Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:5136

Op 4 August 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 16/157756-26, 16/051515-26 (t.t.z. gevoegd), 16/11, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:5136. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
16/157756-26, 16/051515-26 (t.t.z. gevoegd), 16/11
Datum uitspraak:
4 August 2026
Datum publicatie:
4 August 2026

Indicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor twaalf vermogensfeiten, voornamelijk (al dan niet gekwalificeerde) diefstallen, waaronder de diefstal van een grote partij gereedschap en de afpersing van een minderjarige. De rechtbank legt aan haar niet de geëiste ISD maatregel op, maar een gevangenisstraf van 30 maanden. Een eerdere ISD-maatregel heeft geen recidivebeperkend effect gehad, verdachte is niet gemotiveerd voor opnieuw een ISD-traject en de maatschappij kan ook worden beschermd (één van de doelen van de ISD-maatregel) door aan verdachte deze gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van zes benadeelde partijen grotendeels toe.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/157756-26, 16/051515-26 (t.t.z. gevoegd), 16/111080-26 (t.t.z. gevoegd), 16/133984-26 (t.t.z. gevoegd), 16/078506-26 (t.t.z. gevoegd), 21/002588-24 (vord. tul) en 21/004464-23 (vord. tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 augustus 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1971] in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,

gedetineerd in de [verblijfplaats] ,

hierna: de verdachte.

1
Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 21 juli 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

de verdachte;

de officier van justitie: mr. G.A. Hoppenbrouwers;

de advocaat van de verdachte: mr. B.H.J. van Rhijn (hierna: de advocaat);

benadeelde partijen: [slachtoffer 1] , [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] ;

slachtofferhulp: [A] , namens de benadeelde partijen [slachtoffer 7] en [onderneming] B.V.;

slachtoffer: [slachtoffer 2] ;

reclasseringswerkers: [B] en [C] .

2
Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:

in de zaak met parketnummer 16/157756-26:

feit 1

op 6 april 2026 in Utrecht een portemonnee van [slachtoffer 1] heeft gestolen;

feit 2

op 6 april 2026 in Utrecht [slachtoffer 2] heeft afgeperst;

feit 3 op 6 april 2026 in Utrecht meerdere geldbedragen van [slachtoffer 1] heeft gestolen door middel van een valse sleutel;

feit 4 op 28 april 2026 in Utrecht meerdere goederen van [slachtoffer 3] heeft gestolen door middel van braak;

feit 5 op 28 april 2026 in Utrecht een bril, parfum en een powerbank van [slachtoffer 4] heeft gestolen;

feit 6 op 1 juni 2026 in Utrecht een jas en/of muntgeld van [slachtoffer 5] heeft gestolen;

in de zaak met parketnummer 16/051515-26:

feit 1 op 18 februari 2026 in Utrecht een portemonnee van [slachtoffer 6] heeft gestolen;

feit 2 op 18 februari 2026 in Utrecht geld en/of goederen van [slachtoffer 7] en/of [onderneming] B.V. heeft gestolen door middel van een valse sleutel;

feit 3 op 18 februari 2026 geld en/of goederen van [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 8] heeft gestolen door middel van een valse sleutel;

in de zaak met parketnummer 16/111080-26:

op 17 februari t/m 18 februari 2026 in Utrecht in vereniging gereedschappen van [slachtoffer 9] heeft gestolen;

in de zaak met parketnummer 16/133984-26:

op 7 mei 2026 in Utrecht een fiets heeft geheeld;

in de zaak met parketnummer 16/078506-26:

op 7 februari 2026 in Utrecht een rugzak en/of die inhoud van die rugzak van [slachtoffer 10] heeft gestolen.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3
Bewijs
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle feiten heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de afpersing van [slachtoffer 2] (feit 2 in de zaak met parketnummer 16/157756-26) en van de heling van de fiets (in de zaak met parketnummer 16/133984-26). De gevoerde verweren van de advocaat over het bewijs van deze feiten worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3. Ten aanzien van alle andere feiten refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewijsmiddelen

De rechtbank oordeelt dat alle feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank baseert de bewezenverklaring van de afpersing van [slachtoffer 2] en de heling van de fiets op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan. De verdachte bekent dat zij de overige (tien) feiten heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens haar is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: (Voetnoot 1)

in de zaak met parketnummer 16/157756-26:  (Voetnoot 2)

de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 21 juli 2026;

een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1](Voetnoot 3)

- een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1](Voetnoot 4)

- een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3](Voetnoot 5)

- een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4](Voetnoot 6)

- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een aanvulling op de aangifte van [slachtoffer 4](Voetnoot 7)

- een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5](Voetnoot 8)

- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een aanvulling op de aangifte van [slachtoffer 5](Voetnoot 9)

in de zaak met parketnummer 16/051515-26:  (Voetnoot 10)

de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 21 juli 2026;

een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 6](Voetnoot 11)

- een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 7](Voetnoot 12)

in de zaak met parketnummer 16/111080-26:  (Voetnoot 13)

de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 21 juli 2026;

een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 9](Voetnoot 14)

- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een aanvulling op de aangifte van [slachtoffer 9](Voetnoot 15)

in de zaak met parketnummer 16/078506-26:  (Voetnoot 16)

de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 21 juli 2026;

een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 10](Voetnoot 17)

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

3.3.2.

Bewijsoverwegingen

Afpersing van [slachtoffer 2]

Aangever [slachtoffer 2] (hierna ook: [slachtoffer 2 (voornaam)] ), een jongen van 12 jaar die dienstdeed als misdienaar in de [locatie] , heeft verklaard dat hij rond 10:45 uur, voorafgaand aan de mis, naar het toilet ging. In de ruimte met de toiletten kwam er een vrouw naar hem toe, die haar voet tussen zijn toiletdeur zette, haar tassen op de grond gooide en tegen hem zei dat hij geld uit het collectemandje van de kerk moest pakken en dat zij hem anders wat ergs zou aandoen. [slachtoffer 2 (voornaam)] heeft verklaard dat hij na de mis geld uit het collectemandje heeft gepakt, naar de toiletruimte is gelopen, het geld aan de vrouw heeft gegeven en daarna snel is weggegaan.

Op camerabeelden is te zien dat de verdachte om 10:39 uur met tassen in de hand de toiletruimte binnenloopt en dat [slachtoffer 2 (voornaam)] om 10:43 uur de toiletruimte inloopt. Op de beelden is te zien dat [slachtoffer 2 (voornaam)] , met zijn witte pij aan, tussen 11:58 uur en 12:02 uur in de pastoorsruimte tweemaal een briefje uit een klein rieten mandje pakt (waarna hij steeds een rondje door de pastoorsruimte loopt en het briefje in zijn witte pij verstopt), waarna hij om 12:02:44 uur - nog altijd met zijn witte pij aan - de toiletruimte binnenloopt, om 20 seconden later weer de toiletruimte uit te lopen. De verdachte heeft de toiletruimte al die tijd (dat is: vanaf 10:39:43 uur) niet verlaten. Zij verlaat de toiletruimte pas om 12:37:09.

De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [slachtoffer 2 (voornaam)] wordt ondersteund door de camerabeelden en de daarbij horende tijdstippen, terwijl de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig is.

De verdachte ontkent dat ze [slachtoffer 2 (voornaam)] heeft afgeperst. Ze verklaart dat ze geen contact met hem heeft gehad, dat ze hem niet eens heeft gezien, laat staan dat er van enige vorm van bedreiging sprake is geweest. De rechtbank vindt dit ongeloofwaardig, gelet op de verklaring van [slachtoffer 2 (voornaam)] en het feit dat ze volgens de beelden twee keer op hetzelfde moment in de toiletruimte zijn geweest. Bovendien is de verklaring van de verdachte dat ze al die tijd in de toiletruimte is geweest uitsluitend om zichzelf op te frissen ongeloofwaardig, gelet op het feit dat ze daar bijna twee uur is geweest. Nu de verdachte geen logische en geloofwaardige verklaring geeft voor haar langdurige aanwezigheid in het toilet en de verklaring van [slachtoffer 2 (voornaam)] steun vindt in andere bewijsmiddelen, gaat de rechtbank uit van de verklaring van [slachtoffer 2 (voornaam)] . Dit maakt dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte [slachtoffer 2 (voornaam)] heeft afgeperst.

Schuldheling van de fiets

Voor een bewezenverklaring van heling is vereist dat de verdachte op het moment van het voorhanden krijgen van de fiets wist (opzetheling) of redelijkerwijs had moeten vermoeden (schuldheling) dat de fiets van misdrijf afkomstig was.

De verdachte is op 7 mei 2026 aangehouden met een elektrische fiets, waarvan later bleek dat deze van diefstal afkomstig was. Het is een feit van algemene bekendheid dat elektrische fietsen erg kostbaar zijn.

De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat ze de fiets had geleend, maar dat ze niet wist hoe die persoon heette. De verdachte verklaarde dat ze de fiets had meegenomen uit de gang van de woning van die persoon. Op de zitting heeft de verdachte meer verteld over de betreffende vriend. Op de vraag ter zitting waarom zij niet direct aan de politie vertelde van wie de fiets was, gaf zij aan dat zij niet zeker wist hoe de eigenaar eraan gekomen was en ze dus niet zomaar zijn naam wilde geven. Ter zitting heeft de verdachte ook verklaard dat zij, toen zij de fiets leende, had gezien dat het slot ontbrak. Uit het feit dat de verdachte had gezien dat het slot ontbrak en dat zij kennelijk twijfels had aan de wijze waarop die vriend aan de fiets gekomen was, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte rekening hield met de mogelijkheid dat de fiets was gestolen. De rechtbank is bij die stand van zaken van oordeel dat de verdachte tekort is geschoten in haar onderzoeksplicht. Het gaat om een dure elektrische fiets die open in een gang stond. Door in de gegeven omstandigheden geen onderzoek te doen naar de herkomst van de fiets, heeft de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. De rechtbank acht daarom schuldheling bewezen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

in de zaak met parketnummer 16/157756-26:

feit 1 op 6 april 2026 te [plaats] een portemonnee die geheel aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 2 op 6 april 2026 te [plaats] met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van geld dat geheel of ten dele aan de [locatie] en/of aan een derde toebehoorde, door haar vuisten te ballen en tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: 'Pak geld uit het mandje anders doe ik je wat ergs aan';

feit 3 op 6 april 2026 te [plaats] meerdere geldbedragen die geheel aan [slachtoffer 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door te pinnen met een niet op haar naam gestelde pinpas;

feit 4 op 28 april 2026 te [plaats] meerdere goederen (waaronder brillen, haarverf en knipspullen) die geheel aan [slachtoffer 3] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder haar bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 5

op 28 april 2026 te [plaats] een bril, parfum en een powerbank, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 6 op 1 juni 2026 te [plaats] een jas en muntgeld die geheel aan [slachtoffer 5] of een ander toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen;

in de zaak met parketnummer 16/051515-26:

feit 1 op 18 februari 2026 te [plaats] een portemonnee die geheel aan [slachtoffer 6] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 2 op 18 februari 2026 te [plaats] geld dat geheel aan [slachtoffer 7] en/of [onderneming] B.V. toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geld onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door op voornoemde datum zonder toestemming van de rechthebbende transacties te verrichten met betaalmiddelen op naam van [slachtoffer 7] en/of [onderneming] B.V.;

feit 3 op 18 februari 2026 te [plaats] geld dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 8] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geld onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door op voornoemde datum zonder toestemming transacties te verrichten met betaalmiddelen op naam van [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 8] ;

in de zaak met parketnummer 16/111080-26:

in de periode van 17 februari tot en met 18 februari 2026 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander gereedschappen die geheel aan [slachtoffer 9] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen;

in de zaak met parketnummer 16/133984-26:

op 7 mei 2026 te [plaats] een fiets voorhanden heeft gehad terwijl zij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

in de zaak met parketnummer 16/078506-26:

op 7 februari 2026 te [plaats] een rugzak en de inhoud van die rugzak, die geheel aan [slachtoffer 10] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4
Kwalificatie en strafbaarheid
4.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

in de zaak met parketnummer 16/157756-26:

feiten 1, 5 en 6: diefstal;

feit 2: afpersing;

feit 3: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd;

feit 4: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van braak;

in de zaak met parketnummer 16/051515-26:

feit 1: diefstal;

feiten 2 en 3: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd;

in de zaak met parketnummer 16/111080-26: diefstal in vereniging;

in de zaak met parketnummer 16/133984-26: schuldheling;

in de zaak met parketnummer 16/078506-26: diefstal.

4.2.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5
Straf
5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat aan de verdachte een maatregel voor plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van 2 jaar.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt om geen ISD-maatregel op te leggen, omdat een eerdere ISD-maatregel niet heeft gewerkt, de verdachte niet gemotiveerd is voor de behandeling van haar verslaving in het kader van een ISD-maatregel en haar ervaring is dat na afloop van een ISD-maatregel de benodigde nazorg ontbreekt. In plaats van een ISD-maatregel kan er wat de verdediging betreft een gevangenisstraf worden opgelegd. De verdachte vindt zelf dat zij straf verdient en geeft de voorkeur aan een gevangenisstraf, waarbij er volgens haar in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling meer begeleiding is dan na afloop van een ISD-maatregel. Die begeleiding heeft zij nodig om te voorkomen dat ze een terugval krijgt na het uitzitten van haar straf en weer in middelengebruik en strafbaar gedrag vervalt.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich in een periode van bijna vier maanden schuldig gemaakt aan maar liefst twaalf vermogensfeiten, namelijk tien (al dan niet gekwalificeerde) diefstallen, een afpersing en een schuldheling. De meeste van deze feiten heeft zij gepleegd tijdens de schorsing van haar voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 16/111080-26 (het stelen van gereedschappen van [slachtoffer 9] ). De verdachte heeft bij het plegen van de diefstallen in andermans jassen gezeten, auto’s opengemaakt en doorzocht, een autoruit vernield en in de nachtelijke uren in een hotel gereedschap weggenomen. Alles bij elkaar heeft zij veel (ook dure) spullen en grote geldbedragen buit gemaakt.

Diefstallen zijn erg hinderlijke feiten, die schade en veel overlast veroorzaken voor de slachtoffers. Met de afpersing heeft de verdachte een jonge jongen bang gemaakt en aangezet tot het stelen van geld van de kerk waar hij misdienaar was. De rechtbank neemt haar dat erg kwalijk. Met de schuldheling heeft de verdachte bijgedragen aan het in standhouden van een afzetmarkt voor gestolen goederen. De verdachte heeft met haar handelen laten zien zich in het geheel niet te bekommeren om de eigendomsrechten van anderen, noch om hun gevoelens van veiligheid. Zij heeft uitsluitend oog gehad voor haar eigen behoeften en financiële gewin.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De verdachte is een 55-jarige vrouw die al 30 jaar met verslavingsproblematiek kampt. Ze heeft een fors strafblad met bijna uitsluitend vermogensfeiten. De reclassering heeft in het kader van de vordering ISD een advies geschreven op 17 juli 2026. De reclassering ziet een hardnekkig patroon van vermogensdelicten, wat vermoedelijk samenhangt met middelengebruik. De reclassering ziet instabiliteit op bijna alle leefgebieden. Zo heeft de verdachte momenteel geen vaste verblijfplaats en is - naast de voornoemde middelenproblematiek - sprake van een negatief sociaal netwerk, hoge schulden en heeft de verdachte geen dagbesteding. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. De reclassering ziet geen mogelijkheden om binnen een nieuw reclasseringstoezicht te werken aan recidivebeperking en gedragsverandering. Een intensief behandeltraject gericht op verslaving wordt nodig geacht om de risico’s te beïnvloeden. De reclassering ziet geen andere mogelijkheid dan de ISD-maatregel om te werken aan de problematiek van de verdachte.

Geen ISD-maatregel

Met een ISD-maatregel wordt een verdachte voor een periode van twee jaar geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders. De doelen van de maatregel zijn de beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van de verdachte. (Voetnoot 18) Als de verdachte een verslaving heeft, waarmee het plegen van strafbare feiten samenhangt, strekt de maatregel er mede toe een bijdrage te leveren aan de oplossing van de verslavingsproblematiek. (Voetnoot 19)

De verdachte heeft aangegeven dat ze niet gemotiveerd is voor de behandeling van haar verslaving in het kader van een ISD-maatregel. Aan haar is in 2016 al eens een ISD-maatregel opgelegd en die maatregel heeft destijds niet het gewenste effect gehad. Tijdens het ISD-traject was ze vaak onder invloed van middelen en na afloop van de maatregel viel zij terug in middelengebruik en het plegen van strafbare feiten. Volgens de verdachte werkte de aanpak in het kader van de ISD-maatregel niet voor haar en was sprake van een gebrek aan nazorg na afloop van de ISD-maatregel, waardoor zij direct terugviel in haar oude gedrag. Nu een eerder ISD-traject niet het gewenste effect heeft gehad en de verdachte niet gemotiveerd is voor het opnieuw doorlopen daarvan, ziet de rechtbank geen meerwaarde in het (opnieuw) opleggen van een ISD-maatregel boven een ‘kale’ gevangenisstraf. De plekken voor een ISD-maatregel zijn schaars en kostbaar en de verdachte heeft op de zitting aangegeven dat ze liever kaal wordt afgestraft met een gevangenisstraf dan dat ze een plek ‘bezet’ houdt voor anderen die wel gemotiveerd zijn voor een ISD-maatregel. Nu de eerdere ISD-maatregel bij de verdachte niet recidivebeperkend heeft gewerkt en de maatschappij ook beschermd kan worden door aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen, zal de rechtbank daartoe beslissen.

Gevangenisstraf

Gelet op de hoeveelheid en ernst van de bewezenverklaarde feiten en het lange strafblad van de verdachte met daarop veel soortgelijke feiten is een forse gevangenisstraf op zijn plaats. Bij het bepalen van de duur van die straf houdt de rechtbank rekening met de landelijke oriëntatiepunten die rechtbanken daarvoor hanteren en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank zal, gelet op al het voorgaande, aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de straf

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend. Met deze voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt ook beoogd dat de verdachte na de detentie niet zonder begeleiding weer vrijkomt.

6
Vorderingen benadeelde partij
6.1.

Vorderingen van de benadeelde partijen

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd en vorderen het hierna genoemde bedrag als gevolg van de feiten waarvan de verdachte wordt beschuldigd:

[slachtoffer 1] vordert een bedrag van € 93,65 aan materiële schade;

[slachtoffer 3] vordert een bedrag van € 1.455,62 aan materiële schade;

[onderneming] B.V. vordert een bedrag van € 4.498,74 aan materiële schade;

[slachtoffer 7] vordert een bedrag van € 272,05 aan materiële schade; (Voetnoot 20)

- [slachtoffer 9] vordert een bedrag van € 12.614,87 aan materiële schade en een bedrag van 78 euro aan proceskosten; (Voetnoot 21)

- [slachtoffer 10] vordert een bedrag van € 2.030,47 aan materiële schade. (Voetnoot 22)

6.2.

Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle vorderingen volledig kunnen worden toegewezen, met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De advocaat stelt zich op het standpunt dat de vorderingen kunnen worden toegewezen en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

6.3.1.

Vorderingen die volledig worden toegewezen

De rechtbank zal de vorderingen van [slachtoffer 1] , [onderneming] B.V. en [slachtoffer 7] volledig toewijzen. Deze vorderingen zijn goed onderbouwd en de hoogte ervan wordt door de verdediging niet betwist. Daarnaast staat de schade in rechtstreeks verband met de onderliggende bewezenverklaarde feiten. De rechtbank merkt ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 7] op dat, hoewel de verdachte niet wordt beschuldigd van de diefstal van de portemonnee, voldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte deze portemonnee heeft gestolen en daarmee de schade heeft veroorzaakt. De verdachte heeft op de zitting namelijk toegegeven dat ze de portemonnee heeft gestolen. Bovendien heeft ze gepind met de pasjes die in de portemonnee zaten.

6.3.2.

Vorderingen die gedeeltelijk worden toegewezen

Vordering van [slachtoffer 3]

Het gevorderde bedrag van € 135,- aan eigen risico voor het vervangen van de autoruit wordt volledig toegewezen. Dit gedeelte van de vordering is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. De schade staat ook in rechtstreeks verband met het onderliggende bewezenverklaarde feit; de verdachte heeft de autoruit stuk geslagen.

Het gevorderde bedrag van € 1.302,62 aan schade vanwege de diefstal van de verschillende goederen wordt deels toegewezen. De schade staat in rechtstreeks verband met het onderliggende bewezenverklaarde feit; de verdachte heeft de goederen gestolen. De rechtbank houdt rekening met waardevermindering van de goederen door tijdsverloop. De benadeelde partij heeft in de vordering aangegeven dat de spullen in de afgelopen jaren zijn aangeschaft. De rechtbank rekent een gemiddelde afschrijvingsperiode van twee jaar met een jaarlijks afschrijvingspercentage van 20% en wijst een bedrag toe van € 833,-. De vordering wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De gevorderde reiskosten van € 18,- worden niet-ontvankelijk verklaard omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd.

De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om het gedeelte van de vordering dat niet-ontvankelijk wordt verklaard nog verder te onderbouwen omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Vordering van [slachtoffer 9]

Het gevorderde bedrag van € 10.842,87 aan schade vanwege de diefstal van de verschillende goederen wordt deels toegewezen. De schade staat in rechtstreeks verband met het onderliggende bewezenverklaarde feit; de verdachte heeft de gereedschappen (samen met een ander) gestolen. De benadeelde partij heeft op de zitting toegelicht dat het gaat om zakelijke kosten. De gevorderde btw komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Dan blijft er een bedrag over van € 8.961,05. De rechtbank houdt geen rekening met waardevermindering van de gereedschappen door tijdsverloop nu de benadeelde partij op de zitting heeft aangegeven dat hij de gestolen gereedschappen heeft aangeschaft op verschillende momenten in het half jaar voorafgaand aan de diefstal en omdat op die stelling door de verdediging geen verweer is gevoerd.

Het gevorderde bedrag van € 1.872,- aan gederfde inkomsten wordt volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft op de zitting toegelicht dat hij een uurtarief van € 78,- rekent en drie dagen niet heeft kunnen werken vanwege het missen van de gestolen gereedschappen. Daarmee staat deze schade ook in rechtstreeks verband met het onderliggende bewezenverklaarde feit. Het bedrag komt de rechtbank niet ongegrond voor en de verdediging heeft de hoogte ervan ook niet betwist.

Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen (en dus hoofdelijk) aansprakelijk. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij [slachtoffer 9] heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij [slachtoffer 9] te betalen.

Vordering van [slachtoffer 10]

Het gevorderde bedrag van € 2.030,47 aan schade vanwege de diefstal van de verschillende goederen wordt deels toegewezen. De schade staat in rechtstreeks verband met het onderliggende bewezenverklaarde feit; de verdachte heeft de goederen gestolen. De rechtbank houdt rekening met waardevermindering van de goederen door tijdsverloop. De benadeelde partij heeft in de vordering voor ieder gestolen voorwerp onderbouwd wanneer het in de afgelopen jaren is aangeschaft. De rechtbank rekent een afschrijvingspercentage van 20% per jaar en wijst, met inachtneming van de schattingsbevoegdheid van de rechtbank, een bedrag toe van € 1.041,-. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: 515 euro voor de Lenovo laptop, 245 euro voor de iPad, 13 euro voor de iPad hoes, 130 euro voor de zonnebril, 62 euro voor de koptelefoon en 76 euro voor de rugtas. Voor het overige wordt de vordering van de benadeelde partij afgewezen.

6.3.3.

Wettelijke rente

De rechtbank zal ten aanzien van alle vorderingen ook de wettelijke rente toewijzen vanaf de datum waarop de schade is geleden tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De rechtbank stelt daarbij de volgende ingangsdata vast:

ten aanzien van [slachtoffer 1]: vanaf 6 april 2026;

ten aanzien van [slachtoffer 3]: vanaf 28 april 2026;

ten aanzien van [onderneming] B.V., [slachtoffer 7] en [slachtoffer 9]: vanaf 18 februari 2026;

ten aanzien van [slachtoffer 10]: vanaf 7 februari 2026.

6.3.4.

Schadevergoedingsmaatregel

Ten behoeve van de benadeelden legt de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelden de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte in het kader van de (deels) toe te wijzen vorderingen de in paragraaf 6.3.1. en 6.3.2. toegewezen bedragen aan de Staat moet betalen. Deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de in paragraaf 6.3.3. per benadeelde partij genoemde data, tot de dag dat de verdachte de bedragen volledig heeft betaald.

6.3.5.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding (grotendeels) worden toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partijen hebben gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.

De rechtbank wijst de door [slachtoffer 9] gevorderde proceskosten af. Bij de begroting van de door de benadeelde partij gemaakte kosten moet aansluiting worden gezocht bij de maatstaf die wordt gehanteerd in civiele procedures. In artikel 241 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat alleen de kosten genoemd in de artikelen 237 tot en met 240 Rv voor vergoeding in aanmerking komen. Deze artikelen bevatten een limitatieve en exclusieve regeling ten aanzien van de proceskosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Het wettelijk stelsel voor proceskosten biedt geen ruimte voor een urenvergoeding voor het zelf invullen van (schade)formulieren door een benadeelde partij.

7
Vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen

Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 24 maart 2025 aan de verdachte in de zaak met rolnummer 21/002588-24 een voorwaardelijke taakstraf van 30 uur opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar en in de zaak met rolnummer 21/004464-23 heeft hetzelfde hof een voorwaardelijke taakstraf van 15 uur opgelegd, ook met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft de vorderingen tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straffen in de onderhavige zaak aangebracht. Bij onherroepelijke uitspraak van 28 januari 2026 heeft de politierechter van deze rechtbank ten aanzien van beide voorwaardelijk opgelegde straffen reeds een vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen. Zowel de advocaat als de officier van justitie stellen zich op het standpunt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vorderingen. De rechtbank zal de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de beide vorderingen tot tenuitvoerlegging.

8
Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- artikelen 36f, 57, 310, 311, 317 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

maatregel

- wijst de vordering tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders af;

straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 in de zaak met parketnummer 16/157756-26)

wijst de vordering van € 93,65 van [slachtoffer 1] geheel toe, bestaande uit materiële schade;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 april 2026 tot de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 93,65 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 april 2026 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 4 in de zaak met parketnummer 16/157756-26)

wijst de vordering van [slachtoffer 3] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 968,-, bestaande uit materiële schade;

bepaalt de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 3] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2026 tot de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 968,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2026 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 9 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [onderneming] B.V. (feit 2 in de zaak met parketnummer 16/051515-26)

wijst de vordering van € 4.498,74 van [onderneming] B.V. geheel toe, bestaande uit materiële schade;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan [onderneming] B.V. van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2026 tot de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [onderneming] B.V. aan de Staat € 4.498,74 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2026 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 44 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 7] (feit 2 in de zaak met parketnummer 16/051515-26)

wijst de vordering van € 272,05 van [slachtoffer 7] geheel toe, bestaande uit materiële schade;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 7] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2026 tot de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 7] aan de Staat € 272,05 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2026 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 2 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 9] (in de zaak met parketnummer 16/111080-26)

wijst de vordering [slachtoffer 9] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 10.833,05 bestaande uit materiële schade;

bepaalt de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 9] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2026 tot de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 9] aan de Staat € 10.833,05 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2026 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 79 dagen gijzeling;

bepaalt dat de schadevergoeding hoofdelijk wordt opgelegd en dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van de schade is bevrijd als zij en/of haar mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel de Staat heeft vergoed;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 10] (in de zaak met parketnummer 16/078506-26)

wijst de vordering van [slachtoffer 10] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.041,-, bestaande uit materiële schade;

wijst de vordering voor het overige deel af;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 10] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2026 tot de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 10] aan de Staat € 1.041,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2026 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf van parketnummer 21/002588-24

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging;

vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf van parketnummer 21/004464-23

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.C. Klink, voorzitter, mr. I.G.C. Bij de Vaate en mr. J.E.S. Dolmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kiestra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.

De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 16/157756-26:

feit 1 zij op of omstreeks 6 april 2026 te Utrecht een portemonnee, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 2 zij op of omstreeks 6 april 2026 te Utrecht met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 2] en/of de [locatie] en/of een derde toebehoorde(n), door haar vuisten te ballen en/of tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: 'Pak geld uit het mandje anders doe ik je wat ergs aan', althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

feit 3 zij op of omstreeks 6 april 2026 te Utrecht een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen geldbedragen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door te pinnen met een niet op haar naam gestelde pinpas;

feit 4 zij op of omstreeks 28 april 2026 te Utrecht een of meerdere goederen (waaronder brillen, haarverf en knipspullen), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder haar bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

feit 5

zij op of omstreeks 28 april 2026 te Utrecht een bril, parfum en een powerbank, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 6 zij op of omstreeks 1 juni 2026 te Utrecht een jas en/of muntgeld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

in de zaak met parketnummer 16/051515-26:

feit 1 zij op één of meer momenten op of omstreeks 18 februari 2026 te Utrecht een portemonnee, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 2 zij op één of meer momenten in of omstreeks 18 februari 2026 te Utrecht, in elk geval in Nederland, geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 7] en/of [onderneming] B.V., in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geld en/of goederen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door op voornoemde datum zonder toestemming van de rechthebbende transacties te verrichten met een of meer betaalmiddelen op naam van [slachtoffer 7] en/of [onderneming] B.V.;

feit 3 zij op één of meer momenten in of omstreeks 18 februari 2026 te Utrecht, in elk geval in Nederland, geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geld en/of goederen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door op voornoemde datum zonder toestemming transacties te verrichten met één of meer betaalmiddelen op naam van [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 8] ;

in de zaak met parketnummer 16/111080-26:

zij in de periode van 17 februari tot en met 18 februari 2026 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, gereedschappen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 9] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

in de zaak met parketnummer 16/133984-26:

zij op of omstreeks 7 mei 2026 te Utrecht, een fiets, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl zij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

in de zaak met parketnummer 16/078506-26:

zij op of omstreeks 7 februari 2026 te Utrecht, althans in Nederland, een rugzak en/of de inhoud van die rugzak, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 10] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Bijlage II: Bewijsmiddelen  (Voetnoot 23)

In de zaak met parketnummer 16/157756-26:  (Voetnoot 24)

De verklaring van de verdachte op de zitting van 21 juli 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik was op 6 april 2026 in de [locatie] in [plaats] . Ik ben daar naar het toilet geweest. Ik had gedronken.

Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op maandag 6 april 2026 omstreeks 10.45 uur liep ik het toilet in de [locatie] binnen. Ik zag ik dat er een vrouw in het achterste hokje op het toilet zat. Ik wilde de deur op slot doen. Ik zag toen dat de vrouw haar voet tussen de deur stopte. Ik zag dat de vrouw de tassen die ze bij zich had op de grond gooide. Ik zag dat de vrouw een stap naar binnen deed en haar vuisten balde richting mij. Ik hoorde haar zeggen: "Pak geld uit het mandje anders doe ik je wat ergs aan." Ik ben na de viering (de rechtbank begrijpt: om 12 uur) naar de sacristie gegaan en heb 25 euro uit het mandje gepakt. Vervolgens ben ik naar het toilet gelopen. Daar heb ik de 25 euro aan de mevrouw gegeven. Ik ben daarna direct weggegaan. (Voetnoot 25)

Een proces-verbaal van bevindingen inhoudende de beschrijving van de camerabeelden van de [locatie] , zakelijk weergegeven:

FOTO 3: Ik zag verdachte 2 (de rechtbank begrijpt: de verdachte) om 10:39:36 uur in de gang. Ik zag dat zij meerdere tassen bij zich droeg.

FOTO 4: Ik zag verdachte 2 om 10:39:43 uur de wc's inlopen.

FOTO 5: Ik zag verdachte 1 (de rechtbank begrijpt: de aangever) om 10:43:39 uur door de deur van de wc lopen en enkele seconden verder naar binnen kijken. (Voetnoot 26)

FOTO 6: Ik zag dat verdachte 1 om 10:48:48 uur een witte pij aantrok.

FOTO 7: Ik zag verdachte 1 om 10:49:00 uur in de pastoorsruimte met zijn witte pij aan.

FOTO 9: Ik zag dat verdachte 1 om 11:58:39 uur in de pastoorsruimte een briefje vasthield uit een klein rieten mandje.

FOTO 10: Ik zag verdachte 1 om 11:58:42 uur om zich heen kijken in de ruimte terwijl hij een briefje vasthield in zijn rechterhand.

FOTO 11: Ik zag dat verdachte 1 om 11:58:47 een rondje liep, terwijl hij zijn rechterhand in zijn zak stopte.

FOTO 12: Ik zag dat verdachte 1 om 12:02:18 uur opnieuw een briefje uit het rieten mandje pakte.

FOTO 13: Ik zag dat verdachte 1 om 12:02:19 uur het briefje op het tafelblad onder zijn handen verstopte.

FOTO 14: Ik zag dat verdachte 1 om 12:02:21 uur zijn handen van het tafelblad schoof.

FOTO 15: Ik zag dat verdachte 1 om 12:02:26 uur een rondje door de ruimte liep terwijl hij zijn rechterhand in zijn rechterzak stopte.

FOTO 16: Ik zag dat verdachte 1 om 12:02:44 uur naar de wc liep.

FOTO 17: Ik zag dat verdachte 1 om 12:03:04 uur uit de wc liep.

FOTO 20: Ik zag dat verdachte 2 om 12:37:09 uur de wc uitliep. (Voetnoot 27)

In de zaak met parketnummer 16/133984-26:  (Voetnoot 28)

De verklaring van de verdachte op de zitting van 21 juli 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb de fiets geleend van iemand. De fiets stond niet op slot in de gang.

Een proces-verbaal van aangifte door [D] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Mijn fiets is gestolen. Op 17 april 2026 zag ik dat deze weg was. (Voetnoot 29)

Een proces-verbaal van bevindingen inhoudende het aantreffen van de fiets bij de verdachte, zakelijk weergegeven:

Op donderdag 7 mei 2026 zag ik dat [verdachte] een tas op het stuur van een fiets wilde doen. Ik vroeg hoe ze aan de fiets kwam. Ik hoorde [verdachte] zeggen:"- Ik heb die fiets geleend van een vriend van mij.- Ik weet niet meer wie dit is."Ik zag dat er een aangifte was opgenomen van diefstal van deze fiets. (Voetnoot 30)

Voetnoot

Voetnoot 1

Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Voetnoot 2

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2026136929, doorgenummerd pagina 1 tot en met 162.

Voetnoot 3

Pagina 13 e.v.

Voetnoot 4

Pagina 82 e.v.

Voetnoot 5

Pagina 91 e.v.

Voetnoot 6

Pagina 104 e.v.

Voetnoot 7

Pagina 121.

Voetnoot 8

Pagina 130 e.v.

Voetnoot 9

Pagina 147.

Voetnoot 10

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2026057558, doorgenummerd pagina 1 tot en met 242.

Voetnoot 11

Pagina 13 e.v.

Voetnoot 12

Pagina 58 e.v.

Voetnoot 13

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2026056467, doorgenummerd pagina 1 tot en met 52.

Voetnoot 14

Pagina 6 e.v.

Voetnoot 15

Pagina 15 e.v.

Voetnoot 16

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2026043707, doorgenummerd pagina 1 tot en met 56.

Voetnoot 17

Pagina 6 e.v.

Voetnoot 18

Artikel 38m lid 2 Wetboek van Strafrecht.

Voetnoot 19

Artikel 38m lid 3 Wetboek van Strafrecht.

Voetnoot 20

In eerste instantie vorderde [slachtoffer 7] € 277,21. Op de zitting heeft de benadeelde partij aangegeven dat een deel van de schade lager is uitgevallen.

Voetnoot 21

In eerste instantie vorderde [slachtoffer 9] , naast de materiële schade, € 1.872 aan immateriële schade. Op de zitting heeft de benadeelde partij toegelicht dat dit gaat om gederfde inkomsten. De rechtbank ziet dit dan ook als materiële schade en heeft dit bedrag bij de materiële schade opgeteld.

Voetnoot 22

In eerste instantie vorderde [slachtoffer 10] € 2.057,25. Op de zitting heeft de benadeelde partij aangegeven dat een deel van de schade reeds uit andere hoofde is vergoed.

Voetnoot 23

Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Voetnoot 24

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2026136929, doorgenummerd pagina 1 tot en met 162.

Voetnoot 25

Pagina 127.

Voetnoot 26

Pagina 28.

Voetnoot 27

Pagina 29.

Voetnoot 28

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2026158073, doorgenummerd pagina 1 tot en met 39.

Voetnoot 29

Pagina 7.

Voetnoot 30

Pagina 11.