Beslissing
- verklaart het primaire feit onder parketnummer 16/016257-26 niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
verklaart bewezen dat [verdachte] het subsidiaire feit onder parketnummer 16/016257-26, feit 1 en feit 2 onder parketnummer 16/118302-25 en het feit onder parketnummer 16/137839-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid [verdachte]
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;
veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uren (te vervangen door 50 dagen jeugddetentie in het geval [verdachte] de werkstraf niet of niet naar behoren verricht);
bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf in mindering zal worden gebracht, berekend met een maatstaf van 2 uren werkstraf per dag;
bepaalt dat van de werkstraf een gedeelte van 60 uren (te vervangen door 30 dagen jeugddetentie) niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;
- als algemene voorwaarden gelden dat [verdachte] :
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:
- meewerkt aan het hervatten van een PMT (psychomotorische therapie) traject;
- meewerkt aan andere vormen van begeleiding en/of behandeling, mocht hiervoor door de jeugdreclassering of andere betrokkenen noodzaak worden gezien;
- meewerkt aan een delictbespreking met de jeugdreclasseringswerker;
- zich houdt aan een locatiegebod voor de crisisopvang van [instelling 2] , gelegen aan de [adres 1] , [postcode] [plaats 1] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. Dit kan middels elektronische monitoring worden gecontroleerd. [verdachte] mag de woning uitsluitend met expliciete toestemming en onder begeleiding van de jeugdreclassering of van begeleiders van de opvang verlaten;
- een locatieverbod krijgt voor de gemeente Vijfheerenlanden, welke middels elektronische monitoring kan worden gecontroleerd, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
- meewerkt aan het vinden van een passende vorm van dagbesteding, als school en/of werk;
- meewerkt aan het vinden en onderhouden van een positieve en gestructureerde vrijetijdsbesteding in de vorm van een hobby of sport;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met de medeverdachten, te weten de heer [medeverdachte 1] ( [geboortedatum] 2011), de heer [medeverdachte 2] ( [geboortedatum] 2010) en de heer [medeverdachte 3] ( [geboortedatum] 2009), zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met het slachtoffer de heer [aangever 1] ( [geboortedatum] 2010), zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
- geeft aan de gecertificeerde instelling Leger des Heils opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
vorderingen tot schadevergoeding
benadeelde partij [aangever 1] – parketnummer 16/016257-26
wijst de vordering van [aangever 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 150,00, bestaande uit materiële schade;
veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [aangever 1] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2026 tot de dag van volledige betaling;
verklaart [aangever 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
compenseert de kosten van partijen aldus, dat partijen hun eigen kosten dragen;
legt aan [verdachte] hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [aangever 1] aan de Staat € 150,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2026 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt geen gijzeling toegepast;
bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
benadeelde partij [aangever 2] – parketnummer 16/118302-25 feit 1
wijst de vordering van [aangever 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade;
veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [aangever 2] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart [aangever 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt [verdachte] in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt aan [verdachte] hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [aangever 2] aan de Staat € 500,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2025 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt geen gijzeling toegepast;
bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
benadeelde partij [aangever 3] - parketnummer 16/118302-25 feit 2
wijst de vordering van [aangever 3] geheel toe tot een bedrag van € 725,46, bestaande uit € 25,46 aan materiële schade en € 700,00 aan immateriële schade;
veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [aangever 3] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [verdachte] in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt aan [verdachte] hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [aangever 3] aan de Staat € 725,46 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2025 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt geen gijzeling toegepast;
bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
benadeelde partij [aangever 4] – parketnummer 16/137839-25
wijst de vordering van [aangever 4] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 70,00, bestaande uit materiële schade;
veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [aangever 4] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart [aangever 4] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt [verdachte] in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [aangever 4] aan de Staat € 70,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2025 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt geen gijzeling toegepast;
bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.O. Zuurmond, voorzitter en tevens kinderrechter, mr. N.P.J. Janssens en mr. T. Dopheide, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 16/016257-26
primair
hij op of omstreeks 15 januari 2026 te Leerdam, gemeente Vijfheerenlanden, Gruttopad en/of IJsvogellaan, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 1] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
- het versperren van de weg voor die [aangever 1] ,
- het dwingen dat die [aangever 1] meeliep en hem daartoe bij zijn schouders te begeleiden,
- het dwingen dat die [aangever 1] zijn tas af doet, en/of
- het één of meermalen slaan tegen het hoofd en/of in de zij, althans tegen het lichaam van die [aangever 1] ;
subsidiair
hij op of omstreeks 15 januari 2026 te Leerdam, gemeente Vijfheerenlanden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander, te weten [aangever 1] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of een of meer derden, te weten die [aangever 1] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, door die [aangever 1] bij de schouders te pakken en hem te dwingen mee te lopen en/of zijn tas af te doen;
in de zaak met parketnummer 16/118302-25
feit 1
hij op of omstreeks 4 maart 2025 te Leerdam, gemeente Vijfheerenlanden openlijk, te weten op/aan de Recht van ter Leede, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 2] , door die [aangever 2]
- te duwen en/of
- een of meermalen tegen het gezicht, althans het lichaam, te slaan en/of
- een of meermalen tegen de linkerarm en/of het been, althans het lichaam, te schoppen,
terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een schram op de rechter oogkas, voor die [aangever 2] ten gevolge heeft gehad;
feit 2
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te Leerdam, gemeente Vijfheerenlanden openlijk, te weten, op/aan de Meentplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 3] , door die [aangever 3]
- te duwen en/of
- tegen het gezicht, althans het lichaam, te slaan en/of
- tegen het gezicht, althans het lichaam te schoppen;
in de zaak met parketnummer 16/137839-25
hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Leerdam, gemeente Vijfheerenlanden een fiets (Mountainbike Merk: Target, blauw), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] van 15 januari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Pleegdatum: 15 januari 2026
Ik was op de fiets op weg naar huis. E stonden twee jongens in een steegje te wachten. Ik hoorde dat zij tegen mij zeiden: “stop, kom met ons mee praten.” Ik stopte omdat ik niet anders kon, omdat zij op het fietspad gingen staan, maar eigenlijk wilde ik gewoon naar huis. Ze zeiden dat ik moest meelopen. Toen kwamen er nog vier andere jongens aanlopen die zich bij ons voegde. Een van de jongens herkende ik, het was [verdachte] .
Ik heb mijn fiets neergezet en moest met de groep meelopen. Zij zeiden dat ik moest meelopen. Ik had mijn telefoon in mijn hand, en [medeverdachte 3] pakte deze uit mijn hand. Ik zei tegen hem dat ik hem terug wilde hebben, maar hij deed dit niet. We (ik met de groep jongens) liepen door over de IJsvogellaan richting het steegje de Zwaluwpad. Ik wilde dit niet, maar kon ook niet weg komen, doordat de jongens op een dreigende toon tegen me praatte. Toen we in de Zwaluwpad liepen deed ik mijn tas af en ik zette deze op de grond, omdat [verdachte] zei dat hij in mijn tas en zakken wilde kijken. (Voetnoot 2) Toen ik een kans zag om weg rennen, rende ik weg. [verdachte] had een rode capuchon op. (Voetnoot 3)
- het proces-verbaal van bevindingen van 17 januari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven :
Ik bekeek de camerabeelden van de [adres 2] te [plaats 2] . Ik zag dat deze beelden dateerden van 15 januari 2026. Van de beelden heb ik screenshots gemaakt en hier op heb ik het volgende bevonden: (Voetnoot 4)
Omschrijving 16:14:35 uur: Vier personen komen de parkeerplaats op lopen. De jongen met de rugtas, waarschijnlijk de aangever, wordt hier door twee verdachten bij zijn schouders vastgehouden. De persoon met de rode capuchon is verdachte [verdachte] . (Voetnoot 5)
Omschrijving 16:14:50 uur: De aangever wordt de gehele weg vastgehouden door [verdachte] en de andere verdachte. (Voetnoot 6)
Omschrijving 16:15:10 uur. De groep staat bij elkaar. Eén persoon staat met zijn rug richting de heg en zet een rugtas op de grond tegen de heg. Ik vermoed dat dit de aangever is. (Voetnoot 7)
- de verklaring van [verdachte] op de zitting van 28 mei 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 15 januari 2026 kwam ik aan in Leerdam om af te spreken met vrienden. Wij zijn naar andere vrienden gegaan, daar was [aangever 1] ook. Wij gingen een stukje lopen met [aangever 1] . Ik ging naast hem lopen en legde mijn hand op zijn schouder. We kwamen aan bij een steeg en hij legde zijn tas neer. Wij pakte zijn spullen, maar ik legde het ook weer terug. Daarna rende hij weg.
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] van 11 maart 2025 met fotobijlage, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 4 maart 2025 fietste over het Recht van ter Leede. Ik zag daar op de picknicktafels
een paar jongens zitten. Ik hoorde dat er onderling uit de groep iets werd gezegd toen ik langs fietste. Ik wilde eigenlijk doorfietsen, maar ik zag dat een jongen uit de groep mij achterna was gerend en mij bij mijn jas vastpakte. Ik kan deze jongen al volgt omschrijven:
- Bruin haar, beetje opgeschoren;
- Droeg een zwarte jas en zwarte broek;
- Witte huidskleur.
Ik noem de jongen in de rest van de aangifte NN1. Op de foto’s die mijn vader heeft gemaakt herken ik de jongen als de jongen die met zijn gezicht vol in beeld staat. (Voetnoot 9)
Ik zag dat NN1 ongeveer links voor mij stond terwijl ik nog mijn fiets tussen mijn benen had. Ik zag dat hij zijn rechtervuist naar achteren haalde en hij deze met kracht voorwaarts tegen mijn rechteroogkas aan sloeg. Ik voelde gelijk pijn op mijn gezicht. Ik voelde dat ik direct daarna werd geduwd vanaf de linkerkant, waardoor ik naar rechts toe op mijn zijkant viel in de berm, omdat ik mijn fiets nog tussen mijn benen had. Ik lag op mijn rechterzijkant en keek wat naar links. Ik zag dat alle jongens om mij heen stonden en voelde dat er van verschillende kanten op mij werd getrapt. Ik weet in ieder geval dat NN1 mij ook had getrapt. Ik voelde dat ik ongeveer twee of drie keer ben getrapt. Mijn linkerarm heeft de dagen erna nog pijn gedaan. Ik zag later nog op mijn rug een blauwe plek.
Mijn vader is gelijk naar de picknicktafels gereden en heeft daar wat rondgekeken of hij de
jongens nog aantrof. Net voorbij de Bruininxdeelse Kade op het fietspad zag hij twee jongens op een fatbike. Mijn vader heeft foto’s gemaakt van die twee jongens en ik herken deze jongens als NN1 en NN2. (Voetnoot 10)
De volgende dag had ik een schram op mijn rechteroogkas op de plek waar ik was geslagen. (Voetnoot 11)
- het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
In het kader van het onderzoek uit deze registratie keek ik, verbalisant, naar een fotobijlage.
Ik herken op foto 1 en foto 2 [verdachte] (opmerking rechtbank: foto 1 en foto 2 zijn van de jongen die met zijn gezicht in beeld staat, de andere jongen schermt zijn gezicht af). Ik herken [verdachte] dus door zijn gezicht. (Voetnoot 12)
- een geschrift, te weten een notitie van de huisarts van [aangever 2] van 5 maart 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
O: (de rechtbank begrijpt: Objectief, de feiten en waarnemingen die de huisarts constateert) Klein schrammetje wang rechts. (Voetnoot 13)
- de verklaring van [verdachte] op de zitting van 28 mei 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik was op 4 maart 2025 met vrienden. Er fietste een jongen langs en wij liepen naar hem toe. Er werden wat dingen tegen hem gezegd. Ik heb gezien wat er is gebeurd. Even later kwam een man langs en die maakte een foto van ons. Hij zei dat wij zijn zoon hadden geslagen.
[verdachte] bekent dat hij dit feit heeft gepleegd, zoals bewezen is verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] van 7 maart 2025, met fotobijlage;
de verklaring van [verdachte] op de zitting van 28 mei 2026.
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] van 26 maart 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De fiets van mijn dochter is gestolen vanaf het terrein van voetbalclub [club] . De parkbeheerder heeft de diefstal op camerabeelden geconstateerd. (Voetnoot 15)
- de verklaring van [verdachte] op de zitting van 28 mei 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb op 26 maart 2025 een fiets meegenomen. Het fiets stond tegen een hek aan en stond niet op slot. Ik heb die fiets gepakt en ben op de fiets gaan zitten.