Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:4063

Op 8 July 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 16-317678-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:4063. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
16-317678-24
Datum uitspraak:
8 July 2026
Datum publicatie:
8 July 2026

Indicatie

Verdenking wederrechtelijke vrijheidsberoving en (zware) mishandeling. In oktober 2024 wordt de aangever met een smoes naar een woning in Almere gelokt, waar hij door drie verdachten tegen zijn wil zou zijn vastgehouden. Twee van de verdachten worden er daarnaast van beschuldigd te hebben geprobeerd de aangever zwaar te mishandelen althans te mishandelen door meerdere geweldshandelingen uit te voeren. De rechtbank oordeelt dat alle drie de verdachten gezamenlijk hebben gehandeld bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving. De rechtbank oordeelt dat twee van de verdachten worden vrijgesproken van de poging tot zware mishandeling, maar veroordeelt hen voor de subsidiair ten laste gelegde mishandeling van de aangever.

De rechtbank legt aan twee van de drie verdachten een gevangenisstraf van 6 maanden op, met aftrek van het voorarrest.

De derde verdachte krijgt een taakstraf van 200 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, nu haar aandeel in de bewezenverklaarde vrijheidsberoving beperkter is geweest. De vordering van de benadeelde partij wordt deels en hoofdelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 23.195,85.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-317678-24

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1998] in [geboorteplaats] ,

adres [adres] , [woonplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1
Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

- de verdachte;

- de officier van justitie: mr. S.K. Lanning-Stein;

- de advocaat van de verdachte: mr. L.J.B.G. van Kleef (hierna: de advocaat);

- de benadeelde partij: [slachtoffer] ;

- de advocaat van de benadeelde partij: mr. M.C. van Megen.

2
Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:

primair

op 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen opzettelijk [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden;

subsidiair

hierbij opzettelijk behulpzaam is geweest door [slachtoffer] naar de woning te lokken, ervoor te zorgen dat [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en tijdens voornoemde situatie in het huis aanwezig te blijven en niet in te grijpen.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3
Bewijs
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de primaire beschuldiging heeft gepleegd.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken, omdat geen geweldshandelingen kunnen worden bewezen die de verdachte tot medepleger of medeplichtige kunnen bestempelen.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit

De rechtbank oordeelt dat het primair ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

3.3.2.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 4 oktober 2024 is het slachtoffer naar het adres [adres] in [woonplaats] (de woning van de ouders van de verdachte) gegaan met het idee te hebben afgesproken met een meisje, namelijk getuige [getuige] (de zus van de verdachte). Het slachtoffer had berichten ontvangen van het Instragramaccount van [getuige] , waarin zij hem uitnodigde bij haar thuis te komen. Toen het slachtoffer vervolgens op genoemd adres aankwam, is hij door meerdere personen de woning in aangevallen, vastgebonden en mishandeld. Het slachtoffer heeft fysiek letsel overgehouden aan het incident. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij is aangevallen door twee mannen, de vader en de broer (de rechtbank begrijpt: de zwager) van [getuige] . Een vrouw, vermoedelijk de zus van [getuige] , heeft hem vastgebonden. [getuige] heeft verklaard dat zij de uitnodigende berichten niet naar het slachtoffer heeft gestuurd.

Betrouwbaarheid verklaringen aangever

De rechtbank vindt de verklaringen van de aangever betrouwbaar. De aangever heeft een verklaring afgelegd bij de politie en deze op een later moment aangevuld. De verklaringen zijn uitgebreid, gedetailleerd en op grote lijnen consistent. Daarnaast vinden de verklaringen van de aangever op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om bepaalde geweldshandelingen en het vastbinden van de aangever.

Alternatief scenario verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en voert daartoe aan dat er geen handeling kan worden bewezen die de verdachte tot medepleger of medeplichtige van de wederrechtelijke vrijheidsberoving kan bestempelen. De advocaat betoogt dat de verdachte gedurende het incident op een andere verdieping in het huis was en geen uitvoeringshandelingen heeft kunnen plegen.

De rechtbank ziet dit anders. Uit de eerste verklaring van de aangever bij de politie volgt dat hij in de woning twee mannen zag en een vrouw van ongeveer vijftig jaar met een baby op haar arm. De aangever noemt haar ‘moeder’. In zijn aanvullende verklaring verklaart de aangever dat hij werd vastgebonden door de zus van [getuige] , de verdachte. Verbalisant [verbalisant 1] verklaart dat hij op de begane grond de volgende personen aantrof: de aangever, de verdachte [verdachte] , de medeverdachte [medeverdachte 1] en de medeverdachte [medeverdachte 2] . Op de eerste verdieping trof hij [A] (toen 45 jaar oud) aan, de moeder van de verdachte, met een kind op haar arm. De rechtbank concludeert dat zij de vrouw is die aangever ‘moeder’ noemt, die hij eerder op de begane grond had gezien.

De rechtbank concludeert dat de moeder van de verdachte gedurende het incident het kind heeft vastgehouden. De verdachte had dan ook alle gelegenheid om bij te dragen aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving, door de aangever vast te binden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de aanvullende verklaring van de aangever op dit punt niet te geloven. Er is geen reden om aan te nemen dat de verdachte de hele tijd op een andere verdieping is geweest. De politie trof haar nota bene op de begane grond aan. De rechtbank vindt het alternatieve scenario van de verdediging niet aannemelijk.

De verdediging heeft verder aangevoerd dat de zaak vanaf het begin ten onrechte een lading heeft gekregen van eerwraak. Het zou volgens de verdediging zo kunnen zijn dat [getuige] de situatie bewust heeft laten escaleren. Zij zou eerder melding hebben gedaan tegen haar familie van huiselijk geweld. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachten niet wisten wie de aangever was en wat hij bij hen in huis kwam doen.

De rechtbank is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. De rechtbank ziet voor dit scenario onvoldoende aanknopingspunten in het dossier en verwijst specifiek naar de verklaring van de aangever waar hij stelt dat hij een bericht van [getuige] heeft ontvangen waarin staat dat hij niet moest reageren op uitnodigingen om naar haar huis te komen, omdat haar vader en zwager hem daarheen wilden lokken. Daarnaast volgt uit het bewijs dat de verdachten wisten dat de aangever een jongen was met wie [getuige] contact had. Zo blijkt uit de verklaring van de overbuurman dat medeverdachte [medeverdachte 2] zei dat er een jongen in zijn huis was die met zijn jongste dochter appte. Uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] volgt dat zijn schoonzoon naar de aangever riep dat hij hem herkende van een filmpje. Ook heeft de overbuurman verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] precies wist waar de auto van de aangever geparkeerd stond. Dit is onmogelijk als waar is dat de verdachten in de woning werden verrast door de aanwezigheid van de aangever. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het aangevoerde alternatieve scenario ongeloofwaardig.

Wederrechtelijke vrijheidsberoving

De verdachte en de medeverdachten hebben de aangever wederrechtelijk van de vrijheid beroofd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever, nadat hij naar de woning aan de [adres] is gelokt, in de betreffende woning enige tijd van zijn vrijheid beroofd is geweest.

Verdachte en haar mededaders hebben in de woning geweld tegen de aangever gebruikt, hij is vastgebonden en er is op meerdere momenten dreigend tegen hem gesproken. Doordat aangever op geen enkel moment alleen is gelaten kon hij de woning niet zelf verlaten.

Medeplegen

De rechtbank vindt bewezen dat de verdachte bij deze vrijheidsberoving de rol van medepleger had. Medeplegen kan worden bewezen als bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De (materiële en/of intellectuele) bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit moet daarbij van voldoende gewicht zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachten nauw en bewust hebben samengewerkt. De bijdrage van de verdachte aan de vrijheidsberoving, namelijk het vastbinden van de aangever, is van zodanig gewicht dat kan worden gesproken van medeplegen. De verdachte en de medeverdachten hebben immers samen handelingen verricht om de aangever van zijn vrijheid te beroven en beroofd te houden. De aangever is naar de woning gelokt en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben meerdere geweldshandelingen tegen hem verricht. Hij werd meermaals geslagen, getrapt en er werden dreigende woorden tegen hem geuit, terwijl de verdachte hem heeft vastgebonden. Hierdoor was de aangever niet in staat zich vrij te bewegen en uit de woning weg te gaan.

Conclusie

De rechtbank vindt de primaire beschuldiging bewezen. De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachten, schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving.

De verdediging heeft verzocht om [getuige] te horen als getuige in het geval de rechtbank zou aannemen dat de verdachte degene is geweest die de berichten aan de aangever had verstuurd met de uitnodiging naar het huis te komen. De rechtbank is niet tot die vaststelling gekomen, zodat de voorwaarde van het verzoek niet is vervuld. Er is dus geen verzoek gedaan waarop de rechtbank een beslissing moet nemen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

primair:

op 4 oktober 2024 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door

- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,

- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,

- tegen die [slachtoffer] "Jij gaat het vandaag niet meer halen", "Je weet niet wie wij zijn" en "Ik ga je mond afplakken met Duck tape." te zeggen,

- meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,

- de handen en voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden en

- steeds in dezelfde ruimtevan die [slachtoffer] te verkeren, en gedurende enige tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en zich niet uit de woning kon verwijderen.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4
Kwalificatie en strafbaarheid
4.1.

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

primair: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden.

4.2.

Strafbaarheid feit en verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5
Straf
5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur, met 100 dagen vervangende hechtenis.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat voert aan dat er bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Een eventuele gevangenisstraf voegt volgens de verdediging niets toe aan de doelen van het strafrecht. De rechtbank zou kunnen volstaan met een alternatieve sanctie of met een voorwaardelijke straf.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft samen met de medeverdachten het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Zij hebben hem door geweld tegen hem te gebruiken en hem vast te binden tegen zijn wil in de woning vastgehouden. Voor het slachtoffer, een jongeman van net 18 jaar die dacht dat hij in de woning een afspraak met een hem bekend meisje zou hebben, is dit een enorm angstige ervaring geweest. Dit blijkt ook wel uit de slachtofferverklaring en de toelichting op het schadevergoedingsverzoek dat het slachtoffer heeft ingediend.

Met hun handelen hebben de verdachte en haar medeverdachten fors inbreuk gemaakt op de vrijheid van het slachtoffer. De verdachte en haar medeverdachten zijn volledig voorbijgegaan aan de gevolgen voor het slachtoffer, die hij tot de dag van vandaag ervaart. Hoewel het slachtoffer van het lichamelijk letsel is hersteld, ondervindt hij nog dagelijks de psychische gevolgen van wat hem is overkomen. Het slachtoffer was volop bezig om zijn toekomst op te bouwen, maar heeft door het handelen van verdachte en haar medeverdachten dit toekomstbeeld moeten bijstellen. De rechtbank neemt de verdachte kwalijk dat zij bijzonder weinig verantwoordelijkheid neemt voor wat zij het slachtoffer heeft aangedaan.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Uit het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026 blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 10 november 2025 met betrekking tot de verdachte. De reclassering concludeert dat de risico’s op recidive en letsel niet kunnen worden ingeschat, omdat niet duidelijk is geworden wat ten grondslag heeft gelegen aan het gedrag van de verdachte. Het risico op het onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij zien geen zwaarwegende contra-indicaties voor het opleggen van een gevangenisstraf, taakstraf of financiële sanctie. Concrete signalen die wijzen op de noodzaak van een contact- en/of locatieverbod ziet de reclassering niet.

Strafkader

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Deze straffen variëren van taakstraffen tot gevangenisstraffen van korte en langere duur, en zijn voor een groot deel afhankelijk van de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd.

De rechtbank is van oordeel dat de taakstraf die de officier van justitie eist onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van het feit. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet enkel kan worden volstaan met een taakstraf maar ziet ook aanleiding, gelet op de ernst van het feit, om de verdachte een gevangenisstraf op te leggen. Daarom en rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte legt de rechtbank aan de verdachte op:

een taakstraf van 200 uur en

een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.

Deze straf is lager dan de straffen die de rechtbank aan de medeverdachten oplegt, omdat de rol van de verdachte beperkter is.

De voorlopige hechtenis

De rechtbank ziet niet langer aanleiding de voorlopige hechtenis te laten voortduren. Om die reden zal het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven.

6
Vordering benadeelde partij
6.1.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.708,41 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij goed onderbouwd is en geheel kan worden toegewezen.

6.3.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de materiële schade heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijzen van aankoop van de kledingstukken bij de vordering zijn gevoegd. De verdediging stelt zich om die reden op het standpunt dat niet kan worden nagegaan of het daadwerkelijk merkkleding betreft of dat sprake is van namaak. Daarnaast brengt de verdediging naar voren dat uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij zijn telefoon heeft teruggekregen. De verdediging vindt het argument dat dit lang duurde, waardoor het slachtoffer een nieuwe telefoon moest kopen, niet houdbaar. De verdediging wijst erop dat er geen bewijs van aankoop van de airpods bij de vordering is gevoegd.

Voor het overige heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.4.

Oordeel van de rechtbank

Vast is komen te staan dat benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.

Materiële schade

De rechtbank wijst € 3.195,85 aan materiële schade toe voor de weggenomen airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten. De verdediging heeft het wegnemen van de airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten niet betwist. Ten aanzien van de kleding geeft de opmerking van de advocaat over de mogelijkheid dat het gaat om namaakkleding onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit ook daadwerkelijk het geval is. De verdediging heeft de feiten die de benadeelde partij heeft gesteld, onvoldoende betwist.

De kosten voor een nieuwe telefoon komen niet voor vergoeding in aanmerking. De aangever heeft zijn telefoon teruggekregen en de advocaat betwist dat schade is ontstaan aan de telefoon. Die schade is door de benadeelde partij niet nader onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat het alsnog onderbouwen ervan een onevenredige belasting zou vormen voor het strafproces. De rechtbank bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Immateriële schade

Als gevolg van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en het geweld dat daarbij is gebruikt heeft [slachtoffer] een hersenschudding en letsel aan zijn hoofd, rug, oren en gezicht opgelopen in de vorm van blauwe plekken en bloeduitstortingen. Ook heeft hij geestelijk letsel opgelopen: hij is na het incident gediagnosticeerd met PTSS.

De verdediging heeft de immateriële schade niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Gelet op de setting waarin het incident zich heeft afgespeeld, de doodsangsten die het slachtoffer heeft uitgestaan en de gestelde diagnose, begroot de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag ook rekening gehouden met de richtbedragen in de Rotterdamse schaal.

Wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 4 oktober 2024 tot de dag dat de verdachte of een ander de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 23.195,85 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Als verdachte niet betaalt, wordt deze verplichting aangevuld met 135 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [slachtoffer] .

Hoofdelijk

Omdat de verdachte het feit waarvoor de schadevergoeding worden toegekend samen met haar mededaders heeft gepleegd, zijn zij allen hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. De verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en deze vrijheidsberoving omvat ook de geweldshandelingen die zijn gepleegd tegen de aangever zoals bewezen verklaard. Dit betekent dat de verdachte tegenover [slachtoffer] voor het hele bedrag van € 23.195,85 aansprakelijk is. Ook ten aanzien van de proceskosten zijn de verdachte en haar mededaders allen hoofdelijk aansprakelijk.

Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

7
Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

8
De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft gepleegd, zoals hierboven is omschreven;

verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 200 uren;

bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;

beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, de taakstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]

wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 23.195,85, bestaande uit € 3.195,85 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 135 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en/of een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

voorlopige hechtenis

- heft op het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. D.S. Terporten-Hop en mr. S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 4 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk

[slachtoffer]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd heeft gehouden,

door

- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,

- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,

- die [slachtoffer] op de bank en/of de grond te laten zitten,

- tegen die [slachtoffer] "Jij gaat het vandaag niet meer halen", "Je weet niet wie wij

zijn" en/of "Ik ga je mond afplakken met Duck tape." te schreeuwen en/of te

zeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,

- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,

- de handen en/of voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden en/of

- steeds in dezelfde ruimte, althans in de driecte omgeving van die [slachtoffer] te

verkeren, in elk geval gedurende enig tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet

vrij kon bewegen en/of zich niet uit de woning kon verwijderen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd heeft/hebben

beroofd en/of beroofd gehouden, door

- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,

- die [slachtoffer] op de bank en/of de grond te laten zitten,

- tegen die [slachtoffer] "Jij gaat het vandaag niet meer halen", "Je weet niet wie wij

zijn" en/of "Ik ga je mond afplakken met Duck tape." te schreeuwen en/of te

zeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,

- de handen en/of voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,

- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten en/of

- steeds in dezelfde ruimte, althans in de directe omgeving van die [slachtoffer] te

verkeren, in elk geval gedurende enig tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet

vrij kon bewegen en/of zich niet uit de woning kon verwijderen,

tot en/of bij het plegen van welk feit, zij, verdachte, op of omstreeks 4 oktober 2024

te Almere, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of

inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door

- via het account van [getuige] die [slachtoffer] te lokken naar de woning aan de

[adres] ,

- steeds in dezelfde ruimte, althans in de directe omgeving van die [slachtoffer] te

verkeren, in elk geval gedurende enig tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet

vrij kon bewegen en/of zich niet uit de woning kon verwijderen en/of

- tijdens voorgenoemde handelingen in het huis aanwezig te blijven en/of bij te

dragen aan een numeriek overwicht ten opzichte van die [slachtoffer] en/of een

dreigende situatie te creëren voor die [slachtoffer] en/of niet in te grijpen.

Bijlage II: Bewijsmiddelen  (Voetnoot 1)

- een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:

Ik heb hem klappen gegeven.  (Voetnoot 2)

- een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2] , zakelijk weergegeven:

Gisteren (de rechtbank begrijpt: 4 oktober 2024) zag ik zag een worsteling tussen mijn schoonzoon (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1] ) en een jongen. Ik heb de veters van de jongen vastgemaakt. Gewoon zijn veters aan elkaar zodat hij niet weg kon rennen.

Mijn schoonzoon heeft zijn handen vastgebonden met een touwtje.  (Voetnoot 3)

Ik zag dat mijn schoonzoon die jongen aan het slaan was en mijn schoonzoon riep: “Ik heb jou op een filmpje gezien”. Toen snapte ik dus dat die jongen via social media was. Ik heb mijn schoen uitgetrokken en hem ook twee of drie keer geslagen met mijn schoen.  (Voetnoot 4)

Ik heb op zijn benen, billen geslagen en in zijn gezicht. Mijn zoon zei dat ze een filmpje hadden dat hij iets deed bij een meisje.  (Voetnoot 5)

Ik heb hem met de schoen geslagen en met de paraplu.  (Voetnoot 6)

Ik heb wel een snoer gepakt.  (Voetnoot 7)

- een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:

Op 4 oktober 2024 reed ik in Almere. Ik had contact met [getuige] via Instagram. [getuige] gaf haar straatnaam op. Toen ben ik naar de straat gereden waar [getuige] zou wonen.  (Voetnoot 8)

Ik liep de [straat] in. Ik las op Instagram dat [getuige] mij een bericht stuurde, dat de voordeur open zou staan. Daarom dacht ik dat ik bij deze woning moest zijn.

Ik liep de woning in. Ik hoorde opeens achter mij een geluid van voetstappen. Ik draaide mij om en er werd direct een hand voor mijn ogen gehouden. Ik voelde dat ik werd vastgepakt om mijn middel. Ik ben op de grond gegooid. Ik zag twee mannen en een vrouw voor me staan. Ik hoorde een man zeggen: “Jij gaat het vandaag niet meer halen”.

Ik zag dat beide mannen mij sloegen. Ik voelde dat één van die mannen mij aan mijn haar trok. Dit zag ik ook. De andere man bleef met vuisten op mijn hoofd slaan.  (Voetnoot 9)

Persoon 1 noem ik ‘vader’.

Persoon 2 noem ik ‘broer’.

Persoon 3: vrouw, had een baby in haar handen, leeftijd ongeveer 50 jaar.

Persoon 3 noem ik ‘moeder’  (Voetnoot 10)

Ik hoorde broer zeggen: “Je weet niet wie wij zijn”. Ik voelde en zag dat broer mij op mijn hoofd trapte. Ik hoorde de broer zeggen: “Ik ga je mond afplakken met Duck tape”.  (Voetnoot 11)

Ik zag dat de broer mij bij mijn keel vastpakte. Ik voelde een sterke greep om mijn keel heen. Ik kreeg bijna geen adem.  (Voetnoot 12)

Ik zag vader met een paraplu op mijn beide enkels slaan. Ik zag dat broer mijn haar vastpakte met zijn rechterhand en ik zag dat broer mij met zijn linkerhand sloeg op mijn hoofd.  (Voetnoot 13)

Ik zag en voelde dat vader en broer mij ook trapten. In mijn gezicht, mijn buik en op mijn rug. Ik zag dat vader zijn hand naar achter bracht met daarin het witte snoer en zag dat vader met kracht met dit snoer op mijn knieën sloeg. Ik zag dat ik met mijn polsen aan elkaar werd vastgebonden met een wit touw. Ik zag dat dit ook gebeurde met mijn enkels. Dit ook met een wit touw. Dit werd gedaan door een vrouw. Ik zag dat vader mij met één hand bij mijn haren vasthield en trok over de vloer van de woonkamer richting de bank. Ik zag dat vader een schoen uittrok. Ik zag dat vader mij met deze schoen hard in mijn gezicht sloeg.  (Voetnoot 14)

- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende aanvullende informatie van de aangever [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:

Op 11 oktober 2024 sprak ik telefonisch met het slachtoffer [slachtoffer] .

Hij vertelde de volgende informatie die voor het onderzoek van belang is:

De zus van [getuige] had in de woning zijn voeten met een verlengsnoer bij elkaar gebonden.  (Voetnoot 15)

- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende contact slachtoffer [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:

Het slachtoffer verklaarde dat hij op 5 oktober 2024 zag dat er een bericht op Snapchat was van [getuige] .

Hierop zag hij een tekst welke hij nog niet eerder had gezien. In de tekst stond dat hij niet naar de woning moest komen omdat de vader en de broer hem naar de woning zouden hebben gelokt.  (Voetnoot 16)

- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 2] , zakelijk weergegeven:

Op 4 oktober 2024 zag ik dat de overbuurman (de rechtbank begrijpt de medeverdachte [medeverdachte 2] ) voor de deur stond.

Zijn woning is [adres] . Ik holde met de buurman mee naar de overkant van de straat. Ik hoorde buurman [verdachte] iets zeggen van “die jongen appt ook steeds met dochter”.  (Voetnoot 17)

Ik zag dat de jongeman aan handen en voeten gebonden was middels veters en ik zag ook dat de jongeman meerdere verwondingen aan zijn gezicht had. Achter de jongen zag ik een deel van een paraplu liggen.  (Voetnoot 18)

Buurman [verdachte] liep op de jongen af en gaf hem een klap vol in zijn gezicht. Buurman [verdachte] gebruikte hiervoor een schoen.  (Voetnoot 19)

Ik zag in de keuken nog twee personen staan, die ik herkende als de oudste dochter van buurman [verdachte] (de rechtbank begrijpt [verdachte] , [1998] ) en zijn echtgenote.

- een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , zakelijk weergegeven:

Op 4 oktober 2024 was ik aan de [adres] in [woonplaats] .

Ik zag in de woonkamer een jongen op de grond liggen. Deze jongen bleek mij te zijn: [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] divers zichtbaar letsel had.

Verder zag ik in de ruimte op de grond een wit verlengsnoer liggen. Ook lag er een paraplu op de grond.  (Voetnoot 20)

- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] , zakelijk weergegeven:

Op 4 oktober 2024 was ik in de [adres] in [woonplaats] .

Ik zag verschillende personen op de begane grond. Deze bleken later te zijn:  (Voetnoot 21)

[slachtoffer]

[medeverdachte 2]

[verdachte]

[medeverdachte 1]  (Voetnoot 22)

Hierop ben ik naar de eerste verdieping gelopen. Aldaar zag ik een vrouw die bleek te zijn:

[A] , geboren op [1979] .

Ik zag dat zij een kind van ongeveer 1 jaar oud op haar arm hield.  (Voetnoot 23)

- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 4] , zakelijk weergegeven:

Op 4 oktober 2024 kwam ik ter plaatse op de [adres] te [woonplaats] . Ik zag een zwarte autosleutel op tafel liggen. Ik vroeg van wie de sleutel was. Ik

hoorde [slachtoffer] zeggen dat dit zijn autosleutel was. Ik besloot samen met een man naar de auto te lopen. Die man gaf aan dat hij wist waar de auto stond. Deze man bleek later te zijn:

* [medeverdachte 1] , geboren op [1992] *

Hij is later als verdachte aangemerkt. Ik vond het vreemd dat hij precies wist waar het voertuig van [slachtoffer] stond. De sleutel werkte en de auto ging van zijn vergrendeling af.  (Voetnoot 24)

- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] , zakelijk weergegeven:

NOOT verbalisant: Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de onderstaande berichten niet heeft verstuurd.  (Voetnoot 25)

Chat 202 [chatnaam][getuige] 4-10-2024 19:59:03 “Wil je komen”

Chat 205 [chatnaam][getuige] 4-10-2024 20:25:19 “Ja ben alleen”

Chat 208 [chatnaam][getuige] 4-10-2024 20:27:36 “ [straat]

Chat 223 [chatnaam][getuige] 4-10-2024 21:02:23 “Je kan komen babe”

Chat 236 [chatnaam][getuige] 4-10-2024 21:07:27 “Kom eventjes binnen”  (Voetnoot 26)

- een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 9 oktober 2024, inhoudende de verklaring van de verdachte [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:

Vraag: Is die jongen die in het huis was ( [slachtoffer] ) met een soort smoes naar de [adres] in [woonplaats] gekomen?

Antwoord: Ja.

Voetnoot

Voetnoot 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024315295, doorgenummerd pagina 1 tot en met 249. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Voetnoot 2

Pagina 53.

Voetnoot 3

Pagina 27-28.

Voetnoot 4

Pagina 28.

Voetnoot 5

Pagina 28.

Voetnoot 6

Pagina 29.

Voetnoot 7

Pagina 30.

Voetnoot 8

Pagina 101.

Voetnoot 9

Pagina 102.

Voetnoot 10

Pagina 102.

Voetnoot 11

Pagina 102.

Voetnoot 12

Pagina 102.

Voetnoot 13

Pagina 103.

Voetnoot 14

Pagina 103.

Voetnoot 15

Pagina 153.

Voetnoot 16

Pagina 122.

Voetnoot 17

Pagina 111.

Voetnoot 18

Pagina 112.

Voetnoot 19

Pagina 112.

Voetnoot 20

Pagina 76.

Voetnoot 21

Pagina 89.

Voetnoot 22

Pagina 90.

Voetnoot 23

Pagina 90.

Voetnoot 24

Pagina 86.

Voetnoot 25

Pagina 159.

Voetnoot 26

Pagina 165-166.