Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:4171

Op 10 July 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 16-019115-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:4171. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
16-019115-25
Datum uitspraak:
10 July 2026
Datum publicatie:
10 July 2026

Indicatie

Valse bommelding op het politiebureau Paardenveld in Utrecht. De verdachte is het politiebureau binnengelopen in gesluierde kleding en heeft meermaals geroepen dat zij een bom had. Vervolgens is zij gaan bidden en heeft zij religieuze teksten in het Arabisch geroepen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van bedreiging met een terroristisch misdrijf. Het handelen van de verdachte heeft een diepe indruk gemaakt op de personen die zich in het politiebureau bevonden en heeft het belangrijke politiewerk urenlang stilgelegd. De verdachte heeft de feiten gepleegd als schreeuw om hulp en uit niets blijkt dat zij er extremistische ideeën op nahoudt. De samenleving is erbij gebaat dat de verdachte hulp krijgt om ervoor te zorgen dat zoiets niet nog een keer gebeurt. De rechtbank legt daarom een gevangenisstraf op van 12 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder een behandelverplichting.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-019115-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 juli 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1980] in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1
Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 19 juni 2026. Het onderzoek is gesloten op 10 juli 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

de verdachte;

de officier van justitie: mr. M.S. Martherus-Meijers;

de advocaat van de verdachte: mr. S. Schilder (hierna: de advocaat);

de slachtoffers: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , bijgestaan door [A] van Slachtofferhulp Nederland.

2
Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:

feit 1

op 17 januari 2025 in Utrecht medewerkers van de Politie Midden-Nederland, en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaan en/of een misdrijf tegen leven gericht en/of zware mishandeling;

feit 2

op 17 januari 2025 in Utrecht een of meerdere voorwerpen op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats heeft achtergelaten en/of geplaatst, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3
Bewijs
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van feit 1. Volgens haar kan niet worden bewezen dat de verdachte heeft gedreigd met een terroristisch misdrijf. Ook kan niet worden bewezen dat de verdachte [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft bedreigd. Ten aanzien van feit 2 refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank.

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewijsmiddelen feiten 1 en 2

De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2 zijn bewezen. De rechtbank baseert haar oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

3.3.2.

Bewijsoverwegingen feit 1

Inleiding

De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast. In de middag van 17 januari 2025 liep de verdachte naar binnen bij het politiebureau [locatie] in Utrecht. Ze droeg donkere kleding, haar gezicht was grotendeels bedekt en ze droeg twee tassen. Ze liep naar een politiemedewerker en zei dat ze zichzelf kwam aangeven. Vervolgens zei ze tegen deze medewerker: “ik heb een bom”. Daarop werd door die medewerker op de noodknop gedrukt en het politiebureau werd ontruimd. Tijdens de ontruiming legde de verdachte haar tassen op de vloer en ging ze daarnaast zitten. Zittend boog ze zich meerdere malen voorover. Ze zei nogmaals dat ze een bom had. Ook riep zij meerdere religieuze teksten in het Arabisch, zoals “allahoe akbar”. Na een tijdje liep zij naar buiten en werd zij door de politie aangehouden. Toen zei ze dat ze de bom op de balie had neergelegd.

De rechtbank moet vaststellen of het gedrag van de verdachte in juridische zin een bedreiging is. De verdachte wordt meerdere varianten van bedreiging verweten: (1) met een terroristisch misdrijf, (2) met een misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaan, (3) met een misdrijf tegen leven gericht en (4) met zware mishandeling. De advocaat betoogt dat de verdachte in ieder geval niet schuldig is aan bedreiging met een terroristisch misdrijf. De verdachte had namelijk geen terroristisch motief. Bovendien vindt zij dat door het gedrag van de verdachte geen redelijke vrees voor een terroristisch misdrijf is ontstaan. Ook was geen sprake van opzet op het ontstaan van een dergelijke vrees. De verdachte handelde enkel vanuit een acute psychische noodsituatie.

De bedreiging

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met een terroristisch misdrijf is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging. Verder moet door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij betrokkenen in redelijkheid de vrees kunnen ontstaan dat het misdrijf zou worden uitgevoerd en dat het erop was gericht (i) de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel (ii) een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel (iii) de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of vernietigen.

De rechtbank is van oordeel dat bij de betrokkenen de redelijke vrees voor een terroristisch misdrijf kon ontstaan. Zij bevonden zich namelijk allen in het politiebureau en hebben de verdachte gehoord en gezien. Getuige [slachtoffer 3] en meerdere politiemedewerkers hoorden dat de verdachte zei dat ze een bom had en dat ze Islamitische teksten riep. Voor de getuigen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] valt, zoals de advocaat aanvoert, uit het dossier inderdaad niet op te maken dat zij hebben gehoord dat de verdachte zei dat ze een bom had. Zij hebben echter wel gehoord dat de verdachte Islamitische teksten riep en zagen de paniek en de geschrokken reacties van politiemedewerkers. Dit maakt dat ook zij naar het oordeel van de rechtbank op de hoogte waren van het dreigement. De islamitische teksten zijn eerder geuit bij terroristische aanslagen. Dat deze teksten ook in zuiver religieuze zin gebruikt worden ontneemt in de gegeven omstandigheden niet de dreigende strekking ervan. Die woorden kunnen niet los gezien worden van de mededeling van de verdachte dat zij een bom had, dat de teksten luid werden geuit en dat dit allemaal in een politiebureau – en niet in een gebedshuis of bij een religieuze bijeenkomst - plaatsvond.

De rechtbank vindt ook dat bij de betrokkenen redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf erop was gericht om de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen. De verdachte zei en riep haar dreigende teksten in het hoofdbureau van de politie Midden-Nederland, waar eerder voor een terroristische aanslag valt te vrezen dan op andere plekken. Een bomaanslag op een zodanige plaats, daar waar de politiemacht zich bevindt is ernstig ontwrichtend voor de maatschappij en jaagt de bevolking ernstige vrees aan.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bij de betrokkenen redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf, een bom laten afgaan in het politiebureau, zou worden uitgevoerd en dat het misdrijf erop was gericht de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen. Deze vrees maakt ook dat de rechtbank vindt dat deze bedreiging ook valt te kwalificeren als de overige verweten varianten van bedreiging.

Voorwaardelijk opzet

Verder moet de rechtbank beoordelen of het opzet van de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, erop was gericht de vrees voor een terroristisch misdrijf te laten ontstaan. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat deze vrees ontstaat. Niet vereist is dat de bedreiging zelf met een terroristisch oogmerk plaatsvindt.

Uit het dossier volgt niet dat de verdachte vol opzet had op het doen ontstaan van die vrees. Maar de gedragingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het veroorzaken van vrees voor een terroristisch misdrijf, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat die vrees zou ontstaan bewust heeft aanvaard. De verdachte riep namelijk op een hoofdbureau van de politie van een grote stad dat ze een bom had, riep islamitische teksten, ging bidden en droeg versluierende kleding. Het dossier bevat geen indicaties voor het tegendeel. Want anders dan de advocaat betoogt, is het motief van de verdachte voor het laten ontstaan van de vrees niet van belang. Dat de verdachte het doel had om hulp te krijgen, maakt voor de bewezenverklaring niet uit. De rechtbank oordeelt daarom dat het voorwaardelijk opzet van de verdachte erop gericht was om de vrees voor een terroristisch misdrijf te laten ontstaan.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

1

zij op 17 januari 2025 te Utrecht medewerkers van Politie Midden-Nederland en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] , heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling,

door

de ontvangsthal van het politiebureau aan de [adres] binnen te lopen en

vervolgens tegen een medewerkster te zeggen "ik heb een bom" althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

vervolgens een tas op de grond te zetten en bij de tas te gaan zitten en liggen en de woorden “Allahu Akbar" en “Asha do anna la elahe ellallho” en “ik heb een bom", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking te zeggen/roepen en

vervolgens een telefoon op de balie te leggen en de tas in het politiebureau achter te laten en

vervolgens nadat zij het bureau had verlaten tegen politieambtenaren te zeggen “ik heb de bom op de balie gelegd", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2

zij op 17 januari 2025 te Utrecht meerdere voorwerpen, te weten een mobiele telefoon (merk Nokia) en een tas met inhoud, op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten in het politiebureau aan de [adres] , heeft achtergelaten en/of geplaatst, met het oogmerk andere ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht.

4
Kwalificatie en strafbaarheid
4.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feiten 1 en 2:

eendaadse samenloop van:

bedreiging met een terroristisch misdrijf, met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;

en

een voorwerp op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats achterlaten of plaatsen met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht.

4.2.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5
Straf
5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).

5.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt om geen hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan het voorarrest.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt de eis van de officier van justitie en legt aan de verdachte een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan een gedeelte van 7 maanden voorwaardelijk. Daarvan wordt het voorarrest afgetrokken, waardoor de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Aan het voorwaardelijke deel worden de bijzondere voorwaarden verbonden die de reclassering heeft geadviseerd. Dat zijn kort gezegd: een meldplicht, ambulante behandeling met de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname en dagbesteding. De proeftijd wordt bepaald op drie jaar.

Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

Hoewel het handelen van de verdachte was bedoeld als schreeuw om hulp, heeft de bedreiging met een terroristisch misdrijf zoals hiervoor (3.3.2) beschreven op veel mensen een diepe indruk achtergelaten. Voorop staan de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , die door trauma’s uit hun hun verleden ernstig geraakt zijn door de daden van de verdachte. Beiden hebben op zitting een slachtofferverklaring afgelegd, waaruit blijkt hoeveel last zij hebben van de gevolgen. Zij ervaren nog steeds slapeloosheid en hebben ernstige psychische problemen. Maar ook bij politiemedewerkers heeft de verdachte leed aangericht. Uit de aangiftes en getuigenverklaringen blijkt hoe erg zij zijn geschrokken en dat zij voor hun leven hebben gevreesd. Bovendien heeft de verdachte het belangrijke werk van de politie urenlang stilgelegd. Dit kan ernstige gevolgen hebben voor mensen die de hulp nodig hebben van de politie.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De verdachte is onderzocht door een psychiater. In het rapport van 10 juli 2025 over dit onderzoek staat dat de verdachte een borderline persoonlijkheidsstoornis heeft. Daardoor is ze instabiel op het gebied van emoties, relaties en zelfbeeld. Als ze zich in de steek gelaten voelt, kan dat gevoelens van woede en wanhoop oproepen, die ze moeilijk kan controleren. Dit kan tot impulsdoorbraken leiden op gebieden die mogelijk destructief kunnen zijn. Deze stoornis had invloed op het ten laste gelegde handelen. De psychiater adviseert het ten laste gelegde verminderd aan haar toe te rekenen, omdat haar stoornis invloed had op haar gedrag, maar niet overweldigend. In de periode voor het ten laste gelegde had ze namelijk andere keuzes kunnen maken. Bovendien ziet de psychiater aanwijzingen dat de verdachte doelbewust handelde, in de hoop hulp te krijgen.

Het risico op recidive wordt als matig tot hoog ingeschat. Langdurige begeleiding moet er voor zorgen dat de verdachte zich niet aan zorg onttrekt, dat ze contact houdt met haar familie, dat ze haar medicatie correct neemt, dat ze zich van drugs onthoudt, dat ze een zinvolle dagbesteding houdt en dat ze haar woning behoudt. De voorgeschiedenis leert dat zij onder deze voorwaarden langere tijd stabiel kan blijven. Verlies van één van de ondersteunende factoren, zoals een conflict met familie of verlies van werken, kan een proces van afglijden in gang zetten. Dit proces lijkt niet zeer snel te gaan. Daarom kan toezicht binnen een ambulant kader volgens de psychiater volstaan.

In een rapport van 9 januari 2026 adviseert de reclassering dat het risico op recidive matig tot hoog is. Om dit risico te verminderen, adviseert de reclassering om aan de verdachte als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling bij de Waag (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname) en dagbesteding op te leggen. Het advies is om deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Bovendien adviseert de reclassering aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) op te leggen. Op 17 juli 2026 heeft de reclassering in een e-mail aangegeven dat het beter gaat met de verdachte en dat zij zich goed houdt aan haar schorsingsvoorwaarden.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie volgt verder dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

Eendaadse samenloop

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Sr. De bewezenverklaarde gedragingen leveren immers een samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op, zodat de verdachte daarvan één verwijt kan worden gemaakt.

Straf

Een bedreiging met een terroristisch misdrijf is een ernstig feit. Daarbij past een flinke onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet tegelijkertijd in dat het niet verstandig is om de verdachte terug te sturen naar de gevangenis. De verdachte en de samenleving zijn er namelijk meer bij gebaat dat zij de hulp krijgt die ze nodig heeft om ervoor te zorgen dat zoiets niet nog een keer kan gebeuren. Bovendien is de verdachte al aanzienlijk gestraft doordat zij 5 maanden in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank neemt ook mee dat uit niets blijkt dat de verdachte er extremistische ideeën op nahoudt. Daar komt bij dat de rechtbank het advies van de psychiater om het ten laste gelegde verminderd aan de verdachte toe te rekenen overneemt. De rechtbank vindt daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest van de verdachte van 5 maanden passend. Wel vindt de rechtbank het belangrijk om een flinke waarschuwing af te geven en dat de verdachte de komende tijd in de gaten wordt gehouden. Daarom legt zij boven op het onvoorwaardelijke deel een voorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden op met een proeftijd van 3 jaar. Daaraan koppelt zij de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd.

Dadelijk uitvoerbaar

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten bedreiging met een terroristisch misdrijf.

Gelet op de rapportages van de psychiater en de reclassering is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte (zonder de bijzondere voorwaarden) opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de bijzondere voorwaarden die verdachte zal worden opgelegd en het toezicht door de reclassering, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Géén GVM

Omdat de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf meer hoeft uit te zitten en er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte zich niet aan de gestelde voorwaarden zal houden, zal de rechtbank géén gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) opleggen.

De voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6
In beslag genomen voorwerpen
6.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier stelt zich op het standpunt dat de in beslag genomen Nokia-telefoon terug kan naar de verdachte.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdachte hoeft de telefoon niet terug. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan de verdachte van de in beslag genomen telefoon met voorwerpnummer PL0900-2025017503-3469481.

7
Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- Artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 142a en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

8
De beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (150 dagen), bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 7 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 3 jaren vast;

als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte:

zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

zich ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte:

zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met bij Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken. De reclassering bepaalt welke gespreksonderwerpen van belang zijn om een inschatting te kunnen maken van de recidive- en veiligheidsrisico’s. De verdachte moet meewerken aan deze gesprekken en openheid van zaken geven over de door de reclassering bepaalde gespreksonderwerpen, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag Utrecht of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

zich inspant voor het behouden van zinvolle dagbesteding, zolang de reclassering dat nodig vindt;

- waarbij de Reclassering Nederland opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

- gelast de teruggave aan de verdachte van de telefoon met goednummer PL0900-2025017503-3469481;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter, mr. L.R.H. Koekoek en mr. C. Van Wambeke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. van Grinsven als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1

zij op of omstreeks 17 januari 2025 te Utrecht, althans in Nederland, medewerkers van Politie Midden-Nederland en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] , althans een of meerdere personen heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf en/of met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- de ontvangsthal van het politiebureau aan de [adres] binnen te lopen en/of

- ( vervolgens) tegen een medewerkster te zeggen "ik heb een bom" althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- ( vervolgens) een tas op de grond te zetten en/of bij de tas te gaan zitten en/of liggen en/of de woorden “Allahu Akbar" en/of “Asha do anna la elahe ellallho” en/of “ik heb een bom" althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking te zeggen/roepen en/of

- ( vervolgens) een telefoon op de balie te leggen en/of de tas in het politiebureau achter te laten en/of

- ( vervolgens) nadat zij het bureau had verlaten tegen politie-ambtenaren te zeggen “ik heb de bom op de balie gelegd", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2

zij op of omstreeks 17 januari 2025 te Utrecht een of meerdere voorwerp(en), te weten een mobiele telefoon (merk Nokia) en/of een tas met inhoud, op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten in het politiebureau aan de [adres] , heeft achtergelaten en/of geplaatst, met het oogmerk (een) ander(en) ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht.

Bijlage II: Bewijsmiddelen  (Voetnoot 1)

Ten aanzien van feiten 1 en 2:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 juni 2026, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

Op 17 januari 2025 ben ik het politiebureau op het [locatie] in Utrecht binnengelopen. Ik zei tegen de mevrouw achter de balie: “Ik kom mezelf aangeven”. Ik heb toen een valse bommelding gedaan. Ik heb het woord bom gezegd, of iets wat daarop leek. Ik had geloofskleding aan en ik riep in het Arabisch “God is groot”.

2. Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 3] , opgemaakt op 17 januari 2025, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 17 januari 2025 omstreeks 14:00 uur was ik aan het werk op het politiebureau aan de [adres] te Utrecht. Ik zag dat er een vrouw naar mijn balie toeliep met gezichtsbedekkende kleding, waardoor ik alleen haar ogen kon zien. Ze was donker gekleed en droeg volgens mij een boerka. De vrouw zei tegen mij “ik heb een bom”. Ik zag dat de vrouw haar handen naast haar hoofd hield en 3 keer met luide stem "Allah u akbar" riep. (Voetnoot 2)

3. Het proces-verbaal van bevindingen van meerdere verbalisanten, opgemaakt op 17 januari 2025, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 17 januari 2024 waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] ,

van [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , aanwezig in het hoofdbureau van

politie te Utrecht. Wij zagen dat een persoon geknield op de grond zat. Voor haar lag een tas. Wij hoorden dat de persoon “Allahu Akbar” en met verheven stem “ik heb een bom” zei. (Voetnoot 3)

4. Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 2] , opgemaakt op 17 januari 2025, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

Ik was in het politiebureau in Utrecht en zag een vrouw met hoofddoek en gezichtsbedekking waardoor alleen haar ogen zichtbaar waren. De vrouw zei eerst rustige Koranteksten en riep toen meerdere keren hard Allah ho Akbar. Daarna zei ze “Asha do anna la elahe ellallho”. Ik zag dat een agent wegrende. Ik zag dat hij zijn hand op zijn pistool legde om actie te ondernemen als het nodig was. Wij herkenden de situatie als een aanslag. (Voetnoot 4)

5. Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] , opgemaakt op 17 januari 2025, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

Ik was op 17 januari 2025 in het politiebureau in Utrecht. Ik zag een vrouw compleet bedekt met kleding en een boerka het bureau inlopen. Ik hoorde dat de vrouw in het Arabisch “god is groot” en “ik accepteer dat er alleen één god bestaat” zei. Ze zei het twee keer met zachte stem en daarna schreeuwde ze dit meerdere malen hard. Ik zag dat er meerdere mensen schrokken van de schreeuwende vrouw. Ik zag dat een vrouw trilde van angst. Ik zag dat zelfs politieagenten wegliepen van het incident. (Voetnoot 5)

6. Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 7] , opgemaakt op 18 januari 2025, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 17 januari 2025 zag ik dat uit het politiebureau [locatie] een volledig gesluierde vrouw naar buiten kwam lopen. (Voetnoot 6) Ik hoorde haar zeggen: “ik heb het binnengelaten op de balie. De telefoon, hij ligt op de balie! De bom, de bom heb ik binnen bij de balie achtergelaten!”. (Voetnoot 7)

7. Proces-verbaal van het uitkijken van camerabeelden, opgemaakt op 18 januari 2025, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 17 januari 2025 liep een vrouw bij het politiebureau [locatie] te Utrecht naar binnen die vertelde dat zij een bom bij zich had. (Voetnoot 8) De beelden daarvan zijn uitgewerkt. (Voetnoot 9)

Tijd: 13:51:03: Te zien is dat de verdachte het politiebureau in loopt richting een balie. Te zien is dat de verdachte gezichtsbedekking draagt en twee tassen met zich meevoert. (Voetnoot 10)

Tijd: 13:52:30: Te zien is dat de verdachte een tas op de grond plaatst. (Voetnoot 11)

Tijd: 13:52:45: Te zien is dat de verdachte op de grond bij haar spullen gaat zitten. Te zien is dat zij met haar boven lichaam naar voren en achter beweegt. (Voetnoot 12)

Tijd: 14:02:52: Te zien is dat het voorwerp, wat eerder door de verdachte uit de bruine tas gehaald is, op de balie gelegd wordt. Zeer waarschijnlijk betreft het hier de Nokia telefoon die later in beslag werd genomen, echter dit is op de beelden niet goed te zien. (Voetnoot 13)

Tijd: 14:03:48: Te zien dat de verdachte haar bruine en witte tas op de grond legt en naar buiten loopt. (Voetnoot 14)

8. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict, opgemaakt op 19 januari 2025, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

Op zaterdag 18 januari 2025 kwamen wij, naar aanleiding van een bommelding, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres] te Utrecht. (Voetnoot 15) Op de balie zagen wij een Nokia telefoon liggen. (Voetnoot 16)

9. Het proces-verbaal van aangifte namens de Nationale Politie, opgemaakt op 24 januari 2025, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:

Op 17 januari 2025 werd een melding gedaan dat een vrouw het politie bureau aan de [adres] te Utrecht was binnen komen lopen welke geheel gesluierd was en aangaf een bom met zich mee te voeren.

Door deze melding zijn zeer veel politie processen binnen en buiten het bureau verstoord of zelf stil komen te liggen, met grote gevolgen voor de maatschappij. Het volledige bureau is ontruimd, waarbij circa 150 medewerkers van de politie en partners zijn onder gebracht in een opvang locatie bij evenementen locatie Tivoli.

Onder andere de navolgende processen weden stil gelegd:

- Incident afhandeling: Door de melding zijn zeer veel eenheden van het district ingezet bij de afzetting en ontruiming van het bureau. De daadwerkelijke aansturing van de incident afhandeling (Voetnoot 17) van het basisteam Utrecht Centrum, welke plaats vindt vanuit dit bureau werd stilgelegd.

- Openbaar ministerie ZSM: Daar de afdeling ZSM voor de gehele eenheid is gevestigd in het bureau, werd dit proces stil gelegd en konden zaken in de gehele eenheid niet worden afgerond. Binnen het proces van ZSM zijn eveneens diverse ketenpartners werkzaam, zoals de reclassering en raad van de kinderbescherming.

- Service afdeling: Alle medewerkers vielen onder het personeel dat werd ontruimd/

geëvacueerd. Hierdoor zijn geplande aangiftes afgezegd en zijn direct burgers

geschaad.

- Ophoudgebied: Ten tijde van de melding zaten er 2 verdachten ingesloten en deze zijn geëvacueerd door de Dienst Arrestenvervoer en overgebracht naar het cellencomplex in Houten.

Pas na vele uren en onderzoek, door onder andere de Explosieve opruimingsdienst, kon het bureau, rond 17.00 uur weer vrijgegeven worden en konden de processen worden opgestart. (Voetnoot 18)

Voetnoot

Voetnoot 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland, met proces-verbaalnummer 2025017503, doorgenummerd pagina 1 tot en met 186. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Voetnoot 2

Pagina 17.

Voetnoot 3

Pagina 44.

Voetnoot 4

Pagina 14.

Voetnoot 5

Pagina 24.

Voetnoot 6

Pagina 64.

Voetnoot 7

Pagina 65.

Voetnoot 8

Pagina 67.

Voetnoot 9

Pagina 68.

Voetnoot 10

Pagina 69.

Voetnoot 11

Pagina 72.

Voetnoot 12

Pagina 73.

Voetnoot 13

Pagina 79.

Voetnoot 14

Pagina 81.

Voetnoot 15

Pagina 159.

Voetnoot 16

Pagina 160.

Voetnoot 17

Pagina 156.

Voetnoot 18

Pagina 157.