Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:5686

Op 11 June 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 16-016257-26, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:5686. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
16-016257-26
Datum uitspraak:
11 June 2026
Datum publicatie:
19 August 2026

Indicatie

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor twee openlijke geweldplegingen, diefstal van een fiets en het medeplegen van iemand dwingen iets te doen. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uren, met aftrek van voorarrest (20 dagen, dus 40 uur), waarvan 60 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met bijzondere voorwaarden. Rekening gehouden met voorarrest en persoonlijke omstandigheden. Geen andere onvoorwaardelijke straf meer, onder andere gelet op de omstandigheid dat de verdachte 20 dagen in voorarrest heeft doorgebracht. Beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16.016257.26; 16/118302-25 (t.t.z. gevoegd); 16/137839-25 (t.t.z. gevoegd)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 11 juni 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,

verblijvende op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats 1] ,

hierna: [verdachte] .

1
Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 28 mei 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

[verdachte] ;

de officier van justitie: mr. L. Rinsma;

de advocaat van [verdachte] : mr. H.S.K. Jap A Joe (hierna: de advocaat);

een raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming: [A] ;

de jeugdbeschermer van [verdachte] : [B] ;

een jeugdreclasseringswerker: [C] ;

2
Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:

in de zaak met parketnummer 16/016257-26

primair

op 15 januari 2026 in Leerdam openlijk en samen met anderen geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1] ;

subsidiair

op 15 januari 2026 in Leerdam samen met anderen en met (bedreiging) met geweld of met enige andere feitelijkheid [aangever 1] heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden (door hem bij de schouders te pakken en hem te dwingen mee te lopen en/of zijn tas af te doen);

in de zaak met parketnummer 16/118302-25

feit 1

op 4 maart 2025 in Leerdam openlijk en samen met anderen geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2] ;

feit 2

op 7 maart 2025 in Leerdam openlijk en samen met anderen geweld heeft gepleegd tegen [aangever 3] ;

in de zaak met parketnummer 16/137839-25

op 26 maart 2026 in Leerdam een fiets van [aangever 4] heeft gestolen.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3
Bewijs
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat kan worden bewezen dat [verdachte] het subsidiaire feit onder parketnummer 16/016257-26 (het samen met anderen [aangever 1] dwingen om iets te doen), feit 1 (openlijk geweld met anderen tegen [aangever 2] ) en feit 2 (openlijk geweld met anderen tegen [aangever 3] ) onder parketnummer 16/118302-25 en het feit onder parketnummer 16/137839-25 (diefstal van fiets van [aangever 4] ) heeft gepleegd.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het primaire feit onder parketnummer 16/016257-26 (openlijke geweldpleging tegen [aangever 1] ).

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken van het primaire en subsidiaire feit onder parketnummer 16/016257-26 (openlijk geweld of dwang tegen [aangever 1] ), feit 1 onder parketnummer 16/118302-25 (openlijk geweld met anderen tegen [aangever 2] ) en het feit onder parketnummer 16/137839-25 (diefstal van de fiets van [aangever 4] ). De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.

De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 16/118302-25.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak primaire feit onder parketnummer 16/016257-26

De rechtbank oordeelt dat het primaire feit onder parketnummer 16/016257-26 (openlijke geweldpleging tegen [aangever 1] ) niet is bewezen en zal [verdachte] daarvan vrijspreken. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

3.3.2.

Bewijsmiddelen

De rechtbank oordeelt dat het subsidiaire feit onder parketnummer 16/016257-26 (het samen met anderen [aangever 1] dwingen om iets te doen), feit 1 (openlijk geweld met anderen tegen [aangever 2] ) en feit 2 (openlijk geweld met anderen tegen [aangever 3] ) onder parketnummer 16/118302-25 en het feit onder parketnummer 16/137839-25 (diefstal van de fiets van [aangever 4] ) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

3.3.3.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het subsidiaire feit onder parketnummer 16/016257-26 ( [aangever 1] dwingen iets te doen)

Uit de aangifte volgt dat de aangever op 15 januari 2026 op weg was naar huis en dat twee jongens hem in een steegje opwachtten. De aangever stopte, omdat de jongens op het fietspad stonden en hij niet anders kon. Daarna kwamen er nog vier andere jongens bij, waaronder [verdachte] . De aangever moest meelopen, terwijl hij dat niet wilde. Hij kon echter niet wegkomen omdat de jongens op dreigende toon tegen de aangever praatten. Toen [verdachte] tegen de aangever zei dat hij in zijn tas en zakken wilde kijken, heeft de aangever zijn rugtas afgedaan.

De advocaat voert aan dat er geen sprake is geweest van dwang. [verdachte] heeft de aangever bij de schouder vastgepakt, maar dat was niet om hem te dwingen mee te lopen of zijn spullen af te geven. Daarom moet [verdachte] worden vrijgesproken van het subsidiaire feit.

De rechtbank oordeelt dat vaststaat dat [verdachte] samen met anderen door zijn handelen de aangever heeft gedwongen mee te lopen en zijn tas af te doen. Op de beelden is te zien dat [verdachte] en de andere jongens om de aangever heen liepen en dat [verdachte] de aangever tijdens het lopen bij de schouder vast had. Deze beelden bevestigen de verklaring van de aangever dat hij niet weg kon lopen van [verdachte] en de groep jongens. De rechtbank acht op basis van de beelden niet aannemelijk geworden dat [verdachte] zijn hand alleen maar op de schouder van de aangever legde om te vragen wat er aan de hand was. Deze omstandigheden in combinatie met de volgens de aangever geuite dreigende woorden van de jongens zijn naar het oordeel van de rechtbank handelingen die van zodanige aard zijn dat de aangever in de gegeven omstandigheden geen weerstand kon bieden tegen het afdoen van zijn tas toen [verdachte] daarom vroeg. De rechtbank oordeelt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] door enige andere feitelijkheid de aangever heeft gedwongen iets te doen.

Ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 16/118302-25 (openlijke geweldpleging tegen [aangever 2] )

Aangever heeft verklaard dat hij op 4 maart 2025 over het Recht van ter Leede fietste. Hij zag een groep jongens, waar [verdachte] deel van uitmaakte. Hij zegt dat [verdachte] hem vastpakte en een andere jongen over een ruzie begon. [verdachte] ging voor de aangever staan en sloeg hem in het gezicht. Daarna kreeg de aangever een duw, waardoor hij viel. Nadat hij viel, werd hij door [verdachte] en andere jongens uit de groep meermalen getrapt. Daarna fietste de aangever naar huis en vertelde hij aan zijn ouders wat er was gebeurd. De vader van de aangever is direct naar de plek van het incident gereden en heeft foto’s gemaakt van [verdachte] en de andere jongen, op welke foto’s de aangever [verdachte] herkende als de jongen die hem vastpakte, voor hem ging staan, tegen zijn gezicht sloeg en trapte nadat hij was gevallen. De volgende dag bleek dat de aangever een schram op zijn gezicht en blauwe plekken had.

De advocaat stelt zich op het standpunt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken. [verdachte] ontkent stellig: hij was er wel bij, maar heeft niet geslagen en/of geschopt. De aangever is alleen geconfronteerd met een foto van [verdachte] en een andere jongen, maar niet met foto’s van de andere jongens. Daardoor is het voorstelbaar dat hij [verdachte] als dader heeft aangewezen, temeer nu [verdachte] wel onderdeel uitmaakte van de groep jongens. Daardoor kan niet overtuigend bewezen worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.

De rechtbank oordeelt dat de openlijke geweldpleging wettig en overtuigend bewezen kan worden, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dat de aangever is geslagen en geschopt volgt uit zijn aangifte in combinatie met het letsel. Dat [verdachte] degene is die heeft geslagen en geschopt vindt de rechtbank ook bewezen, omdat de aangever [verdachte] direct na het incident herkende op de foto die door de vader van de aangever is gemaakt. Dat de aangever niet is geconfronteerd met foto’s van de andere jongens uit de groep, doet niet af aan de herkenning van de aangever. [verdachte] was aanwezig. Niet alleen op het moment dat de foto gemaakt werd, maar ook toen de aangever geslagen is, want dat verklaart [verdachte] zelf. De verklaring van [verdachte] op de zitting, dat hij wel aanwezig was, maar de aangever niet heeft geslagen of geschopt, acht de rechtbank niet aannemelijk.

Ten aanzien van het feit onder parketnummer 16/118302-25 (diefstal van de fiets van [aangever 4] )

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] op 26 maart 2025 een fiets heeft gepakt en daarop is gaan fietsen.

De advocaat voert aan dat het oogmerk van [verdachte] niet gericht was op het wegnemen en voor zichzelf houden van de fiets. Hij is alleen op de fiets gaan zitten en heeft een klein stukje gefietst. Juridisch gezien was er daarom slechts sprake van joyriding en ontbrak het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De diefstal kan niet wettig en overtuigend bewezen worden.

De rechtbank oordeelt dat het handelen van [verdachte] naar zijn uiterlijke verschijningsvorm diefstal oplevert. Hij heeft namelijk zonder toestemming de fiets van de aangeefster gepakt, is daarop gaan fietsen en heeft zelf besloten wat verder te doen met de fiets of waar die weer neer te zetten. Daarmee heeft hij als heer en meester over de fiets beschikt, waaruit zijn oogmerk op toe-eigening blijkt. Dat [verdachte] heeft verklaard dat hij alleen een stukje wilde rijden op de fiets en dat hij de fiets niet mee wilde nemen naar huis doet daar niet aan af. Het oogmerk op toe-eigening blijkt namelijk al uit het wegnemen van de fiets. De rechtbank oordeelt dan ook dat sprake is van een voltooide diefstal en komt tot een bewezenverklaring van de diefstal van de fiets van de aangeefster.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :

in de zaak met parketnummer 16/016257-26

op 15 januari 2026 te Leerdam, gemeente Vijfheerenlanden, tezamen en in vereniging met anderen, een ander, te weten [aangever 1] , door enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, te weten die [aangever 1] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, door die [aangever 1] bij de schouders te pakken en hem te dwingen mee te lopen en zijn tas af te doen;

in de zaak met parketnummer 16/118302-25

feit 1

op 4 maart 2025 te Leerdam, gemeente Vijfheerenlanden, openlijk, te weten aan het Recht van ter Leede, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 2] , door die [aangever 2]

- te duwen en

- eenmaal tegen het gezicht te slaan en

- meermalen tegen de linkerarm en het been te schoppen,

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een schram op de rechteroogkas, voor die [aangever 2] ten gevolge heeft gehad;

feit 2

op 7 maart 2025 te Leerdam, gemeente Vijfheerenlanden, openlijk, te weten op de Meentplein, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 3] , door die [aangever 3]

- te duwen en

- tegen het gezicht te slaan en

- tegen het lichaam te schoppen;

in de zaak met parketnummer 16/137839-25

op 26 maart 2025 te Leerdam, gemeente Vijfheerenlanden, een fiets (Mountainbike Merk: Target, blauw) die aan [aangever 4] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.

4
Kwalificatie en strafbaarheid
4.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

in de zaak met parketnummer 16/016257-26

medeplegen van een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen;

in de zaak met parketnummer 16/118302-25

feit 1

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

feit 2

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

in de zaak met parketnummer 16/137839-25

diefstal.

4.2.

Strafbaarheid feiten en [verdachte]

De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.

5
Straf
5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uren, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 60 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

5.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat voert aan dat [verdachte] al voldoende gestraft is; hij loopt sinds januari 2026 in een schorsing en heeft al 20 dagen doorgebracht in voorarrest. Gelet op het voorgaande, in combinatie met de zeer jonge leeftijd van [verdachte] en het feit dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, verzoekt de advocaat om geen andere straf op te leggen dan de 20 dagen jeugddetentie die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht. [verdachte] wil meewerken aan dat wat nodig is om zijn leven te verbeteren en wil graag hulp voor het vinden van een passende school. Dat hoeft niet in een strafrechtelijk kader plaats te vinden, maar dat kan in een civielrechtelijk kader.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

Op 4 maart 2025 heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [aangever 2] en kort daarna, op 7 maart 2025, heeft hij zich wederom schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging, tegen [aangever 3] . Dit zijn twee zeer nare feiten waarbij [verdachte] in het openbaar de slachtoffers heeft aangevallen. Een van de slachtoffers ( [aangever 3] ) is een oudere man. Voor de slachtoffers kwam dit uit het niets en dat heeft een behoorlijke impact op hen gehad. Niet alleen fysiek door het letsel dat ze hebben opgelopen, maar ook omdat ze daardoor angstiger zijn geworden (dit blijkt uit de vorderingen tot schadevergoeding waarin zij dat hebben toegelicht). Daar komt bij dat de incidenten plaatsvonden op de openbare weg, waardoor meerdere omstanders hiervan getuige (kunnen) zijn geweest. Door dit soort geweld voelen mensen zich onveilig.

Verder heeft [verdachte] op 26 maart 2025 een fiets gestolen. Hij heeft een fiets gepakt en meegenomen, zonder na te denken hoe vervelend en kostbaar dit voor de eigenaar van de fiets is. Door zo te handelen heeft [verdachte] er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de spullen van een ander.

Tot slot heeft [verdachte] op 15 januari 2026 samen met anderen aangever [aangever 1] gedwongen om zijn tas af te doen door dreigende woorden te uiten en om hem heen te lopen met een hand op zijn schouder. De aangever was onderweg naar huis en werd uit het niets tegengehouden door een groep jongens en gedwongen mee te lopen. [verdachte] heeft daaraan meegedaan en heeft het slachtoffer bang gemaakt. Ook dit slachtoffer heeft daar later nog last van gehad, zoals blijkt uit de vordering tot schadevergoeding die hij heeft ingediend.

Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van [verdachte] van 21 januari 2026. Daaruit blijkt dat [verdachte] niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Zijn strafblad is daarom geen reden voor een zwaardere straf, maar ook niet voor een lichtere straf.

[verdachte] is op 16 januari 2026 in verzekering gesteld en op 19 januari 2026 is zijn voorlopige hechtenis geschorst, onder strenge schorsingsvoorwaarden, waaronder dat [verdachte] bij Crisisopvang [instelling 1] moest verblijven.

In het rapport van 2 februari 2026 heeft de Raad geschreven dat er destijds weinig rust was in het leven van [verdachte] . [verdachte] had geen passende woonplek. Zijn vader kon die plek niet bieden en met zijn moeder had [verdachte] geen contact. In Leerdam ging [verdachte] om met ‘verkeerde’ vrienden, waarbij delictgedrag als normaal werd gezien. [verdachte] had geen dagbesteding, zoals werk of school. De kans op herhaling van delictgedrag wordt als hoog ingeschat.

De Raad heeft verder geschreven dat er sprake is van vaardigheidstekorten. Het is noodzakelijk dat [verdachte] vaardigheden aangeleerd krijgt om andere keuzes te gaan maken en het risico op agressief- antisociaal- en delictgedrag te verminderen. Het is van belang dat [verdachte] vormen van begeleiding en behandeling krijgt, waarbij gedacht wordt de inzet van een jongerencoach en het voortzetten van een psychomotorisch therapie (PMT) traject.

Sinds het rapport van 2 februari 2026 van de Raad is er veel gebeurd in het leven van [verdachte] . [verdachte] is door zijn moeder opgehaald bij [instelling 1] en verbleef sindsdien bij zijn moeder in [verblijfplaats] , tegen zijn schorsingsvoorwaarden in. [verdachte] en zijn moeder zijn niet verschenen op de zittingen van de kinderrechter op 10 februari 2026 en 9 april 2026. Op 24 april 2026 is de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven, omdat [verdachte] zich niet aan zijn schorsingsvoorwaarden hield, te weten het locatiegebod en het aanwezig zijn op de zitting.

Per 8 mei 2026 is de voorlopige hechtenis van [verdachte] opnieuw geschorst, onder strenge schorsingsvoorwaarden. [verdachte] moet onder andere verblijven bij Crisisopvang [instelling 2] in [plaats 1] en meewerken aan elektronische monitoring.

De Raad heeft in het rapport van 20 mei 2026 geschreven dat de elektronische monitoring is aangesloten. De groepsleiding van [instelling 2] is erg positief over [verdachte] : hij houdt zich aan de regels, is goed in communicatie met de groepsleiding en is vriendelijk en behulpzaam. Het gaat goed tot nu toe. [verdachte] heeft nog geen dagbesteding, waardoor het lastig is om structuur aan te brengen in zijn dag. Er heeft een bezoek plaatsgevonden met zijn moeder en zijn moeder is blij dat het goed gaat met [verdachte] . De Raad benadrukt de noodzaak tot kaders en heldere afspraken, mede gelet op het onstuimige verloop van de afgelopen maanden. De Raad adviseert aan [verdachte] een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen, met daarbij bijzondere voorwaarden.

De raadsonderzoeker van de Raad, [A] , heeft op de zitting benadrukt dat [instelling 2] heel tevreden is over [verdachte] . Vanuit [instelling 2] kan een school worden gevonden voor [verdachte] . De raadsonderzoeker vindt het belangrijk om te benoemen dat [verdachte] hulp en kaders nodig heeft, zodat hij in rust blijft en er ruimte ontstaat om stappen te zetten. Het is van belang dat [verdachte] zich kan gaan ontwikkelen, onder andere door weer naar school te gaan. De raadsonderzoeker hoopt dat [verdachte] zijn motivatie kan vasthouden.

Op de zitting heeft de jeugdbeschermer van [verdachte] , [B] , toegelicht dat [verdachte] een onrustige periode achter de rug heeft. Het is positief om te horen dat het nu zo goed gaat bij [instelling 2] . Vanuit de jeugdbescherming wordt toegewerkt naar stabiliteit en wordt ook naar de toekomst gekeken, in het kader van de verblijfplaats van [verdachte] .

[verdachte] heeft op de zitting verklaard dat de onrustige tijd in zijn leven niet leuk was, maar dat het hem wel sterk heeft gemaakt. Hij kan nu tot rust komen bij [instelling 2] . Hij wil een gelukkig leven. Dat begint voor hem met naar school gaan, zodat hij daarna kan werken. Hij heeft de juiste motivatie daarvoor. Hij mist zijn familie, maar verder is hij tevreden over de plek waar hij nu zit. De huidige plek werkt voor hem ook beter dan [instelling 1] , waar hij eerder geplaatst was.

Strafkader

Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. De oriëntatiepunten voor minderjarigen voor de feiten waar [verdachte] zich schuldig aan heeft gemaakt gaan uit van taakstraffen. Dat de geweldplegingen plaatsvonden op klaarlichte dag en in de aanwezigheid van omstanders, weegt strafverzwarend. Ook de kwetsbaarheid van het slachtoffer [aangever 3] weegt strafverzwarend, evenals de omstandigheid dat de slachtoffers [aangever 1] en [aangever 2] uit het niets werden lastig gevallen door [verdachte] en een groep jongens. De rechtbank weegt bij het bepalen van de hoogte van de straf mee dat [verdachte] , als minderjarige, al 20 dagen in de jeugdgevangenis heeft gezeten, terwijl voor dit soort feiten over het algemeen aan jeugdigen geen gevangenisstraffen worden opgelegd. De rechtbank vindt dat [verdachte] hiermee al zodanig gestraft is, dat geen andere onvoorwaardelijke straf opgelegd moet worden.

Verder heeft de rechtbank gekeken naar wat er over [verdachte] geschreven en gezegd is door de deskundigen. Het leven van [verdachte] is tot nu toe niet makkelijk geweest, terwijl hij nog erg jong is. De afgelopen periode gaat het beter met [verdachte] , doet hij goed zijn best bij [instelling 2] en lijkt hij gemotiveerd om iets van zijn toekomst te maken. De rechtbank hoopt dat [verdachte] gemotiveerd blijft, maar ziet aan de andere kant dat daarbij nog wel hulp en kaders noodzakelijk zijn.

Alles afwegende legt de rechtbank aan [verdachte] een taakstraf in de vorm van een werkstraf op voor de duur van 100 uren (te vervangen door 50 dagen jeugddetentie), met aftrek van voorarrest (2 uur voor elke dag voorarrest, dus in totaal 40 uur aftrek), waarvan een gedeelte van 60 uren (te vervangen door 30 dagen jeugddetentie) voorwaardelijk, met een proeftijd 2 jaar. Dat betekent dat [verdachte] op dit moment geen werkstraf meer hoeft uit te voeren. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen algemene en bijzondere voorwaarden worden verbonden die de Raad adviseert en die de rechtbank ook nodig vindt. Daarmee beoogt de rechtbank [verdachte] de rust, duidelijke kaders, behandeling en begeleiding die hij nodig heeft te bieden en hem op die manier gemotiveerd te houden om zich te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De voorwaardelijke taakstraf is daarbij van belang als stok achter de deur voor [verdachte] .

De rechtbank wijkt af van het standpunt van de verdediging over de strafmaat, omdat de rechtbank tot een bewezenverklaring van meer feiten komt dan de verdediging.

Na de zitting op 28 mei 2026 hebben de vader van [verdachte] en [verdachte] zelf nog een bericht aan de rechtbank gestuurd. De rechtbank heeft die berichten ook aan de advocaat van [verdachte] en aan de officier van justitie gestuurd. Deze berichten zijn niet op de zitting besproken en de rechtbank heeft er geen vragen over kunnen stellen. Om die reden kan de rechtbank daar op dit moment niks meer mee doen.

De voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6
Vordering benadeelde partij
6.1.

Vorderingen van de benadeelde partijen

in de zaak met parketnummer 16/016257-26

[aangever 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.426,95, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 426,95 voor vergoeding van materiële schade en € 1.000,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:

Telefoon (6 september 2024 besteld, Samsung Galaxy A15-46-128GB): € 157,00;

Laptop van school: € 250,00;

5 boeken: bedrag nader te bepalen;

Rugzak Puma (een jaar oud): € 19,95.

in de zaak met parketnummer 16/118302-25

[aangever 2] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000,00 voor feit 1, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit vergoeding van immateriële schade.

[aangever 3] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 725,46 voor feit 2, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 25,46 voor vergoeding van materiële schade en € 700,00 voor vergoeding van immateriële schade. De materiële schade bestaat uit gemaakte kosten voor een tetanusprik bij de huisarts.

in de zaak met parketnummer 16/137839-25

[aangever 4] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 120,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit vergoeding voor materiële schade vanwege de diefstal van de fiets van de benadeelde partij.

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van alle benadeelde partijen volledig kunnen worden toegewezen. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om de toe te wijzen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregelen op te leggen.

6.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 2] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraken. Ook ten aanzien van de benadeelde partij [aangever 4] verzoekt de advocaat de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, primair gelet op de bepleite vrijspraak en subsidiair omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De advocaat stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] geheel kan worden toegewezen.

6.4.

Oordeel van de rechtbank

[aangever 1] – parketnummer 16/016257-26

Materiële schade

Het gedeelte van de vordering dat ziet op de materiële schade is door de verdediging niet inhoudelijk betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij heeft onder dwang zijn rugtas afgedaan en achtergelaten bij [verdachte] en de andere jongens. In de rugtas zaten onder andere een laptop en boeken. De rugtas en laptop zijn later in het water teruggevonden. De telefoon van de benadeelde partij is weggenomen en niet teruggegeven.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 157,00 voor de telefoon, maar uit de vordering tot schadevergoeding blijkt dat dat het bedrag is dat de benadeelde partij bij aanschaf van de telefoon op 6 september 2024 heeft betaald. De door de benadeelde partij geleden schade is niet de aanschafwaarde, maar de waarde van de telefoon op het moment dat deze werd weggenomen. De rechtbank zal, mede gelet op het tijdsverloop, de schade begroten, door gebruik te maken van de bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten. Gelet op het voorgaande schat de rechtbank de schade op een bedrag van € 50,00.

Ook ten aanzien van de laptop (post ii.) zal de rechtbank gebruik maken van de bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten. Uit de bijlage bij de vordering tot schadevergoeding blijkt dat de laptop bij aanschaf een waarde van € 250,00 vertegenwoordigde. De rechtbank kan echter niet vaststellen op welk moment de laptop is aangeschaft. Daardoor kan de rechtbank niet bepalen wat de waarde was van de laptop op het moment dat de benadeelde partij deze achterliet. De rechtbank schat de schade op € 100,00.

Voor het meer gevorderde ten aanzien van de laptop en de telefoon is meer onderbouwing nodig. De benadeelde partij krijgt daar geen gelegenheid toe, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is ten aanzien van het meer gevorderde. De benadeelde partij kan die delen van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de boeken (post iii.) en de rugtas (post iv.) niet-ontvankelijk, omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd. De rechtbank kan niet vaststellen wat de aanschafwaarde was van de boeken en de rugtas, waardoor de rechtbank niet kan bepalen wat de waarde van die goederen was op het moment dat de benadeelde partij deze achterliet. Ook dit deel van de vordering kan alsnog aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is mogelijk op grond van artikel 6:106 sub b BW als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.

Alleen schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit, komt voor vergoeding in aanmerking. In dit geval is geen sprake van rechtstreekse schade ten aanzien van het letsel dat de benadeelde partij beschrijft. Ten aanzien van [verdachte] wordt bewezen verklaard dat hij dwang heeft toegepast op de benadeelde partij en hij wordt vrijgesproken van het geweld. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering.

Voor zover de vordering van de benadeelde partij op de grondslag aantasting in persoon ‘op andere wijze’ is gebaseerd, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij onvoldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor hem heeft gehad. De toelichting van de benadeelde partij in de vordering dat hij bang is, nachtmerries heeft en buiten om zich heen kijkt is – hoewel de rechtbank begrijpt dat dit heel vervelend is voor de benadeelde partij – daartoe onvoldoende. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake, gelet op rechtspraak van de Hoge Raad.

De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 15 januari 2026 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.

[aangever 2] – feit 1 onder parketnummer 16/118302-25

Immateriële schade

In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding en gelet op de onderbouwing van de benadeelde partij, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 500,00 passend is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. Voor het meer gevorderde is meer onderbouwing nodig. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 4 maart 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.

[aangever 3] – feit 2 onder parketnummer 16/118302-25

Materiële schade

De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.

Immateriële schade

In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding passend is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.

Wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 7 maart 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.

[aangever 4] – parketnummer 16/137839-25

Materiële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat de schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. [verdachte] heeft de fiets van de benadeelde partij weggenomen en de benadeelde partij heeft de fiets niet terug gekregen. De vordering tot schadevergoeding is door de verdediging inhoudelijk betwist. Uit de vordering tot schadevergoeding blijkt dat de fiets bij aanschaf een waarde van € 120,00 vertegenwoordigde. De rechtbank kan niet vaststellen op welk moment de fiets is aangeschaft. Daardoor kan de rechtbank niet bepalen wat de waarde was van de fiets op het moment dat de fiets werd weggenomen. De rechtbank zal gebruik maken van de bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten en acht een bedrag van € 70,00 passend.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk, omdat dit deel onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 26 maart 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskosten

[aangever 1]

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval moeten beide partijen elk hun eigen kosten betalen, omdat zowel [verdachte] als de benadeelde partij op punten ongelijk heeft gekregen.

[aangever 2] , [aangever 3], [aangever 4]

Omdat de vorderingen tot schadevergoeding (grotendeels) worden toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partijen hebben gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van hun vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] de in het dictum te noemen bedragen aan de Staat moet betalen. Als een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.

[verdachte] mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

Hoofdelijkheid

Omdat [verdachte] de strafbare feiten waarvoor ten aanzien van [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding en proceskosten niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.

7
Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 284 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

8
De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart het primaire feit onder parketnummer 16/016257-26 niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;

bewezenverklaring

verklaart bewezen dat [verdachte] het subsidiaire feit onder parketnummer 16/016257-26, feit 1 en feit 2 onder parketnummer 16/118302-25 en het feit onder parketnummer 16/137839-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid [verdachte]

- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uren (te vervangen door 50 dagen jeugddetentie in het geval [verdachte] de werkstraf niet of niet naar behoren verricht);

bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf in mindering zal worden gebracht, berekend met een maatstaf van 2 uren werkstraf per dag;

bepaalt dat van de werkstraf een gedeelte van 60 uren (te vervangen door 30 dagen jeugddetentie) niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- als algemene voorwaarden gelden dat [verdachte] :

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:

- meewerkt aan het hervatten van een PMT (psychomotorische therapie) traject;

- meewerkt aan andere vormen van begeleiding en/of behandeling, mocht hiervoor door de jeugdreclassering of andere betrokkenen noodzaak worden gezien;

- meewerkt aan een delictbespreking met de jeugdreclasseringswerker;

- zich houdt aan een locatiegebod voor de crisisopvang van [instelling 2] , gelegen aan de [adres 1] , [postcode] [plaats 1] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. Dit kan middels elektronische monitoring worden gecontroleerd. [verdachte] mag de woning uitsluitend met expliciete toestemming en onder begeleiding van de jeugdreclassering of van begeleiders van de opvang verlaten;

- een locatieverbod krijgt voor de gemeente Vijfheerenlanden, welke middels elektronische monitoring kan worden gecontroleerd, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

- meewerkt aan het vinden van een passende vorm van dagbesteding, als school en/of werk;

- meewerkt aan het vinden en onderhouden van een positieve en gestructureerde vrijetijdsbesteding in de vorm van een hobby of sport;

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met de medeverdachten, te weten de heer [medeverdachte 1] ( [geboortedatum] 2011), de heer [medeverdachte 2] ( [geboortedatum] 2010) en de heer [medeverdachte 3] ( [geboortedatum] 2009), zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met het slachtoffer de heer [aangever 1] ( [geboortedatum] 2010), zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

- geeft aan de gecertificeerde instelling Leger des Heils opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;

vorderingen tot schadevergoeding

benadeelde partij [aangever 1] – parketnummer 16/016257-26

wijst de vordering van [aangever 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 150,00, bestaande uit materiële schade;

veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [aangever 1] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2026 tot de dag van volledige betaling;

verklaart [aangever 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

compenseert de kosten van partijen aldus, dat partijen hun eigen kosten dragen;

legt aan [verdachte] hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [aangever 1] aan de Staat € 150,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2026 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt geen gijzeling toegepast;

bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

benadeelde partij [aangever 2] – parketnummer 16/118302-25 feit 1

wijst de vordering van [aangever 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade;

veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [aangever 2] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2025 tot de dag van volledige betaling;

verklaart [aangever 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt [verdachte] in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan [verdachte] hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [aangever 2] aan de Staat € 500,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2025 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt geen gijzeling toegepast;

bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

benadeelde partij [aangever 3] - parketnummer 16/118302-25 feit 2

wijst de vordering van [aangever 3] geheel toe tot een bedrag van € 725,46, bestaande uit € 25,46 aan materiële schade en € 700,00 aan immateriële schade;

veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [aangever 3] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [verdachte] in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan [verdachte] hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [aangever 3] aan de Staat € 725,46 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2025 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt geen gijzeling toegepast;

bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

benadeelde partij [aangever 4] – parketnummer 16/137839-25

wijst de vordering van [aangever 4] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 70,00, bestaande uit materiële schade;

veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [aangever 4] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2025 tot de dag van volledige betaling;

verklaart [aangever 4] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt [verdachte] in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [aangever 4] aan de Staat € 70,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2025 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt geen gijzeling toegepast;

bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.O. Zuurmond, voorzitter en tevens kinderrechter, mr. N.P.J. Janssens en mr. T. Dopheide, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.

De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 16/016257-26

primair

hij op of omstreeks 15 januari 2026 te Leerdam, gemeente Vijfheerenlanden, Gruttopad en/of IJsvogellaan, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 1] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:

- het versperren van de weg voor die [aangever 1] ,

- het dwingen dat die [aangever 1] meeliep en hem daartoe bij zijn schouders te begeleiden,

- het dwingen dat die [aangever 1] zijn tas af doet, en/of

- het één of meermalen slaan tegen het hoofd en/of in de zij, althans tegen het lichaam van die [aangever 1] ;

subsidiair

hij op of omstreeks 15 januari 2026 te Leerdam, gemeente Vijfheerenlanden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander, te weten [aangever 1] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of een of meer derden, te weten die [aangever 1] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, door die [aangever 1] bij de schouders te pakken en hem te dwingen mee te lopen en/of zijn tas af te doen;

in de zaak met parketnummer 16/118302-25

feit 1

hij op of omstreeks 4 maart 2025 te Leerdam, gemeente Vijfheerenlanden openlijk, te weten op/aan de Recht van ter Leede, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 2] , door die [aangever 2]

- te duwen en/of

- een of meermalen tegen het gezicht, althans het lichaam, te slaan en/of

- een of meermalen tegen de linkerarm en/of het been, althans het lichaam, te schoppen,

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een schram op de rechter oogkas, voor die [aangever 2] ten gevolge heeft gehad;

feit 2

hij op of omstreeks 7 maart 2025 te Leerdam, gemeente Vijfheerenlanden openlijk, te weten, op/aan de Meentplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 3] , door die [aangever 3]

- te duwen en/of

- tegen het gezicht, althans het lichaam, te slaan en/of

- tegen het gezicht, althans het lichaam te schoppen;

in de zaak met parketnummer 16/137839-25

hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Leerdam, gemeente Vijfheerenlanden een fiets (Mountainbike Merk: Target, blauw), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Bijlage II: Bewijsmiddelen

Ten aanzien van parketnummer 16/016267-26  (Voetnoot 1)

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] van 15 januari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Pleegdatum: 15 januari 2026

Ik was op de fiets op weg naar huis. E stonden twee jongens in een steegje te wachten. Ik hoorde dat zij tegen mij zeiden: “stop, kom met ons mee praten.” Ik stopte omdat ik niet anders kon, omdat zij op het fietspad gingen staan, maar eigenlijk wilde ik gewoon naar huis. Ze zeiden dat ik moest meelopen. Toen kwamen er nog vier andere jongens aanlopen die zich bij ons voegde. Een van de jongens herkende ik, het was [verdachte] .

Ik heb mijn fiets neergezet en moest met de groep meelopen. Zij zeiden dat ik moest meelopen. Ik had mijn telefoon in mijn hand, en [medeverdachte 3] pakte deze uit mijn hand. Ik zei tegen hem dat ik hem terug wilde hebben, maar hij deed dit niet. We (ik met de groep jongens) liepen door over de IJsvogellaan richting het steegje de Zwaluwpad. Ik wilde dit niet, maar kon ook niet weg komen, doordat de jongens op een dreigende toon tegen me praatte. Toen we in de Zwaluwpad liepen deed ik mijn tas af en ik zette deze op de grond, omdat [verdachte] zei dat hij in mijn tas en zakken wilde kijken. (Voetnoot 2) Toen ik een kans zag om weg rennen, rende ik weg. [verdachte] had een rode capuchon op. (Voetnoot 3)

- het proces-verbaal van bevindingen van 17 januari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven :

Ik bekeek de camerabeelden van de [adres 2] te [plaats 2] . Ik zag dat deze beelden dateerden van 15 januari 2026. Van de beelden heb ik screenshots gemaakt en hier op heb ik het volgende bevonden: (Voetnoot 4)

Omschrijving 16:14:35 uur: Vier personen komen de parkeerplaats op lopen. De jongen met de rugtas, waarschijnlijk de aangever, wordt hier door twee verdachten bij zijn schouders vastgehouden. De persoon met de rode capuchon is verdachte [verdachte](Voetnoot 5)

Omschrijving 16:14:50 uur: De aangever wordt de gehele weg vastgehouden door [verdachte] en de andere verdachte. (Voetnoot 6)

Omschrijving 16:15:10 uur. De groep staat bij elkaar. Eén persoon staat met zijn rug richting de heg en zet een rugtas op de grond tegen de heg. Ik vermoed dat dit de aangever is. (Voetnoot 7)

- de verklaring van [verdachte] op de zitting van 28 mei 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 15 januari 2026 kwam ik aan in Leerdam om af te spreken met vrienden. Wij zijn naar andere vrienden gegaan, daar was [aangever 1] ook. Wij gingen een stukje lopen met [aangever 1] . Ik ging naast hem lopen en legde mijn hand op zijn schouder. We kwamen aan bij een steeg en hij legde zijn tas neer. Wij pakte zijn spullen, maar ik legde het ook weer terug. Daarna rende hij weg.

Ten aanzien van parketnummer 16/118302-25  (Voetnoot 8)

feit 1

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] van 11 maart 2025 met fotobijlage, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 4 maart 2025 fietste over het Recht van ter Leede. Ik zag daar op de picknicktafels

een paar jongens zitten. Ik hoorde dat er onderling uit de groep iets werd gezegd toen ik langs fietste. Ik wilde eigenlijk doorfietsen, maar ik zag dat een jongen uit de groep mij achterna was gerend en mij bij mijn jas vastpakte. Ik kan deze jongen al volgt omschrijven:

- Bruin haar, beetje opgeschoren;

- Droeg een zwarte jas en zwarte broek;

- Witte huidskleur.

Ik noem de jongen in de rest van de aangifte NN1. Op de foto’s die mijn vader heeft gemaakt herken ik de jongen als de jongen die met zijn gezicht vol in beeld staat.  (Voetnoot 9)

Ik zag dat NN1 ongeveer links voor mij stond terwijl ik nog mijn fiets tussen mijn benen had. Ik zag dat hij zijn rechtervuist naar achteren haalde en hij deze met kracht voorwaarts tegen mijn rechteroogkas aan sloeg. Ik voelde gelijk pijn op mijn gezicht. Ik voelde dat ik direct daarna werd geduwd vanaf de linkerkant, waardoor ik naar rechts toe op mijn zijkant viel in de berm, omdat ik mijn fiets nog tussen mijn benen had. Ik lag op mijn rechterzijkant en keek wat naar links. Ik zag dat alle jongens om mij heen stonden en voelde dat er van verschillende kanten op mij werd getrapt. Ik weet in ieder geval dat NN1 mij ook had getrapt. Ik voelde dat ik ongeveer twee of drie keer ben getrapt. Mijn linkerarm heeft de dagen erna nog pijn gedaan. Ik zag later nog op mijn rug een blauwe plek.

Mijn vader is gelijk naar de picknicktafels gereden en heeft daar wat rondgekeken of hij de

jongens nog aantrof. Net voorbij de Bruininxdeelse Kade op het fietspad zag hij twee jongens op een fatbike. Mijn vader heeft foto’s gemaakt van die twee jongens en ik herken deze jongens als NN1 en NN2. (Voetnoot 10)

De volgende dag had ik een schram op mijn rechteroogkas op de plek waar ik was geslagen. (Voetnoot 11)

- het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

In het kader van het onderzoek uit deze registratie keek ik, verbalisant, naar een fotobijlage.

Ik herken op foto 1 en foto 2 [verdachte] (opmerking rechtbank: foto 1 en foto 2 zijn van de jongen die met zijn gezicht in beeld staat, de andere jongen schermt zijn gezicht af). Ik herken [verdachte] dus door zijn gezicht. (Voetnoot 12)

- een geschrift, te weten een notitie van de huisarts van [aangever 2] van 5 maart 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

O: (de rechtbank begrijpt: Objectief, de feiten en waarnemingen die de huisarts constateert) Klein schrammetje wang rechts. (Voetnoot 13)

- de verklaring van [verdachte] op de zitting van 28 mei 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik was op 4 maart 2025 met vrienden. Er fietste een jongen langs en wij liepen naar hem toe. Er werden wat dingen tegen hem gezegd. Ik heb gezien wat er is gebeurd. Even later kwam een man langs en die maakte een foto van ons. Hij zei dat wij zijn zoon hadden geslagen.

feit 2

[verdachte] bekent dat hij dit feit heeft gepleegd, zoals bewezen is verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] van 7 maart 2025, met fotobijlage;

de verklaring van [verdachte] op de zitting van 28 mei 2026.

Ten aanzien van parketnummer 16/137839-25  (Voetnoot 14)

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] van 26 maart 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De fiets van mijn dochter is gestolen vanaf het terrein van voetbalclub [club] . De parkbeheerder heeft de diefstal op camerabeelden geconstateerd. (Voetnoot 15)

- de verklaring van [verdachte] op de zitting van 28 mei 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb op 26 maart 2025 een fiets meegenomen. Het fiets stond tegen een hek aan en stond niet op slot. Ik heb die fiets gepakt en ben op de fiets gaan zitten.

Voetnoot

Voetnoot 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2026016815, pagina’s 1 tot en met 188. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Voetnoot 2

Pagina 12.

Voetnoot 3

Pagina 13.

Voetnoot 4

Pagina 83.

Voetnoot 5

Pagina 87.

Voetnoot 6

Pagina 88.

Voetnoot 7

Pagina 89.

Voetnoot 8

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025073216, pagina’s 1 tot en met 240. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Voetnoot 9

Pagina 15.

Voetnoot 10

Pagina 16.

Voetnoot 11

Pagina 17.

Voetnoot 12

Pagina 73.

Voetnoot 13

Pagina 24.

Voetnoot 14

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025096590, pagina’s 1 tot en met 28. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Voetnoot 15

Pagina 5.