8
Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 36f, 57, 310, 311, 317 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
- wijst de vordering tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders af;
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 in de zaak met parketnummer 16/157756-26)
wijst de vordering van € 93,65 van [slachtoffer 1] geheel toe, bestaande uit materiële schade;
veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 april 2026 tot de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 93,65 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 april 2026 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;
bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 4 in de zaak met parketnummer 16/157756-26)
wijst de vordering van [slachtoffer 3] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 968,-, bestaande uit materiële schade;
bepaalt de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 3] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2026 tot de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 968,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2026 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 9 dagen gijzeling;
bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [onderneming] B.V. (feit 2 in de zaak met parketnummer 16/051515-26)
wijst de vordering van € 4.498,74 van [onderneming] B.V. geheel toe, bestaande uit materiële schade;
veroordeelt de verdachte tot betaling aan [onderneming] B.V. van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2026 tot de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [onderneming] B.V. aan de Staat € 4.498,74 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2026 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 44 dagen gijzeling;
bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 7] (feit 2 in de zaak met parketnummer 16/051515-26)
wijst de vordering van € 272,05 van [slachtoffer 7] geheel toe, bestaande uit materiële schade;
veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 7] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2026 tot de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 7] aan de Staat € 272,05 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2026 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 2 dagen gijzeling;
bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 9] (in de zaak met parketnummer 16/111080-26)
wijst de vordering [slachtoffer 9] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 10.833,05 bestaande uit materiële schade;
bepaalt de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 9] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2026 tot de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 9] aan de Staat € 10.833,05 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2026 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 79 dagen gijzeling;
bepaalt dat de schadevergoeding hoofdelijk wordt opgelegd en dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van de schade is bevrijd als zij en/of haar mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 10] (in de zaak met parketnummer 16/078506-26)
wijst de vordering van [slachtoffer 10] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.041,-, bestaande uit materiële schade;
wijst de vordering voor het overige deel af;
veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 10] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2026 tot de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 10] aan de Staat € 1.041,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2026 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen gijzeling;
bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf van parketnummer 21/002588-24
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf van parketnummer 21/004464-23
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.C. Klink, voorzitter, mr. I.G.C. Bij de Vaate en mr. J.E.S. Dolmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kiestra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 16/157756-26:
feit 1
zij op of omstreeks 6 april 2026 te Utrecht een portemonnee, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 2
zij op of omstreeks 6 april 2026 te Utrecht met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 2] en/of de [locatie] en/of een derde toebehoorde(n), door haar vuisten te ballen en/of tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: 'Pak geld uit het mandje anders doe ik je wat ergs aan', althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
feit 3
zij op of omstreeks 6 april 2026 te Utrecht een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen geldbedragen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door te pinnen met een niet op haar naam gestelde pinpas;
feit 4
zij op of omstreeks 28 april 2026 te Utrecht een of meerdere goederen (waaronder brillen, haarverf en knipspullen), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder haar bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
feit 5
zij op of omstreeks 28 april 2026 te Utrecht een bril, parfum en een powerbank, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 6
zij op of omstreeks 1 juni 2026 te Utrecht een jas en/of muntgeld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
in de zaak met parketnummer 16/051515-26:
feit 1
zij op één of meer momenten op of omstreeks 18 februari 2026 te Utrecht een portemonnee, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 2
zij op één of meer momenten in of omstreeks 18 februari 2026 te Utrecht, in elk geval in Nederland, geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 7] en/of [onderneming] B.V., in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geld en/of goederen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door op voornoemde datum zonder toestemming van de rechthebbende transacties te verrichten met een of meer betaalmiddelen op naam van [slachtoffer 7] en/of [onderneming] B.V.;
feit 3
zij op één of meer momenten in of omstreeks 18 februari 2026 te Utrecht, in elk geval in Nederland, geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geld en/of goederen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door op voornoemde datum zonder toestemming transacties te verrichten met één of meer betaalmiddelen op naam van [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 8] ;
in de zaak met parketnummer 16/111080-26:
zij in de periode van 17 februari tot en met 18 februari 2026 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, gereedschappen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 9] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
in de zaak met parketnummer 16/133984-26:
zij op of omstreeks 7 mei 2026 te Utrecht, een fiets, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl zij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
in de zaak met parketnummer 16/078506-26:
zij op of omstreeks 7 februari 2026 te Utrecht, althans in Nederland, een rugzak en/of de inhoud van die rugzak, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 10] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De verklaring van de verdachte op de zitting van 21 juli 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik was op 6 april 2026 in de [locatie] in [plaats] . Ik ben daar naar het toilet geweest. Ik had gedronken.
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op maandag 6 april 2026 omstreeks 10.45 uur liep ik het toilet in de [locatie] binnen. Ik zag ik dat er een vrouw in het achterste hokje op het toilet zat. Ik wilde de deur op slot doen. Ik zag toen dat de vrouw haar voet tussen de deur stopte. Ik zag dat de vrouw de tassen die ze bij zich had op de grond gooide. Ik zag dat de vrouw een stap naar binnen deed en haar vuisten balde richting mij. Ik hoorde haar zeggen: "Pak geld uit het mandje anders doe ik je wat ergs aan." Ik ben na de viering (de rechtbank begrijpt: om 12 uur) naar de sacristie gegaan en heb 25 euro uit het mandje gepakt. Vervolgens ben ik naar het toilet gelopen. Daar heb ik de 25 euro aan de mevrouw gegeven. Ik ben daarna direct weggegaan. (Voetnoot 25)
Een proces-verbaal van bevindingen inhoudende de beschrijving van de camerabeelden van de [locatie] , zakelijk weergegeven:
FOTO 3: Ik zag verdachte 2 (de rechtbank begrijpt: de verdachte) om 10:39:36 uur in de gang. Ik zag dat zij meerdere tassen bij zich droeg.
FOTO 4: Ik zag verdachte 2 om 10:39:43 uur de wc's inlopen.
FOTO 5: Ik zag verdachte 1 (de rechtbank begrijpt: de aangever) om 10:43:39 uur door de deur van de wc lopen en enkele seconden verder naar binnen kijken. (Voetnoot 26)
FOTO 6: Ik zag dat verdachte 1 om 10:48:48 uur een witte pij aantrok.
FOTO 7: Ik zag verdachte 1 om 10:49:00 uur in de pastoorsruimte met zijn witte pij aan.
FOTO 9: Ik zag dat verdachte 1 om 11:58:39 uur in de pastoorsruimte een briefje vasthield uit een klein rieten mandje.
FOTO 10: Ik zag verdachte 1 om 11:58:42 uur om zich heen kijken in de ruimte terwijl hij een briefje vasthield in zijn rechterhand.
FOTO 11: Ik zag dat verdachte 1 om 11:58:47 een rondje liep, terwijl hij zijn rechterhand in zijn zak stopte.
FOTO 12: Ik zag dat verdachte 1 om 12:02:18 uur opnieuw een briefje uit het rieten mandje pakte.
FOTO 13: Ik zag dat verdachte 1 om 12:02:19 uur het briefje op het tafelblad onder zijn handen verstopte.
FOTO 14: Ik zag dat verdachte 1 om 12:02:21 uur zijn handen van het tafelblad schoof.
FOTO 15: Ik zag dat verdachte 1 om 12:02:26 uur een rondje door de ruimte liep terwijl hij zijn rechterhand in zijn rechterzak stopte.
FOTO 16: Ik zag dat verdachte 1 om 12:02:44 uur naar de wc liep.
FOTO 17: Ik zag dat verdachte 1 om 12:03:04 uur uit de wc liep.
FOTO 20: Ik zag dat verdachte 2 om 12:37:09 uur de wc uitliep. (Voetnoot 27)
De verklaring van de verdachte op de zitting van 21 juli 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb de fiets geleend van iemand. De fiets stond niet op slot in de gang.
Een proces-verbaal van aangifte door [D] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Mijn fiets is gestolen. Op 17 april 2026 zag ik dat deze weg was. (Voetnoot 29)
Een proces-verbaal van bevindingen inhoudende het aantreffen van de fiets bij de verdachte, zakelijk weergegeven:
Op donderdag 7 mei 2026 zag ik dat [verdachte] een tas op het stuur van een fiets wilde doen. Ik vroeg hoe ze aan de fiets kwam. Ik hoorde [verdachte] zeggen:"- Ik heb die fiets geleend van een vriend van mij.- Ik weet niet meer wie dit is."Ik zag dat er een aangifte was opgenomen van diefstal van deze fiets. (Voetnoot 30)