PV RDK, pagina 12.

Voetnoot 5

PV RDK, pagina 13.

Voetnoot 6

PV RDK, pagina 22.

Voetnoot 7

PV VGL, pagina 23.