Rechtbank Midden-Nederland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBMNE:2026:631

Op 25 February 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 16/030359-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBMNE:2026:631. De plaats van zitting was Lelystad.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
16/030359-25
Datum uitspraak:
25 February 2026
Datum publicatie:
25 February 2026

Indicatie

Verdachte heeft spookgereden op de A6 waardoor een ongeval is ontstaan. Verdachte wordt vrijgesproken van artikel 6 en 5a WVW 1994 wegens onvoldoende bewijs van het letsel en het ontbreken van het opzettelijk in ernstige mate schenden van verkeersregels. Verdachte wordt veroordeeld voor artikel 5 WVW 1994 (meer subsidiair tenlastegelegd). De rechtbank legt aan verdachte op een geldboete van € 1.000,- en een voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 6 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/030359-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 25 februari 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2001] in [geboorteplaats] ,

verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1
Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 11 februari 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

de verdachte;

de officier van justitie: mr. J.J. Bloembergen;

de advocaat van de verdachte: mr. R.P. Snorn (hierna: de advocaat).

2
Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij op 23 oktober 2024 in Nagele, samengevat:

primair

als bestuurder van een auto roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gereden als gevolg waarvan een aan zijn schuld te wijten verkeerongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen dan wel zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair

als bestuurder van een auto zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;

meer subsidiair

als bestuurder van een auto zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt en/of het verkeer op de weg werd gehinderd.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3
Bewijs
3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd met dien verstande dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onderdeel ‘roekeloos’.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

3.2

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit vrij te spreken. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak primair ten laste gelegde feit (artikel 6 WVW)

De rechtbank oordeelt dat het primair ten laste gelegde feit niet is bewezen, omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat over het ten laste gelegde letsel van het slachtoffer. De rechtbank legt hierna uit waarom.

Voor een bewezenverklaring van dit feit is vereist dat door het ongeval zodanig letsel bij het slachtoffer is ontstaan dat dit kan worden gekwalificeerd als ‘zwaar lichamelijk letsel’ dan wel letsel waaruit ‘tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan’. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, gelden als algemene gezichtspunten de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en de aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

In de tenlastelegging staat over het letsel van het slachtoffer dat sprake is van gekneusde ribben en een gebroken sleutelbeen. Het slachtoffer heeft tegen de politie verklaard dat zij dit letsel heeft opgelopen als gevolg van het ongeluk. Het dossier bevat hierover geen verdere objectieve informatie zoals een letselverklaring, foto’s of een beschrijving met enige detailinformatie. Verder ontbreekt in het dossier informatie over de eventuele noodzaak tot medisch ingrijpen en het verloop van het herstel. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende gegevens bevat over het letsel van het slachtoffer. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of het letsel kwalificeert als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank kan evenmin vaststellen dat door het letsel tijdelijke ziekte dan wel verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Hiertoe is onvoldoende dat uit het dossier blijkt dat het slachtoffer letsel heeft opgelopen, naar het ziekenhuis is gebracht en de volgende ochtend uit het ziekenhuis is ontslagen. De door de officier van justitie aangevoerde omstandigheid dat het slachtoffer al wat ouder is en het hierdoor aannemelijk zou zijn dat zij door de harde klap tijdelijk ziek was dan wel verhinderd in de uitoefening van de normale bezigheden, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.

Conclusie

Gezien het voorgaande kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

3.3.2

Vrijspraak subsidiair ten laste gelegde feit (artikel 5a WVW)

De rechtbank oordeelt daarnaast dat het subsidiair ten laste gelegde feit niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.

Opzettelijk gehandeld?

Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schending van artikel 5a van de WVW moet de rechtbank beoordelen of de verdachte met zijn verkeersgedrag (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) in ernstige mate (c) opzettelijk (d) en of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven anderen.

Op grond van het dossier stelt de rechtbank vast dat de verdachte de verkeersregels heeft geschonden door zijn rijgedrag. Hij bleef autorijden terwijl hij ernstig vermoeid was, waardoor hij onvoldoende aandacht had voor de verkeerssituatie ter plaatse. Dit leidde ertoe dat hij in de verkeerde rijrichting de snelweg opreed en is gaan spookrijden. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank ook van oordeel dat de verkeersregels in ernstige mate zijn geschonden.

Volgende vraag is of er sprake is van opzet (eventueel in voorwaardelijke vorm) gericht op het schenden van verkeersregels en tevens of er sprake is van opzet om deze verkeersregels in ernstige mate te schenden (zeer onverantwoordelijk rijgedrag). De verdachte heeft verklaard dat hij op het moment van het ongeval zwaar vermoeid was en zich niet bewust was van het spookrijden of het ontstaan van het ongeval. Het dossier bevat verder geen aanwijzingen over het opzet van de verdachte. Hierdoor kan de rechtbank niet vaststellen dat er sprake was van zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij de verdachte welbewust onaanvaardbare risico’s met ernstige gevolgen heeft genomen. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van opzettelijk in ernstige mate schenden van verkeersregels. Hierbij overweegt de rechtbank dat oververmoeid gaan rijden weliswaar onverantwoordelijk is, maar niet in die mate dat de verdachte hierdoor bewust de aanmerkelijke kans op het in ernstige mate overtreden van verkeersregels heeft genomen.

Gezien deze conclusie komt de rechtbank niet toe aan de beantwoording van de vraag of door het handelen van de verdachte gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was.

Conclusie

Op basis van het voorgaande kan ook niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5a WVW.

3.3.3

Bewijsmiddelen meer subsidiair tenlastegelegde (artikel 5 WVW)

De verdachte bekent dat hij het meer subsidiaire feit heeft gepleegd, namelijk dat hij als een bestuurder van een auto zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt en/of het verkeer op de weg werd gehinderd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:  (Voetnoot 1)

een proces-verbaal forensisch onderzoek verkeer van 16 januari 2025, doorgenummerde pagina 11 tot en met 40;

een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 26 november 2024, doorgenummerde pagina 54 tot en met 56;

een proces-verbaal van bevindingen van 29 oktober 2024, doorgenummerde pagina 86 en 87.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

meer subsidiair

op 23 oktober 2024 te Nagele, als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, merk Suzuki, kenteken [kenteken] ) daarmee rijdende over de Rijksweg A6 op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer is gaan rijden en een botsing is ontstaan tussen de door verdachte bestuurde personenauto en een auto (van het merk BMW en kenteken [kenteken] ) met de inzittende [slachtoffer] , door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4
Kwalificatie en strafbaarheid
4.1

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

meer subsidiair

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

4. 2 Strafbaarheid feit en verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5
Straf en/of maatregel
5.1

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

- een taakstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;

- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van zes maanden geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

5.2

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft de rechtbank primair verzocht om haar oordeel te baseren op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waardoor het opleggen van een geldboete binnen de daarvoor geldende categorie passend is. Subsidiair heeft de advocaat verzocht, indien er toch wordt gekozen voor opleggen van een taakstraf. deze fors te matigen gelet op de ernstige medische gevolgen die de verdachte heeft ondervonden. Door het ongeluk heeft de verdachte aanzienlijk letsel opgelopen en een langdurig revalidatietraject moeten volgen. Volledig herstel is onzeker en mogelijk zelfs uitgesloten. De impact van het ongeval op het leven van de verdachte is dan ook enorm. Ten aanzien van de gevorderde rijontzegging merkt de advocaat op dat de verdachte zijn rijbewijs zes maanden kwijt is geweest, hoewel daar geen strafrechtelijke of bestuursrechtelijke grondslag voor was. Gelet hierop acht de advocaat een geheel voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden passend.

5.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan de verdachte een geldboete van € 1.000,- op en een voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van het feit

Uit de verklaringen van de verdachte en zijn vriendin blijkt dat hij na een lange werk- en cursusdag in een toestand van zware vermoeidheid naar huis reed. Eerder die avond was de verdachte al staande gehouden door de politie vanwege zijn opvallende rijgedrag. Ook had zijn vriendin hem gewaarschuwd om te stoppen met rijden. Desondanks heeft de verdachte besloten om door te rijden, terwijl dit onverantwoord was. De gevolgen voor het slachtoffer zijn relatief beperkt gebleven, maar dit had veel ernstiger kunnen aflopen. Ook voor andere weggebruikers was de situatie zeer gevaarlijk.

De rechtbank weegt in strafverminderende zin mee in haar oordeel dat de verdachte zelf aanzienlijk letsel heeft opgelopen door het ongeval en hij daardoor gevolgen van zijn actie al heeft moeten dragen.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennisgenomen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 6 januari 2026. Uit het strafblad blijkt dat de verdachte eerder een geldboete opgelegd heeft gekregen voor een verkeersovertreding, maar de rechtbank zal dit niet in strafverzwarende zin meewegen nu dit van een andere orde is (snelheidsovertreding).

Strafkader

Voor het overtreden van de verkeersregels zoals bedoeld in artikel 5 WVW ontbreekt een oriëntatiepunt voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank heeft daarom gekeken naar straffen die in andere, vergelijkbare zaken worden opgelegd. Nu de rechtbank bovendien tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Gelet op het bovenstaande legt de rechtbank de verdachte een geldboete op van € 1.000,-, met tien dagen vervangende hechtenis als de verdachte niet betaalt. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. Hierbij wordt rekening gehouden met het feit dat de verdachte eerder zijn rijbewijs voor zes maanden kwijt is geweest. Tegelijkertijd is deze voorwaardelijke rijontzegging een stok achter de deur voor de verdachte om niet opnieuw de fout in te gaan.

6
Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

14a, 14b, 14c, 23, 24c van het Wetboek van Strafrecht;

5, 177, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Beslissing

7
De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het meer subsidiair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde tot een geldboete van € 1.000 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 (tien) dagen;

- ontzegt verdachte ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat de ontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. V.A. Groeneveld en

H.C. Piet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. van Dieren als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 23 oktober 2024 te Nagele, gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, merk Suzuki, kenteken [kenteken] ) daarmee rijdende over de Rijksweg A6, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - terwijl hij (zeer) vermoeid en/of slaperig was te blijven rijden en/of - (daarbij) niet voldoende aandacht te hebben voor de verkeerssituatie ter plaatse en/of - het (verkeers-)bord met ‘GA TERUG' dat aan het begin van de afrit van de Rijksweg A6 staat te negeren en/of - tegen de rijrichting in de rijstrook van de afrit van de Rijksweg A6 op te rijden en/of - met wisselende snelheden en/of snelheden tussen de 5 km/u en 54 km/u op die rijstrook tegen de verplichte rijrichting van het verkeer in te rijden en/of te blijven rijden en/of - niet uit te wijken om te proberen een frontale botsing te voorkomen, - (vervolgens) tegen een personenauto (van het merk BMW, kenteken [kenteken] ) te botsen en/of aan te rijden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten gekneusde ribben en/of een gebroken sleutelbeen heeft opgelopen en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

subsidiair hij op of omstreeks 23 oktober 2024 te Nagele, gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, merk Suzuki, kenteken [kenteken] ) daarmee rijdende over de Rijksweg A6, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door: - terwijl hij (zeer) vermoeid en/of slaperig was en/of te blijven rijden en/of - (daarbij) niet voldoende aandacht te hebben voor de verkeerssituatie ter plaatse en/of - het (verkeers)bord met ‘GA TERUG' dat aan het begin van de afrit van de Rijksweg A6 staat te negeren en/of - tegen de rijrichting in de rijstrook van de afrit van de Rijksweg A6 op te rijden en/of - met wisselende snelheden en/of snelheden tussen de 5 km/u en 54 km/u op die rijstrook tegen de verplichte rijrichting van het verkeer in te rijden en/of te blijven rijden en/of - niet uit te wijken om te proberen een frontale botsing te voorkomen, - (vervolgens) tegen een personenauto (van het merk BMW, kenteken [kenteken] ) te botsen en/of aan te rijden, door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was. meer subsidiair hij op of omstreeks 23 oktober 2024 te Nagele, gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, merk Suzuki, kenteken [kenteken] ) daarmee rijdende over de Rijksweg A6 op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer is gaan rijden en/of een botsing en/of aanrijding is ontstaan tussen de door verdachte bestuurde personenauto en een auto (van het merk BMW en kenteken [kenteken] ) met de inzittende [slachtoffer] , door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voetnoot

Voetnoot 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PLO0900-2024336319, doorgenummerd pagina 1 tot en met 113. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.