4.3.
4.3.1
Beoordelingskader
De rechtbank stelt voorop dat voorzichtig en terughoudend moeten worden omgegaan met het beoordelen van politiegeweld. De politie moet haar werk namelijk vaak doen in moeilijke en gevaarlijke omstandigheden.
De wet bepaalt dat alleen de politie geweld mag gebruiken om strafbare feiten te voorkomen of op te sporen. De politie heeft een geweldsmonopolie. Dit recht brengt een grote verantwoordelijkheid met zich en daarom gelden er strenge regels voor het gebruik van geweld door de politie. Juist ook omdat de politie deze speciale positie en rechten heeft, is het belangrijk dat er goed onderzoek wordt gedaan naar de toedracht en het gebruik van het geweld.
De regels en voorschriften over het gebruik van geweld door opsporingsambtenaren staan in de Politiewet 2012 en in de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en ander opsporingsambtenaren (hierna de: de Ambtsinstructie).
Volgens artikel 7, eerste lid, Politiewet 2012 mag een politieambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld gebruiken wanneer het beoogde doel dit rechtvaardigt en het doel niet op een ander manier kan worden bereikt. Dit betekent dat het optreden van de politie moet getuigen van terughoudendheid bij het gebruik van geweld. Geweld mag slechts worden aangewend wanneer in het gegeven geval andere, minder ingrijpende middelen niet toereikend zijn (subsidiariteit). Daarnaast moet de wijze waarop het geweld wordt gebruikt op grond van (het destijds geldende) artikel 7, zevende lid (thans het vijfde lid), Politiewet 2012 proportioneel zijn. Dat wil zeggen dat het geweld in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd moet zijn. Aan het geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.
De rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) geeft een beoordelingskader voor de rechtmatigheidstoets van geweldshandelingen van politieambtenaren, waaraan de rechtbank zich moet houden.
Uit die rechtspraak volgt in algemene zin dat politieambtenaren alleen geweld mogen gebruiken tegen een persoon voor zover dat door de gedragingen van die persoon strikt noodzakelijk is (EHRM 28 september 2015, nr. 23380/09, Bouyid tegen België [GC], §§ 100-101). De politieambtenaren mogen geweld gebruiken om iemand te arresteren, bijvoorbeeld als er reden is om te geloven dat iemand zich gaat verzetten tegen aanhouding of zich gaat onttrekken aan de aanhouding of letsel of schade gaat veroorzaken, mits dat geweld alleen gebruikt wordt als dat noodzakelijk is en niet excessief is (EHRM 9 oktober 2015, nr. 32325/13, Mafalani tegen Kroatië). Deze kaders zijn naar het oordeel van de rechtbank in lijn met de toets die wordt benoemd in artikel 7, eerste lid van de Politiewet, zoals hiervoor omschreven.
Verder volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat de rechter niet, achteraf oordelend, los van de omstandigheden van het geval, zijn eigen beoordeling in de plaats mag stellen van die van een politieambtenaar in de hitte van de strijd (EHRM 17 juni 2005, nr. 50196/99, Bubbins tegen Verenigd Koninkrijk). De rechtbank moet beoordelen of het toegepaste geweld noodzakelijk was, met in achtneming van zowel de objectieve feiten en omstandigheden zoals deze ten tijde van de gebeurtenissen bekend waren, als de subjectieve beleving daarvan door de betreffende politieambtenaar op het moment van handelen (EHRM 30 maart 2016, nr. 5878/08, Armani da Silva tegen Verenigd Koninkrijk).
4.3.2
De beoordeling
De rechtbank komt in dit vonnis - kort gezegd - ook tot het oordeel dat de verdachte heeft gehandeld overeenkomstig de wet- en regelgeving. De rechtbank komt tot vrijspraak van de verdachte, omdat de ten laste gelegde mishandeling niet bewezen is.
Hieronder zal de rechtbank ingaan op de rechtsvragen en uitleggen hoe zij tot haar beslissing is gekomen.
De verdachte wordt er van beschuldigd dat hij [slachtoffer] aan zijn haren heeft getrokken en vervolgens aan zijn haren heeft voortgetrokken over straat.
Op basis van het dossier kan de rechtbank het volgende vaststellen.
Zowel [slachtoffer] als de verdachte verklaren dat de verdachte [slachtoffer] bij zijn haren over straat heeft getrokken. De andere politieambtenaren die ter plaatse waren, stonden op het moment van de handelingen waarvan de verdachte wordt beschuldigd met hun rug naar de verdachte en [slachtoffer] om de overige aanwezigen op afstand te houden en konden dus daarover niets verklaren. De verklaringen van [slachtoffer] , de verdachte en sommige getuigen lopen uiteen over het al of niet vastgrijpen van [slachtoffer] bij zijn kraag, het moment van het vastgrijpen van de haren en de afstand waarover [slachtoffer] aan zijn haren over straat is getrokken. De rechtbank hecht in verband met deze uiteenlopende verklaringen bij haar verdere beoordeling veel waarde aan de objectieve beeldfragmenten die in het dossier zijn opgenomen. Deze beelden zijn ook ter zitting getoond.
Op basis van het filmfragment ‘video vastpakken lang (gefilmd vanaf [straat] )’ stelt de rechtbank vast dat de verdachte [slachtoffer] gedurende enige tijd met zijn linkerhand bij zijn haren vast had en op die manier in ieder geval enkele meters heeft meegetrokken. Dat deze handelingen bij [slachtoffer] letsel hebben opgeleverd (wondjes bij de haarwortel en losgetrokken bolletje haar) volgt uit foto’s die in het dossier zitten en dat [slachtoffer] daarvan pijn heeft ondervonden is evident. Gelet daarop acht de rechtbank bewezen dat de verdachte [slachtoffer] als gevolg van deze handelingen pijn en letsel heeft toegebracht.
Beroep op een rechtvaardigingsgrond
Door en namens de verdachte is impliciet beroep gedaan op de rechtvaardigingsgrond zoals neergelegd in artikel 42 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daarin is bepaald: “Niet strafbaar is de ambtenaar die in de rechtmatige uitoefening van zijn taak en in overeenstemming met zijn geweldsinstructie geweld gebruikt.”
Ter onderbouwing van het beroep op die rechtvaardigingsgrond is – kort weergegeven – ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte, als politieambtenaar, [slachtoffer] heeft aangehouden. Om zichzelf in veiligheid te brengen en om de aanhouding te kunnen voltooien, wilde de verdachte [slachtoffer] wegtrekken uit de groep waarin hij zich bevond en mede doordat [slachtoffer] zich verzette, moest hij hem aan zijn haren meetrekken. Op het moment dat de verdachte daartoe de gelegenheid had is hij gestopt met dat meetrekken aan de haren en heeft hij hem verder getrokken aan zijn jas.
Gelet op het bestaan van deze in artikel 42 lid 2 Sr genoemde rechtvaardigingsgrond is er volgens de verdachte van een strafbare mishandeling geen sprake.
De feitelijke grondslag van het verweer
Ter beoordeling van dit verweer dient de rechtbank als eerste te bepalen of zij de feitelijke grondslag die aan dit verweer ten grondslag is gelegd, aannemelijk acht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Wat voorafging aan de aanhouding
In de nacht van 2 juli 2023 bleef een groep personen voor het even daarvoor gesloten café [café] in [plaats 2] hangen. [slachtoffer] had er die avond zijn verjaardag gevierd en binnen was er een woordenwisseling ontstaan tussen één van zijn gasten en iemand van een andere groep. Eenmaal buiten ontstond er rumoer tussen de groepen en waren er wat kleine opstootjes. De eigenaar van [café] belde daarop de politie. De verdachte was die nacht in functie als hondengeleider en was daar ter plaatse. Hij hield eerst vanuit zijn dienstauto zicht op de genoemde groep mensen en de voorzijde van [café] . Vanuit de auto verzocht hij om meerdere eenheden ter plaatse te sturen.
Op enig moment zette de eigenaar van het café de brandslang op de menigte om de onrustige situatie te beëindigen. Nadat de verdachte had verzocht om meerdere eenheden ter plaatse te sturen, zag hij dat de groep door de eigenaar van het café met een brandslang werd natgespoten.
Om de eigenaar van het café te ondersteunen en bescherming te bieden aan het personeel, is de verdachte uit de auto gestapt en met de diensthond richting de eigenaar van het café en de groep gelopen. De verdachte heeft tegen de groep geschreeuwd dat hij aanwezig was en zijn hond het commando gegeven te blaffen.
Niet veel later heeft de verdachte samen met de inmiddels andere gearriveerde eenheden in linie de groep personen richting het spoor bewogen. Hierbij werd de groep steeds gesommeerd weg te gaan.
[slachtoffer] bevond zich ook in deze groep en wilde door de linie van agenten heen om zijn fiets te pakken. Dit werd hem door de in linie staande agenten belemmerd. Aan [slachtoffer] werd medegedeeld dat hij weg moest gaan. [slachtoffer] gaf hieraan geen gehoor en wilde door de linie van agenten richting zijn fiets lopen. Verdachte waarschuwde [slachtoffer] dat hij geweld zou gaan gebruiken als hij niet wegging en daarna heeft de verdachte, toen [slachtoffer] nog steeds niet wegging, met zijn wapenstok op [slachtoffer] linkerarm geslagen. Deze klap werd volgens de verdachte niet alleen gegeven ter noodzakelijke beheersing ter plaatse, maar ook om [slachtoffer] op (bijt)afstand van de politiehond te houden. Het slaan met de wapenstok wordt de verdachte niet strafrechtelijk verweten en ligt niet aan de rechtbank ter beoordeling voor.
De café-eigenaar heeft [slachtoffer] weggeleid richting het café. Korte tijd later heeft de verdachte zijn diensthond in de auto opgeborgen. Niet lang nadat [slachtoffer] door de café-eigenaar weg werd geleid, liep [slachtoffer] terug naar de menigte en sloot zich aan bij een groepje mensen op de hoek tegenover het café. Vanuit deze groep heeft [slachtoffer] meerdere malen in de richting van de verdachte woorden geroepen als: “hij heeft mij geslagen.” Daarbij zou [slachtoffer] ook beledigende bewoordingen hebben gebruikt door hem, de verdachte, kankerlijer dan wel kankerpolitie toe te roepen.
De verdachte heeft vervolgens besloten om [slachtoffer] aan te houden voor belediging.
De aanhouding van [slachtoffer]
De verdachte heeft [slachtoffer] vastgepakt om hem mee te kunnen nemen naar een plek buiten de groep, waar de aanhouding kon plaatsvinden. Op de beelden is niet goed te zien of de verdachte [slachtoffer] vanaf het eerste moment bij zijn haren beetpakt. De verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer] aanvankelijk bij zijn kraag vastpakte, wordt echter ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] die er vlak naast stond. Naar het oordeel van de rechtbank is dit dan ook voldoende aannemelijk geworden. [slachtoffer] verzette zich bij deze aanhouding en door diens vooroverbuiging verloor de verdachte grip op de kleding van [slachtoffer] en greep hij hem met zijn linkerhand bij zijn haren beet.
De keuze om [slachtoffer] mee te nemen naar een plek op grotere afstand van de groep is ook redelijk, omdat de omstanders zich met de aanhouding gingen bemoeien en de aanhouding daardoor niet ter plekke kon plaatsvinden.
De rechtbank stelt op basis van de eerdergenoemde beelden vast dat de verdachte [slachtoffer] enkele meters meesleepte. Hoewel op de beelden te zien is dat de verdachte [slachtoffer] meetrok tot aan de overkant van de straat (ten opzichte van waar [slachtoffer] stond toen de verdachte hem bij zijn haar beet pakte), is ook te zien dat de verdachte [slachtoffer] ongeveer halverwege de straat ook met zijn rechterhand vastpakt. (Voetnoot 1) Op de beelden is niet te zien of de verdachte met deze rechterhand ook het haar van [slachtoffer] vastpakt of dat hij, zoals de verdachte zelf stelt, [slachtoffer] toen bij zijn jas of andere kleding heeft vastpakt. Nu de verklaringen van de verdachte grotendeels door de beelden of door verklaringen van getuigen worden ondersteund, is de rechtbank van oordeel dat ook aannemelijk is geworden dat de verdachte halverwege de straat [slachtoffer] niet langer aan zijn haar voorttrok en dat hij [slachtoffer] dus heeft overgepakt zodra dat kon.
Heeft de verdachte in de rechtmatige uitoefening van zijn taak en in overeenstemming met zijn geweldsinstructie geweld gebruikt?
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte in de rechtmatige uitoefening van zijn taak en in overeenstemming met zijn geweldsinstructie het hiervoor omschreven geweld heeft gebruikt, of anders gezegd, of de verdachte dit geweld mocht toepassen.
De verdachte mocht [slachtoffer] aanhouden en hij heeft hem daartoe meegetrokken om zichzelf in veiligheid te brengen en om de aanhouding van [slachtoffer] te kunnen voltooien. Door de gedragingen van [slachtoffer] was het noodzakelijk om geweld toe te passen bij zijn aanhouding. Voor de aanhouding vertoonde [slachtoffer] al provocerend gedrag, hij luisterde meermalen niet naar de politieambtenaren, en hij verzette zich tijdens zijn aanhouding. Gelet daarop was er een reden te geloven dat [slachtoffer] zich zou (blijven) verzetten tegen en zich zou onttrekken aan de aanhouding en daarom mocht de verdachte geweld toepassen bij de aanhouding. Dit toegepaste geweld moet wel voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bij de beoordeling hiervan is van belang dat de reden dat de verdachte [slachtoffer] aan zijn haren heeft meegetrokken is gelegen in het gedrag van [slachtoffer] zelf. De verdachte wilde hem aan zijn kleding vasthouden en zo uit de groep trekken, maar door [slachtoffer] verzet verloor de verdachte de grip op de kleding van [slachtoffer] en was het alleen nog maar mogelijk om hem bij zijn haren vast te pakken. Als de verdachte dat niet had gedaan had hij de aanhouding niet op dat moment kunnen uitvoeren. Er was voor de verdachte op dat moment redelijkerwijs geen lichter, minder ingrijpend middel voorhanden om de aanhouding te effectueren. Hij heeft hem in de gegeven omstandigheden aan zijn haren mogen meetrekken en hij heeft dit niet langer gedaan dan noodzakelijk. Zijn handelingen zijn daarmee overeenkomstig de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, conform de geweldsinstructie.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door de verdachte geschetste feitelijke grondslag aannemelijk is geworden en dat hem een beroep toekomt op de rechtvaardigingsgrond zoals neergelegd in artikel 42 lid 2 Sr, zodat de ten laste gelegde mishandeling niet bewezen kan worden verklaard. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken.