Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:5192

Op 4 August 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 16-264085-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:5192. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
16-264085-25
Datum uitspraak:
4 August 2026
Datum publicatie:
6 August 2026

Indicatie

Verdachte heeft medewerkers van de zorginstelling waarin zij verbleef bedreigd. Ook heeft zij een deur en een stoel vernield. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf van 170 dagen (met aftrek van het voorarrest), waarvan 5 dagen voorwaardelijk, opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16.264085.25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 augustus 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] ,

verblijvende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,

(hierna: de verdachte).

1
Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 9 juli 2026. Het onderzoek is gesloten op 4 augustus 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

de verdachte;

de officier van justitie: mr. M.J. van Aalderen;

de advocaat van de verdachte: mr. H.S.K. Jap A Joe (hierna: de advocaat);

de ouders van de verdachte.

2
Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:

feit 1

op 30 september 2025 in Nieuwegein en/of Utrecht [aangever 1] heeft bedreigd;

feit 2

op 1 november 2025 in Den Dolder [aangever 2] (medewerker van Fivoor) heeft mishandeld door hem met glas in zijn been en/of arm te steken;

feit 3

op 1 november 2025 in Den Dolder [aangever 2] , [aangever 3] en/of [aangever 4] heeft bedreigd;

feit 4

op 25 november 2025 in Den Haag zorgmedewerkers van Fivoor heeft bedreigd;

feit 5

op 25 november 2025 in Den Haag een raam, deuren en/of een stoel van Fivoor heeft vernield.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.

3
Bewijs
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle feiten van de beschuldiging heeft gepleegd.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 1 (bedreiging van de moeder van de verdachte), omdat de moeder van de verdachte zich niet bedreigd heeft gevoeld.

Ook verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken van feit 2 (mishandeling van [aangever 2] ). Hoewel het klopt dat de verdachte glasscherven in haar hand had, heeft zij het slachtoffer daarmee niet gestoken.

De advocaat bepleit gedeeltelijke vrijspraak van feit 3 (bedreiging van medewerkers van Fivoor), namelijk voor de bedreiging van [aangever 4] . De advocaat voert geen verweer over het bewijs voor de bedreiging van [aangever 2] en [aangever 3] .

Over het bewijs van feit 4 (bedreiging medewerkers Fivoor) en feit 5 (vernieling) voert de advocaat geen verweer.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak van feit 1

De verdachte wordt er onder feit 1 van beschuldigd dat zij haar moeder heeft bedreigd. De verdachte heeft namelijk onder andere gezegd dat zij haar moeder zou vermoorden of doodsteken. Toch oordeelt de rechtbank dat dit feit niet kan worden bewezen. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad is voor een veroordeling voor bedreiging namelijk nodig dat bij het slachtoffer de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte het misdrijf ook echt zou plegen. De moeder van de verdachte heeft in een brief aan het Openbaar Ministerie aangegeven dat zij nooit bang is geweest dat haar dochter haar iets zou aandoen. Haar enige reden om aangifte van bedreiging te doen, was zodat haar dochter, de verdachte, de hulp en de behandeling zou krijgen die zij nodig had. De verdachte had namelijk al eerder (vrijwillig) om hulp gevraagd, en de kans was groot dat die hulp haar niet op korte termijn kon worden geboden. Door aangifte te doen, kon de verdachte worden aangehouden en kon zij via het strafrechtelijke traject toch de juiste behandeling krijgen. Daar komt bij dat de rechtbank de uitingen zoals die zijn gedaan door de verdachte meer ziet als een uiting van frustratie en onmacht dan als een daadwerkelijke bedreiging.

Gelet op voornoemde omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat niet is voldaan aan de vereisten van de wet. Daarom zal de verdachte van feit 1 worden vrijgesproken.

3.3.2.

Vrijspraak van feit 2

De rechtbank oordeelt dat ook feit 2 (mishandeling van [aangever 2] ) niet is bewezen en zal de verdachte daarom ook van dit feit vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.

Toen de verdachte was opgenomen op de Forensisch Psychiatrische afdeling van de instelling Fivoor in [plaats] heeft zij een glazen pot kapot gegooid. Vervolgens heeft zij de scherven van de pot gepakt en is zij naar het kantoor van de medewerkers van Fivoor gelopen, omdat zij wilde dat de deur open werd gedaan. Daarbij heeft zij bedreigingen geuit in de richting van de medewerkers, waarna de medewerkers de verdachte hebben vastgepakt en gefixeerd. Vast staat dat een van de medewerkers, [aangever 2] , daarbij gewond is geraakt aan zijn arm en been. De verdachte heeft verklaard dat [aangever 2] tijdens de fixatie waarschijnlijk langs de glasscherf is geschampt, die zij op dat moment nog in haar handen hield. [aangever 2] heeft verklaard dat hij pas achteraf merkte dat hij verwondingen had aan zijn arm en been.

Aan de verdachte wordt echter verweten dat zij [aangever 2] heeft mishandeld door hem te steken met de scherven. De verdachte verklaart dat zij niet heeft gestoken maar enkel de glasscherven in haar handen heeft gehad tijdens de worsteling. De aangever en de getuigen spreken ook niet over een stekende beweging en ook nergens anders uit het dossier volgt enige aanwijzing voor steken door de verdachte. Dat maakt dat de mishandeling zoals die is ten laste gelegd, namelijk door het steken met glas in de arm of het been, niet kan worden bewezen.

3.3.3.

Gedeeltelijke bewezenverklaring van feit 3

Vrijspraak van bedreiging [aangever 4]

Daarnaast beschuldigt het Openbaar Ministerie de verdachte ervan dat zij drie zorgmedewerkers heeft bedreigd, namelijk [aangever 2] , [aangever 3] en [aangever 4] . De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de bedreiging van [aangever 4] . Uit het dossier blijkt namelijk niet dat de verdachte ook bedreigende woorden heeft geuit in zijn richting. [aangever 4] lijkt alleen getuige te zijn geweest van de bedreiging van de zorgmedewerkers [aangever 2] en [aangever 3] .

Bewezenverklaring van bedreiging [aangever 2] en [aangever 3]  (Voetnoot 1)

De rechtbank oordeelt wel dat is bewezen dat de verdachte [aangever 2] en [aangever 3] heeft bedreigd. De verdachte heeft dit ook bekend en de advocaat heeft niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In zo’n situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 9 juli 2026;

het proces-verbaal van verhoor slachtoffer [aangever 3] van 4 november 2025 (Voetnoot 2);

- het proces-verbaal van verhoor slachtoffer [aangever 2] van 4 november 2025 (Voetnoot 3).

3.3.4.

Bewezenverklaring van feit 4 en 5  (Voetnoot 4)

De verdachte bekent dat zij feit 4 (bedreiging zorgmedewerkers Fivoor) en feit 5 (vernieling van een raam, deuren en een stoel) heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door haar of namens haar is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. De rechtbank verklaart de feiten bewezen en baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen:

de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 9 juli 2026;

het proces-verbaal aangifte van [aangever 5] van 25 november 2025 (Voetnoot 5).

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

feit 3:

op 1 november 2025 te Den Dolder, gemeente Zeist, [aangever 2] en [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen - zakelijk weergegeven - dat zij hen gaat doodsteken en gaat vermoorden en die [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen dat zij haar in stukken gaat snijden en haar dochters gaat verkrachten en vermoorden door in stukken te snijden en die [aangever 3] te vragen of zij, [aangever 3] , nog wel veilig door Overvecht kan lopen.

feit 4:

op 25 november 2025 te 's-Gravenhage zorgmedewerkers van de instelling Fivoor heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een scherp houten punt te richten op die medewerkers, en hen de woorden toe te voegen, zakelijk weergegeven, dat zij een steekwapen hanteert;

feit 5:

op 25 november 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een raam en/of een deur en een stoel, die aan een ander, te weten aan de instelling Fivoor, toebehoorde, heeft vernield.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4
Kwalificatie en strafbaarheid
4.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 5: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

4.2.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5
Straf
5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 195 dagen, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie eist dat van deze straf een gedeelte van 30 dagen voorwaardelijk wordt opgelegd, met een proeftijd van twee jaar, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd.

Daarnaast eist de officier van justitie dat aan de verdachte de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd (hierna: 38z-maatregel). Deze maatregel houdt in dat de verdachte na afloop van de gevangenisstraf wordt begeleid en langdurig onder toezicht blijft, met als doel om te voorkomen dat de verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank rekening te houden met de bepleite vrijspraak voor de feiten 1 en 2, en met het persoonlijkheidsonderzoek naar de verdachte, waarin wordt geadviseerd om de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. De advocaat verzoekt de rechtbank een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk op te leggen, met de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. Een 38z-maatregel is in deze zaak volgens de advocaat niet aan de orde.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal aan de verdachte gevangenisstraf van 170 dagen, waarvan 5 dagen voorwaardelijk opleggen, met de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft twee medewerkers van de zorginstelling Fivoor bedreigd. Zij heeft tegen [aangever 3] onder andere gezegd dat zij haar in stukken zou snijden, haar dochters zou verkrachten en hen zou vermoorden door hen in stukken te snijden. Tegen [aangever 2] heeft zij gezegd dat zij hem zou doodsteken en vermoorden. De verdachte was daar toen als patiënt opgenomen. Later die maand heeft de verdachte op een andere locatie van Fivoor opnieuw strafbare feiten gepleegd. Eerst heeft zij een deur en een stoel vernield, waarna zij met een (scherp) stuk van de kapotte leuning van de stoel de medewerkers heeft bedreigd.

De rechtbank vindt dit ernstige feiten. De slachtoffers deden hun werk in de zorg en waren er om de verdachte te helpen. Hoewel het handelen van de verdachte was bedoeld als schreeuw om hulp, heeft de bedreiging ervoor gezorgd dat de medewerkers zich onveilig voelden. De slachtoffers hebben aangegeven dat de bedreigingen veel impact op hun privéleven en werk hebben gehad en dat zij voortdurende spanning en alertheid ervaren.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Het strafblad van de verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 22 mei 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar een keer eerder is veroordeeld voor onder andere vernielingen. Aan haar is destijds onder andere een voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd.

Het NIFP-rapport (triple onderzoek)

Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het NIFP-rapport van 16 april 2026, opgesteld door een psychiater, een psycholoog en een forensisch milieuonderzoeker. In dit rapport staat dat de verdachte de diagnose ADHD en autismespectrumstoornis heeft gekregen en dat zij daarnaast in de loop van haar jeugd trauma’s heeft opgelopen. Hierdoor kon zij in de periode van de gepleegde feiten haar gedrag niet op een gezonde manier bijsturen en andere gedragskeuzes maken. Daarom adviseren de deskundigen om de feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Zij vinden het nodig dat de verdachte een gedwongen behandeling krijgt. Zij adviseren om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, gevolgd door een 38z-maatregel.

Het reclasseringsadvies

Daarnaast heeft de reclassering op 3 juli 2026 een reclasseringsrapport opgemaakt. Daarin staat dat de reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met een aantal bijzondere voorwaarden, namelijk:

een meldplicht bij de reclassering;

een ambulante behandeling;

het verblijven in een instelling voor begeleid wonen; en

meewerken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik van alcohol en drugs.

De reclassering adviseert geen 38z-maatregel op te leggen, omdat dat volgens de reclassering in deze zaak wettelijk niet mogelijk is. Verder adviseert de reclassering om geen gevangenisstraf op te leggen. De verdachte staat nu namelijk op de wachtlijst voor een behandeling en een detentie kan ervoor zorgen dat risicovol gedrag van de verdachte juist toeneemt.

De op te leggen straf

Oplegging van een gevangenisstraf van 170 dagen, waarvan 5 dagen voorwaardelijk

De verdachte heeft al 165 dagen (ongeveer vijf en halve maand) in voorlopige hechtenis gezeten. Vanwege de feiten die zijn bewezen (twee bedreigingen en een vernieling) en omdat de rechtbank het advies van de deskundigen om de verdachte de feiten in verminderde mate toe te rekenen volgt, is dat een aanzienlijk langere tijd dan de gevangenisstraf die de rechtbank in deze zaak passend vindt. Daarom vindt de rechtbank het eigenlijk niet op zijn plaats om nog een extra of langere straf op te leggen.

Tegelijkertijd ziet de rechtbank ook dat het nodig is dat de verdachte wordt behandeld en begeleid om te voorkomen dat zij in de toekomst opnieuw strafbare feiten zal plegen. Op dit moment staat de verdachte al onder toezicht van de reclassering en staat zij ook hoog op de lijst voor een behandeling bij Inforsa. Het zou onwenselijk zijn als de reeds lopende hulp en begeleiding zou wegvallen en de verdachte de behandeling bij Inforsa niet zal krijgen. Dat zou namelijk betekenen dat de verdachte (opnieuw) in een vrijwillig kader, buiten het strafrecht om, naar begeleiding zou moeten zoeken. In de afgelopen anderhalf jaar heeft zij dat al geprobeerd, maar is de hulp niet van de grond gekomen.

Om de juiste behandeling alsnog te kunnen bieden, is het nodig dat aan de verdachte een voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd met bijzondere voorwaarden. De verdachte en haar advocaat willen zelf ook dat deze hulp aan de verdachte wordt geboden via het strafrecht. Hoewel dat op grond van de bewezen feiten eigenlijk niet passend is, zal de rechtbank daarom toch beslissen dat aan de verdachte een gevangenisstraf met een (minimaal) voorwaardelijk strafdeel zal worden opgelegd.

Gelet op dit alles komt de rechtbank tot het oordeel dat aan de verdachte een gevangenisstraf van 170 dagen wordt opgelegd. De tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht (165 dagen), wordt van deze straf afgetrokken. Van de resterende gevangenisstraf worden 5 dagen voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. Aan dit voorwaardelijke strafdeel worden de bijzondere voorwaarden gekoppeld die door de reclassering zijn geadviseerd.

Geen oplegging van een 38z-maatregel

Anders dan de eis van de officier van justitie zal de rechtbank geen 38z-maatregel opleggen. Er wordt niet voldaan aan de eisen die de wet aan de oplegging daarvan stelt. In artikel 38z lid 1 Sr staat namelijk dat deze maatregel alleen kan worden opgelegd aan personen aan wie een tbs-maatregel wordt opgelegd of aan personen die zijn veroordeeld voor een zeden- of zwaar geweldsdelict. Omdat de verdachte is veroordeeld voor het plegen van bedreigingen en een vernieling, wordt niet voldaan aan de wettelijke vereisten.

De voorlopige hechtenis wordt opgeheven

Het (al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven, omdat aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor langere duur is opgelegd dan de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6
Vordering benadeelde partijen
6.1.

Vordering van de benadeelde partijen

[aangever 2] , [aangever 3] en [aangever 4] hebben zich gesteld als benadeelde partij. Zij vorderen dat de verdachte wordt veroordeeld tot het betalen van de volgende schadevergoedingen, vermeerderd met de wettelijke rente:

Benadeelde partij

Materiële schade

Immateriële schade

Feit uit de beschuldiging

[aangever 2]

€ 60,00 (kapotte broek)

€ 6.000,00

feit 2 en 3

[aangever 3]

-

€ 4.500,00

feit 3

[aangever 4]

-

€ 5.500,00

feit 3

Verder verzoeken de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Dat betekent (kort gezegd) dat de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem of haar doet.

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van [aangever 2]

De officier van justitie eist om de gevorderde immateriële schade van [aangever 2] toe te wijzen tot een bedrag van € 1.600,00, omdat hij fysiek letsel heeft opgelopen door de mishandeling.

Hoewel [aangever 2] het bedrag aan materiële schade niet heeft onderbouwd, vindt de officier van justitie de hoogte van het gevraagde bedrag redelijk. Zij vraagt de rechtbank bij de beoordeling van deze post gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.

De vorderingen van [aangever 3] en [aangever 4]

De officier van justitie eist de benadeelde partijen [aangever 3] en [aangever 4] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel of dat de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dat is wel vereist voor toewijzing van immateriële schade.

6.3.

Standpunt van de verdediging

De vordering van [aangever 2]

De verdediging heeft verzocht de gevorderde materiële schade van [aangever 2] af te wijzen, vanwege de bepleite vrijspraak van feit 2 (de mishandeling). Ook de gevorderde immateriële schade moet volgens de verdediging worden afgewezen dan wel niet ontvankelijk te worden verklaard. De vordering voldoet namelijk niet aan de eisen van de wet (artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW)).

De vorderingen van [aangever 3] en [aangever 4]

De verdediging heeft verzocht om ook de vorderingen van [aangever 3] en [aangever 4] af te wijzen, omdat niet is voldaan aan de eisen van artikel 6:106 sub b BW.

6.4.

Oordeel van de rechtbank

Niet-ontvankelijkverklaring van [aangever 4] in zijn vordering

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de bedreiging van [aangever 4] (feit 3). Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat [aangever 4] niet-ontvankelijk is in de vordering.

Niet-ontvankelijkverklaring van [aangever 2] en [aangever 3] in hun vorderingen

Ook [aangever 2] en [aangever 3] zullen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. Allereerst geldt voor de immateriële schade dat deze niet genoeg is onderbouwd om te voldoen aan de eisen van de wet en de rechtspraak van de Hoge Raad. De rechtbank legt dat hierna uit.

Vergoeding van immateriële schade is volgens artikel 6:106 sub b BW alleen mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.

[aangever 2] heeft als eerste aangevoerd dat hij door de mishandeling lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit letsel kan echter niet worden gebruikt als de grondslag van de vordering, omdat de verdachte is vrijgesproken van de mishandeling. Dat betekent dat de vordering van zowel [aangever 2] als [aangever 3] alleen zou kunnen worden gebaseerd op de laatste grondslag (aantasting in de persoon ‘op andere wijze’).

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het gepleegde strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder verdere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

Hoewel beide benadeelde partijen hebben aangegeven dat zij geestelijk nog last hebben van de gepleegde feiten, hebben zij geen gegevens verstrekt waaruit dat blijkt. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat op een andere manier sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partijen niet genoeg met concrete gegevens hebben onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor hen heeft gehad.

Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake, gelet op rechtspraak van de Hoge Raad.

Naast immateriële schade heeft [aangever 2] ook een materiële schadevergoeding gevorderd, namelijk € 60,00 aan schade aan zijn broek, omdat zijn broek tijdens de fixatie van de verdachte kapot is gegaan door het glas. Vanwege de vrijspraak van de mishandeling kan de rechtbank daarvoor volgens de wet echter geen schadevergoeding toekennen. De rechtbank bepaalt daarom dat [aangever 2] ook in het materiële deel niet-ontvankelijk is in de vordering.

Vergoeding van de proceskosten door de benadeelde partijen

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Doordat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen, is niet komen vast te staan of en in hoeverre zij hun vorderingen terecht hebben ingediend. De benadeelde partijen moeten daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vorderingen in te gaan. De rechtbank oordeelt dat op dit moment niet vast staat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil (€ 0,00).

7
Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

8
De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart feit 1 en feit 2 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 3, 4 en 5 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 3, 4 en 5 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 170 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 5 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;

- als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte:

* meldplichtzich gedurende de proeftijd blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2, 3524 SJ te Utrecht;

* ambulante behandelingzich gedurende de proeftijd laat behandelen door Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra er plek is. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder andere gericht op reguleren, mentaliseren, grenzen bewaken, het maken van een signaleringsplan en kwetsbaarheid. Kennis en specialisatie in het Autisme Spectrum Stoornis is een noodzaak. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

* verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te bepalen of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start wanneer de reclassering dit noodzakelijk acht. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering

* beheersen middelengebruikgedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

- geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de hiervoor genoemde voorwaarden genoemd en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever 3] (feit 3)

verklaart [aangever 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever 2] (feit 2 en 3)

verklaart [aangever 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever 4] (feit 3)

verklaart [aangever 4] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. L.R.H. Koekoek, voorzitter, mr. L.M. Reijnierse en mr. T. Christoph, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Broere als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.

De voorzitter en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na nadere omschrijving van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1

zij op of omstreeks 30 september 2025 te Nieuwegein en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die Buis, al dan niet indirect via politieambtenaren, dreigend de

woorden toe te voegen "ik ga ze vermoorden" en/of "ik ga ze doodsteken" en/of "zij moeten dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2

zij op of omstreeks 1 november 2025 te Den Dolder, gemeente Zeist, [aangever 2] , medewerker van de instelling Fivoor, heeft mishandeld, door die [aangever 2] met glas in het been en/of de arm te steken, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;

3

zij op of omstreeks 1 november 2025 te Den Dolder, gemeente Zeist [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever 2] en/of [aangever 4] dreigend de woorden toe te voegen - zakelijk weergegeven - dat zij hen gaat doodsteken en/of gaat vermoorden en/of

die [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen dat zij haar in stukken gaat snijden en/of haar dochters gaat verkrachten en vermoorden door in stukken te snijden en/of die [aangever 3] te vragen of zij, [aangever 3] , nog wel veilig door Overvecht kan lopen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of door, terwijl zij een conflict aanging met die [aangever 2] en/of [aangever 4] , glasscherven, althans scherpe voorwerpen vast te houden;

4

zij op of omstreeks 25 november 2025 te 's-Gravenhage, in elk geval Nederland, zorgmedewerkers van de instelling Fivoor heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een scherp houten punt of voorwerp en/of een lat met spijkers, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp met spijkers, te richten op die medewerkers, althans te tonen aan die medewerkers en/of hen de woorden toe te voegen, zakelijk weergegeven, dat zij een steekwapen hanteert;

5

zij op of omstreeks 25 november 2025 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

opzettelijk en wederrechtelijk een raam en/of deuren en/of een stoel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de instelling Fivoor, toebehoorde

heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Voetnoot

Voetnoot 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025378581, doorgenummerd pagina 1 tot en met 51. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Voetnoot 2

Pagina 27 t/m 29

Voetnoot 3

Pagina 21 t/m 23

Voetnoot 4

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Den Haag met proces-verbaalnummer PL1500-2025400003, doorgenummerd pagina 1 tot en met 34. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Voetnoot 5

Pagina 2 en 3